| Lucretia verkracht
the rape of lucrece vertaling Jan Jonk | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Weg van het belegerd Ardea, als een speer,
| gedragen op wankele vleugelen lust puur verlaat Tarquinius het Romeinse heir en brengt naar Collatium het smeulend vuur dat onder een sintellaag wegkruipt tot het uur van opvlammen rond kuisheid zonder ga, schoon Collatinus’ lief, Lucretia. Triest dat nu juist dat ‘kuis’ die driestheid gaf, die niet te stuiten lust, die felle drang: 10 | want Collatinus liet, naïef, niet af
| het uniek rood-wit te prijzen op die wang dat straalde aan zijn zevende hemelgang waar een aards paar sterren, licht als de hemelpracht, hem met zuiver aspect speciaal bedacht. Want de nacht ervoor, in Tarquinius’ tent, ontsloot hij het tresoor van zijn geluk: wat gaf hem de hemel rijkdom, ongekend, het bezit van zijn – O - allermooiste stuk; een grootser lot dan een koning, sprak hij druk, 20 | die een groot beroemdheid tot vorstin verhief,
| maar geen zo onwaardeerbaar als zijn lief. O, zaligheid, die een enkeling kennen zou, die, in het bezit, zo vlug vervallen kon als het zilver smelten van de ochtenddauw tegen de gouden schittering van de zon - het genot voorbij voordat het goed begon. Eer en schoonheid in de armen van de macht zijn zwak als er een wereld onheil wacht. Waar grote schoonheid zelf het mannenoog 30 | voor zich inneemt, hoeft zij niet echt bepleit;
| wat iets bezongen in een fel betoog dat zo uniek is en zo’n zeldzaamheid; hoezo spreekt Collatinus wijd en zijd van dit rijk juweel, wat een dievenoor niet weten mag, daar het hèm toebehoort? Zijn ‘Zij is de mooiste’, en dat steeds maar door, had op die trotse prins zo’n uitwerking (want het hart wordt vaak bezoedeld door ons oor). Of was het jalousie om zo’n rijk ding 40 | dat elk schoon tartte, verontwaardiging
| in zijn hovaardig hart, dat een mindere snoeft om het gulden lot dat hij zijn baas aftroeft. Of is het een plotse inval wellicht, wat tot zijn overhaast vertrek uitgroeit; zijn eer, zijn zaken, vrienden, staat of plicht laat hij voor wat zij zijn: al wat hem boeit is het vuur doven dat in zijn lever gloeit. O valse lust, door spijt verhuld, en kou, uw jeugdig vuur laat nooit af, wordt nooit oud. 50 | Als deze valserik bij Collatium staat,
| ontvangt hem de Romeinse vrouwe goed; schoonheid en deugd strijden op haar gelaat wie van hen tweeën haar faam rijzen doet. Geeft deugd hoog op, dan bloost schoon rood van bloed; en als schoon gloeien gaat, tempert deugd dit door een indiepe waas van zilverwit. | |