terug naar de beginpagina meer over dit stuk
beowulf
Vertaling Jan Jonk
beowulf Hoort! Wij hebben vernomen, welk een grootse macht de SpeerDenen, en de koningen van die natie, in dagen van weleer ten toon spreidden, welke roemruchte daden de zonen van adellijke stam verrichtten.

Scyld Scefing beroofde hele horden vijanden, vele volksstammen, vaak van de plaats waar zij dronken, deed de Herulen sidderen, hoewel hij vlak na zijn geboorte in armzalige toestand aangetroffen was. Nog tijdens zijn leven werd hem daarvoor genoegdoening verschaft, want hij werd zo groot onder de hemel, hij werd zo met eer overladen, dat de dag kwam, waarop elk der volken aan de overzij de van de walvisree hem moest gehoorzamen, hem schatplichtig was. Voorvaar, een groot koning. Later werd hem binnen de muren van de veste een kind geboren, dat God het volk stuurde om het te helpen. Hij had bemerkt in welk een ellende zij vroeger verkeerd hadden, toen ze lang zonder leider waren geweest. De Levensprins, de glorieuze Heer, gaf hem daarom eer op aarde; de roem van Beowulf, zoon van Scyld, verspreidde zich wijd en zijd over de Skandinavische landen.

Als een man jong is, nog onder zijn vaders hoede, moet hij zich zo nobel gedragen en zo vrijgevig zijn met geschenken, dat zijn kameraden hem, als hij oud is, nog steeds zullen helpen, dat zijn volk hem zal steunen, als er oorlog komt. Door onvolprezen gedrag gaat het een man altijd goed, in elke stam.

Na een veelbewogen leven stierf Scyld Scefing op het voorbestemde uur en stelde zich onder de beschutting van de Heer. Zijn eigen gezellen brachten hem naar de vertrekplaats aan de waterlijn, zoals hij, de beschermer der Scyldings, zelf had verzocht, toen zijn woord nog macht had. De geliefde koning had zijn land lang geregeerd. Daar, op de landingsplaats, stond het schip met de ringversierde schegge, het vaartuig van de edele vorst, bedekt met rijp, klaar voor de tocht. De geliefde leider, de uitdeler van ringen, de glorieprins, werd neergelegd binnen de boorden van het schip, bij de mast. Zeer veel kostbare schatten uit verre landen werden in de kog geladen. Nog nooit heb ik gehoord van een vaartuig, fraaier uitgerust met oorlogsbewapening en pantsers, met zwaarden en maliënkolders Op zijn borst lagen vele schitterende kleinodiën, die met hem de verre reis zouden ondernemen over het uitgestrekte water. Zij zonden hem geen mindere gaven, rijke schatten, mee dan die mensen hadden gedaan die hem in het begin, toen hij nog een kind was, alleen hadden weggestuurd over de golven. Bovendien plaatsten zij een gouden standaard hoog boven zijn hoofd. Ze lieten hem drijven op de holle zee, gaven hem over aan de zilte wateren. Bedroefd was hun hart, hun geest terneergeslagen. Geen raadgever in de zaal, geen dappere onder de hemel, geen enkel mens weet met zekerheid te zeggen, wie die lading in ontvangst genomen heeft.

Lange tijd stond Beowulf uit het geslacht der Scyldings bij de volken bekend als koning over de burchten; zijn vader, de vorst, was uit zijn land weggegaan, naar elders. Toen werd ook hem een kind geboren, de nobele Halfdene. Zijn leven lang was deze evaren, geduchte strijder koning over de roemrijke Scyldings. Deze legeraanvoerder werden in totaal vier kinderen geboren, Heorogar, Hrothgar, de goede Halga en [...], de geliefde koningin van de Strijd-Scylfings, van wie ik hoorde, dat ze gehuwd was met Onela.

Hrothgar werd daarna succes in de oorlog gegeven, glorie in de strijd, zodat de mannen uit zijn kring hem graag dienden, totdat het getal der jeugdige strijders groter werd, een machtige groep jonge edelen. Hij kreeg het idee om een gebouw te laten oprichten, een ontmoetingszaal groter dan waarvan de zonen der mensen ooit hadden gehoord, en om daarin aan ieder, oud en jong, uit te delen al wat God hem gegeven had, met uitzondering van de grond, die allen behoort, en het leven der mannen. Naar ik vernomen heb, werden aan veel stammen over heel de wereld opdrachten verleend om het huis te verfraaien waar het volk zich verzamelen zou. Snel en op tijd kwam deze grootste hal klaar. Hij, wiens woord wijd en zijd werd gevreesd, noemde haar Heorot. Hij brak zijn beloften niet en deelde ringen en schatten uit op het feest.

Hoog rees de zaal, wijd stonden de uileborden uiteen. Vijandelijke aanvallen, kwaadaardig vuur zou zij meemaken. Nog was het de tijd niet, dat na de gruwelijke vijandschap de dodelijke haat ontstond tussen schoonzoon en schoonvader.

Toen kon de machtige geest die in duisternis leefde slechts met moeite de pijn verdragen elke dag het blijde geluid te horen dat op klonk in de hal. De harp werd er bespeeld, een scop zong er voor ieder hoorbaar zijn lied. Hij kon vertellen over een lang vervlogen tijd, over de schepping der mensheid, hoe de Almachtige de aarde maakte, een mooie en schitterende vlakte, waar water omheen stroomt, hoe Hij, de Overwinnaar, er zon er maan bij plaatste om de aardbewoners met hun licht te dienen, en hoe Hij de wereldgebieden verfraaide met takken en bladeren, en ook het leven schiep voor iedere soort die erop rondgaat.

Zo leefden deze dapperen in vreugde, totdat er één, een vijand uit de hel, zich misdadig ging gedragen. Grendel heette deze grimme geest, berucht om zijn gang door vochtige gebieden, de heerser over moeren, veen en woestenij. Dit onzalige wezen had een tijdlang in het hol van monsters geleefd, nadat de Schepper, de eeuwige Heer, Kaïns verwanten had doen boeten voor het feit dat deze laatste Abel gedood had. Veel vreugde bracht hem die wandaad niet, want ver van de mensheid werd hij door de Rechter voor die misdaad verbannen. Uit hem werden alle kwalijke broedsels geboren: doodsdemonen, duivelse elfen en helse geesten, en ook de reuzen, die lange tijd tegen God streden, waarvoor Hij hen straffen zou.

Toen het nacht was geworden, ging Grendel op weg naar het hooggelegen huis, om te zien hoe het er de Ring-Denen verging na het bier drinken. Hij trof er de troep nobelen slapend aan na het feestmaal. Nog wisten zij niet wat leed was, het trieste lot van stervelingen.

Het grimme, gretige monster was meteen klaar. In wilde woestheid greep het dertig dapperen op hun slaapplaatsen. Daarna ging het weer op weg naar huis. Zich verheugend over zijn buit, zocht het zijn verblijfplaats weer op met zijn rijke maal aan dode lichamen. Toen, bij het aanbreken van de dag, bij het morgenlicht, werd de mannen Grendels gevechtskracht duidelijk. Na het feestmaal stegen er nu hevige jammerklachten op en was er grote smart in de morgen. Hrothgar, de befaamde prins, de nobele, wiens kracht al jaren bekend was, zat verslagen neer, leed hevig verdriet, had pijn in het hart om zijn mannen, toen zij zagen, wat de vijand, die vervloekte geest, aangericht had. Voor de strijd met hem ontbrak het Hrothgar echter aan kracht. Te veel niet aflatend leed zou er volgen.

Lang duurde het niet, want meedogenloos beging hij de nacht daarop weer moorden, vijandelijkheden en misdaden: dat was het enige waar hij op uit was. Toen was het gemakkelijk te zien wie elders, verder weg, een rustplaats zocht, een bed in de bijgebouwen zocht, nu ieder een aanwijzing had gekregen, nu het ieder door een duidelijk teken werkelijk bekend was gemaakt, welk een haat die krijger in de hal bezielde. Hij die de vijand was ontsnapt hield zich voortaan verder verwijderd op, zocht een veiliger heenkomen.

Zo was Grendel meester en regeerde hij wederrechtelijk, één tegen allen, totdat het prachtige gebouw verlaten stond. Dat bleef zo een lange tijd. Twaalf winters verduurde de heer der Scyldings de ellende, elke vorm van verdriet, eindeloze pijn. Zo werd het de heldenzonen door treurliederen overduidelijk, dat Grendel tegen Hrothgar bleef vechten, dat hij vele jaren voortging met vijandschap, misdaad en krijg, voortdurende strijd. Met geen van de Denen wenste hij vrede te sluiten, hij wilde met moorden niet ophouden, geen vergoeding geven, en voor geen der raadgevers had het zin iets te bedenken waarmee de doder op passende wijze zijn moorden goed zou kunnen maken. Maar het monster, die duistere doodsschaduw, bleef jong en oud achtervolgen, lag in hinderlagen op hen te loeren. In pikdonkere nacht heerste hij over mistige moeren. Niemand weet waar zulke helse demonen op hun zwerftochten rondwaren.

Aldus beging de vijand der mensheid, dit wezen dat niemand naast zich duldde, telkens weer misdaden, berokkende hij vreselijk veel leed. Hij woonde in Heorot, de rijk gesierde zaal, in donkere nachten. De troon, van waaraf giften uitgedeeld werden, de kostbare zetel, mocht hij niet naderen, God stond het niet toe; maar hij gaf er ook niet om. Voor de beschermer der Scyldings vormde dat zo'n groot verdriet, dat zijn hart brak. Menigeen besprak de zaak vaak met de machtige. De dapperen overdachten, wat voor hen het beste was om te doen tegen de plotselinge aanvallen. Soms beloofden ze offers bij heidense tempels of baden ze de duivel om hulp in deze ramp voor het volk. Dat was zo hun gewoonte, de hoop van heidenen. In hun hart dachten ze weer aan de hel, ze kenden hun Schepper, de Rechter over daden, niet, wisten niets meer van de Heer God, en konden dus ook de Beschermer van de hemel, de glorieuze Regeerder, niet aanbidden. Wee hem die in vreselijke nood zijn ziel neigt naar de omarming van het vuur; geen troost kan hij meer verwachten, geen enkele verandering. Wel zal het hem gaan die de dag na zijn dood zal staan voor de Heer en vrede kan zoeken in de armen van de Vader.

Zo was Healftenes zoon voortdurend bezig met de ellende van die tijd. De wijze held kon de ramp niet af wenden. Die strijd ging boven zijn kracht. Deze ellendige verdrukking, de allerergste kwelling, die bij nacht kan komen, bracht leed over het volk en hield niet op.

Een hoveling van Hygelac, een voortreffelijke Geat, hoorde in zijn land over Grendels daden. Hij was in kracht de sterkste van de mensen in de dagen van dit leven, hij was nobel en fors. Hij liet zich een schip in gereedheid brengen, dat goed de golven kon doorklieven. Hij wilde, zo zei hij, de oorlogskoning, de befaamde leider, over de zwanenree op gaan zoeken, omdat deze behoefte had aan gevolgsmannen.

Wijze lieden maakten weinig bezwaar tegen dat avontuur van hem, hoewel hij hun dierbaar was. Zij spoorden de stoutmoedige aan en schouwden de voortekenen. De dappere had de heldhaftigste strijders uit het Geatenvolk gekozen die hij vinden kon. Met veertien man ging de held naar het schip, leidde hen, bekwaam zeevaarder als hij was, naar de kustlijn. De tijd van voorbereiden was voorbij. Het vaartuig lag op de golven, de boot onder de beschutting van de wal. Vol enthousiasme gingen de dapperen de steven op. Golven klotsten, zee tegen zand. De helden droegen schitterende sieraden en prachtige uitrustingsstukken de buik van het schip in. Geestdriftig schoven de strijders de houten kog met stevige spanten van het land af. Voortgestuwd door een gunstige wind gleed het vaartuig met schuim rond de hals als een vogel over de golvenvlakte, tot de ranke steven 's anderdaags rond het verwachte tijdstip zover gevaren had, dat de zeelieden land konden zien, het blinken der klippen, de steil oprijzende bergen, de grote landmassa's. De overtocht, de zeereis, was ten einde. Daarop gingen de Wederlieden snel aan land en legden het zeehout vast met een tros. Maliënkolders kletterden: oorlogskledij. Ze dankten God, dat de weg over zee gemakkelijk was geweest.

Vanaf de versterkte hoogte zag de wachter der Scyldings, die op zijn post stond bij de oceaanklippen, hoe schitterende schilden, strijdklare gevechtsrustingen van boord gebracht werden. Zijn hart werd gekweld door de vraag, wie die mannen wel waren. Op zijn paard reed de dienaar van Hrothgar daarom naar de waterlijn, krachtig zwaaiend met een speer, en vroeg in hoffelijke bewoordingen: 'Wat voor strijders zijt gij, gekleed in maliënkolders, dat gij dit hoogliggende vaartuig over de waterwegen gevoerd hebt, hierheen over de zeeën? Lange tijd ben ik al kustwacht, houd ik een wakend oog over de zee, opdat geen enkele vijand met een vloot een inval kan plegen in het land der Denen. Geen strijders met lindehouten schilden zijn ooit openlijker dan gij hierheen gekomen. Gij zult het wachtwoord der oorlogvoerders wel niet kennen en ook geen toestemming hebben van mijn verwanten.

'Nooit heb ik op de aarde een groter edelman gezien die ene onder u, die held in wapenrusting. Dat is vast en zeker niet slechts een kamerheer in prachtige bewapening, of zijn trekken, zijn glorieuze verschijning, zouden niet bij hem moeten passen. Ik moet nu uw afkomst weten, voor gij, als mogelijk onbetrouwbare spionnen, verder trekt over Deens gebied. Hoort nu, mannen van ver, van over het water, wat volgens mij echt het beste is: vertelt mij snel vanwaar gij gekomen zijt.'

De oudste, de leider der groep, antwoordde hem, ontsloot wat in hem aan woorden verborgen was: 'Wij zijn leden van de Geatenstam, uit de kring rond Hygelac. Mijn vader was een nobele oorlogsleider, welbekend bij het volk, voor hij als bejaard man wegtrok uit de woonplaatsen der mensen. Overal op de aarde zullen raadslieden van elke stam zich hem nog heel goed weten te herinneren. Wij komen uw heer, de zoon van Healfdene, de beschermer van het volk, met oprechte bedoelingen bezoeken. Adviseer ons daarbij goed. Wij hebben een belangrijke boodschap voor de vermaarde prins der Denen; dat zal, naar mijn mening, zeer duidelijk worden. Gij weet, of datgene wat ons verteld is inderdaad waar is: dat de Scyldings namelijk een of andere kwalijke vijand zouden hebben, een obscuur wezen, dat de mensen schandelijk bejegent en hen gruwelijk vermoordt. Ik ben in staat Hrothgar door een ruime ervaring in deze zaak raad en hulp te geven. Ik kan hem zeggen, hoe hij, die zelf wijs en dapper is, die vijand kan overmeesteren - als hij tenminste vindt, dat er ooit verandering moet komen, verlichting van die kwalijke pijn - en hoe deze golven van ellende verminderd kunnen worden. Hij wil toch niet ongeluk en pijn blijven dragen, terwijl daar op de hoogte dat voortreffelijke huis staat.'

Vanaf zijn paard sprak de kustwacht, de dienaar, daarop zonder vrees: 'Als een schrander schilddrager zijn verstand gebruikt, moet hij zowel woorden als daden op waarde kunnen schatten. Het is voor mij duidelijk, dat deze groep de heer der Scyldings vriendelijk gezind is. Gaat verder met uw wapens en uitrusting, ik wijs u de weg. Mijn ondergeschikten zal ik opdracht geven uw zopas nog geteerde schip daar op het zand tegen elke vijand te beschermen, zodat dit hout met gekromde hals de dierbare man over de zeestromingen naar het land der Weders terug kan brengen, met diegenen onder de dapperen aan wie het gegeven is ongedeerd de storm van de strijd te overleven.'

Ze gingen op weg, terwijl het wijdruimige schip bleef rusten aan zijn tros, rijdend op zijn anker. Boven de wangbeschermers blonken goudversierde, flonkerende everbeelden, gehard in het vuur, die het leven van de grimmige strijders moesten beschermen. De mannen haastten zich, trokken samen op en zagen de prachtige, met goud ingelegde zaal weldra voor zich. Het gebouw waar de machtige woonde was aan alle aardbewoners onder de hemel zeer goed bekend; de glans ervan straalde uit over vele landen.

De onverschrokken strijder wees hun het schitterende huis van de moedigen aan, zodat zij er rechtstreeks maar toe konden, waarna de dappere oorlogsvoerder zijn paard wendde en sprak: ‘Het is tijd om terug te gaan. Moge de almachtige Vader u deze onderneming ongedeerd doen beëindigen. Ik ga weer naar de zee, om wacht te houden tegen vijandelijke benden.’

De straat was geplaveid. Het was duidelijk waar al de mannen naar toe moesten. De geharde, handgeklonken maliënkolders schitterden, de prachtige, kunstig vervaardigde ijzeren ringpantsers rinkelden, toen zij in hun ontzag inboezemende uitmonstering bij de zaal aankwamen. Moe van de zeereis zetten zij hun grote schilden, hun wonderlijk harde rondassen tegen de muur van het gebouw. Ze gingen zitten op een bank, hun pantsers kletterden, de oorlogsrusting der mannen. Ze plaatsten de speren tegen elkaar, het oorlogstuig van zeelieden, het essenhout, van boven grijs. Deze strijdgroep was bewonderenswaardig bewapend.

Toen vroeg een streng en waardig man de leden van de oorlogstroep naar hun afkomst: Waarvandaan hebt gij deze met goud en zilver ingelegde schilden meegebracht, deze grijze maliënkolders deze maskerhelmen en dit woud van oorlogsschachten? Ik ben de woordvoerder en rechterhand van Hrothgar. Zelden heb ik zulke indrukwekkende buitenlanders gezien. Ik denk niet, dat gij vanwege een verbanning naar Hrothgar gekomen zijt, maar door uw ondernemende geest en grootheid van hart.'

Hij, die befaamd was om zijn kracht, antwoordde hem, de trotse leider der Weders, onversaagd onder zijn helm, nam het woord: 'Wij zijn Hygelacs tafelgenoten. Mijn naam is Beowulf. Ik wens de zoon van Healfdene, de beroemde vorst, te spreken over mijn opdracht, als uw goede meester zo vriendelijk is ons de gelegenheid te geven hem te begroeten.'

Wulfgar antwoordde (hij was een prins uit het geslacht der Wendels, zijn dapperheid, gevechtskracht en wijsheid waren aan velen bekend): 'Ik zal de geliefde heer der Denen, de regeerder der Scyldings, de uitdeler van ringen, de befaamde vorst, uw verzoek overbrengen, en u onmiddellijk het antwoord mededelen, dat de voortreffelijke mij denkt te geven.'

Snel ging hij terug naar waar Hrothgar, de oude, vergrijsde man, zat te midden van zijn groep getrouwen. De dappere liep door tot hij bij de schouders stond van de heer der Denen; hij kende de gewoonten van de kring der ervaren krijgers.

Wulfgar sprak tot zijn geliefde vorst: 'Er zijn hier Geaten, van ver gekomen, over de uitgestrekte wateren. De leider wordt door de strijders Beowulf genoemd. Hun verzoek is om met u, mijn heer, een onderhoud te hebben. Ik zou gaarne zien, welwillende Hrothgar, dat gij niet weigert met hen te spreken. In hun oorlogsrusting lijken zij de achting van edelen waardig. Vooral hun leider, die deze strijdhelden hierheen heeft gebracht, maakt grote indruk.' Hrothgar, de beschermer der Scyldings, sprak daarop: 'Ik kende hem al toen hij nog een kind was. Zijn oude vader heette Ecgtheow, aan wie Hrethel der Geaten zijn enige dochter ten huwelijk gaf. Zijn zoon, een dapper man, is nu hierheen gekomen, heeft een waarachtige vriend gevonden. Bovendien hebben zeelieden, die dankgaven voor de Geaten naar hun land vervoerden, gezegd, dat die fameuze strijder in zijn hand de kracht heeft van wel dertig krijgers. Ik hoop en verwacht, dat de heilige God hem als hulp naar ons, de West-Denen, heeft ge- stuurd, tegen Grendels terreur. Voor zijn onstuimige moed zal ik de dappere rijke gaven schenken. Haast u zeer snel, laat hem binnenkomen om mijn groep krijgsmakkers, hier verzameld, te ontmoeten. Zeg hun met zoveel woorden, dat zij het Deense volk welkom zijn.'

Toen ging de wijdvermaarde strijder naar de deur en nodigde hen binnen: 'Mijn overwinnende heer, de leider der Oost-Denen, laat u zeggen, dat hij weet, van wat voor nobele afkomst gij zijt, dat gij, mannen met dappere bedoelingen, hem welkom zijt, gekomen als gij zijt over de golven der zee. In uw oorlogsrusting en met uw maskerhelmen op moogt gij nu Hrothgar gaan begroeten. Laat uw strijdschilden en dodelijke houten speren hier het resultaat van de bespreking afwachten.'

Toen stond de machtige op en met hem menig strijder, de groep voortreffelijke ondergeschikten. Enkele bleven er achter om de uitrusting te bewaken, op bevel van de dappere. Hij ging hun haastig voor, de hal in waar Hrothgar zich bevond. Met zijn helm op het hoofd liep de dappere strijder door tot hij voor het haardvuur stond. Beowulf sprak - op hem schitterde zijn maliënkolder, zijn pantsernet, door vaardige smidshand in elkaar gezet-: 'Gegroet, gij, Hrothgar. Ik ben een verwant van Hygelac, verbonden aan zijn hof. Ondanks mijn jeugd heb ik veel befaamde daden verricht. In mijn geboorteland is de zaak-Grendel mij in al haar omvang duidelijk geworden, Zeelieden meldden, dat daardoor deze zaal, dit voortreffelijke bouwwerk, voor elke strijder nutteloos en niet te gebruiken is, als het avondlicht verborgen wordt onder de nachtelijke sterrenhemel. Dit, vorst Hrothgar, hebben mijn landgenoten, de beste en verstandigste mannen, mij als raad gegeven, dat ik naar u toe zou gaan, omdat zij wisten, welk een machtige kracht ik bezit. Zelf waren zij er getuige van, hoe ik uit veldslagen terugkeerde, besmeurd met bloed van vijanden, waar ik er vijf in boeien had geslagen, een heel ras giganten had vernietigd en 's nachts in de golven watermonsters gedood had, hoe ik allerlei tegenslag had doorstaan en wraak had genomen voor de aanval op de Weders - zij hadden zelf om moeilijkheden gevraagd -, hoe ik vreselijke vijanden vermorzeld had. En de zaak-Grendel de verschrikkelijke, dat reuzenmonster, zal ik nu alleen behandelen. Eén gunst slechts wil vragen, vorst der glorieuze Denen, schutting der Scyldings, dat gij, behoeder der strijders, liefhebbende vriend van het volk, mij, nu ik van zo ver ben gekomen, wilt toestaan om alleen, met mijn groep onverschrokken nobele strijdmakkers, Heorot te reinigen.

'Ik heb reeds vernomen, dat dit monster in zijn overmoed het gebruik van wapens schuwt. Daarom ook - en moge het de goedkeuring wegdragen van mijn heer, Hygelac - zal ik geen zwaard of groot schild de strijd in dragen, maar met de kracht van mijn handen zal ik vechten met die vijand, strijd voeren op leven en dood, krijger tegen strijdmakkers, Heorot te reinigen. Hij die aan de dood ten prooi valt, zal zich daar bij het oordeel Gods moeten neerleggen. Mocht hij winnen, dan zal hij ongetwijfeld doorgaan zonder schroom het volk der Geaten te verslinden, zoals hij al zo vaak heeft gedaan met de bloem der Hrethmannen. Geen aarde zult gij uit hoeven te strooien over mijn hoofd, want als de dood mij neemt, zal Grendel mij wel willen hebben, besmeurd met druipend bloed. Mijn bloederig lijk zal hij zonder mededogen wegslepen, om het, als heerlijke maaltijd, te gaan verzwelgen, en hij zal zijn haar in het veen ermee merken. Dan hoeft gij u niet meer af te vragen, waar gij min lichaam zult moeten laten. Als ik val in het gevecht, stuur Hygelac dan het allervoortreffelijkst oorlogspantser; dat is een oud erfstuk van Hrethel, het werk van Weland. De loop van het lot kan nooit veranderd.'

Toen sprak Hrothgar, de beschutter der Scyldings: 'Mijn vriend Beowulf, gij zijt naar ons toegekomen om dappere daden te verrichten, om ons te helpen. Uw vader riep een zeer grote vete op; te midden der Wilfings doodde hij Heatholaf met zijn handen; daarop kon de Wederstam hem niet herbergen, uit vrees voor oorlog. Vandaar kwam hij over de deining der golven naar het volk van de Zuid- Denen, de geëerde Scyldings. Ik was toen pas kort koning over het volk der Denen, regeerde, jeugdig als ik was, over het grote rijk, alsook over de vesting met de rijksschat der strijders, na de dood van Heorogar, mijn oudste broer, na het sterven van Healfdenes zoon. Die was beter dan ik. Later heb ik de vete met geld bijgelegd; ik heb de Wilfings over de rug van water oude schatten gestuurd. Ecgtheow zwoer mij trouw met een eed.

'Het doet mijn hart pijn iemand te vertellen welk een ellende Grendel over Heorot heeft gebracht met zijn terreur, welk een onverhoedse aanvallen hij heeft uitgevoerd. Mijn lijfwacht, mijn oorlogsgroep, is verminderd. Het noodlot, in de vorm van Grendels gruweld Amiens den, heeft de mannen weggevaagd. God kan die wilde woesteling gemakkelijk doen ophouden met zijn daden. Dronken van bier hebben strijders boven hun drinkkroezen zeer vaak plechtig beloofd, dat zij met angstinboezemende zwaarden een gevecht met Grendel zouden afwachten in de hal. En dan, als 's ochtends de dag oplichtte, was deze medehal, deze zaal der edelen, bedekt met bloed, heel de vloer waar de bank op staat nat van levensvocht, deze ruimte vol geronnen bloed. Weer had ik minder getrouwen, minder dierb are edel en. Immers, de dood had hen weggenomen .

'Zit nu aan aan het banket en ontspan u, gij, glorieuze onder de strijders. Doe wat uw hart u ingeeft.'

Voor alle Geaten samen werd er in de bierhal een bank geruimd. Daar gingen de moedigen zitten, een waar toonbeeld van kracht. Een dienaar, die in zijn handen een prachtige schenkkan met bier droeg, deed wat zijn werk was en schonk de heldere drank in. Af en toe zong een scop zijn lied, voor ieder verstaanbaar in heel Heorot. Zo was het leven vreugdevol onder de mannen, onder die grote groep Denen en Weders.

Toen nam Unferth, Ecglafs zoon, die aan de voeten zat van de heer der Scyldings, het woord en lokte een twistgesprek uit - hij had zo zijn eigen gedachten over de onderneming van Beowulf, de moedige zeevaarder, omdat hij niet wenste, dat iemand anders ooit op aarde meer glorie zou bereiken dan hijzelf -: 'Zijt gij niet die Beowulf die tegen Breca streed, op de open zee een wedstrijd met hem aanging in zwemmen, toen gij beiden zo maar de zeeën tartte en uit dwaze opschepperij uw leven waagde in het diepe water? Niemand, vriend noch vijand, kon u tweeën van die jammerlijke onderneming, van die tocht over de zee, weerhouden. Samen met hem omvatte gij toen met de armen de stromingen van de oceaan, doorkruiste gij de baren, bewoog gij snel uw armen, gleed gij over de uitgestrekte wateren. Het zilte nat kolkte van de golven, winterse watermassa's. Zeven nachten zwoegde gij beiden in het rijk der stromingen. Hij was beter dan gij in het zwemmen, had grotere kracht. 's Ochtends vroeg wierp de zee hem toen op het land der Strijd-Raemen Vandaar trok de man, die bij zijn volk geliefd was, naar zijn geboortegrond, zijn fraaie burcht, waar hij onderdanen had, een versterking en rijkdom. Al wat hij, de zoon van Beanstan, tegenover u had beweerd voerde hij ook uit. Even kwalijk zal de afloop voor u zijn, volgens mij, ook al hebt gij overal sterk gestaan in de storm van de strijd, in de grimmige oorlog, als gij een nacht Grendel van nabij durft afwachten.'

Toen sprak Beowulf, Ecgtheows zoon: 'Wel, vriend Unferth, gij hebt, dronken van het bier, heel wat over Breca verteld, heel wat gesproken over zijn onderneming. Ik beweer ten stelligste, dat ik grotere kracht had bij het zwemmen, dat ik beter was in de strijd met de golven dar wie ook. Toen wij jong waren, spraken wij plechtig me elkaar af - het was nog de tijd van onze jeugd -, dat wij beiden op de oceaan ons leven zouden riskeren, en dat deden wij ook. Op onze zwemtocht over zee hadden wij allebei een blank zwaard in de hand - wij meenden ons zo tegen walvissen te kunnen beschermen. Geenszins kon hij ver van mij af zwemmen in de deining van de oceaan, sneller zijn dan ik; - en ik wilde mij niet van hem verwijderen.

'Vijf nachten lang waren wij samen op zee, tot wij uiteengedreven werden door de stroming, het kolkende water, de bittere koude en de donkerder wordende nacht, en tot een bijtende noordenwind zich tegen ons keerde. Ruw waren de golven. 'De toorn van zeevissen werd opgewekt. Mijn harde, handgeklonken maliënkolder hielp mij daar tegen vijanden; het geweven oorlogspantser, met goud versierd, bedekte mijn borst. Een dodelijk, venijnig monster trok mij naar de bodem, hield mij grimmig vast in zijn greep. Het was mij, echter, gegeven dit angstaanjagende ondier te raken met de punt van mijn strijdzwaard. De storm van het gevecht vernietigde het machtige zeebeest door mijn hand.

'Zo werd ik vaak door achtervolgers hevig in het nauw gebracht. Met mijn nobele zwaard diende ik hen van repliek, zoals dat hoorde. Zij die allerlei gemeenheden bedreven hadden konden zich niet verheugen over een feestmaal waarbij zij mij zouden opeten, zij konden iet aanzitten aan een banket op de bodem van de zee. Maar 's morgens lagen ze, gewond door zwaardslagen, gedood door houwdegens, boven aan de kustlijn, zodat ze daarna de zeevaarders niet meer konden hinderen tijdens hun tochten over de diepe wateren.

'In het oosten werd het licht, het stralende teken van God. De golven kwamen tot rust, zodat ik de in zee uitstekende rotsen kon zien, de winderige klippen. Vaak redt het lot een nobel man, wiens dood nog niet nabij is, als zijn geestkracht groot is.

'Zo was het mij gegeven met mijn zwaard negen watermonsters te doden. Nog nooit heb ik gehoord van een hardere strijd in de nacht onder het hemelgewelf, noch van een man die in groter nood verkeerde in de stromingen van de oceaan. Toch ontkwam ik levend aan de vijandelijke greep, vermoeid van mijn onderneming. En de vloed van de zee, de kolkende branding, bracht mij naar het land der Finnen.

'Dat u zich ooit gewaagd hebt aan zo'n grimmige strijd, zo'n angstaanjagend zwaardenspel, heb ik nooit gehoord. Breca heeft, evenmin als gij, ooit zo'n dappere daad verricht met doodbrengende zwaarden - laat ik daar nou maar niet te veel over zeggen -, maar gij werd wel de moordenaar van uw eigen broer, uw naaste verwant; daarvoor zult gij in de hel verdoemenis moeten verduren ondanks al uw wijsheid. Waarlijk, ik zeg u, zoon van Ecglaf, dat Grendel, dat demonenmonster, nooit zoveel gruwelijkheden begaan zou hebben jegens uw leider, vernedering gebracht zou hebben over Heorot, als uw hart, uw geest zo oorlogszuchtig zou zijn als gij zelf beweert. Maar hij heeft bemerkt, dat hij niet zo bang hoeft te zijn voor de strijd, voor een gevecht met uw volk, de zegevierende Scyldings. Hij neemt zijn tol, spaart niemand van het volk der Denen, hij doet wat hem behaagt, hij moordt en vernietigt, en verwacht van de Speer-Denen geen gevecht. Maar zeer spoedig zal ik hem laten zien welk een macht en moed, welk een strijdkracht de Geaten hebben. Als het morgenlicht, als de met schittering omklede zon uit het zuiden gaat schijnen over de mensenzonen, zal wie het lot dat toestaat opgelucht terugkeren naar waar men de mede drinkt.'

Vol vreugde was toen de goudbreker, de vergrijsde, beroemde strijder. De heer van de Glorie-Denen rekende op zijn hulp. De behoeder van het volk hoorde, hoe vastbesloten Beowulf was.

Gelach klonk op onder de strijders, vrolijke geluiden, een geanimeerd gesprek. Wealhtheow, Hrothgars echtgenote, kwam naar voren, bekend als zij was met de hofgebruiken. De goudgetooide groette de mannen in de hal en de nobele vrouw gaf de beschermer van het gebied der Oost-Denen als eerste een drinkbeker, en wenste de geliefde vorst van zijn volk vreugde toe bij het bier drinken. Vol vrolijkheid nam de zegerijke koning deel aan het banket en het drinkgelag.

De adellijke vrouwe uit het geslacht der Helmings ging bij oud en jong rond, voorzag ieder ruim van prachtige drinkbekers, tot het ogenblik aanbrak, dat de rijk getooide nobele vrouwe Beowulf de medekroes bracht. Zij begroette de prins der Geaten en in welgekozen bewoordingen dankte zij God, dat haar wens was vervuld, dat zij van iemand hulp kon verwachten bij deze misdaden. Met zijn gedachten reeds bij het dodelijke gevecht nam de krijger de bokaal van Wealhtheow aan, en, ten strijde gereed, richtte Beowulf, de zoon van Ecgtheow, zich tot haar in een toespraak, sprak hij plechtig de woorden:

'Toen ik de zee op ging, de boot besteeg met mijn groep mannen, was ik van plan de wens van uw volk volledig in te willigen, of de dood te sterven in de vaste greep van de vijand. Ik zal mij als held gedragen, of deze medehal mijn laatste dag doorgebracht hebben.'

Deze woorden, de plechtige uitspraak van de Geat, behaagden de vrouwe zeer. De goudgetooide, de door heel het volk aanvaarde koningin, ging weer naast haar zitten. Als tevoren werden er daar binnen in de hal dappere woorden gesproken. De mannen waren verheugd, waren opnieuw vervuld van een mogelijke overwinning. Toen kwam het moment, dat de zoon van Healfdene zich ter ruste wilde begeven; hij wist, dat het vreselijke monster vastbesloten was geweest een aanval uit te voeren op die verheven zaal op het moment, dat zij in het zonlicht konden kijken, dat de avond viel over allen, dat er duistere schaduwvormen kwamen aangeslopen, donker onder wolken.

De groep stond als een man op. Hrothgar en Beowulf groetten elkaar, en Hrothgar wenste hem succes toe macht over de wijnhal, en sprak de woorden: 'Gij zijt de eerste aan wie ik deze glorieuze hal der Denen heb toevertrouwd, sinds ik hand en schild kon opheffen. Neem dit allerschoonste huis en bewaar het, denk aan uw roem, toon uw machtige kracht, bewaak het tegen de vijand. Niets wat gij wensen kunt zult gij ontberen, als gij deze zware taak levend doorstaat.'

Met zijn groep nobelen ging Hrothgar, de behoeder der Scyldings, de hal uit; hij, die in oorlog altijd vooraan had gestaan, wilde nu samen met koningin Wealhtheow het bed gaan opzoeken. De roemruchte koning had, zo hoorde men, een zaalwacht aangesteld tegen Grendel; deze voerde een speciale opdracht uit voor de leider der Denen: op wacht staan tegen een monster. Werkelijk, de prins der Geaten vertrouwde op moed en kracht, op Gods genade.

Toen legde hij het ijzeren pantser af, nam de helm van zijn hoofd, gaf zijn ingelegde zwaard, het allervoortreffelijkste ijzeren wapen, aan zijn dienaar, en vroeg hem de oorlogsrusting goed te bewaken.

Toen sprak de dappere, Beowulf der Geaten, enkele plechtige woorden, voor hij zich ter ruste begaf: 'Net als Grendel, vind ik mijn oorlogsverrichtingen, mijn kracht in de strijd, niet bepaald slecht. Daarom, ook al zou ik het kunnen, zou ik hem niet met een zwaard willen doden, hem het leven benemen. Hij kent de nobele kunst niet, hoe naar mij uit te vallen, hoe een schild in stukken te slaan, ook al is hij beroemd om zijn felle gevechten. Maar in deze nacht zal geen van ons beiden een zwaard gebruiken, als hij zonder wapen ten strijde durft te gaan, en dan zal de wijze God, de Heilige Heer, aan díe partij de overwinning schenken die Hem het beste lijkt.'

De dappere strijder legde zich neer, het kussen ontving het aangezicht van de nobele man, en om hem heen ging menige dappere zeestrijder slapen op de rustbanken in de hal. Niemand verwachtte, dat hij vandaar ooit nog terug zou keren naar zijn geliefde land, naar zijn volk en de woonplaats waar hij was grootgebracht, want men had gehoord, dat in de tijd daarvoor de moordende dood zeer velen van het volk der Denen had weggenomen. Maar de Heer gaf het volk van de Geaten succes in de strijd, hulp en steun, zodat zij door de kracht van één man allen hun vijand overwonnen, door zijn eigen macht. Het gezegde is waar: De machtige God heeft het mensenras altijd geregeerd.

In donkere nacht kwam dat wezen der duisternis met grote schreden naderbij. De strijders, die de hal met geweien aan de nokpunten moesten bewaken, sliepen allen op één na. Ieder wist zeer goed, dat, als God het niet wilde, de spookachtige vijand hen niet wegslepen kon de duisternis in. Maar Beowulf was, in zijn verontwaardiging over de wrede indringer, wakker gebleven en wachtte in gerechte toorn de beslissende kamp af.

Daar kwam Grendel uit het moer, onzichtbaar in de mistbanken. Gods toorn rustte op hem. De onheilbrengende vijand wilde in de verheven zaal weer een menselijk wezen verraderlijk gaan grijpen. Onder dekking van de wolken kwam hij naderbij, tot waar hij de wijnhal, de gouden zaal der mannen, met ornamenten ingelegd, gemakkelijk kon zien liggen. Dat was niet de eerste keer, dat hij het huis van Hrothgar had opgezocht. Nooit, in heel zijn leven, vroeger noch daarna, heeft hij er een meer geharde held gevonden en moediger zaalbewakers.

Vol boosaardigheid kwam de strijder aan bij de hal. De deur, verstevigd met ijzeren banden, vloog onmiddellijk open, toen hij eraan kwam met zijn handen. Met duivelse bedoelingen gooide hij in al zijn verbolgenheid de toegang tot het gebouw open. Meteen daarop stapte de satan op de veelkleurige vloer, boosaardig kwam hij nader. Uit zijn ogen straalde een onheilspellend licht, als een laaiende vlam. Vele mannen zag hij daar, een hele groep vredig bij elkaar in de hal, een troep jongemannen, en allen in slaap. Toen lachte zijn hart. Voor de dag aanbrak, zou dat vreselijke monster bij elk van hen het leven van het lichaam scheiden, want zijn verwachting van een volle maaltijd was bewaarheid. Er was evenwel de lotsbeschikking, dat hij na die nacht nooit meer een mens zou mogen verorberen.

Onverschrokken keek Hygelacs verwant toe, hoe de moordende vijand te werk zou gaan met zijn plotselinge aanvallen. Het monster was niet van plan lang te wachten, maar greep eerst een strijder in zijn slaap, scheurde hem, voor hij zich verweren kon, uiteen, beet zijn gewrichten stuk, dronk het bloed uit de aderen en verzwolg hem in grote stukken. Het duurde niet lang, of hij had heel de dode opgegeten, zelfs de handen en voeten.

Het duivelse wezen kwam weer naderbij voor de volgende, greep naar de onverschrokkene op de slaapbank, reikte naar hem met zijn klauw. Met ware doodsverachting pakte deze hem vast en zette zich schrap met zijn arm. De meester der misdaden realiseerde zich onmiddellijk, dat hij op de aarde, in de uithoeken van de wereld, geen man had ontmoet met grotere kracht in de handen. Angst greep zijn hart en geest, maar hij kon niet meer weg. Graag was hij gegaan, was hij gevlucht naar zijn schuilplaats, was hij teruggekeerd naar de verzamelplaats van duivels. De positie waarin hij daar verkeerde was totaal anders dan hij ooit in zijn leven had meegemaakt.

Toen dacht de dappere verwant van Hygelac aan hetgeen hij die avond gezegd had. Hij ging rechtop staan en greep hem op zijn beurt zo stevig vast, dat zijn vinger moesten loslaten. Ofschoon hij de gestalte van een reus had, wilde hij weg. Maar de edele krijger drukte door. De beruchte wilde er vandoor, waarheen hij maar kon, daarvandaan vluchten naar zijn donk in het ven. Hij wist dat de kracht van zijn vingers in de greep was van een vertoornde tegenstander. Welk een jammerlijke tocht had dat boosaardige wezen ondernomen naar Heorot.

De hal der strijders weergalmde. Angst greep alle bewoners van die veste aan, de nobele, heldhaftige Denen. Beiden waren bezeten van woede bij hun felle strijd om de heerschappij over de zaal. Het huis kraakte. Een groot wonder was het, dat die hal het uithield tegen de machtige worstelaars, dat dat door ieder op aarde bewonderde gebouw niet in elkaar stortte. Maar een smid had het van binnen en van buiten zeer vernuftig voorzien van ijzeren banden. Daar waar de grimmige strijd werd geleverd stond menige medebank op de vloer, met goud ingelegd, zo is mij verteld. De wijze mannen onder de Scyldings hadden nooit gedacht, dat iemand dit prachtige, met geweien versierde gebouw ooit stuk zou kunnen breken, het op brute wijze zou vernietigen, tenzij vuur en vlam het volledig zouden verzwelgen. Steeds opnieuw klonk er lawaai. Vreselijke angst overviel iedere Noord-Deen die het geschreeuw van de muur hoorde terugkaatsen, die de vijand van God een noodkreet hoorde slaken, het gekerm van een verslagene, de helleslaaf die zijn wonden beweende. Hij, die in de dagen van dit leven de grootste kracht had van alle mensen, hield hem vast. De verdediger van het krijgsvolk wilde bepaald niet, dat deze moordende bezoeker levend zou ontkomen, en hij dacht niet, dat de dagen van Grendels leven nog van nut waren voor enig volk. Zeer vaak trok een strijder van Beowulf zijn oude, overgeërfde zwaard, om het leven te verdedigen van zijn heer, de vermaarde prins, voor zover hij dat kon. De onverschrokken jonge krijgers, die zich in de strijd mengden en die van alle kanten op hem in wilden gaan houwen om hem het leven te benemen, wisten niet, dat geen ijzer op aarde, hoe goed ook, geen houwzwaard, dat walgelijke wezen ooit schade zou kunnen toebrengen, want het bezat toverkracht tegen zegerijke wapens, tegen elk soort zwaarden. Zijn vertrek uit dit leven op deze dag van zijn bestaan zou toch vreselijk zijn, en dat wezen uit een andere wereld zou volledig in de macht van zijn vijand komen.

Toen ontdekte hij, die tevoren vaak de gemoedsrust van het mensenras had verstoord, misdaden had begaan - hij was vijandig jegens God -, dat zijn lichaam hem niet helpen kon, maar dat de moedige verwant van Hygelac hem met zijn hand vast had. Ieder haatte het, dat de ander nog in leven was. Het vreselijke monster leed een hevige pijn; bij zijn schouder begon een gruwelijke wond te gapen, pezen knapten, gewrichten barstten open. Aan Beowulf werd de overwinning verleend. Het enige dat Grendel overbleef was dodelijk gewond vandaar wegvluchten langs de steile moerwegen en zijn naargeestige woonplaats opzoeken. Al te goed wist hij, dat het eind van zijn leven aangebroken was, zijn dagen geteld. Na dat bloedige gevecht was de wens van alle Denen vervuld. Hij, die van ver was gekomen, die wist wat hij vermocht, de man met machtige kracht, had Hrothgars hal gereinigd, haar gered van vijandig geweld. Verheugd was hij over de nachtelijke arbeid, over zijn heroïsche daden. Wat de leider der Geatmannen tegen de Oost- Denen had beweerd, had hij ook waargemaakt, meer dan vergoed had hij alle ellende, de pijn in het hart, die zij zo lang hadden verduurd en uit pure noodzaak hadden moeten lijden, die onbeschrijflijke smart. Het bewijs daarvoor was duidelijk, toen de held de hand neerlegde, de arm en de schouder - van de hele klauw van Grendel ontbrak er niets - onder het ruime dak.

Naar mij verteld werd, was er daarna 's ochtends in de hal der gaven menige strijder aanwezig; leiders van heinde en ver kwamen langs uitgestrekte heirbanen om het wonder te aanschouwen, de vluchtsporen van het monster. Geen van de mannen, die aan de voetafdrukken van de verslagene zagen, hoe hij, uitgeblust, weggetrokken was naar het meer der watermonsters en hoe hij, tot sterven gedoemd en op de vlucht gejaagd, bloedige sporen had achtergelaten, vond het erg, dat hij afscheid van het leven genomen had. Het water kookte daar van het bloed, een angstwekkend kolkenspel vermengde heel het oppervlak, de hete stolsels, het gevechtsvocht, bracht heel het meer in beroering. De ten dode gedoemde had zich daar verborgen en stierf er, ontdaan van alle vreugde, zei zijn heidense ziel vaarwel in de vluchtplaats in het veen; de hel ontving hem daar.

Opgelucht kwamen het oude krijgsvolk en de vele jongemannen weer naar de hal, keerden de krijgers te paard op hun blinkend geroskamde dieren terug van hel meer. Men vertelde over Beowulfs fameuze daad. Steeds opnieuw beweerden velen, dat er op de hele wereld, tussen de zeeën zuid en noord, nergens onder het hemelgewelf, ook maar een schilddrager bestond die beter was, een die meer recht kon doen gelden op een koninkrijk. - Niet dat zij ook maar het geringste aan te merken hadden op hun heer, de lofwaardige Hrothgar, want hij was een goed koning. -

Nu en dan gingen de door strijd beroemden in galop over, lieten zij, die bekendstonden om hun kwaliteiten, hun zwartvale vossen om het hardst rennen, daar, waar hun de landwegen geschikt voorkwamen. Dan weer begon een dienaar van de koning, die over veel kon verhalen en zeer veel sagen kende, vaardig en vol poëtische welsprekendheid te spreken - het ene woord riep het andere op, in de juiste versmaat verbonden - met als onderwerp de verrichting van Beowulf, en droeg hij op kundige wijze het verhaal voor met de juiste variatie in woordkeus. Hij sprak over alles wat hij had horen verhalen, over Sigemund, zijn eervolle daden, aan velen nog onbekend, over het gevecht van de zoon van Waels, zijn verre tochten, de veten die hij veroorzaakte en uit moest vechten, en het verraad tegen hem gepleegd; zaken die de zonen der mensen zeker niet wisten, behalve Fitela, die bij hem was geweest, want de oom vertelde de neef er vaak over. Immers, zij waren altijd elkaars krijgskameraden geweest in de strijd; zij hadden met hun zwaard ontelbaren uit het ras der reuzen gedood.

Na zijn dood viel Sigemund zeer veel glorie ten deel nadat de dappere in een gevecht de draak had gedood, de bewaker van een schat. De edele vorstenzoon had zich alleen onder de grijze rots gewaagd, een hachelijke daad - Fitela was niet bij hem. Toch gelukte het hem met zijn zwaard die wonderbaarlijke slang zo te doorboren, dat het strijdijzer zelfs in de bergwand bleef steken. De draak stierf een gewelddadige dood. Met zijn moed had de onstuimige held verkregen, dat hij naar eigen inzicht over die schat aan ringen kon beschikken. Waels' zoon laadde zijn zeeboot, droeg de heerlijke sieraden het ruim van zijn schip in. De draak werd verteerd in zijn eigen hitte.

Door zijn dappere daden was hij, de beschermer der strijders, bij alle stammen verreweg de meest befaamde uit zijn eigen land verdreven avonturier - hij had hierdoor naam gekregen -, toen de krijgsdaden, de macht en de moed van Heremod minder geworden waren. Bij de Eotens werd deze aan zijn vijanden overgeleverd en meteen daarop gedood. Golven van smart hadden hem te lang overstelpt. Zijn dood drukte zwaar op zijn volk, op al zijn edelen . In tijden van weleer was ook de onderneming van die stoutmoedige zeer vaak betreurd door vele verstandige mannen, die gedacht hadden, dat hij verlichting zou brengen in de ellende, dat het dit koningskind goed zou gaan, het de nobele rang van zijn vader zou krijgen, dat het heersen zou over het volk, over de rijkdom en de versterkte plaats, over het rijk der helden, over het vaderland der Scyldings. De verwant van Hygelac was geliefd bij alle mensen en bij zijn vrienden; maar de zonde nam bezit van Heremod.

Opnieuw lieten ze de paarden om strijd rennen over de zandkleurige paden. Zo was het morgenlicht haastig voorbijgegaan. Menige edelman ging verheugd naar die hoog oprijzende hal om het vreemde wonder te zien. En ook de koning, de wachter over de ringenschat, wiens roem nooit getaand was, hij, die bekendstond om zijn voortreffelijke eigenschappen, kwam, omringd door een grote groep, uit zijn slaapvertrek, en aan zijn zijde schreed zijn gade door de medehal met haar gevolg van dienstmaagden.

Hrothgar nam het woord. Hij was naar de hal gegaan en keek, op de verhoogde spreekplaats staande, naar het spits toelopende dak, dat met goud was belegd, en naar Grendels hand.

'De Almachtige zij allereerst dank voor wat ik hier mag zien. Door Grendel heb ik veel ellende en verdriet moeten dragen. God, de Heer der glorie, kan immer wonder na wonder bewerkstelligen. Nog maar kort geleden dacht ik niet nog ooit verlost te zullen worden van een van die kwalen, toen dit prachtige huis bezoedeld was met gruwzaam bloed - een allesomvattend leed voor elke raadsman, voor allen die deze volksveste dachten te verdedigen tegen vijandige spoken en geesten. Nu, door de macht van God, heeft een jonge strijder de daad verricht die wij met ons all en niet kon den vol brengen, ondanks al onze ervaring. Zeker! De vrouw die dit kind gebaard heeft onder het mensengeslacht, kan, als zij nog leeft, zeggen, dat de eeuwige Heer haar genadig is geweest bij het krijgen van kinderen.

'Als een zoon zal ik u, voortreffelijke Beowulf, koesteren aan mijn hart; houd deze nieuwe verwantschap in ere. Niets zal u ontbreken van wat gij op aarde wenst en waarover ik zeggenschap heb. Het is zeer vaak gebeurd, dat ik een minder grote held, een die zwakker was in de strijd, met giften heb geëerd. Gij hebt zelf door uw daden bereikt, dat uw glorie tot in lengte van jaren zal voortleven. Moge de Almachtige u hiervoor ruimschoots belonen, zoals Hij tot nu toe gedaan heeft.'

Beowulf, Ecgtheows zoon, sprak ten antwoord: 'Met inzet van al onze krachten hebben wij deze dappere daad, dit gevecht, uitgevoerd, hebben wij ons onverschrokken gewaagd in de strijd met dat machtige, mysterieuze wezen. Ik had graag gewild, dat u hem zelf had kunnen zien, die duivel , ten dode opgeschreven in al zijn pracht en praal. Ik had gedacht hem snel met stevige banden op zijn sterfbed te binden, zodat hij in mijn handgreep daar zieltogend zou liggen, maar hij ontkwam levend. Ik kon hem niet tegenhouden - dat wilde de Schepper niet -, daarvoor hield ik hem niet stevig genoeg vast, die doodsvijand. Zo buitengewoon sterk was het verlangen van de duivel om weg te komen. Om zijn leven te redden heeft hij echter zijn hand, arm en schouder achtergelaten, zoals ieder kan zien. Toch is dat ellendige wezen er niet veel beter van geworden. Gefolterd door zonden als hij is, zal die boosdoener niet lang meer leven, want de pijn heeft hem stevig in haar heftige greep, in banden, die leiden tot de dood. Zo moet dat schepsel, getekend door zijn misdaden, het grote oordeel afwachten, niet wetend hoe de Heer der glorie het straffen zal.'

De zoon van Ecglaf gaf wat minder op over zijn oor logszuchtige daden, toen de edelen door de gevechtskracht van die krijger de hand konden zien, hoog tegen het dak de vingers van de vijand. Aan het eind van elke vinger zat een stevige nagel, als van staal. De klauw van die heidense strijder was angstaanjagend, gruwelijk om te zien. Iedereen zei, dat niets, al was het nog zo hard, hem had kunnen deren, wat voor een voortreffelijk ijzer het ook was geweest, dat had willen proberen die bloederige strijdarm van dat ellendige wezen te scheiden.

Meteen werd er opdracht gegeven Heorot van binnen op te knappen. Vele mannen en vrouwen maakten de wijnhal, de gastenzaal, in orde. Wandkleden schitterden van het goud, een prachtig gezicht voor alle aanwezigen. Dat illustere huis, met van binnen allemaal ijzeren banden, was zwaar gehavend; de deurscharnieren waren weggerukt; alleen het dak was nog geheel intact gebleven, toen dat monster, bezoedeld met misdaden, op de vlucht ging, met weinig hoop voor zijn leven.

Daar valt moeilijk van weg te vluchten; laat hij die dat wil, het maar proberen. Want door het lot gedwongen moet een man de plaats wel opzoeken die bereid is voor hen die leven, voor alle zonen der mensen, voor alle aardbewoners, als zijn lichaam, onbeweeglijk op zijn rustplaats, slapen moet na het feestmaal van dit bestaan.

Toen was het blijde moment gekomen, dat Healfdenes zoon naar de hal toe zou gaan. De koning zelf wilde aanzitten aan het banket. Nooit heb ik gehoord, dat een volk in groter getale zich vreugdevoller gedroeg rond de ringenbreker. Hoog geroemde mannen namen plaats op de bank en deden zich te goed aan het maal; in blijdschap dronken de machtige verwanten, Hrothulf en Hrothgar, daar menige beker mede. Heorot was binnen haar muren vol met vrienden; de nationale leiders van het volk der Scyldings hadden toen nog geen verraad gepleegd.

Als beloning voor de overwinning gaf de zwaardvoerder van Healfdene Beowulf toen een gouden banier, een schitterend strijdteken, een helm en een maliënkolder; velen zagen, dat een met kostbaarheden ingelegd erezwaard aan de dappere werd gegeven. Beowulf nam een dronk uit de beker in de hal. Voor deze kostbare giften hoefde hij zich ten overstaan van de strijders niet te schamen - ik heb maar van weinig mensen gehoord die met grotere oprechtheid vier zulke rijke schatten, ingelegd met goud, aan anderen hebben gegeven op de bierbank. Rond de top van de helm zat als hoofdbescherming een verhoogde rand, met kostbare draden omwonden, zodat geen zwaard, dat zijn hardheid in de strijd had bewezen, hem ernstig kon beschadigen, als de schildstrijder zich tegen vijanden moest gaan opstellen.

Ook liet de beschermer der nobelen acht prachtige, kostbaar opgetuigde paarden binnenleiden, het gebouw in. Een ervan had een zadel dat op kundige wijze was verfraaid, met edelstenen was ingelegd; dat was de oorlogszetel van de verheven koning, als de zoon van Healfdene aan het zwaardenspel wilde deelnemen - nooit had het de wijdbefaamde leider in de frontlijn aan strijdlust ontbroken, wanneer mannen stierven.

En toen gaf de heer der Ingwinen aan Beowulf het beheer over beide, paarden en wapens; hij wenste hem er succes mee. Op een wijze die iedere man zou eren beloonde de prins, de behoeder van de rijkdom der helden, Beowulf voor zijn stormende aanvallen, met zulke paarden en schatten, dat iemand die de waarheid geen geweld aan wenst te doen, er nooit kwaad van kan spreken. Bovendien gaf de heer der nobelen daar aan de medebank een kleinood, een oud erfstuk, aan elk van hen die met Beowulf de weg over zee hadden afgelegd. En hij gaf opdracht, dat met goud vergoeding gegeven zou worden voor die ene man die Grendel in zijn moordzucht had gedood - en hij had er nog wel meer gewild, als de alwetende God en de moed van die man hun dat lot niet hadden bespaard. De Schepper had heel de mensheid in Zijn hand, zoals ook nu nog. Hieruit blijkt toch weer overduidelijk, dat het altijd het beste is om niet onbezonnen te werk te gaan, en weloverwogen te handelen. Veel lief en leed moet die man meemaken die hier, in deze troebele tijden, de wereld lang tot woonplaats kiest.

Zang en muziek klonken samen weer op in het bijzijn van Healfdenes oorlogsleider. Een akkoord werd ontlokt aan het vreugdehout, een lied werd voorgedragen, toen Hrothgars scop voor verstrooiing ging zorgen in de hal. Langs de medebank vertelde hij het verhaal van de zonen van Finn, hoe een ramp hen overviel en hoe Hnaef van het geslacht der Scyldings, de held der Half-Denen, viel in een dodelijk gevecht tegen de Friezen.

'Hildeburh hoefde de trouw der Eotens waarlijk niet te prijzen. Zonder dat zij er schuld aan had, werden haal dierbaren haar ontnomen tijdens het schildenspel, haar broer en haar zoon; gewond door de speer vielen zij ten prooi aan het lot. Welk een verdriet moest die vrouw lijden! Toen de morgen aanbrak en zij daar, waar zij tevoren de grootste vreugde op aarde had gekend, in het open veld moest zien, hoe haar verwanten een gewelddadige dood waren gestorven, betreurde Hocs dochter niet zonder reden wat het fatum had voorgeschreven.

'Op een paar na had de oorlog al Finns mannen weggerukt, zodat hij de gevechtskracht van Hengest, de officier van de koning, op geen enkele wijze kon weerstaan in de zaal waar zij hun besprekingen voerden, of het armzalige overschot met een aanval kon ontzetten. Maar Hengest en zijn lieden boden hem een regeling aan met de voorwaarden, dat zij een andere plaats, een hal en een verhoogde troonzetel zouden ontruimen, zodat zij evenveel macht zouden hebben als de zonen der Eotens, en dat hij, de zoon van Folcwalda, bij het uitdelen der goederen de Denen elke feestdag gelijke eer zou bewijzen, de hij de groep van Hengest evenveel ringen en rijke schatten, kostbaar goud, geven zou als waarmee hij de stam der Friezen in de bierhal zou verblijden.

'Aan beide kanten werd toen een verdrag van hechte vriendschap goedgekeurd. Onder ede verklaarde Finn aan Hengest, oprecht en eerlijk, dat hij de arme overlevenden volgens inzicht van zijn raadgevers eervol zou behandelen dat niemand daar de onderneming in woord of daad zou schenden, noch dat men er zich laatdunkend over mocht uitlaten, hoewel zij, zelf zonder leider, de moordenaar van hun vrijgevige heer gevolgd waren, omdat hun dat opgelegd werd; en dat, als een van de Friezen op uitdagende wijze zou herinneren aan de gehate moordpartij, de kling van het zwaard dat recht zou zetten. 'De brandstapel werd bereid en prachtig goud uit de schat erheen gebracht. De beste oorlogs-Scylding, de held in de strijd, lag klaar op het hout. In die brandstapel kon ledereen gemakkelijk de met bloed bevlekte maliënkolder zien, het zwijnsbeeld geheel van goud, de everbeer hard als ijzer, en menige edelman, die aan zijn verwon dingen bezweken was. Hoevelen waren er niet in dat bloedbad gevallen.

'Haar eigen zoon liet Hildeburh toen in de vlammen leggen van Hnaefs brandstapel - zij liet zijn lichaam naast dat van zijn oom plaatsen, ten prooi aan het vuur. De vrouw jammerde, uitte zich in klaagliederen. De oorlogsheld steeg omhoog. 'Het machtige verbrandingsvuur zocht zijn weg naar de wolken, loeide op voor de grafheuvel. Hoofden smolten weg, wonden gaapten open en er sprong bloed uit het lichaam waar de vijand het had verwond. Het vuur, die gulzige geest, had allen verzwolgen van beide volken, die de strijd had weggenomen. Hun glorie was voorbij. 'Beroofd van hun vrienden gingen de strijders toen naar hun woonplaatsen, zochten zij Friesland weer op, hun woonsteden en hun veste. In al zijn ongeluk bleef Hengest echter die ijzige winter lang bij Finn. Hij dacht aan zijn land, al kon hij geen schip, voorzien van een met een ring versierde steven, over de zee leiden - een storm blies over de wateren, de oceaan vocht tegen de wind, de winter had de baren met ijzige band gesloten, tot er weer een nieuw jaar naar de hofsteden der mensen kwam, zoals het ook nu nog gebeurt, altijd de juiste volgorde afwachtend, schitterend, helder weer.

'Toen was de winter voorbij. Hoe schoon was de schoot der aarde. Heel graag wilde de banneling, de gast, daarvandaan weg. Maar Hengest wilde liever wraak dan wegvaren; hij overdacht, of hij geen vijandelijk treffen tot stand kon brengen, omdat hij dan met zijn zwaard de zonen der Eotens zou belonen. Vandaar dat hij de spreker van de groep geen strijd weigerde, toen deze hem het beste der wapens, het strijdzwaard van Hunlafing, in handen legde; de scherpe snede daarvan was de Eotens goed bekend.

'De onverschrokken Finn viel later, nog wel bij hem thuis, een gruwelijke dood door het zwaard ten deel, toen Guthlaf en Oslaf na hun reis over zee zich beklaagden over de grimmige aanval en hem de schuld gaven van de ellende die hen had overvallen; hun rusteloze geest konden zij niet langer beheersen.

'Toen werd de hal rood van de levens der tegenstanders, en werd ook Finn gedood, de koning getroffen, omringd door zijn lijfwacht, en de koningin meegevoerd. De boogschutters der Scyldings brachten alle bezittingen van de landkoning naar hun schip, al wat zij in Finns huis konden vinden aan halskettingen en kostbare stenen. Over het zeepad brachten zij de nobele vrouw naar de Denen, leidden zij haar naar haar volk.'

Zo luidde het lied, het verhaal van de speelman.

Vreugde klonk op. Luid hoorde men weer gezellige drukte, dienaren schonken wijn uit wonderlijk vaatwerk.

Toen kwam Wealhtheow naar voren - zij droeg een gouden halsketting -, naar waar die twee dapperen zaten, de neef en zijn oom. Tussen hen tweeën bestond nog vrede, de een was de ander trouw. De spreker van de heer der Scyldings, Unferth, zat aan zijn voeten; men vertrouwde hem, kende hem als een nobele geest, hoewel hij geen medelijden had gekend met zijn verwanten bij het spel der zwaarden.

Toen sprak de Scyldingvrouwe: 'Neem deze bokaal aan, mijn geliefde heer, uitdeler van rijkdom. Geniet van dit moment, gij, die de mannen gouden sieraden schenkt, en spreek in lovende woorden tot de Geaten, zoals dat hoort. Wees blijde tegenover de Geaten en bedenk de grote genade, dat gij nu van dichtbij en van verre beveiligd zijt.

'Men heeft mij gezegd, dat gij u deze strijder als zoon wenste. Heorot, de schitterende ringenhal, is gereinigd. Gebruik de veelheid aan beloningen, nu gij daar de gelegenheid toe krijgt, en laat uw kinderen het rijk en het volk, als gij van hier weg moet gaan, om te zien wat het lot u heeft bereid. Ik weet van de lofwaardige Hrothulf, dat hij de onervaren krijgers met eer zal overladen, als gij, heer der Scyldings, eerder dan hij de wereld zult verlaten. Ik verwacht, dat hij onze zonen overvloedig terug zal geven al wat hij wenste, in volle overeenstemming met de eervolle positie die hij bekleedde.'

Toen wendde zij zich naar de bank waar haar kinderen zaten, Hrethric en Hrothmund, en de zonen der helden, de jonge strijders allen tezamen; bij de twee broers zat ook de dappere, Beowulf de Geat.

Hem werd een beker gereikt, en met vriendelijk woorden werd hij uitgenodigd om te drinken. Ook werden hem op waardige wijze gedraaid goud aangeboden, twee armversieringen, een pantser en ringen, en het mooiste halssieraad waar ik op aarde ooit van heb gehoord. Nooit heb ik vernomen van een door mensen beter gekoesterde schat, sinds Hama het halssieraad van de Brosings naar zijn glorieuze veste meevoerde, de schitterende stenen in hun kostbare vatting, sinds hij de bedrieglijke vijandschap van Eormenric ontvluchtte en later het eeuwige heil verkoos.

Hygelac de Geat, de kleinzoon van Swerting, droeg deze ketting op zijn laatste onderneming, toen hij de standaard opzette om zijn kostbaarheden te verdedigen, om de krijgsbuit te bewaken. Het noodlot trof hem, toen hij uit overmoed zichzelf in moeilijkheden bracht, strijd zocht met de Friezen. Hij, de machtige leider, had de juwelen de kostbare stenen, over de volle zee gevoerd; hij stierf onder zijn schild. Het leven van de koning kwam in de macht van de Franken, tegelijk met zijn borstharnas en de halsketting. Minder befaamde strijders plunderden de gevallenen na het bloedbad. Het veld van eer was bezaaid met Geaten.

De zaal vulde zich met applaus. Wealhtheow sprak voor de verzamelde menigte: 'Beowulf, dierbare jongeman, gebruik deze halsketting en dit pantser, de grootste schatten die een volk kan geven, in voorspoed. Moge het u goed gaan. Laat u gelden in uw kracht en sta deze kinderen welwillend met raad bij. Daarvoor zal ik u belonen.

'Gij hebt bereikt dat men u tot in lengte van jare heinde en ver zal prijzen, zover als de zee, de woonplaats van de winden, de rotsen omsluit. Het ga u goed, zolang als gij leeft, nobele man. Ik gun u deze schatten van harte.

Moge gij dit op passende wijze tegenover mijn zoon door uw daden beantwoorden en moge gij blijvend in vreugde leven. Iedere edelman is hier de ander trouw. Niemand zoekt twist, maar ieder is loyaal tegenover zijn heer. Geen onderlinge tweespalt scheidt nu dit volk, de strijders zijn tot alles bereid, nu zij gedronken hebben, doen zij al wat ik vraag.'

Daarop ging zij naar haar zetel. Schitterend was het feestmaal, dat daar werd gehouden, de mannen dronken wijn. Zij dachten er niet meer aan, hoe het noodlot, de grimmige onafwendbaarheid, vele nobelen had overvallen. Toen het avond was geworden, ging Hrothgar naar zijn vertrek, ging de machtige naar zijn rustplaats. Grote aantallen edelen bleven de zaal bewaken, zoals zij tevoren al vaak hadden gedaan. De vloer waar de banken op stonden werd vrijgemaakt en er werden bedden en bolsters op uitgespreid. Te midden der feestvierders was er een die zich op zijn bed neerlegde, terwijl hij toch spoedig zou sterven, gedoemd tot de dood. Bij hun hoofd zetten zij schilden klaar, schitterend afweerhout. Boven elke edele strijder lagen op de bank zijn in gevecht hoog uitstekende helm, het maliënpantser en de machtige speer. Het was hun gewoonte, om altijd klaar te staan voor de oorlog, of ze nu thuis waren of op strijdtocht, altijd op die momenten dat hun heer in nood verkeerde. Deze natie was altijd op haar hoede.

En zo gingen zij slapen. Voor een kwam die nachtrust duur te staan, zoals hun al zo vaak overkomen was, sinds Grendel in die goudhal rondwaarde, er zijn kwalijke praktijken uitoefende, tot hij aan zijn einde kwam, een gewelddadige dood stierf voor zijn misdaden.

Het werd alle mannen onmiskenbaar duidelijk, dat er al die tijd nog een wezen geleefd had, dat - met het leed na die vreselijke strijd in gedachten - belust was op wraak: Grendels moeder, een monsterlijke vrouw, die gedoemd was geweest onheilspellende wateren en koude stromen tot woonplaats te kiezen, toen Kain zijn eigen broer, de zoon van dezelfde vader, met het zwaard had gedood. Daarvoor werd hij gemerkt; getekend met moord ontvluchtte hij menselijk gezelschap, ging hij wonen in onherbergzame streken. Al vanaf de vroegste tijd waren uit hem vele doodsdemonen voortgekomen, en daarvan was Grendel er een, die gehate, vervloekte vijand, die in Heorot een man wakker aangetroffen had, wachtend op de strijd. Gruwelijk had hij die figuur daar vastgegrepen. Maar deze was niet vergeten, welk een machtige kracht God hem in ruime mate gegeven had, en hij vertrouwde op de hulp, de troost en de bijstand van de Almachtige. Daardoor overwon hij die duivel, deed hij de hellegeest buigen. De vijand der mensheid vluchtte toen vernederd weg, ont daan van elke vreugde, en zocht een plaats om te sterven.

Zíjn moeder nu wilde opnieuw een tocht vol verschrikking ondernemen, wilde allen wel verslinden in haar verbolgenheid om de dood van haar zoon te wreken. Zij kwam dan naar Heorot, waar overal in de hal de Ring-Denen lagen te slapen. Toen zij binnengedrongen was, kwam er plotseling verandering voor de nobelen. Vergeleken met Grendel, was haar gruwel evenveel minder als de kracht van een meisje, de verschrikking die een vrouw in de strijd veroorzaakt, vergeleken met die van een man, wanneer het zwaard met al zijn versieringen, het door een hamer geharde houwwapen, met een kling waar men op rekenen kan en glimmend van bloed, het everbeeld splijt op de helm.

Toen greep men in de hal van boven de bank het slagwapen met de geharde ijzeren snede, werd er menig groot schild vast in handen genomen. Géén dacht aan helm of ruimzittend pantser, toen de angst hen aangreep. Toen ze ontdekt was, had ze haast, wilde ze snel naar buiten, om haar leven te redden. Vlug greep ze een van de nobelen stevig vast en verdween vervolgens naar het veen. Degene die zij op zijn rustplaats gedood had, was van de hofhouding voor Hrothgar de dierbaarste strijder die lli; tussen de zeeën had, een krachtig schildvechter, een glorieuze held. Beowulf was daar niet aanwezig, want nadat de rijkdommen waren uitgedeeld, was hem, de nobele Geat, eerder op de avond een aparte slaapplaats toegewezen. Weeklagen klonk op in Heorot. Ze had ook de welbekende hand, die onder het bloed zat, meegenomen. De smart was hernieuwd, had weer bezit genomen van die woonplaats. Dat was geen goede ruil, waarbij wederzijds betaald moest worden met het leven van vrienden. De bejaarde koning, de grijze strijder, was diep terneergeslagen, toen hem bericht werd, dat zijn voornaamste raadsman niet meer in leven was, zijn meest geliefde gezel nu dood.

Snel werd Beowulf, de zegerijke strijder, naar de kamer van de koning ontboden. Bij het aanbreken van de dag ging de voortreffelijke edelman, de nobele strijder, met zijn gezelschap naar de plaats waar de wijze zat af te wachten, of de Almachtige hem na dit onheilsbericht ooit nog een wending ten goede zou brengen. De man, die zijn sporen in veldtochten had verdiend, betrad de vloer met zijn gevolg - het plankier weerklonk -, zodat hij de wijze man, de heer der Ingwinen, kon toespreken, hem kon vragen, of de nacht zo vredig was geweest als hij gehoopt had.

Hrothgar, de beschermer der Scyldings, sprak: vraag niet naar vreugde. Opnieuw is er leed voor het volk der Denen. Aeschere is dood, de oudere broer van Yrmenlaf, mijn vertrouweling, mijn toeverlaat, de kameraad aan mijn zijde, wanneer wij in de oorlog ons hoofd beschermden, wanneer het voetvolk ten aanval trok en op de everhelmen sloeg. Zo zou een edelman moeten zijn, zo buitengewoon voortreffelijk als Aeschere.

‘Een moorddadige geest heeft hem in Heorot met haar handen gedood. Ik weet niet waar het monster, trots op haar buit en zich verheugend op een overvloedig maal, daarna is heengegaan. Daarmee heeft zij gewroken, dat gij gisternacht op hardhandige wijze Grendel in uw stevige omklemming hebt gedood, omdat hij mijn volk ál te lang uitgedund en vermoord had. Hij viel in de strijd, de dood schuldig, en nu is er weer een boosdoener gekomen, die haar verwant wilde wreken, en ze is daar zeer goed in geslaagd, wat duidelijk is voor alle nobelen, die na het uitdelen van de schatten nu bedroefd zijn in hun hart - het is een groot zielenleed. En nu ligt de medewerker terneer, die u ondersteunde in al uw wensen.

‘Ik heb bewoners van buitengebieden, leden van mij volk, en ook raadslieden hier in de zaal horen zeggen, da zij zelf hadden gezien, hoe een tweetal van zulke vreemd reuzenwezens zich ophield in de moeren, rondwaarde door onherbergzaam grensland. Met de grootste stelligheid beweerden zij, dat een van die twee er uitzag als een vrouw; het andere ellendige wezen zwierf over de paden van zijn verbanningsoord in de gestalte van een man, behalve dan, dat het veel groter was. Deze laatste gaven de aardbewoners vroeger de naam Grendel. Men kende zijn vader niet, men wist ni et of een van de mysterieuze geesten tot zijn voorouders had behoord.

‘Deze twee beheersten het duistere land vol wolvenhellingen, de winderige klippen, het veengebied vol gevaar, waar een grote watermassa naar beneden stroomt de duisternis van de rotsen in, een stroom die in de aarde verdwijnt. De plaats van dat meer is in mijlen gerekend niet ver vanhier. Berijpte bomen strekken er hun takken over uit, vastgeworteld hout overschaduwt er het water.

‘Iedere nacht kan men er een angstaanjagend, wonderbaar schouwspel zien, vuur boven het oppervlak. Geen mensenkind weet uit eigen ervaring, hoe diep het tot de bodem is.

‘Zelfs wanneer de heidestapper, het hert met sterk gewei, door honden achternagezeten, dat bos opzoekt - al van verre op de vlucht gejaagd -, geeft hij zijn ziel, zijn leven, liever op de oever dan dat hij dat water in gaat en zo zijn hoofd redt; het is een ongure plaats. Vandaar stijgen duistere nevelmassa’s op naar de wolken, als de wind tot een heftige storm aan gaat wakkeren, als uit een onheilspellende lucht de hemel gaat huilen.

‘Alleen in uw hand ligt nu de oplossing. Gij kent de plek wel niet, de vervaarlijke plaats, waar gij dat zondige wezen vinden kunt; zoek het als gij durft. Voor deze strijd zal ik u met goederen belonen, met oude schatten, zoals ik tevoren deed, met kunstig bewerkt goud, als gij wederkomt.’

Beowulf, Ecgtheows zoon, sprak toen: ‘Ween niet, wijze heer. Het is beter, dat iemand zijn vriend wreekt dan dat hij veel treurt. Elk van ons moet het einde meemaken van zijn leven op deze wereld. Laat ieder, zolang hij dat kan, glorie vergaren voor zijn dood. Dat is voor een krijgsman, als hij niet meer leeft, later het beste. Sta op, beschutter van het rijk, laat ons vlug buiten het spoor gaan zoeken, dat Grendels verwant heeft achtergelaten. Dit beloof ik u plechtig: ontsnappen zal hij niet, niet in een schuilplaats, niet onder de grond, niet in een woud op de bergen en niet op de bodem van de zee. Weet deze ene dag nog allerlei rampen te verdragen, zoals ik in uw zaak verwacht.’

De oude vorst stond op van zijn zetel en dankte God, de machtige Heer, voor wat die man had gezegd.

Toen halsterde men voor Hrothgar een paard met gevlochten manen. In vol ornaat ging de koning op weg; het voetvolk van schilddragers stapte mee. Van verre kon men vanwege het geplette struikgewas de sporen waarnemen, kon men zien waar zij langs de grond was gegaan, dwars door het donkere moeras, met in haar handen de voortreffelijkste hoveling, die het huis met Hrothgar had beheerd, nu levenloos. De zoon der edelen trok achtereenvolgens langs steile rotshellingen, smalle weggetjes, enge eenmanspaadjes, onbekend terrein, hoog oprijzende klippen en zeer veel monsterholen. Met een paar anderen, die goed de weg kenden, ging hij vooruit om de streek te ver kennen, totdat zij plotseling op de plek aankwamen waar de bomen op de berg over de grijze rotsmassa heen hin gen, een akelig woud. Het water daar beneden was vol kolkend bloed.

Alle Denen, alle vrienden der Scyldings, was het zwaar te moede, voor elke leenman, voor elke edelman was het moeilijk te verwerken, toen zij Aescheres hoofd op een klip bij het water aantroffen.

De poel kolkte van het bloed, vol met nog warm levensvocht. Het hele volk keek ontzet toe. Met tussenpozen blies een hoorn een vurig strijdlied. Al het voetvolk ging zitten. Alle mogelijke slangegedrochten waren er ir dat water te zien, er zwommen vreemdsoortige zeedraken speurend in rond en er lagen net zulke watermonsters op de rotshellingen als die welke vaak ‘s morgens vroeg een kommer brengende tocht ondernemen op de zeilweg, slangachtigen en wilde dieren. Bitter en verbolgen schoten ze weg; ze hadden duidelijk de galm gehoord van de gevechtshoorn.

Met een pijlschot maakte de leider der Geaten bij één ervan een eind aan zijn leven, aan zijn gekronkel in de poel, en de harde oorlogspijl bleef rechtop in zijn ingewanden staan. Nu de dood hem had weggenomen, zwom hij voortaan wat langzamer in de golven. Die wonderbaarlijke waterdoorkruiser werd meteen daarop achternagezeten met spiesen, gebruikt bij de everjacht, waar vreselijke weerhaken aan zaten. Hij werd hardhandig bedwongen en op de kant getrokken. Vol afgrijzen staarden de strijders naar het vreemde dier.

Met ware doodsverachting gordde Beowulf het strijdgewaad om het lijf; doorgronden zou hij meer, gekleed in een ruim zittend oorlogspantser, dat vaardige handen zo geweven hadden, dat het lichaam goed beschut werd, dat geen grimmig gevecht, geen boosaardige, gemene tegenstander zijn hart, zijn leven schaden. En zijn hoofd werd beschermd door een schitterende helm, die het onderste van het meer om zou woelen, die, met ornamenten versierd en omwonden met koninklijke banden, het tumult van de kolken op zou zoeken, een hoofdbeschermer die de wapensmid in vervlogen tijd had vervaardigd en zo van mysterieuze krachten, van everbeelden, had voorzien , dat geen staal of slagzwaard hem in later tijd ooit bijten kon.

Verreweg het machtigste hulpmiddel, dat Unferth, Hrothgars woordvoerder. hem in zijn nood zolang had gegeven, was het zwaard met het lange heft, dat Hrunting heette; van alle kostbaarheden was het de belangrijkste, de kling was van ijzer, met een adderpatroon, en het was gehard in bloed. In de strijd had het nimmer iemand in de steek gelaten die zijn handen om het gevest had gelegd, die zich in een gevaarlijke onderneming had durven storten, en de hoofdplaats van een vijand had aangevallen. Het was niet de eerste keer, dat het een roemruchte daad verrichten moest.

Ondanks al zijn kracht bande Ecglafs verwant uit zijn gedachten wat hij tevoren, toe hij dat wapen uitleende aan een beter zwaardvechter, gezegd had, dronken als hij toen was van de wijn. Zelf durfde hij zijn leven niet te wagen onder de woelige golven, een krijgshaftige daad te verrichten. De kans die hij daar kreeg om befaamd te worden, vermaard om zijn moed, liet hij liggen. Maar zo was het zij de ander niet, toen deze zich ten strijde gegord had.

Beowulf, Ecgtheows zoon, sprak de woorden: ‘Herinner u, beroemde zoon van Healfdene, wijze prins, goudvriend van krijgslieden, nu ik hier klaar sta voor mijn onderneming, wat wij tweeën kort geleden besproken hebben, namelijk, dat gij, wanneer ik in uw dienst afscheid zou moeten nemen van het leven, wanneer ik heen zou moeten gaan, immer mijn vaderrol op u zoudt nemen. Als ik val in de strijd, weest gij dan de beschermer jonge volgelingen, van mijn naaste gezellen.

‘Bovendien moet gij, dierbare Hrothgar, de kostbaarheden, die gij mij geschonken hebt, aan Hygelac zenden. De heer der Geaten zal dan uit dat goud kunnen opmaken, Hrethels zoon zal, als hij die pracht aanschouwt kunnen zien, dat ik een uitdeler van ringen getroffen had, die vrijgevig was, een voortreffelijk man, een met wie ik graag omging, zolang ik dat kon. ‘En geef Unferth het oude erfstuk, dat zwaard met zijn prachtige patroon; ik zal roem vergaren met Hrunting, of de dood zal mij wegrukken.’

Na die woorden haastte de leider der Weder-Geaten zich snel; hij wilde niet op een antwoord wachten.

Het kolkende water sloot zich boven de strijder. Het duurde wel een dag, voor hij de bodem kon zien. Het wezen dat in al haar hebzucht dat watergebied vijftig winters grimmig en gretig overheerst had, bemerkte on- middellijk, dat een mens bezig was het revier der monsters van bovenaf te doordringen. Ze strekte haar klauwen naar hem uit, pakte de krijger in akelige omklemming. Maar toch werd zijn lichaam geen schade toegebracht, bleef hij ongedeerd; de ringen van de kolder beschermden hem rondom, zodat zij die oorlogsdracht, het alle ledematen omsluitende vest, niet kon doordringen met haar gemene vingers.

De zeewolvin nam de met pantserringen beschermd prins mee naar de bodem, naar haar verblijfplaats, zodra hij niet in staat was zijn wapen te trekken, hoe moedig hij ook was; want veel wonderlijke wezens verhinderden hen dat, menig zeedier schuurde met zijn slagtanden langs zijn strijdkolder, bracht de machtige in het nauw. Toen bemerkte de held, dat hij zich in een soort strijdhal bevond waar het water hem op geen enkele wijze kon deren, waar geen plotselinge vloed hem kon bereiken, doordat de zaal een gewelf had. Hij zag er een vuurgloed, een fel schijnende schittering van licht.

Toen bemerkte de dappere het dieptegedrocht, het reusachtige manwijf in de poel. Met grote kracht liet zijn slagzwaard neerkomen; hij hield zijn hand niet in, zodat de kling met het ringenpatroon een daverend strijdlied zong op haar hoofd. De gast ontdekte toen, dat de blaken strijdschicht niet wilde bijten, dat hij geen gevaar inhield voor haar leven, maar dat de kling faalde, juist nu prins hem zo nodig had. Daarvóór had het zwaard vele veldslagen doorstaan, had het vaak een helm gespleten en het oorlogskleed van een gedoemde. Dit was de eerste keer, dat dit kostbare stuk niet beantwoordde aan zijn roem.

Hygelacs verwant vermande zich, geenszins ontmoedigd, zich zijn beroemde daden voor ogen houdend. In zijn woede wierp de strijder dat stalen, stevige zwaard, omwonden en ingelegd met zilverdraad, op de grond. Hij vertrouwde op zijn kracht, op de sterkte van zijn handgreep. Zo hoort een man te handelen, als hij in de strijd beklijvende glorie vergaren wil; met ware doodsverachting behoort hij te vechten.

De man uit de stam der Oorlogs-Geaten greep Grendels moeder bij de schouder; hij schrok niet meer terug voor de aanval. In zijn verbolgenheid trok de in strijd geharde zijn doodsvijandin naar de grond. Zij had haar antwoord klaar en greep naar hem met haar grimmige klauwen. Vermoeid struikelde de sterkste der helden, der voetvechters, en viel daarna neer. Ze wierp zich boven op de indringer in haar zaal en trok haar brede, bruingerande strijddolk; ze wilde haar kind wreken, haar enige zoon. Rondom zijn schouders lag het fijnmazige borstnet; dat beschermde zijn leven, doordat het de punt en snede de toegang versperde.

Ecgtheows zoon, de eerste strijder der Geaten, zou daar in die onderaardse ruimte omgekomen zijn, als de strijdkolder hem niet had geholpen, het harde oorlogsnet, en als het niet aan de heilige God was geweest te beschikken wie de zege in de strijd zou behalen. Moeiteloos nam de wijze Rechter, de Hemelheer, een juiste beslissing: Beowulf kon weer overeind komen. Onder allerlei wapentuig zag hij een oud reuzenzwaard, een overwinningswapen, met krachtige kling, de trots van strijders. Het was een keurwapen, hoewel het zo groot was, dat geen andere man het naar het strijdspel zou kunnen dragen; het was goed en grandioos, het werk van giganten. De onverschrokken Scylding greep het gevest met de ring, fel en grimmig trok hij het wapen, en met ware doodsverachting sloeg hij zo furieus toe, dat het zwaard haar hard in de hals trof en de beenderringen verbrijzelde. De kling drong dwars door het ten dode gedoemde lijf. Zij viel op de grond, het zwaard zat vol bloed, de man was blij met wat hij bereikt had.

Er scheen daar binnen een licht, zo helder als de gloed van de hemelkaars in de lucht. Hygelacs vazal keek de hal rond. Razend en onverbiddelijk ging hij langs de muur, zijn hand stevig om het gevest. Die zwaardsnede was niet nutteloos voor de strijder en daarom wilde hij Grendel meteen de vele aanvallen vergelden, die hij meer dan eens op de West-Denen had ondernomen, toen hij Hrothgars haardgenoten doodde in hun slaap, toen hij vijftien Denen tijdens hun nachtrust opvrat en er evenzoveel wegsleepte, een gruwelijke buit. De onstuimige kampvechter had hem ervoor laten boeten, want hier zag hij hem nu liggen, stil en levenloos na de wonden die hij op- gelopen had tijdens het gevecht in Heorot. Ver sprong het lijk weg, toen het, al dood, een klap kreeg, een geweldige slag met het zwaard; Beowulf sloeg het hoofd eraf.

Spoedig daarop zagen de wijze mannen die met Hrothgar naar het oppervlak tuurden, dat de wateren in heftige beroering kwamen, dat het meer rood werd van bloed. De grijze, oude mannen bespraken het lot van de dappere en zeiden, dat ze de nobele held niet meer terug verwachtten dat hij waarschijnlijk niet als overwinnaar naar de befaamde vorst zou terugkeren. Het scheen velen toe, dat de waterwolvin hem gedood had.

Toen kwam het negende uur; de dappere Scyldings verlieten de nes. De goudvriend van krijgsmannen vertrok naar buis. Zielsbedroefd bleven de vreemdelingen zitten en staarden naar het meer. Ze wensten hun heer weliswaar terug te zien, maar verwachtten dat niet.

Na de hitte van het gevecht begon het zwaard, de strijdbijl, als een pegel te slinken. Het was vreemd om te zien, hoe het helemaal smolt, net zoals op het tijdstip dat de Vader, aan Wie tijden en seizoenen onderworpen zijn, het ijs, de boeien van de vorst, losmaakt, het water bevrijdt van zijn ketenen. Hij is de ware Heerser.

Van de prachtige kostbaarheden in die ruimte nam de prins der Weder-Geaten niet meer mee dan het hoofd en het met cloisonné-werk ingelegde gevest, ook al zag hij daar veel liggen. Het zwaard was gesmolten, het golfpatroon verbrand; zo heet was het bloed geweest, zo giftig het buitenaardse wezen, dat daar binnen de dood had gevonden.

Hij, die in het gevecht heelhuids de gruwelijke aan val van de vijanden had overleefd, zwom meteen weg en schoot naar het oppervlak. Nu dat buitenaardse wezen haar levensdagen beëindigd had, aan het eind was gekomen van wat het lot voor haar had beschikt, waren de kolkende golven en de wijde woongebieden eromheen volledig gereinigd.

De beschermer der zeelieden kwam toen triomfantelijk aangezwommen. Hij was verheugd over de buit uit de zee, over de zware last, die hij bij zich had. De groep vazallen ging hem opgelucht tegemoet, dankte God, was verheugd, dat men hem gezond weerzien kon. Snel maakten ze de helm en het pantser van de dappere los. De poel, het water onder de wolken, was tot rust gekomen, nog rood van het bloed. In blijde voldoening vertrokken ze vandaar langs de voetpaden, langs de landweg en dan de bekende straatweg. Elk van de onverschrokken, kordate lieden kostte het moeite om het hoofd vanaf de klip bij de zee weg te dragen; vier waren er nodig om het hoofd van Grendel aan een speer naar de goudhal te brengen, en nog ging het moeizaam. En zo kwam de groep van veertien dappere en oorlogszuchtige mannen onverwacht aan bij de zaal. Omringd door zijn groep betrad hun heer onversaagd de zoetgeurende grasvlakte voor de hal. De leider van de mannen, geëerd met glorie, de koene strijder, de heldhaftige krijger, trad daarop binnen om Hrothgar te begroeten. Aan de haren werd het hoofd van Grendel het planket op gedragen, waar men aan het drinken was, wat een vreselijke aanblik bood voor de edelen en in het bijzonder voor de vrouw in het gezelschap, een wonderlijk schouwspel. De mannen konden hun ogen er niet van afhouden.

Beowulf, de zoon van Ecgtheow, nam het woord: ‘Zoon van Healfdene, heer der Scyldings, de zeebuit waar gij nu naar kijkt heb ik graag voor u meegenomen als teken van glorie. Slechts met moeite heb ik die strijd onder water overleefd, dit werk kostte zware inspanning. Als God mij niet had beschermd, zou deze strijd onmiddellijk beeindigd zijn. Met Hrunting kon ik in het gevecht niets bereiken, hoewel dat een geducht wapen is. Maar de Heerser over de mensen vergunde mij, dat ik aan de muur een prachtig oud zwaard van enorme afmetingen zag hangen wie zonder vrienden is wijst Hij heel vaak de weg -, zodat ik met dat wapen het gevecht kon beslissen. Toen ik de kans kreeg, sloeg ik in die strijd de wachters van dat huis neer. Zo gauw het bloed naar buiten spoot, zeer heet oorlogszweet, brandde de strijdbijl met zijn prachtig patroon geheel weg. Het gevest heb ik meegenomen, van de vijand vandaan. ‘

‘Ik heb de vreselijke misdaden gewroken, het bloedbad onder de Denen, zoals dat hoorde. Dit garandeer ik u, dat gij met uw groep mannen en iedere edelman van uw volk in Heorot voortaan zorgeloos zult kunnen slapen, dat gij, leider der Scyldings, uit die hoek niet meer hoeft te vrezen voor het leven der mannen, zoals voorheen.’

Daarop overhandigde hij de oude man, de grijze oorlogsleider, het gouden gevest, het aloude werk van giganten. Na de dood van die duivels kwam het in het bezit van de heer der Denen, dat werk van een kundige, wonderbaarlijke smid. Toen het kwaadaardige wezen, de vijand van God, schuldig aan moord, deze wereld verlaten had, en zijn moeder ook, werd het het eigendom van hem die in de Skandinavische landen rijke schatten uitdeelde, de voortreffelijkste koning die er tussen de zeeen leefde.

Hrothgar sprak ten antwoord - hij bekeek het gevest, het oude erfstuk, waarop het begin was afgebeeld van de oervete, toen de vloed, de stromende zee, het ras der giganten had gedood; zij kwamen op vreselijke wijze aan hun einde. Dat volk kende de eeuwige Heer niet; de Heerser gaf hun in het kolkende water daarvoor hun uiteindelijke loon. Op de pareerstang uit puur goud stond in runetekens heel precies gemarkeerd, geschreven en opgetekend voor wie dat zwaard, dat allervoortreffelijkste ijzer, met gedraaid gevest en ingelegd met slangenpatroon, was vervaardigd.

Toen sprak de wijze zoon van Healfdene - allen zwegen -: ‘Hij, die waarheid en recht onder het volk voorstaat, de oude wachter van het land, die zich alles van vroeger nog herinnert, kan hier wel zeggen, dat deze edelman de beste is die ooit is geboren. Uw roem, mijn vriend Beowulf, zal zich verbreiden onder alle volkeren, tot in verste hoeken van de wereld. Gij behoudt in volle werking uw kracht en uw wijsheid van geest. Ik zal u metterdaad mijn vriendschap bewijzen, zoals wij kort geleden besproken hebben. Gij zult altijd de toeverlaat zijn van uw volk, een hulp voor strijders. ‘Heremod werd dat niet voor de afstammelingen Ecgwela, de edele Scyldings. Hij werd niet tot wat zij hoopt hadden, maar moordde en doodde het Denenvolk. In zijn woestheid bracht hij zijn tafelgenoten om, zijn helpers in oorlog, tot de vermaarde vorst alleen moest rondzwerven, ver van de genoegens van gezelschap, hoewel de machtige God hem hoger geplaatst had dan alle mensen, in het genot had gesteld van macht, hem zeer veel kracht had gegeven. Toch groeide er in zijn hart een dorst naar bloed. Nooit gaf hij de Denen ringen om zo roem te vergaren. Er brak voor hem een tijd aan, dat hij vreugdeloos moest lijden voor wat hij bereikt had met die strijd, langdurend leed voor het volk.

‘Trek uw lering daaruit; begrijp, wat echte mannelijkheid inhoudt. Met mijn vele jaren levenservaring heb ik voor u dit verhaal verteld.

‘Welk een wonder is het, hoe de AlmachtigeGod in Zijn grootheid van geest mensen wijsheid schenkt, landerijen en de rang van edelman. Hij regeert over alles. Soms laat Hij de gedachten van een man uit een beroemd slacht uitgaan naar wat hij wil hebben. Dan geeft Hij hem de aardse vreugde om in zijn geboorteland een versterkte veste vol mannen te beheren, dan verleent Hij hem, dat delen van de aarde aan hem onderworpen zijn, een uitgestrekt rijk, zodat hij zelf in zijn dwaasheid denken kan, dat dit alles nooit een einde zal hebben. Hij leeft in overvloed. Ziekte noch ouderdom hindert hem, geen ellendige zorgen vertroebelen zijn geest, nergens is een vete oorzaak van heftige strijd, maar heel de wereld voegt zich naar zijn wensen; hij kent geen ongeluk. Tot er hoogmoed in zijn binnenste begint te groeien, die steeds sterker wordt. Dan slaapt de wachter, de behoeder der ziel. Die slaap is te diep, te veel door problemen omringd, en de moordenaar, de boogschutter vol boosaardigheid, is zeer dichtbij. Ondanks zijn helm treft hem een scherpe pijl in zijn binnenste, waartegen hij zich niet kan beschermen, door vreemde, mysterieuze bevelen van de vervloekte geest. Wat hij al die tijd heeft beheerd, komt hem nu te gering voor. Mokkend gedraagt hij zich als een vrek. Hij geeft geen prachtige ringen meer met de gepaste eerbewijzen, en verwaarloost en vergeet zijn toekomstige bestemming, omdat God, de Glorieheer, hem ooit eerbetoon zonder maat heeft gegeven. Uiteindelijk is het zijn lot, dat zijn vergankelijk lichaam in kracht achteruitgaat, en hij, tot sterven gedoemd, overlijdt. Een ander volgt hem op, die gulhartig kostbaarheden uitdeelt, aloude schatten der edelen; hij is niet bevreesd.

‘Berg u voor dit kwaad, dierbare Beowulf, beste vriend, en maak een betere keus voor uzelf. Deze grote kracht zult gij een korte wijle bezitten, maar weldra zal het zo zijn, dat uw sterkte u ontnomen wordt, door ziekte of door het zwaard, door een vloedgolf, doordat een houwwapen u treft, door de vlucht van een speer of door de akelige ouderdom. Dan vermindert, vertroebelt het licht in uw ogen, en spoedig zal de dood, hoewel gij nog een jonge gevolgsman zijt, u overmeesteren.

‘Vijftig jaar heb ik onder de hemelen zo over de Ring-Denen geregeerd, heb ik ze met speer en zwaard zo in oorlog over heel de aarde verdedigd tegen talrijke stammen, dat ik meende, dat ik onder het uitspansel geen tegenstanders meer had. Maar neen, zo was het niet, en nog wel in mijn eigen land. Smart volgde op vreugde, toen Grendel, sinds onheuglijke tijden een vijand van iedereen, mijn huis binnendrong. Die bezoeking bezorgde mij voortdurend veel pijn in het hart. God, de eeuwige Heer, zij dank, dat ik nog tijdens mijn leven heb mogen meemaken, dat ik na een lange periode van machteloosheid mijn ogen kan doen rusten op dat met bloed besmeurde hoofd. Ga nu naar uw zetel, geniet van het feestmaal, gij, die om uw succes in de strijd vermaard zijt. Voor het ochtend is, zult gij zeer veel van mijn kostbaarbeden als de uwe mogen beschouwen.’

De Geat verheugde zich en ging meteen naar zijn zitplaats, zoals de wijze hem had gevraagd. Als tevoren werden de in de hal verzamelde roemrijke helden voorzien van heerlijke gerechten. Donker en zwart viel de nacht over de nobelen. De groep ervaren krijgers stond op; de oude, grijze Scylding wilde naar zijn slaapkamer toe, de Geat wilde rusten, de dappere schilddrager heel graag gaan slapen. Daarop ging de halmeester, die beleefd moest zorgen voor al wat een edelman nodig had, voor waaraan mannen op hun strijdtochten in die dagen behoefte hadden, de man uit dat verre land, doodvermoeid van zijn onderneming, voor naar zijn kamer.

Zij bereikten de kust, de groep dappere jonge strijders. Ze waren gekleed in maliën, geklonken kolders. De kustwachter zag hen komen, zoals ook de vorige keer. Hij begroette de vreemdelingen ditmaal geenszins smalend vanaf de rotspunt, maar reed hen tegemoet en zei, dat de strijders in hun blinkende wapenrusting, nu op weg naar hun schip, ongetwijfeld een blijde ontvangst zouden krijgen van het Wedervolk.

Daar stond op het strand de wijdbuikige kog. De met een ring versierde steven werd beladen met oorlogspantsers, met paarden en kostbaarheden. Hoog verhief zich de mast boven Hrothgars rijke schatten.

Aan de bootwacht gaf Beowulf een met gouddraad omwikkeld zwaard, zodat hij daarna vanwege dit oude erfstuk meer geëerd werd aan de medebank.

Het schip zette zich snel in beweging, het woelige, diepe water in; het verliet het land van de Denen. Aan de mast hing een zeetapijt, een zeil vastgezet met een schoot. Het houten vaartuig kraakte. De oceaanwind deed de golvenschuit niet van haar koers afwijken. De zeeganger snelde voort, zijn hals onder het schuim. De goed gedeuvelde steven danste zo snel over de golven en door de stromingen, dat zij de klippen van het Geatenland, de bekende hoogten, weldra voor zich zagen. Voortgestuwd door de wind drong de kiel omhoog en stond stil op het land.

Dadelijk stond aan de waterlijn de havenbeheerder tot hun beschikking, die al sinds tijden vol spanning ver over het vaarpad naar de dierbaren had uitgekeken. Hij legde het wijdspantige schip met de ankerkabel vast op het strand, zodat het gebeuk van de golven het heerlijke vaartuig niet weg kon drijven. Daarna liet hij het goud en de ornamenten der edelen, al die rijke schatten, aan land brengen. Een korte tocht was het slechts vandaar naar het huis bij de zeewal, waar Hygelac, Hrethels zoon, de uitdeler van kostbaarheden, woonde met zijn gezellen.

Het gebouw was voortreffelijk, had een hoog oprijzende hal, de vorst was vermaard en Hygd nog heel jong, maar wijs en voortreffelijk van optreden, hoewel de dochter van Haereth pas een klein aantal jaren binnen de muren van de veste had doorgebracht. Zij nam dan ook niet de laagste plaats in aan het hof en was niet karig met het geven van giften, van rijke kleinodiën aan het volk der Geaten.

Modthrytho, de trotse koningin van het volk, beging vreselijke misdaden. Behalve haar echtgenoot waagde geen van haar eigen gezellen aan het hof, hoe dapper ook, het haar openlijk aan te kijken, want dan kon hij erop rekenen, dat er een dodelijk koord, met de h and gevlochten, voor hem klaarlag. Na te zijn opgebracht zou hij dan spoedig veroordeeld worden tot het zwaard, zodat de gedamasceerde kling dat kwaad, waar de dood op stond, aan ieder duidelijk zou maken.

Het is toch ongepast, dat een vrouw, al is ze koningin en al is ze weergaloos mooi, dat een vredeweefster er de gewoonte op na houdt het leven van een man op te eisen na wat valselijk een belediging heet. Gelukkig riep Hemmings verwant Offa dat dan ook een halt toe. Onder het drinken van bier werd mij ook nog verteld, dat zij minder smart, minder verdorvenheid over het volk bracht, toen zij, met goud getooid, aan de jonge strijder, de dappere edelman, gegeven was, toen zij over het geelgroene water naar Offa’s huis gereisd was, overeenkomstig het raadsbesluit van haar vader. Op die koningstroon leidde zij heel haar verdere bestaan een leven dat beroemd werd door goedheid. Zij bleef intens houden van de prins der helden, de voortreffelijkste, naar mij verteld is, van alle schepselen, van heel de mensheid tussen de zeeën. Want Offa werd om zijn giften en krijgsdaden overal geëerd, hij was een koen strijder, die zijn geboortegrond in wijsheid bestuurde. Zijn zoon was Eomer, de steun der krijgers, krachtig in het gevecht, de verwant van Hemming, de neef van Garmund.

Toen verliet de moedige met zijn manschappen het strand en betrad hij het kustgebied, de wijde geestgronden. De wereldkaars scheen, de namiddagzon. Zij vervolgden hun weg, gingen snel naar waar, volgens hun informatie, d, beschermer der edelen, de jonge oorlogsvorst die Ongentheow gedood had, binnen in de veste ringen uitdeelde. Hygelac werd haastig op de hoogte gebracht van Beowulfs aankomst, er werd hem bericht, dat de beschermer der strijders, der schilddragers, ongeschonden uit de strijd thuis was teruggekeerd, dat hij ongedeerd het voorterrein had betreden. Daarop liet de machtige vlug voor de voetvechters ruimte maken in de hal.

Hij, die het gevecht overleefd had, zette zich naast hem, verwant naast verwant, nadat hij met welgekozen woorden de beminde vorst in een toespraak had begroet. Haereths dochter ging met een medekan de zaal rond - zij mocht de mannen graag -, overhandigde de strijders bekers met een honingzoete drank.

Hygelac begon zijn gezel in die hoge zaal vriendelijk te vragen - hij werd door nieuwsgierigheid gekweld - wat voor avonturen de Zee-Geaten hadden meegemaakt ‘Dierbare Beowulf, hoe is het u vergaan op uw zeereis, toen gij zo plotseling besloten had om ver weg over het zilte water de strijd te zoeken, het gevecht in Heorot? En hebt gij nog iets kunnen doen aan die alom bekend ellende van Hrothgar, de befaamde leider? Om die toch is mijn hart vaak overspoeld door golven verdriet; ik had het niet zo op de onderneming van de man die mij dierbaar is. Ik heb u lang gesmeekt om ver weg te blijven van die moordende spookgeest, om de Zuid-Denen zelf de strijd met Grendel tot een goed einde te laten brengen. God zij gedankt dat ik u gezond mag weerzien.

Toen sprak Beowulf, Ecgtheows zoon: ‘Heer Hygelac, het beroemde treffen is vele mannen bekend. Men weet, hoelang Grendel en ik daar gevochten hebben op die vlakte, waar hij de Zege-Scyldings onzegbaar veel leed had gebracht, ellende voor immer. Dit alles heb ik op een zodanige wijze gewroken, dat geen enkele van de in boosheid verstrikte verwanten van Grendel, niemand uit het laaghartige ras die hem overleefd mocht hebben, zich kan laten voorstaan op dit gevecht in de morgen.

‘Toen ik daar aangekomen was, ben ik eerst naar de ringenhal gegaan om Hrothgar te begroeten. Zodra de befaamde zoon van Healfdene vernomen had wat mijn vaste voornemen was, bood hij mij onmiddellijk een zetel aan naast die van zijn eigen zoon. Vol vrolijkheid was die groep. Grotere drinkvreugde heb ik in heel mijn leven onder het hemelgewelf bij mensen in een zaal nooit aangetroffen. Soms ging de beroemde vrouwe, die de volken vrede brengt, de hele zaal rond en spoorde de jongemannen aan tot feesten. Vaak gaf zij een man een gevlochten ring, voor zij naar haar zitplaats terugging. Daartussendoor werd elk der oudere krijgers een drinkbeker gereikt door Hrothgars dochter, die ik de halbezoekers Freawaru hoorde noemen, toen zij de helden in de hal de met gouden nagels versierde schenkkan bracht. Deze goudgetooide jonge vrouw is tot zijn vreugde beloofd aan Ingeld, de zoon van Froda. Dat leek de vriend der Scyldings, de beschutter van het rijk, passend, en hij ging ervan uit, dat hij met die vrouw alle bloedige veten, alle gedachten aan oorlog kon beëindigen. Nergens blijft de dodende speer zelfs maar korte tijd naar de grond gericht, na de val van een stamgenoot, ook al is de bruid nog zo mooi.

‘Wanneer de koning der Strijd-Barden met zijn jonge vrouw de hal betreedt, zal het hem en al zijn gevolgsmannen ergerlijk voorkomen, dat de nobele zonen der Denen, die zich daar te goed doen aan drank, de prachtige erfzwaarden dragen, de harde, ringversierde schatten uit een ver verleden, het eigendom der Strijd-Barden, toen deze zich met die dierbare gezellen weren konden. Maar het moment kwam, dat zij hun wapens en hun eigen leven naar het spel met de schilden leidden.

‘Als een oude speervechter die halsketen ziet, zal hij, bij het bier drinken, daarover beginnen te spreken, want hij weet alles nog, de speerdood van de mannen, en zijn gemoed is verbitterd. Verdrietig en door zijn hart gedreven, gaat hij dan zo maar een jonge krijger kritisch testen. Hij zet hem aan tot bittere strijd, wanneer hij zegt: "Weet gij, mijn vriend, wat voor zwaard, welk hem dierbare staal uw vader het gevecht in droeg onder de oorlogshelm, op de laatste veldtocht, toen de Denen hem velden, toen de felle Scyldings na de val van helden gingen heersen over het slagveld, na de dood van Withergeld? Deze zaal wordt nu bezocht door een zoon van de doders, hij draagt de schatten die u rechtmatig toekomen, hij pronkt met de pracht en gaat prat op die moord."

‘Telkenmale maant hij hem zo en maakt hem er met bittere woorden op attent, tot de Deense begeleider van de vrouw, de dood schuldig wegens het vergrijp van zijn vader, besmeurd met bloed slapen zal, na een zwaardslag; de ander ontkomt dan ongedeerd, daar hij het land goed kent. Wederzijds is dan verbroken wat edellieden onder ede gezworen hadden. In Ingeld zullen dan moordgevoelens opkomen en naarmate de pijn heftiger wordt, zal de liefde voor zijn vrouw verkoelen.

‘Daarom geloof ik niet zo in de goedgunstigheid van de Strijd-Barden, in oprechte vredelievendheid, in hechte vriendschap tussen hun jonge krijgers en de Denen.

‘Laat ik mijn verhaal over Grendel vervolgen, zodat gij, uitdeler van rijke schatten, precies weten zult, wat de afloop was van dat handgemeen tussen helden.

‘Nadat de edelsteen des hemels over de horizon was gegleden, kwam de furieuze geest, dat akelige avondmonster, naar waar wij nog ongedeerd de hal bewaakten. Voor Hondscioh was het gevecht fataal, hij was gedoemd tot een gewelddadige dood. De vermaarde leenman werd gedood door Grendels beten en het lichaam van de dierbare werd volledig verzwolgen. En, met het bloed nog tussen zijn tanden, zon hij op nog meer kwaad. Hij wilde de gouden hal niet met lege handen verlaten, maar hij die berucht was om zijn sterkte wilde mijn kracht eerst op de proef stellen en hij greep toe met gretige hand. Daar hing een handschoen aan, groot en vreemd, listig vastgemaakt met banden; met duivelskunst had een meesterhand die geheel uit drakehuiden vervaardigd. De woeste booswicht wilde mij, onschuldige, daarin wegbergen, als een van zijn vele slachtoffers. Maar dat zou niet gebeuren, toen ik, uitzinnig van woede, rechtop ging staan. Het zou te lang duren te vertellen, hoe ik die volksvijand elke misdaas volledig betaald heb gezet. Uw volk, mijn vorst, heb daar door mijn daden roem gebracht. Hij wist te ontkomen en genoot nog kort van de vreugden die het leven schenkt. Zijn rechterhand bleef echter in Heorot achter, een bewijs van zijn aanwezigheid, en hij ging geslagen weg, zonk jammerend en ontmoedigd naar de bodem van het meer.

‘Als vergoeding voor deze strijd op leven en dood overlaadde de Scyldingsvorst mij met gouden vaatwerk met vele schatten, toen het ochtend werd en wij voor het feestmaal aan tafel waren aangezeten. Er werd veel verhaald en veel gezongen. De bejaarde Scylding, de man die zoveel had meegemaakt, vertelde van een ver verleden. Af en toe ontlokte de koene strijder wat klanken aan, harp, het vreugdehout. Nu eens droeg de grootmoedige koning een tragisch lied voor, over iets dat echt was gebeurd, of verhaalde hij van een wonderlijk voorval, zonder onwaarheden; dan weer begon de door ouderdom geteisterde, bejaarde oorlogsvorst te spreken over zijn jeugd, over zijn kracht in de krijg; toen de oude en wijze man aan dat alles terugdacht, ging zijn hart sneller kloppen.

‘Zo vermaakten wij ons daar binnen, de hele dag, tot weer de nacht viel over de mensen. Onmiddellijk stond Grendels moeder klaar om het leed te vergelden; de dood, de vijandige actie van de Weders, had haar zoon weggerukt. De griezelige vrouw nam wraak voor haar kind door voor het oog van allen een held te doden; het leven van Aeschere, de oude, wijze raadsman, nam daar een einde. Maar toen de ochtend kwam, kon het Denenvolk hem, nu hij dood was, niet verbranden in het vuur; zij had het lichaam in haar duivelse omklemming meegenomen onder de bergstroom. Voor Hrothgar was dat het verdrietelijkste van al wat de volksaanvoerder sinds lang overkomen was.

‘In zijn zielensmart smeekte de leider mij toen, bij al wat uw leven mij waard was, om in het gewoel van het water heroïsche daden te gaan verrichten, mijn leven te riskeren, een roemruchte daad uit te voeren; en hij beloofde mij daarvoor te belonen.

‘Toen ben ik, zoals overal bekend is, de grimmige, gruwelijke bewaakster van het kolkende bodemwater gaan opzoeken. Lange tijd vochten wij beiden daar; het meer raakte vol van kokend bloed, en met een machtige kling heb ik in de gevechtshal het hoofd afgeslagen van Grendels moeder. Slechts met moeite bracht ik het er levend af, nog niet ten dode gedoemd. En de behoeder der helden, Healfdenes verwant, gaf mij daarna nogmaals zeer veel kostbaarheden.

‘Zo leefde de volkskoning, volgens de gebruiken. Ik bleef daar niet bepaald onbewoond, zonder vergoeding voor mijn macht, maar Healfdenes zoon gaf mij schatten die ik zelf mocht uitkiezen. Ik wil die u brengen, heldenkoning, ze u graag aanbieden. Al mijn vreugde hangt nog steeds van u af; immers, behalve u, Hygelac, heb ik geen naaste familieleden.’

Toen liet hij de beerversierde banier binnenbrengen, de helm, hoog oprijzend in de strijd, het grijze pantser, het schitterende strijdzwaard, en sprak de woorden: ‘Hrothgar, de wijze prins, heeft mij deze krijgskleding gegeven. Hij vroeg mij uitdrukkelijk u te vertellen wat voor waarde deze gift heeft. Hij vertelde, dat koning Heorogar, de heer der Scyldings, het pantser lang in bezit had gehad. Desondanks wilde hij het borstkuras niet aan zijn zoon, de dappere Heoroweard, geven, al was die hem dierbaar. Geniet van dit alles.’

Ik vernam, dat meteen na dat prachtige geschenk de vier snelle, appelgrauwe paarden binnengebracht werden, die volkomen aan elkaar gelijk waren. Hij stelde hem in het bezit van de paarden en de rijke schatten.

Zo behoort een verwant zich te gedragen, en hij moet niet met verborgen listen een net van boosheid weven, de dood bereiden voor zijn strijdkameraad. Hygelac, de geharde in het gevecht, werd door zijn neef heel goed behandeld en de een wenste de ander al wat vreugde bracht.

Ik hoorde, dat hij Hygd de halsketting gaf, dat wonderschone kunstwerk, dat Wealhtheow, de vorstendochter, hem had geschonken, en daarbij drie sierlijke paarden met prachtige zadels. Sinds die tijd oogstte zij bewondering, telkenmale wanneer ze de ketting die ze toen kreeg droeg.

Zo toonde Ecgtheows zoon, die man bekend om zijn krijgsprestaties, om zijn dappere daden, zijn goede eigenschappen. Zijn gedrag bracht hem roem. Geen van zijn haardgenoten doodde hij in dronkenschap; hij was geen woesteling en toch was deze onverschrokken vechter begiftigd met de grootste kracht van alle mensen - God had hem die gegeven.

De zonen der Geaten hadden hem lange tijd veracht, hadden hem minderwaardig gevonden, de heer der Weders had hem maar weinig waardering willen doen toekomen op de medebank. Ze dachten inderdaad, dat hij maar slap was, een zwakke prinsenzoon. Verandering was er gekomen voor al wat die roemrijke man aangedaan was.

Daarop liet de in gevechten befaamde, de behoeder der strijders, het erfstuk van Hrethel, ingelegd met goud, binnenbrengen; op het gebied van zwaarden was er bij de Geaten in die tijd geen groter pracht te vinden. Dit legde hij Beowulf in de handen en hij gaf hem een stuk land zo groot, dat er wel zevenduizend gezinnen van konden leven, een huis en een vorstendom. Beiden hadden zij in die staat grond verworven, een landgoed en een vererfbaar recht; maar het grote rijk behoorde meer aan die ene, die de hogere rang bezat.

Geruime tijd daarna gebeurde het, dat het grote rijk overging in Beowulfs hand, nadat Hygelac in felle gevechten gevallen was en Heardred onder het schildendak door gevechtszwaarden neergehouwen was. De strijdlustige Scylfings, de geharde, onverschrokken oorlogvoerders, waren opgetrokken tegen de neef van Hereric, te midden van zijn overwinningsvolk, en hadden een aanval op hem ondernomen.

Vijftig winters beheerde hij het goed. De koning was toen bejaard, de beschermer van het land was op leeftijd. En toen begon er één in donkere nachten zijn macht tonen, een draak, die op een hoog stuk heide een schat bewaakte, een hoge stenen grafheuvel, aan de voet waarvan een pad liep, dat aan geen mens bekend was. Een onbekende was daar binnengegaan, had tot die heidense schatplaats weten door te dringen en had een grote, rijk versierde drinkbeker weggenomen. Het bleef de draak geenszins verborgen, dat hij in zijn slaap door een sluwe dief listig bestolen was. De mensen die daar vlak bij woonden, merkten dat hij verbolgen was.

De man die hem zo zwaar had beledigd, had zich zon der reden opzettelijk toegang tot de drakeschat verschaft. Hij was iemands slaaf en verkeerde in vreselijke nood, op de vlucht als hij was voor geselslagen. Hij had geen huis gehad en was daar naar binnen geslopen, die man, door zonden bezwaard.

Spoedig zag de indringer zich overvallen door angst en ontzetting. Maar de ellendige [...] gemaakt [ ..] toen hij in gevaar kwam. De kostbare beker [ ..]

Bijzonder veel van die oude schatten lagen daar in die ondergrondse woning, een enorme erfenis van een adellijk geslacht, kostbare kleinodien, die een onbekende daar eertijds weloverwogen verborgen had. Tevoren had de dood allen weggevaagd, en de enige die nog over was van de groep edele strijders van dat volk, de krijgsman, die nu zijn vrienden beweende, wist, dat hem hetzelfde lot wachtte, dat hij nog kort slechts genieten zou van zijn rijkdom.

Vlak bij de waterlijn lag daar in open terrein de grafheuvel, nog volledig ongebruikt, zo pas nog opgeworpen op het kustland, met mysterieuze krachten beveiligd. Daarin droeg de ringenbeheerder de schatten der edelen, al wat waard was opgeborgen te worden, de gouden ornamenten, en hij sprak de woorden: ‘Bewaart gij nu, aarde, nu de helden dat niet meer kunnen, het eigendom der edelen. Dappere mannen hebben het immers eertijds van u ontvangen. In de strijd zijn ze gestorven, gedood zijn ze door een vreselijk onheil, ieder lid van mijn volk heeft het leven gelaten; voorbij is hun feestvreugde. Niemand heb ik meer om mijn zwaard te dragen, om mijn prachtige drinkbeker te reinigen, mijn kostbaar vaatwerk; heengegaan is het ervaren krijgsvolk. Van de harde helm zal het schitterende gouden beslag geroofd worden. De poetsers, die het oorlogsmasker glimmend moesten maken, slapen; en tegelijk met de held vervalt ook de kolder, die bij het op elkaar stoten van de schilden in het gevecht veel slagen van ijzeren zwaarden had verduurd. De maliënrok kan de heldhaftige oorlogsleider niet lang overleven, niet lang aan zijn zijde verblijven. De harp brengt geen blijdschap meer, stil zwijgt het vreugdehout, geen goede havik vliegt nu door de zaal, van geen enkel snel paard klinkt hoefgetrappel in de hof. Een vreselijke dood heeft velen der levenden heen doen gaan.’

Triest en bedroefd treurde hij zo, de enig overge blevene van velen, en ongelukkig zwierf hij dag en nacht rond, tot het doodstij ook zijn hart beroerde.

Een oeroud ondier, dat altijd in alle vroegte rondspookt, trof de heerlijke schat onbewaakt aan, een naakte, kwaadaardige draak, op zijn gang langs de grafheuvels, vliegend door de nacht, omgeven door vuur; aardbewoners zijn doodsbenauwd voor hem. Zijn instinct drijft hem ertoe een schat te zoeken onder de grond, waar hij dan tot op hoge ouderdom het heidense goud bewaakt, zonder dat hij er zelf beter van wordt.

Driehonderd winters had de vijand van het volk de enorme schatkamer onder de aarde beheerd, totdat een man hem verbolgen maakte. Deze bracht de gouden bokaal aan zijn meester en vroeg zijn heer om vergeving. Daarop werd de schat ontdekt, de rijkdom aan ringen weggevoerd en het verzoek van de ongelukkige ingewilligd. Voor het eerst aanschouwde de koning het handwerk van mensen uit een ver verleden.

Toen werd het slangewezen wakker, werd zijn boosheid hernieuwd. Het stormde langs de rots en in zijn vastbeslotenheid ontdekte het het voetspoor van de vijand, die in zijn heimelijke opzet te dicht bij het hoofd van de draak was genaderd. In een dergelijke situatie kan men alleen zonder moeite ontkomen aan ellende en pijn, wanneer men nog niet door het lot ten dode gedoemd is en men zich geleid weet door Gods genade.

De behoeder van de schat zocht ijverig de grond af; hij wilde de man vinden die hem terwijl hij sliep leed had berokkend. Ziedend van woede snelde hij helemaal rondom de grafheuvel; er was echter niemand in die verlatenheid. Maar hij verheugde zich al op strijd, op verwoestende arbeid. Toen ging hij terug naar de grafheuvel zocht naar de kostbare bokaal. Meteen merkte hij, dat iemand aan zijn goud had gezeten, aan de kostbare stukken. Het viel de schatbehoeder niet mee te moeten wachten tot de avond viel; hevig vertoornd was de bewaker van de grafheuvel. Met laaiend vuur wilde het vijandige wezen iemand het verlies van de kostbare beker vergelden.

Toen was de dag voorbij, zoals de slang dat had gewild. Hij bleef niet langer bij de bergwand, maar stormde weg met gloeiend vuur, omgeven door vlammen. Zijn eerste aanval was vreselijk voor de bewoners van dat land en eindigde vlak daarna met smart voor degene die hun rijke beloningen uitdeelde.

Gloeiend vuur begon het monster toen uit te braken en het ging de schitterende hofsteden verbranden. Het licht ervan beangstigde de mensen. Op zijn vlucht wilde dat walglijke ondier niets in leven laten. Overal zag men de gruwelijke heftigheid waarmee de vijandige slang tekeerging. Wat haatte die kwelgeest het Geatenvolk, welk een vernedering deed hij het ondergaan. Voor het ochtend werd haastte hij zich terug naar zijn schat, naar die geheimzinnige zaal. Hij had alle bewoners van dat land gehuld in brand, vuur en vlammen. Hij vertrouwde op de grafheuvel, op zijn gevechtskracht en op de wal; maar hij vergiste zich.

Daarop werd aan Beowulf snel de vreselijke tijding gebracht en alles naar waarheid bericht. Hoe zijn eigen huis, het allerbeste bouwwerk, hoe de residentie der Geaten in een zee van vuur gesmolten was. Dat bracht de moedige smart, deed zijn hart pijn, gaf hem hevig zielenleed. De wijze dacht, dat hij door een oude wet te overtreden God de eeuwige Heer, bitter verbolgen had gemaakt. Donkere gedachten vulden zijn hart, wat bij hem ongewoon was.

Met vlammen had die vuurdraak de veste van het volk, het land omringd door water en een aarden wal, volledig verwoest. De Wederkoning, de vorst van de krijg, zwoer hem wraak daarvoor. De beschermer der strijders, de heer der nobelen, gaf opdracht tot het vervaardigen van een voortreffelijk strijdschild, dat geheel van ijzer moest zijn Want hij wist heel goed, dat een van hout hem niet helpen kon, linde tegen vuur.

De langbefaamde leider zou hier het einde vinden van zijn vergankelijke leven, zijn aards bestaan, en tegelijk met hem ook het slangewezen, al had dat de schattenrijkdom jaren beheerd .

Gehuld in een harnas zag de prins ervan af het wezen dat over wijde afstanden kon vliegen aan te gaan vallen met een legertroep, met een machtig heir. Hij vreesde het gevecht niet, het deed hem niets, dat die draak een geweldige kracht bezat en dapper was, want hij had zich immers al eerder in moeilijkheden gewaagd, had vaak wapengekletter, strijd overleefd, toen hij als zegevierend overwinnaar Hrothgars hal gereinigd had en hij die gehate familie, Grendel en zijn moeder, in de strijd had gedood.

Het hevigste handgemeen was dat waarin Hygelac gedood werd, toen de vriend van zijn volk, de koning der Geaten, stierf in het gebied der Friezen, toen deze zoon van Hrethel in een fel gevecht door een zwaardsteek bloedig werd verwond, met een strijdbijl werd neergeslagen. Beowulf wist toen op eigen kracht te ontkomen door over de zee te zwemmen; hij, alleen, had dertig harnassen over zijn arm, toen hij de hoge zee opging. De Hetwaren, die lindehouten schilden voor zich uit droegen tegen hem, hoefden bepaald niet hoog op te geven over dat gevecht van man tegen man; na die dappere te hebben ontmoet was het weinigen gegeven weer naar huis terug te keren. Verlaten en eenzaam zwom de zoon van Ecgtheow toen over de uitgestrektheid der wateren naar zijn volk terug Daar bood Hygd hem de schat en het rijk, de ringen en de koningszetel aan. Zij dacht namelijk, dat, nu Hygelac dood was, haar zoon het vaderland niet tegen een vreemd leger zou kunnen behouden.

Nochtans wisten de ongelukkigen de nobele leider geenszins over te halen om de heer te worden van Heardred en om de koninklijke waardigheid te verkiezen. Maar tegenover het volk hielp Beowulf hem goedgunstig met vriendelijke raad en daadwerkelijke steun, tot hij ouder werd en de Weder-Geaten regeerde.

Op zekere dag kwamen bannelingen van over zee, de zonen van Ohthere, naar hem toe; zij waren tegen de beste der zeekoningen, die in Zweden rijke schatten uitdeelde te,gen de vorst der Scylfings, de befaamde volksleider, in opstand gekomen. Dat werd het einde van zijn leven; die gastvrijheid moest Hygelacs zoon met een dodelijke wond bekopen, met zwaardslagen. Maar toen Heardred gestorven was, trok Onela, Ongetheows zoon, zich weer in zijn eigen gebied terug. Hij liet de koningszetel aan Beowulf, liet hem de Geaten regeren; deze was een goed koning.

In later tijd beraamde Beowulf vergelding voor de dood van de vorst en werd hij een vriend van de verbannen Eadgils. Over de wijde zee steunde bij Ohtheres zoon met een oorlogsmacht, met krijgslieden en wapens; deze nam daarop wraak met leedbrengende overvallen en doodde koning Onela.

Zo had Ecgtheows zoon elk vijandelijk treffen, elk gevaarlijk gevecht, elk machtig avontuur overleefd, tot de bewuste dag waarop hij tegen de slang de wapens moest opnemen. Met elf anderen trok de heer der Geaten hevig verbolgen erop uit op zoek naar de draak. Hij had vernomen wat de aanleiding was geweest tot de vijandschap de vreselijke ellende voor zijn volk; de beroemde bokaal had de vinder hem zelf overhandigd. Jammerend moest de gevangene, de aanstichter van de oorlog, onder dwang als dertiende mee, moest hij de groep leiden, hun als uiterste vernedering de weg wijzen. Onwillig ging hij naar de plek waar zich, zoals hij als enige wist, de spelonk bevond, de grafkelder onder de aarde, vlak bij de branding, bij het gebeuk der golven, waar het binnen vol was van juwelen en sieraden. De rijkdom aan goud werd bewaakt door die ongure wachter, altijd vechtensklaar, die daar beneden oud was geworden. Voor geen mens was het een gemakkelijke zaak daar iets te beginnen.

De koning, gehard in de strijd, de goudvriend der Geaten, ging op een rotspunt zitten en zei zijn haardgenoten vaal wel. Bedroefd was hij, rusteloos, bereid tot de dood. Zee dichtbij was nu het moment waarop voor de oude man beschikt was, dat zijn ziel afscheid zou nemen van haar schatkamer, dat leven en lichaam ontbonden zouden worden. Niet veel langer zou de geest van de edele vorst met vlees omwonden zijn. Beowulf, zoon van Ecgtheow, sprak: ‘In mijn jeugd heb ik vaak felle gevechten, tijden van oorlog overleefd. Aan dit alles moet ik nu denken. Toen ik zeven winters oud was, nam de schattenrijke vorst, de vriend van zijn volk, mij van mijn vader vandaan. Koning Hrethel was mijn voogd. Hij voedde mij op, schonk mij kostbare zaken, onthaalde mij feestelijk, denkend aan onze verwantschap. Nooit werd ik als kind aan zijn hof als de mindere behandeld van zijn eigen zonen, Herebeald en Haethcyn of mijn Hygelac. Erg genoeg werd voor de oudste doodsbed gespreid door toedoen van zijn broer, toen Haethcyn hem, zijn geliefde heer, met een hoornen boog, met een pijl, velde. Hij miste zijn doel en doodde zijn verwant met een bloedige pijlschacht, de ene broer de ander. Dat gevecht was niet met geld goed te maken, deze daad was te gruwelijk, te hartverscheurend. Ongewroken moest de edelman overigens afscheid nemen van het leven.

‘Een zelfde verdriet moet ook een bejaard man doormaken, als zijn nog jonge zoon aan de galg bengelt. Als zijn kind daar hangt tot vergenoeging van de raaf en hij, hoe oud en ervaren hij ook is, hem op geen enkele wijze kan helpen, uit hij een bedroefde klaagzang. Elke ochtend wordt hij herinnerd aan de dood van zijn zoon. Hij heeft er geen behoefte aan te wachten op de geboorte van nog een erfgenaam binnen de muren van zijn hof, nu het leven van die ene beëindigd is door de dood, die allen treft. Vol diepe verslagenheid staart hij de kamer van zijn zoon rond. De wijnhal is nu verlaten, de rustplaats wordt geteisterd door de wind, is ontdaan van alle vreugde. De ruiters slapen, de helden zijn in aarde gehuld. Geen harp klinkt er meer, geen vrolijkheid vult het hof, zoals in vroeger dagen. Dan gaat hij naar bed, zingt een treurzang, die ene om die ander. Het open land en de woonplaatsen leken hem allemaal te ruim en leeg.

‘Zo moest ook de prins der Weders om Herebeald hevige smart in zijn hart dragen; op geen enkele wijze kon hij de moordenaar de doodslag vergelden. Noch kon hij de strijder leed berokkenen, hoewel hij hem niet dierbaar was. Met die pijn, die hem te zwaar overvallen had, verliet hij ‘s mensen gezelschap, zocht hij Gods licht. Zoals iedere man die het goed is gegaan liet hij bij zijn verscheiden aan zijn zonen het land en de burchten na.

‘Toen Hrethel gestorven was, ontstond er tussen Zweden en Geaten onderling vete en vijandschap, haat en strijd over het wijde water. Daarenboven waren Ongentheows zonen dapper en onverschrokken in het gevecht. Zij wilden niet dat er vriendschap was over de wateren , maar begingen bij de Hreosnaheuvel dikwijls gruwelijke moordpartijen. Toen die vreselijke daden van vijandigheid bekend werden, namen mijn verwanten er wraak voor, hoewel het een ervan, Haethcyn, het leven kostte, een dure prijs. Voor de heer der Geaten werd die oorlog fataal. Men vertelde mij, dat ‘s morgens door de ene broer de dood van de andere met het zwaard gewroken werd op de moordenaar. Ongentheow ging op Eofor af. Een oorlogshelm spleet in stukken, de oude Scylfing viel dodelijk gewond neer. De hand had zich de vele vijandelijkheden herinnerd en de dodelijke slag niet ingehouden.

‘Voor de kostbaarheden, die Hygelac mij gegeven heeft, hebt ik hem een wederdienst bewezen, toen ik daartoe de kans kreeg: ik ben met glimmend zwaard ten strijde getrokken. Hij gaf mij land, een schitterend erfdomein. Hij had geen enkele reden bij de Gepiden, bij de SpeerDenen of in het rijk der Zweden een strijder te zoeken, die toch minder waard geweest was dan ik, en deze voor veel geld te huren. Voor hem uit streed ik altijd vooraan als voetvechter, alleen aan de spits, en zolang ik leef zal ik zo strijd voeren, zolang als dit zwaard het tenminste uithoudt, dat mij altijd en overal gediend heeft, sinds ik eigenhandig Daeghrefn, de eerste kampvechter der Hugen, gedood heb, ondanks het feit dat deze zich tussen ervaren krijgers bevond. Híj zou de koning der Friezen geen kostbaarheden, geen borstversieringen kunnen gaan aanbieden, maar de vaandeldrager viel in het veld, de edelman stierf in de strijd. Hij werd niet gedood door het zwaard, maar mijn dodelijk omklemming was te veel voor zijn hart, vermorzelde zijn beenderhuis.

Nu gaan de scherpe kling, de hand en het hard ijzer strijden om de schat.’

Nadat hij dit alles vermeld had, sprak Beowulf tot slot de strijdlustige woorden: ‘Toen ik nog jong was heb ik veel veldslagen overleefd. Nu ik bejaard ben, wil ik, vorst van mijn volk, wederom een gevecht aangaan, roemruchte daden verrichten, als die duivelse vijand vanuit zijn aardhol naar mij toe komt.’

Afzonderlijk groette hij daarop elk der mannen voor het allerlaatst, de dappere helmdragers, zijn dierbare gezellen: ‘Ik zou geen zwaard, geen wapen meenemen naar de slang, als ik wist, hoe ik deze angstaanjagende tegenstander anders succesvol aan kon grijpen, zoals ik het eertijds Grendel deed. Maar heet, dodelijk vuur verwacht ik daar voor me, giftige ademdamp. Daarom draag ik een schild en een pantser. Geen pas zal ik wijken voor die bewaker van de grafheuvel, maar bij de bergwand zal het ons vergaan zoals het lot, de meester van elk mens, voor een van ons bepaalt. Mijn geest is vastbesloten en daarom zal ik mij onthouden van grootspraak tegenover dat wezen, dat tegelijk vliegen en vechten kan. Wacht op de heuvel, gij mannen in pantsers, strijders in oorlogskleed, om te zien wie van ons beiden na de dodelijke aanval beter de verwonding zal doorstaan. Niemand behalve ik kan en moet zich met dat monster meten in kracht, tegenover hem nobele daden verrichten. Door mijn dapperheid zal ik of het goud verkrijgen of uw vorst wordt door de strijd door een vreselijke dood weggevaagd.’

Toen stond de vermaarde strijder op en ging de onversaagde met zijn pantser aan en getooid met zijn helm onder dekking van zijn schild naar de voet van de klippen vol vertrouwen op de kracht van een man. Dat is toch geen onderneming van een lafaard. De voortreffelijke, die zeer veel aanvallen, oorlogsgeweld overleefd had, toen het voetvolk de strijd opende zag bij de bergwand een stenen boog en water, dat uit de grafheuvel naar buiten brak. De kokende bron was verhit door vijandelijk vuur, en door de drakevlammen kon niemand zich ook maar een moment daar in de diepte bij de schat ophouden. In zijn verbolgenheid liet de leider der Weder-Geaten luid een kreet uit zijn longen klinken en stoutmoedig stormde hij vooruit. Zijn ver hoorbare krijgsgeschreeuw weergalmde onder de grijze rots.

Weer laaide de haat op. toen de bewaker van de schat een mensenstem herkende. De tijd om een vredelievende oplossing te zoeken was voorbij. Eerst kwam uit de rots de ademtocht van de verschrikkelijke, een hete oorlogswalm. De aarde dreunde. Gedekt door de heuvel beschermde de held, de heer der Geaten, zich met zijn rondas tegen dat vreselijke monster. Kronkelend rolde het zich op en maakte zich gereed om de aanval in te zette De dappere oorlogsvorst had zijn zwaard, dat oude erfstuk met messcherpe kling. al getrokken. Hoewel beiden moordzuchtige voornemens koesterden, had ieder angst voor de ander. De beminde vorst zette zich onverschrokken schrap tegen zijn hoog oprijzende schild, toen de draak plotseling ineenkrulde; in zijn oorlogspantser wachtte Beowulf af. In elkaar gekronkeld en vuurbrakend kwam hij aanstormen, om een snelle beslissing van het lot te forceren.

Korter dan die befaamde leider wenste gaf het schild hem goede bescherming voor zijn leven, voor zijn lichaam. Op die dag moest hij voor de allereerste keer zijn kracht tonen terwijl het lot beschikt had, dat hij geen glorie zou verwerven in het gevecht. De heer der Geaten hief zijn hand op. sloeg het walgelijke monster met zijn machtige erfzwaard, zodat de schitterende kling het been raakte, maar afschampte, minder hard beet dan zijn koning nodig had, nu hij zwaar in het nauw was gedreven. Na die hevige slag werd de beheerder van de grafheuvel razend en spuwde hij vernietigend vuur; wijd in het rond sprongen de oorlogsvlammen. De goudvriend der Geaten sprak nu niet meer vol ophef over machtige overwinningen; het naakte strijdzwaard had immers in dit gevecht gefaald, hetgeen men nooit van dat weergaloze ijzer had kunnen verwachten.

Het was geen gemakkelijke tocht, toen de befaam de verwant van Ecgtheow deze aarde verlaten moest. Tegen zijn wil moest hij elders naar een woonplaats uitzien, zoals ieder dit vergankelijke leven eens moet opgeven.

Kort daarop kwam het weer tot een treffen tussen de angstaanjagende tegenstanders. De bewaker van de schat had zich vermand, zijn borst vulde zich opnieuw met adem. Hij, die over een natie had geheerst, werd omringd door vuur en werd zwaar in het nauw gebracht. In plaats van dat zijn gezellen, de zonen toch van edelen, als een groep om hem heen kwamen staan, hielden zij geen stand - hetgeen niet in overeenstemming is met de goede eigenschappen die in de strijd vereist zijn - en vluchtten zij het bos in om hun leven te redden. Slechts één van hen werd innerlijk bewogen niet lijdzaam toe te zien. Wie handelt naar wat zijn gemoed hem ingeeft, verloochent zijn familiebanden niet.

Zijn naam was Wiglaf. Hij was de zoon van Weohstan en een bewonderenswaardig schildstrijder, een prins uit het geslacht der Scylfings, een verwant van Aelfhere. Hij zag zijn heer onder het oorlogsmasker van de hitte lijden. Hij dacht aan de gunsten die deze hem bewezen had, namelijk de vruchtbare woonplaats van de Waegmundings, en evenveel rechten onder het volk als zijn vader had genoten. Hij kon zich niet inhouden: zijn hand greep de rondas, het gele lindehout, en hij trok het oude zwaard, dat bekendstond als het erfstuk van Eanmund, de zoon van Ohthere. Deze laatste, een banneling zonder vrienden, was in het gevecht door Weohstan met het scherp van het zwaard gedood, die zijn glimmende helm, zijn ringenpantser en zijn gigantisch oud zwaard naar zijn familie had gebracht. Heel de rusting, de gevechtsklare bewapening, had Onela aan Weohstan geschonken, hoewel die de moordenaar was van de zoon van zijn broer - zonder een woord over bloedwraak. Weohstan had de voortreffelijke uitrusting, het zwaard en het pantser, vele jaren gedragen, totdat zijn zoon in staat was dappere daden te verrichten, zoals zijn vader vóór hem. Bij zijn verscheiden - pas op hoge leeftijd ging hij heen - gaf hij hem onder het Geatenvolk ontelbaar vele uitrustingsstukken.

Voor het eerst moest die jonge krijger met zijn vorst de storm van de strijd doorstaan. Zijn geest gaf geen krimp, de erfgift van zijn vader faalde niet in het gevecht; dat zou de slang wel ondervinden, toen de twee tot een treffen kwamen.

Toen sprak Wiglaf menige terechtwijzing tot zijn gezellen, met een hart vol verdriet: ‘Ik herinner mij nog die keer dat wij mede dronken, toen wij in de bierzaal onze heer, die ons ringen schonk, beloofden om de oorlogsrustingen met een wederdienst te vergelden, als hij ooit helmen of harde zwaarden nodig zou hebben. Van al zijn manschappen koos hij ons daarom uit tot deze onderneming, waren wij het van wie hij dacht, dat wij de juiste mannen waren om roemruchte daden te verrichten; mij gaf hij nog deze kostbaarheden. En dit alles, omdat hij meende, dat wij dappere speervechters waren, koene helmdragers. Desondanks verkoos onze heer, de behoeder van het volk toch om dit grootse werk alleen ten uitvoer te brengen, omdat hij meer dan enig ander mens hooggeroemde, onverschrokken daden verricht had.

‘Nu is de dag gekomen, waarop onze meester de krachtige bijstand nodig heeft van dappere strijders. Laat ons erop afgaan om onze oorlogsleider te helpen in die hitte, in die grimmige, gloeiende vuurzee. God weet van mij, dat ik liever had, dat mijn lichaam tezamen met hem die mij goud gaf door de vlammen omringd werd. Het dunkt mij niet juist, dat wij de rondassen naar onze woonplaats terug dragen zonder eerst geprobeerd te hebben de vijand te doden, zonder het leven van de vorst der Weders beschermd te hebben. Gezien zijn vroegere daden ben ik ervan overtuigd, dat hij het nooit heeft verdiend om als enige uit het strijdvolk der Geaten het leed te dragen, te moeten vallen in het gevecht. Het zwaard en de helm, het pantser en het maliënkleed moeten door ons beiden gedragen worden.’

Toen drong hij door de dodelijke dampen, droeg hij zijn strijdhelm als hulp naar zijn heer, en ze hoorden hem nog zeggen: ‘Dierbare Beowulf, breng alles tot een goed einde, zoals gij lang geleden, toen gij nog jong waart, gezegd hebt, namelijk, dat gij niet zoudt toestaan, dat uw roem tijdens uw leven zou tanen. Nu moet gij, vermaard als gij zijt om uw daden, vastberaden zoon uit een adellijk geslacht, met alle macht uw leven verdedigen. Ik zal u steunen.’

Nauwelijks had hij die woorden uitgesproken, of de slang kwam opnieuw te voorschijn met een walmende vuurgloed en viel zijn vijanden, de gehate tegenstanders, aan. Golven laaiend vuur kwamen op hen af, verbrandden het houten schild tot aan de rand. Ook het pantser kon de jonge speervechter niet helpen, en, omdat zijn eigen schild door de vlammen was verteerd, vocht de jonge knaap dapper verder vanachter de rondas van zijn verwant. De krijgsvorst liet zich weer inspireren door zijn oorlogsfaam en liet zijn strijdzwaard met zo’n machtige slag neerkomen op het hoofd, dat het zich erin vastbeet, gedreven door haat. Naegling brak in stukken, het oude, ijzergrauwe zwaard van Beowulf faalde in de strijd. Het was hem niet gegeven, dat het scherp van een zwaard hem helpen kon in een gevecht. Te krachtig was de hand van de man, die, naar ik vernomen heb, elk ijzer overmatig beproefde, zelfs als hij een buitengewoon gehard wapen de oorlog in droeg. Het was alles voor niets geweest.

Ten derden male snelde die vreselijke vuurdraak, de volksvijand, op de dappere af, toen deze achteruitweek, en met woeste felheid greep hij de hele hals tussen zijn scherpe tanden. Beowulf werd overdekt met rode levenssappen en zijn bloed spoot er in golven uit.

Nu de grote koning in nood verkeerde, toonde de edelman aan zijn zijde zijn aangeboren moed, kracht en koenheid, zo vertelde men mij. Hij schonk geen aandacht meer aan het hoofd, want, terwijl hij zijn verwant naar vermogen hielp, was zijn hand verbrand, maar de dappere in zijn pantser raakte het kwaadaardige gedrocht iets lager, zodat het zwaard, glimmend van het goud, binnendrong en het vuur onmiddellijk begon te verminderen.

Toen kwam de koning weer tot bewustzijn en trok de scherpe, dodelijke strijddolk, die hij bij zich droeg in zijn rusting. De beschermer der Weders sneed de draak middendoor. De twee edele verwanten hadden zo hun vijand geveld; moed had leven beëindigd. Zo zou een man moeten zijn, een gevolgsman in tijd van nood.

Voor de koning was deze overwinning de laatste verrichting in deze wereld. De wond, die de draak vanuit zijn hol had toegebracht, begon te zwellen en te branden. Meteen merkte hij, dat het gif in zijn borst zijn verwoestende werking begonnen was. Ten volle hiervan doordrongen liep de nobele naar de bergwand en ging daar zitten. Hij bekeek het werk van de reuzen, hoe er in dat eeuwenoude aardhol stenen bogen waren, gesteund door pilaren . Met zijn handen besprenkelde de weergaloze gevolgsman zijn beminde meester, zijn roemrijke heer, hevig onder het bloed, en gespte hem, nu ten dode opgeschreven na de strijd, de helm los.

Ondanks de pijn van zijn dodelijke wond begon Beowulf te spreken. Al te goed wist hij, dat het eind van zijn bestaan aangebroken was, het eind van zijn vreugdevol leven op deze aarde. Hij had al zijn dagen geleefd, de dood was zeer nabij. ‘Nu had ik een eigen zoon het oorlogspantser willen aanbieden, als het mij ooit gegeven was geweest uit eigen bloed een erfgenaam te krijgen. Vijftig jaar heb ik dit volk geregeerd. Er is geen koning geweest onder de naties rondom die het zwaard tegen mij op durfde te nemen, of die het waagde mij in angst en benauwenis te brengen. Wat voor mij voorbestemd was heb ik in mijn land afgewacht. Ik heb het mijne goed beheerd. Ik heb niet gestreefd naar verraderlijke vijandschap. Nooit heb ik een onrechtmatige eed gezworen. Nu, door een dodelijke wond verzwakt, kan ik aan dit alles met vreugde denken, omdat, als het leven mijn lichaam verlaat, de Meester der mensen mij geen moord op verwanten ten laste hoeft te leggen.

‘Haast u nu, dierbare Wiglaf, ga het goud aanschouwen onder de grijze rots, nu de slang van de schat is beroofd en daar zwaar gewond ligt te slapen. Spoed u nu, zodat ik mijn ogen kan doen rusten op de oeroude schat aan goud, de schitterende, kunstig gezette stenen kan bewonderen, zodat ik na die rijkdom aan schatten dit leven en mijn volk, dat ik lang veilig heb geleid, met meer rust kan verlaten.’

Na die woorden gehoorzaamde Weohstans zoon zijn gewonde, zijn in de strijd dodelijk getroffen heer onmiddellijk, zo vertelde men mij, en onder dekking van zijn maliënkolder, het gevlochten gevechtskleed, betrad hij he binnenste van de grafheuvel. Toen de zegevierende, moedige jonge edelman bij de zetel aankwam, zag hij veel kostbare gespen, glinsterend goud op de grond, wonderlijke voorwerpen aan de wand, en ook het hol van de slang, het schepsel dat sinds oeroude tijden in de vroege ochtend rondgevlogen had. Hij zag daar drinkbekers staan, vaatwerk uit lang vervlogen tijd, onopgepoetst, ontdaan van sieraad. Menige oude helm, nu roestig, trof hij er aan, en een groot aantal kunstig gevlochten armringen.

Rijkdom, goud in de grond kan ieder mens gemakkelijk overmeesteren, wie het ook is die het verborgen heeft.

Ook zag hij hoog boven de schat een geheel gouden banier hangen, de mooiste ooit door handen vervaardigd een wonder van weefkunst. Er straalde licht van af, zodat hij de vloer kon overzien, er prachtig gegraveerde voorwerpen kon aanschouwen. Van de slang was er geen spoor, want het zwaard had hem gedood.

Daarop, zo heb ik vernomen, werd de grafkelder geplunderd, werden de schatten, de oude werkstukken van reuzen, weg geroofd door een man, koos deze zelf uit, wat hij aan bokalen en schalen in zijn armen wilde laden. Ook nam hij de banier mee, de stralendste van alle bakens. Het zwaard, de ijzeren kling van zijn hoogbejaarde meester, had tevoren hem neergehaald die lange tijd de beheerder was geweest van die pracht en praal, die midden in de nacht met vurige vlammen brandstichtend rond was getrokken ter bescherming van zijn schat, tot hij een gewelddadige dood was gestorven.

De gezondene had haast, hij wilde graag terug, gedreven door de kleinodiën. Zeer benieuwd was de kloekmoedige, of hij de heer der Weders, die aan het eind van zijn krachten was, daar waar hij hem buiten achtergelaten had, nog levend zou aantreffen. Met de schat vond hij de koning, zijn roemrijke heer, geheel onder het bloed, aan het eind van zijn leven. Opnieuw begon hij hem met water te besprenkelen, tot deze met grote inspanning wat in zijn hart verborgen lag wist te verwoorden.

Bij het zien van het goud sprak de koning, gebroken en oud: ‘Nu ik deze pracht voor mij zie, zeg ik de Heer, de hemelse Koning, de eeuwige Vorst, dank voor het feit, dat ik dit vóór mijn stervensdag voor mijn volk heb kunnen bereiken. Nu ik mijn lange leven geruild heb voor deze kostbare schat, moet gij u verder om de nood van mijn volk bekommeren. Ik kan hier niet veel langer verwijlen. Laat befaamde krijgslieden na mijn verbranding een fraaie grafheuvel oprichten. Die moet hoog op torenen op de Walviskaap, als een gedenkteken voor mijn volk, zodat zeelieden die door de mist in hun hoge schepen uit de verte aan komen varen, hem later Beowulfs grafheuvel zullen noemen.’

Zijn dappere daden indachtig maakte de vorst daarop zijn gouden halsketting los en gaf hem, met de goud beslagen helm en zijn rusting, aan de jonge, edele speervechter, met het verzoek ze goed te gebruiken. ‘Als laatste zijt gij over van ons geslacht, de Waegmundings. Het noodlot heeft mijn verwanten, de onverschrokken edelen, tot de laatste man weggevaagd. Ik moet hen nu na.’

Dit was het allerlaatste woord van de oude man, voortgekomen uit zijn diepste overpeinzingen, voor hij vrijwillig de brandstapel besteeg, de hete, vijandige vlammen. Zijn ziel verliet zijn lichaam, op zoek naar de zaligheid der rechtvaardigen.

Welk een tragiek viel daar de nog onervaren strijder ten deel, toen hij zijn dierbaarste hulpeloos lijdend op de aarde zag liggen, aan het eind van zijn leven. Daar lag ook zijn doder, de draak; overrompeld door ellende was de angstaanjagende bewoner van het onderaardse hol beroofd van het leven. De gekromde worm kon zijn ringenschat niet langer meer beheren, maar het harde ijzer, de scherpe, hamergesmede krijgskling, had een eind gemaakt aan zijn leven, zodat hij, die verre afstanden door de lucht kon afleggen, door zijn wonden geveld, ter aarde stortte, vlak bij de schatkamer. Niet langer zwierf hij zigzaggend door de lucht in nachtelijke vluchten. Niet langer was hij te zien in al zijn trots op zijn kostbare bezittingen; maar in het handgemeen met de oorlogsaanvoerder was hij ter aarde gestort.

Werkelijk niemand, zo werd mij verteld, van de machtigen op aarde heeft het gepresteerd om op de adem af te stormen van de giftige aanvaller, of om met de handen de hal der ringen overhoop te halen als hij de wachter wakker aantrof in de grafheuvel, hoewel hij beide daden zeer graag had verricht. De rijkdom aan schatten moest Beowulf met de dood bekopen. Voor elk was het einde van dit vergankelijke leven aangebroken.

Niet lang daarna kwamen zij die het gevecht geschuwd hadden, uit het bos te voorschijn, die lafhartige trouwbrekers, tien in getal, die de moed niet hadden gehad hun heer met werpspiesen te helpen, toen die in grote nood verkeerde. Vol schaamte kwamen zij met hun schilden in de hand en gekleed in hun gevechtsrusting naar de plaats waar de oude man lag. Ze keken naar Wiglaf. Geheel ontredderd zat deze voetvechter bij de schouder van zijn heer en probeerde hem met water bij te brengen. Het lukte hem niet. Hoe graag hij het ook wilde, hij kon de eerste speervechter op aarde niet in leven houden, noch ook maar iets veranderen dat de Almachtige had beslist. Het oordeel van God placht daadwerkelijk te beslissen over ieder mens, zoals het ook nu nog doet.

Zij, wie het tevoren aan moed had ontbroken, konden verwachten, dat de jonge strijder harde woorden zou uiten. Wiglaf, Weohstans zoon, nam het woord, verbitterd keek hij naar de gehate lafaards -: ‘Ieder die naar waarheid wil spreken, zal moeten beamen, dat de leenheer die u de sieraden en de ruiteruitrusting gaf, welke gij nu draagt het was de gewoonte van die vorst om zijn gevolgsmannen, in de hal verzameld en zittend op de bierbanken, de prachtige te helmen en harnassen aan te bieden, die hij ook maar ergens had kunnen vinden, ver of nabij -, die gevechtswapens op pijnlijke wijze volledig verspild had, toen hij aangevallen werd. De volkskoning hoefde geenszins trots te zijn op zijn krijgskameraden. Toen hij moedige krijgers nodig had, vergunde de Beheerder van overwinningen hem zich alleen met de messcherpe kling te wreken. In die strijd op leven en dood vermocht ik mijn verwant in het gevecht slechts weinig steun te verlenen, maar ik heb tenminste geprobeerd wat in mijn macht lag. Steeds zwakker werd de vreselijke vijand, toen ik hem trof met het zwaard, er kwam minder vuur uit zijn muil.

‘Veel te weinig verdedigers omringden de koning, toen het moeilijkste moment aanbrak. Nu zal het ontvangen van rijke beloningen, het geven van zwaarden, de vreugde van een vaderlijk erfgoed, het bezit van een dierbaar tehuis voor uw geslacht ophouden. Iedere man zal wel gescheiden worden van zijn grondbezit en zijn familie, wanneer de edelen ver weg vanhier van uw vlucht vernemen, van uw roemloze daad. Voor iedere edele strijder is de dood beter dan een eerloos leven.’

Toen liet hij de afloop van het heroïsche gevecht bekendmaken in de verstevigde veste op de hoogte, waar de schilddragers, de strijders, de hele lange ochtend in angstige spanning hadden zitten wachten, of op het doodsbericht van de dierbare, of op zijn terugkeer.

Na zijn rit de hoogte op hield de boodschapper het nieuws bepaald niet geheim, maar ieder hoorde alles zoals het gebeurd was: ‘De weldoener van het volk der Weders de heer van de Geaten, ligt nu geketend op zijn doodsbed door toedoen van de slang verwijlt hij nu op de baar. Die hem naar het leven stond ligt nu naast hem, door dolksteken getroffen. Met het zwaard kon dat verschrikkelijke monster op geen enkele wijze een verwonding toegebracht worden. Wiglaf, Weohstans zoon, zit daar aan Beowulfs zijde, de ene krijger bij de andere, bij de dode; diep ontroerd houdt hij de dodenwacht over vriend en vijand.

‘Voor het volk ligt nu wel oorlog in het verschiet, als overal bij de Franken en de Friezen de dood van de koning bekend wordt. Er ontwikkelde zich verbitterde vijandschap met de Hugen, toen Hygelac met een vloot oorlogsschepen naar Friesland gevaren was, waar de Hetwaren hem in heftige strijd aanvielen, en zo krachtig en overmachtig aangrepen, dat de geharnaste strijder daar moest buigen, daar viel te midden van zijn voetvolk. Geer rijke beloningen gaf hij aan krijgers die hun moed in de strijd bewezen hadden. Sinds die tijd is de koning de Merowingen ons nooit meer gunstig gezind geweest.

‘Zo verwacht ik ook zeker van het Zwedenvolk geen vrede of vriendschap, want Ongentheow doodde, zoals ieder weet, Hrethels zoon, Haethcyn, bij het Ravenwoud toen de Oorlogs-Scylfings aangevallen werden door de Geatenstam, arrogant als die was. Met zijn grote ervaring sloeg de oude vader van Ohthere op tomeloze wijze terug. Hij doodde de zeeleider en bevrijdde zijn beminde bruid, die nu op leeftijd was, maar nog even bemind als toen Zij verliefd waren, jaren geleden, nu beroofd van gouden sieraden, maar voor hem nog altijd de moeder van Onela en Ohthere. En hij achtervolgde zijn doodsvijanden, tot zij zonder leider slechts ternauwernood in het Ravenbos wisten te ontkomen. De weinigen die het zwaard had gespaard, de door wonden verzwakten, omsloot hij met een groot leger. De hele nacht stelde hij die armzalige groep ellende in het vooruitzicht. Hij zei, dat hij ze in de ochtend met het scherp van het zwaard zou vernietigen en dat hij de rest aan de galg zou ophangen, als feestmaal voor de vogels. Bij het ochtendgloren kwam er echter hulp voor de ontmoedigden opdagen, toen zij de hoorn en de trompet van de dappere Hygelac hoorden, die met de ervaren krijgers van het volk hen achteropkwam.

‘Overal waren de sporen van de dodelijke strijd zien, het bloed van Zweden en Geaten, was te zien hoe de twee naties weer een nieuwe vete waren begonnen. Ontmoedigd trok de heldhaftige Ongentheow, de ervaren vorst, met zijn mannen zich terug naar zijn veste. Hij had Hygelacs strijdlust en zelfverzekerde gevechtskracht leren kennen en wist niet zeker, of zijn eigen afweer voldoende sterk was om die zeevaarders in te tomen, om zijn goud, zijn vrouw en zijn kinderen tegen die kampvechters te verdedigen. Daarop trok de oude man zich terug achter de aarden wal. Maar de Zweden werden nagezet, en toen de Hrethlings eenmaal binnen de haag waren, liepen Hygelacs vaandels het beveiligde terrein onder de voet. Daar werd Ongentheow, de grijsharige, door het scherp der zwaarden in het nauw gedreven, zodat het lot van de vorst van het volk volledig in de handen van Eofor lag. Zo fel trof Wulf, de zoon van Wonred, hem met een wapen, dat het bloed onder zijn haar uit zijn aderen sprong. Maar dat deerde de oude Scylfingskoning niet, want hij draaide zich naar hem toe en gaf hem een nog heviger slag terug. De zoon van Wonred, die anders altijd zo vlug was, was niet in staat de oude krijgsman opnieuw te raken, want deze had hem de helm op het hoofd doormidden gekliefd, zodat hij badend in bloed moest buigen en ter aarde viel. Toch was hij nog niet ten dode opgeschreven, want hij herstelde, al was hij pijnlijk gewond.

‘Nadat zijn broer gevallen was, brak Eofor, Hygelacs koene vazal, met zijn brede slagwapen, het gigantische houwzwaard, de helm van Ongentheow, het werk van reuzen, boven het schildendek. Toen boog de koning, de behoeder van zijn volk, gewond tot de dood.

‘Nu zij na de overgave heer en meester waren over het slagveld, waren velen in de gelegenheid de wonden van Eofors broer te verzorgen en hem snel op een draagbaar te leggen. Daarop ging de ene held de andere beroven, ontnam Eofor Ongentheow de ijzeren kolder, de helm en het harde zwaard met het gevest. De uitrusting van de oude man bracht hij naar Hygelac, die de kostbare buit in ontvangst nam en hem, zoals dat hoorde, toezegde, dat hij ten overstaan van het volk beloond zou worden, hetgeen later ook geschiedde. Toen hij weer thuis was, beloonde Hrethels zoon Wulf en Eofor met een overmaat van rijke schatten, schonk hij elk van hen honderdduizend bunder land en gevlochten ringen. Geen mens op de middenaarde hoefde spottend zijn ongenoegen uit te spreken over die giften, nadat zij zich in de strijd zulke roem verworven hadden. En aan Eofor gaf hij zijn enige dochter tot sier van zijn huis, als bewijs van zijn blijvende vriendschap.

‘Dit is de strijd, de vijandschap en de dodelijke haat tussen mannen, die het Zwedenvolk volgens mij bij ons zoeken zal, als het verneemt dat onze heer levenloos is, hij die de schat en het rijk en de dappere schilddragers na de dood van de helden vroeger tegen vijanden behouden heeft, die het volkswelzijn bevorderde en nog veel meer heroïsche daden verricht heeft.

‘Laten wij ons nu haasten, om de grote koning van het volk te gaan zien en hem, die ons ringen gaf, naar de brandstapel te begeleiden. Niet een enkel voorwerp zal met de dappere smelten, maar ontelbaar vele, een grote schat aan goud, grimmig bevochten, en ringen, waarvoor hij nu op het laatst betaald heeft met eigen leven. Het vuur zal ze verteren, de vlammen zullen ze bedekken Geen edelman zal die rijkdom dragen ter gedachtenis; geen jonge vrouw, hoe mooi ook, zal met deze prachtige halsringen pronken, maar verdrietig, ontdaan van alle goud, zal ze telkens weer naar een vreemd land gevoerd worden, nu de legeraanvoerder het lachen heeft opgegeven, alle vrolijkheid en vreugde. Daarom zullen menige koude ochtend de vingers zich moeten sluiten om de speer, haar ter verdediging omhoog heffen, geen harpklank zal de krijgsman wekken, maar de donkere raaf, gretig azend op hen die ten dode zijn opgeschreven, zal alles aan de arend melden, hem vertellen, hoe geslaagd zijn maaltijd was, toen hij, wedijverend met de wolf, het slagveld plunderde.’

Zo was de dappere de bode van een barre tijding. Weinig kwam niet uit van de woorden die hij sprak en van wat hij voorspelde voor de toekomst.

De hele groep stond op en ging bedroefd en in tranen onder langs de Arendkaap om het vreemde schouwspel te gaan zien. Levenloos vond men hem, die lang geleden ringen uitgedeeld had, liggen op het zand, rustend op de baar. Voor de onversaagde was de laatste dag anngebroken. De oorlogsvorst, de leider der Wedernatie, was een wonderlijke dood gestorven.

Op het veld daar hadden ze eerst dat vreemde wezen, die leedbrengende slang, zien liggen, terecht gestraft voor zijn daad. Op afschuwelijke wijze was die vervaarlijke vuurdraak door vlammen geschroeid. Zoals hij daar lag had hij een lengte van vijftig voet. In nachtelijke uren had hij opgewekt de lucht beheerst en was dan weer neergestreken om zijn hol op te zoeken. Nu lag hij vast in doodsketenen, had hij voor de laatste keer van zijn grot in de aarde genoten. Bij hem lagen bekers, bokalen en schalen, en kostbare zwaarden, rot van de roest, doordat zij duizend winters lang in de aarde hadden doorgebracht. Bovendien was deze erfenis machtig beschermd, was dit goud der ouden met toverspreuken omwonden, zodat niemand in de ringenzaal het aanraken kon, tenzij de Heer zelf, de ware Koning der victorie - Hij is de Beschermer der mensen -, de schat door díe persoon wilde laten open leggen die Hem daartoe geschikt leek.

Het was duidelijk, dat hij die de kleinodiën daar onrechtmatig onder die bergwand had verborgen, gefaald had in zijn opzet. De wachter had heel wat mensen gedood, maar daarop werd deze vete op afschuwelijke wijze gewroken. Het is onbekend waar een roemrijk edelman aan het einde zal komen van zijn levensloop, wanneer hij niet langer met zijn verwanten in de medehal kan verwijlen Zo verging het ook Beowulf, toen hij de strijd aanging het verraderlijke gevecht met de hoeder van de grafheuvel Hij wist zelf niet wat zijn afscheid van de wereld bewerken zou. Want de befaamde vorsten hadden, toen zij de schat opborgen, er een vloek op doen rusten tot de dag des oordeels: de persoon die dat oord zou plunderen, zou zwaar zondigen, hij zou opgesloten worden in een afgodentempel, vastgezet met helse boeien, gepijnigd door kwalen. Het ware hem liever geweest de nalatenschap van de eigenaar, hoe rijk aan goud die ook was, nooit eerder aanschouwd te hebben.

Wiglaf, Weohstans zoon, sprak toen de woorden: ‘Vaak moet menige edelman de ellende verdragen die door één is veroorzaakt, zoals ons is overkomen. De geliefde leider luisterde niet naar advies, hoe wij de beschermer van het rijk ook raadden weg te blijven van die bewaker van het goud, hem te laten liggen waar hij lang was geweest, te laten blijven in zijn eigen huis tot het eind van de wereld. Hij hield vast aan zijn verheven lotsbeschikking. De schat is nu aanschouwd, in een verschrikkelijk gevecht gewonnen. Te sterk was het lot, dat de leider van de natie hierheen voerde. Ik ben daarbinnen geweest en ik heb alles gezien, de prachtige inrichting van de zaal, toen de weg voor mij vrij was gemaakt, toen ik op geenszins vriendschappelijke wijze de ingang in de bergwand kon betreden. Zo snel ik maar kon heb ik in mijn handen een machtige lading aan kostbare schatten gegrepen en hierheen naar buiten gedragen voor mijn koning. Hij leefde toen nog, was goed bij bewustzijn. In weemoed sprak de oude nog uitvoerig over vele zaken en hij liet u groeten. Hij gaf u opdracht een grootse en machtige grafheuvel, uw beminde heer waardig, op te werpen op de plaats waar gij zijn lijk zou verbranden. Want van alle mensen was hij de meest geachte strijder op heel de aarde, zolang hem vergund was te leven in de weelde van zijn burcht.

‘Laat ons nu opnieuw voortmaken om al het schoons aan stenen te aanschouwen, een machtig gezicht onder de bergwand. Ik zal u voorgaan, zodat gij de pracht aan ringen en plaatgoud van dichtbij kunt zien. Breng een draagbaar in gereedheid en laat die buiten klaarstaan, zo gauw wij terugkomen, en laat ons daarna de dierbare, de leider, dragen naar waar hij lang zal verwijlen, in de beschutting van de Allerhoogste.’

Daarna liet Weohstans zoon, de wakkere strijder, aan vele helden, behorend tot de hoogste landadel, opdracht geven om overal vandaan hout voor het vuur aan te dragen voor de dappere, voor de leider van het volk. ‘Nu zullen de vlammen, zal de hoog walmende haard van vuur, de heer der strijders verteren, die zo vaak een regen van ijzer overleefd heeft, wanneer een vloed van pijlen, in beweging gezet door de ineengedraaide boogpezen, over de schildmuur schoot, en de schacht, voortsnellend onder haar verenuitrusting, de juiste richting aanhield en de pijlpunt stuurde.’

Daarop riep de wijze zoon van Weohstan in totaal zeven strijders bij zich, de voortreffelijksten uit de koningsgarde, en als achtste aanvaller ging hij met hen mee de vijandelijke holte in. De man die vooraan ging, droeg een lichtende toorts in de handen.

Er werd niet geloot wie de schat mocht plunderen, toen de helden de massa kostbaarheden daar zo maar, onbeheerd, in de zaal aantroffen. Zonder er rouwig om te zijn brachten ze de dure kleinodiën in allerijl naar buiten. Ook schoven ze de draak, dat slangebeest, over de rand van de klip, lieten de bewaker van de kostbaarheden door het water wegvoeren, omspoeld worden door de golven.

Ontelbare hoeveelheden bewerkt goud werden toen op een wagen geladen, en de edele, hoogbejaarde strijder werd weggedragen naar de Walviskaap.

Daarop brachten de Geaten voor hem een indrukwekkende brandstapel op de grond in gereedheid en omhingen die met helmen, schilden en blinkende harnassen, zoals hij hun had verzocht. In tranen legden de helden de hun zo geliefde heer, de vermaarde prins, tussen het hout. Toen begonnen de krijgers de ontzaglijk hoge brandstapel op de grafheuvel aan te steken. De zwarte rook van het hout steeg op boven de vuurgloed, geweeklaag omringde de ziedende vlammenzee - de wind was gaan liggen-, totdat deze het beenderenhuis door de diep doordringende hitte verteerd had. Zielsbedroefd klaagden zij hun hartenleed, de dood van hun leenheer. Vol bezorgdheid en smart zong ook een jonge vrouw der Geaten met opgebonden haar een jammerklacht over Beowulf. Zij her haalde telkens weer, dat zij vreselijke tijden voor zich zag, talloze moorden, terreur van een strijder, vernedering er gevangenschap. De hemel verzwolg de rook.

Daarna bouwden de Wedermannen een grafkamer op de klip, hoog en ruim, van zeer ver zichtbaar voor zeevaarders, richtten in tien dagen een monument op voor de om zijn gevechtskracht beroemde held en omringden de as met een wal, als het waardigste huldebetoon dat de allerwijsten voor hem konden bedenken. In die grafheuvel plaatsten zij ook alle ringen en kostbare gespen, alle pantsers die de koene strijders eerder uit de massa rijkdom meegenomen hadden. De schat der edelen werd aan de aarde toevertrouwd, het goud aan de grond, en het ligt er nu nog begraven, even nutteloos voor de mensen als immer tevoren.

Toen trokken twaalf dappere heldenzonen rond de grafheuvel; zij wilden hun verdriet uiten, over hun koning een klaagzang aanheffen, hun smart verwoorden en de man herdenken. Zij prezen zijn adel en loofden zijn roemruchte daden bovenmate; het past immers, dat men zijn achting uitspreekt voor een geliefde meester, dat men hem van harte bemint, als hij naar elders gaat, als hij zijn lichaam verlaten moet.

Zo werd de dood van de vorst door het volk der Geaten, door zijn haardgenoten, klagend betreurd. Van alle koningen der wereld was hij, zo verklaarden zij, de menselijkste van allen, was hij de allerhartelijkste voor zijn volk, kortom de man die naar de hoogste lof gestreefd had.