Google



vorige verder
Sonnetten 51 - 100
51 Dit voert mijn liefde ter verdediging aan
van het vadsig dier waarop ik van je vlied:
waaróm ook haastig van jou weggegaan?
Tot ik terugkeer baat mij snelheid niet.
Waar is het troostend woord dat het beestje vindt,
als dán de grootste snelheid traag toeschijnt;
dan zette ik aan, al reed ik op de wind,
al vlieg ik vlug, ik sta stil, snelheid verdwijnt.
Geen paard houdt dan het sterk verlangen bij;
Het verlangen briest, het zuiverst liefdeblijk
- van aardsheid is dit vurig ras steeds vrij.
Zo geeft de liefde de oude knol gelijk:
`Daar hij van jou vandaan niet harder wou,
laat ik hem gaan en ren ik terug naar jou'.

52 Ik lijk de rijkaard wel wiens sleutel zoet
hem leiden kan naar zijn verborgen goud,
waar hij zich echter niet elk uur heen spoedt,
dat het vaak bezoeken hem genot onthoudt.
Zo zijn de hoogtijdagen door het jaar
juist door hun schaarste veel meer interessant,
als kostbare stenen in het koningshaar,
of pronkjuwelen in de halskarant.
Zo is de tijd, die u bewaart, mijn schrijn,
het meubel dat het pronkgewaad omhult,
en een bijzonder uur wordt keurlijk fijn
als weer ontvouwd wordt wat die kerkervult.
Gezegend u, wiens rijkdom ruimte biedt
tot vreugd wie ze had, tot hoop wie dat nog niet.

53 Wat is uw wezen en uw diepste aard
dat zoveel vreemde schaduwen u omgeven?
Uniek is ieders hart en ziel gepaard:
in u, één slechts, kan élk soort schoonheid leven;
beschrijf Adonis, en zijn beeltenis
steekt schromelijk af bij uw natuurlijkheid;
Helena geeft schoonheid betekenis:
u bent de Griekse pracht van onze tijd.
Spreek over lente, over goed beschot -
de een is een schaduw van uw rijke weeld',
het andere toont hoe u bent uitgebot:
in elke zoete vorm zien wij uw beeld.
*** Al wat er schoon is, deelt dat schoon met u,
maar geen deelt, noch deelt u een hart zo trouw.

54 Welk groter schoonheid heeft de schoonheid toch
door het zoet ornament dat trouw haar geeft.
De roos is mooi, maar mooier vooralsnog
vanwege de zoete geur die in haar leeft.
De bloemen van de hondsrood kleuren warm
net als de roos - waar men ook zoetheid vindt -,
dezelfde doorns, en met dezelfde charme
ontvouwt zich het blad onder de zomerwind.
Ze zijn, echter, slechts mooi en vruchteloos,
men mag ze slecht, men plukt hun blaadjes niet,
ze sterven eenzaam af. Niet zo de roos;
zoet is de geur die haar zoet sterven biedt.
Wanneer uw gratie sterft, en jeugdige bouw,
wordt langzaam zichtbaar door mijn vers uw trouw.

55 Geen marmer en geen gulden monument
van vorsten heeft zo'n grote onsterfelijkheid
als u, die in verzen beter wordt gekend
dan steen, verwaarloosd en besmeurd met tijd.
Als woeste krijg beelden ontsokkelen zal,
en metselwerk tot op het staal verheert,
brengt het zwaard van Mars, noch het oorlogsvuur uw val,
doordat dit vers u in herinnering eert.
Uw pad voert langs de dood, en het schrikbeeld
van vergetelheid. Uw roemruchte naam
is het die de geslachten de oren streelt;
tot aan de laatste dageraad duurt jouw faam.
Totdat bij het oordeel eeruwigheid begint,
leef u hier voort, en in elk mensenkind.

56 Hernieuw Uw krachten, liefde. Een ieder weet,
wie honger heeft bedien' zich van een rustig mes,
en wie voor één dag zich verzadigd eet,
hem knort de maag toch 's anderendaags voor zes.
Wees, vriend, ook zo: al vallen je ogen dicht,
wier honger jij vandaag zo hebt gestild,
kijk morgen weer, want anders dood je licht
de ziel der liefde, raakt het vuur verkild.
Die tussentijd lijkt op de oceaan,
die het land verdeelt, alwaar gelieven twee
zich dagelijks spoeden naar het strand, er staan
vol hoop op een bericht van over zee.
Noem het de winter, vol bekommering:
nog grootser wacht dan zomers schittering.

57 Als uw lijfeigene is het mijn taak
op elke wenk te letten, elk gebaar;
ik ken geen kostbare uren van vermaak,
wanneer u roept sta ik ten dienste klaar.
Om het eeuwigdurend uur past mij geen klacht,
terwijl ik, heer, bijhoud hoe lang het duurt,
geen gramschap toon dat ik alleen hier wacht,
nu u uw dienaar van u hebt weggestuurd.
Wat u doet, waar u bent, gaat mij niet aan,
ik mag niets vragen met jaloerse geest,
slechts staan als slaaf, gedachten laten gaan
naar waar, met wie u bent, hun grote feest.
Liefde is een dwaas, want nergens ziet zij kwaad,
hoe ver u ook, hoe vreemd uw gril ook gaat.

58 De God door wie ik uw slaaf nu ben, verbood
elk vragen hoe, raden met wie u bent,
elk gissen naar uw speelse deelgenoot;
ik ben een vazal die slechts wachten kent.
O, laat mij lijden, immer aan uw kant,
het omsloten vrij en uit zichzelve zijn,
en stil dragen uw opgestoken hand,
zonder u te beschuldigen van pijn.
Wees grenzeloos; uw charter heeft zo'n kracht,
dat u kunt doen en laten in uw leven
al wat u wilt; want u hebt toch de macht
uzelf de misdaad kwelling te vergeven.
Ik ben slechts wachter, en dat is mijn hel,
mij verre houden van uw luchtig spel.

59 Als niets ooit nieuw is, maar wat nu bestaat
reeds eerder was, hoe dwaalt dan onze geest,
die iets nieuws wil brengen zonder resultaat,
slechts het kind voortbrengt dat vroeger is geweest.
Hoe graag zag ik over de tijdsafstand
zelfs van vijfhonderd banen van de zon
uw beeld beschreven in een oude band,
het vroegst geschrift, de allereerste bron;
dan kon ik zien wat de oude wereld zei
van uw gestalte, wonderschoon, uniek;
zijn wij dan beter, of verfijnder zij,
en is die tijd aan de onze identiek?
De grote geesten toen hebben beslist
aan mindere zaken al hun lof verkwist.

60 Zoals golf na golf de kiezel hoger stuwt,
zo haasten zich minuten naar hun eind;
wat eerst was wordt door het nieuwe weggeduwd,
steeds voorwaarts zwoegend tot het valt, verdwijnt.
Een boreling, ooit in een zee van licht,
kruipt voort tot rijpheid en tot majesteit,
waar glorie buigt en onder lasten zwicht
- wat zelf hij gaf verwoest hij nu, de tijd.
Tijd prikt de bloem der jeugd tot het leven,
hij trekt zijn voren in het glad gelaat,
voedt zich met het schoonste dat natuur kan geven,
en niets blijft staan dan voor zijn zicht die slaat;
en toch houdt mijn vers in de toekomst stand
en roemt het je, ondanks zijn wrede hand.

61
Verlang jij echt dat ik met ogen open
steeds weer jouw beeld zie door de lange nacht?
Wil jij dat mijn gesluimer wordt gebroken
door valse dromen waar ik jou verwacht?
Is het jouw geest die zo ver reizen mag
en wat ik uitspook stiekem komt bezien,
mijn nietsdoen en mijn schaamteloos gedrag,
ging al jouw afgunst soms zo ver misschien?
O neen, zo groot is toch jouw liefde niet:
het is mijn liefde die mij waken laat,
het is mijn hartstocht die mij rust verbiedt
en die om jou voor nachtwacht spelen gaat.
Zo waak ik over jou die ver van mij
laat slapen gaat met anderen te nabij.

62
Mijn wezen wordt beheerst door ijdelheid,
tot deze zonde is mijn ziel verstard;
niets is er dat mij van de kwaal bevrijdt,
zo diep is zij geworteld in mijn hart.
Geen mens is fijner van gestalt', gelaat,
geen is waarachtiger, dunkt mij, van aard;
ik vind mijzelf de beste die bestaat
daar geen me in enig opzicht evenaart.
Maar als mijn spiegel toont mijn waar' gezicht,
geslagen, en gelooid door ouderdom,
dan zie ik mijn andere ik in het juiste licht,
dan slaat mijn eigendunk in zonde om.
Het is jij, mijn ik, die ik in mijzelf hier prijs;
jouw jeugd siert hier mijn jaren, oud en grijs.

63
Voordat mijn vriend als ik nu weerloos ligt,
geveld door tijd, hardhandig, slag op slag,
de aderen gelaten en het gezicht
gelijnd, gerimpeld, en zijn jeugdige dag
moeizaam voortreist tot de avond steil,
en alle luister die hij nu beheert
verdwijnt, verdwenen is, hem onderwijl
zijn lente rovend, die vergaat, verteert,
voor die tijd wens ik nu geweerd te zijn
tegen het moordend hakmes van de tijd,
dat het de schoonheid van de liefste mijn
- al duurt die kort - nooit uit gedachten snijdt.
Van schoonheid, zwart belijnd, dicht hier mijn tong,
en als dit vers blijft hij voor altijd jong.

64
Wanneer ik zie hoe tijds hand ruïneert
en trots neerslaat van eeuwen lang voorbij -
de ooit verheven torens geraseerd
en blijvend brons geknecht door razernij -,
wanneer ik zie hoe holbuik oceaan
veld wint en het kustrijk neemt onder beheer,
hoe vaste grond de baren gaat verslaan
- elk wint in overvloed verdrinkend meer -,
wanneer ik zie hoe het al verkeren kan,
staatsie verbrokkeld, chaos overal;
als ik dit slechten zie, leer ik er van
dat eens de tijd mijn liefste halen zal.
Denkend als aan de dood ween ik bedroefd
om wat ik heb, wat kort slechts bij mij toeft.

65
Als steen, brons, aarde, einderloze zee
hun kracht vernietigd vinden en vergaan,
dan sleurt geweld ook schoonheid met zich mee,
die zacht is als een bloem, kort van bestaan.
Hoe houden zoete zomergeuren stand,
dagelijks belegerd, gebeukt bovendien,
als ondoordringbare rots en stalen band
zo sterk zich door de tijd verpulverd zien?
O huiveringwekkend angstgevoel! Want hoe
is tijds juweel ooit veilig voor tijds schrijn;
wie werpt zijn snelle voet de handschoen toe,
verbiedt hém buit of hém de prooi te zijn?
O, geen, tenzij dit wonder blijft voorgoed,
dat zwarte inkt zijn liefde stralen doet.

66
Dit alles moe smeek ik om rust en door -
ik zie Verdienste nu een bedelaar,
en een lege Nul in scharlaken rood,
en het zuiverste Geloof een loochenaar,
en gouden Roem zeer schaamteloos versmaad,
en maagdelijke Eer een hoer genoemd,
en Onberispelijkheid gesteld in het kwaad,
en Kracht door zwak Beleid tot niets gedoemd,
en Schone Kunst monddood gemaakt door Macht,
en Doctor Dwaasheid regeert Meesterschap,
en Openheid heet smalend Ondoordacht,
en de slaaf Goed geeft Kwaad het Heerserschap:
Dit alles moe, ging ik het liefste heen,
ware niet mijn liefste na mijn dood alleen.

67
Wat leeft hij zo corrupt nog verder voort
en heiligt goddeloosheid met zijn zijn,
zodat de zonde bij hem binnenboort
en zich opsmukt met zijn gezelschap fijn?
Wat schildert namaak-kunst zijn mooi gezicht
en steelt een doodse blik van het warm gelaat;
waarom is arme schoonheid zo ontwricht,
zocht ware roos bij schaduw toeverlaat?
Waar leeft hij voor, met de natuur bankroet,
smekend om bloed, zijn aderen zonder tint,
in hem bewaart ze, immers, al haar goed;
zij, overvol, leeft voort op wat hij wint.
Zij houdt hem goed, om rijkdom die zijn had
aan onze tijd te tonen, die is beklad.

68
Zo ontvouwt zich op zijn wang de kaart van tijd,
toen schoonheid leefde en stierf zoals een bloem,
voor men bedacht die onnatuurlijkheid,
aan het levende gelaat bracht namaak-roem;
voordat het gouden haar werd weggeroofd
- dat het graf behoort, dat doden rustplaats biedt -,
en ging herleven op een ander hoofd;
voor schoonheids vacht een ander pronken liet.
In hem ziet men de gouden tijden weer,
zoals het was, niet extra mooi, gezoet,
niet zomers pronkend met een anders veer,
hij kleedt zich niet met oud, gestolen goed.
En als een kaart houdt de natuur hem bij;
zij toont wat echt was aan verlakkerij.

69
Aan wat de wereld van jouw schoonheid ziet
ontbreekt niets dat het hart nog beter vond;
zo spreekt de tong, de stem der ziel, en biedt
de naakte waarheid, zelfs in 's vijands mond.
Zo krijgt je uiterlijk terecht een kroon;
dezelfde tong echter die jou ze prees
verwerpt met harde woorden het eerbetoon
wanneer zij verder ziet dan het oog haar wees.
Als het beschouwt de schoonheid van je geest
en deze ruwweg meet aan wat je doet,
dan denkt het verstand het zijne van dat feest,
en noemt haar 'stinkend kruid', jouw bloem zo zoet.
Waarom je aanschijn niet klopt met je geur,
ligt hier gegrond: te open groeit jouw fleur.

70
Dat jij belasterd wordt is niet jouw fout,
want steeds was gratie mikpunt van veel smaad;
de achterdocht geeft schoonheid feller goud
zoals een kraai de hemel stralen laat.
Mits jij goed bent richt al die spot zich op
het waardevolste dat de tijd graag pakt,
want kanker kwaas zoekt steeds de malste knop,
en jij bent lente, zuiver en intact.
De lastige hinderpalen van de jeugd
ben je ongedeerd of na veel strijd voorbij;
geen snoer geeft ons het zo prijzen van jouw deugd
om vast te leggen de kwaadsprekerij.
Lag niet op jouw gezicht een zweem van zwart,
dan was jij enig koning van elk hart.

71
Laat af het rouwen als ik gestorven ben,
nadat de klok zo naar en monotoon
de wereld zegde dat ik haar rotheid kan
en haar ontvlucht ben, nu bij wormen woon.
Waanneer je deze regels leest, vergeet
de hand dan die ze schreef, want zo verdriet
je deel is zo ja aan mij denkt, en leed:
mijn liefde zag gedachten liever niet.
Zo dit vers je wellicht weer boeien kan
wanneer geen zon mijn resten nog beschijnt,
laat toch mijn naam binnen je loppen dan:
jouw liefde sterve met mijn levenseind.
Want als de wereld onderzoekt jouw pijn,
vindt zij jouw dwaasverliefd als ik weg zal zijn.

72
O, dat jij na mijn dood niet zeggen moet
wat waarde er in mij leefde dat jij mij
zo minde, lief, vergeet mij streks voorgoed:
verdinste vind jij in mij generlei,
tenzijn je een leugentje bedenkt dat deugt
en meer van mij maakt dan dat ik verdien,
mijn graf omhangt met groter lof en deugt
dan schriele waarheid mij getooid wou zien;
dat dit mijn liefde niet geeft valse schijn,
dat jij om liefde onwaarheid spreken zou,
laat op mijn lijk mijn naam begraven zijn
dat hij geen schande mij meer brengt, noch jou:
beschaamd maakt mij wat ik heb voortgebracht,
en straks ook jou die waardeloosheid acht.

73
Aanschouw mij goed: zie hier het jaargetij
als het blad vergeelt en takken, bijna kaal,
gaan huiveren om de kou dreigend nabij,
vervallen koorstal van de nachtegaal.
In mij zie je de avondschemering,
de dag vervaagt, de zon die ondergaat,
allengs omfloerst door nachtelijk duistering,
gelijk de dood, die alles rusten laat.
In mij zie je de gloor nog van het vuur
dat smeulend ligt op de as van vroegere gloed,
afwachtend op dit bed het stervensuur,
verteerd met dat waardoor het werk gevoed.
Weet dus je min gesterkt door wat je ziet,
en koester warm wat weldra van je vliedt.

74
Maar wees gerust, wanneer de diender komt,
mij weg geleidt, en er geen borg meer baat:
in dit vers ligt mijn leven, spreekt mijn mond,
dat ik jou als herinnering achterlaat.
Wanneer je dit herleest, dan zie je weer
hoe toegewijd jou deze woorden zijn.
Als aarde ik tot de aarde wederkeer,
mijn geest hoort jou, mijn allerbest domein.
Verloren heb je slechts de levensdrab,
de prooi der wormen en mijn lichaam, dood,
dan het mes wegmaaide met gemene klap,
te laag voor jou dat het tot heugen noodt.
De waarde hier is wat het leven doet,
en dat staat hier, en blijft bij jou voorgoed.

75
Jij bent voor mij als voedsel voor het leven,
als zachte lentebuien voor het veld;
en om jouw zoete rust ben ik gedreven
zoals de vrek zich kommert om zijn geld:
nu trots op zijn bezit, maar dan meteen
bang dat dief tijd zijn schatten roven zal;
nu wenste ik mij het liefst met jou alleen,
dan toonde ik jou, mijn vreugde, overal;
soms ben ik verzadigd van het ogenfeest,
dan brand en dorst ik naar jouw blik terstond;
geen vreugde wens ik, is ooit mijn geweest
dan die jij schonk, of ik bij jouw hart vond.
Verzadigd ben ik zo, en afgevast;
nu heb ik niets, dan ben ik een gulzig gast.

76
Wat draagt mijn vers geen avant-garde smuk,
kant het geen variatie, plotse troop?
Waarom niet hier gewrocht een modestuk
vol nieuwe regels en met vreemde loop?
Waarom is het altijd eender wat ik dicht,
draagt mijn verdichten steeds versleten jas,
zodat in ieder woord mijn naam haast ligt,
en men direct kan zien waar de oorsprong was?
O weet, mijn lief, dat jij mijn thema bent,
dat ik van jou en liefde immer schreef;
ik kleed de woorden nieuw die zijn bekend,
het versletene is al wat ik weer geef.
Zoals de zon daaglijks nieuw rijst en daalt,
herhaalt mijn liefde liefde vaak verhaald.

77
Straks geeft je spiegel aan hoe schoonheid ging,
je klok hoe kostbare tijd verloren gaat,
het leeg patroon draagt jouw ontboezeming,
en deze wijsheid hier geschreven staat:
de groeven die je in de spiegel ziet
zijn een herinnering aan het gapend graf;
hoe Tijd steels naar de eeuwigheid voortvliedt,
lees dat aan het schuifelend schaduwbeeld dan af.
Leg alles wat je niet onthouden kunt
óp deze onbeschreven bladen neer:
het zijn kinderen van je geest wie het is vergund
het weer te zien als was het een eerste keer.
Zo je dit doet en het heel vaak bekijkt
is nut je deel en wordt je boek verrijkt.

78
Zo vaak riep ik je hulp in, Muze mijn,
en vond je in mijn vers zo naast mij staan,
dat elke vreemde pen als ik ging zijn
en met jouw gunst zijn werken rond liet gaan.
Het hoogste lied ging jij de stomme leren,
jij hief ten hemel lompe onwetendheid,
de overvlieger gaf je extra veren,
het gracieuze dubbele majesteit.
Maar boog het meest op alles wat ik dicht,
door jou beïnvloed en door jou verwekt.
Jij geeft de stijl van anderen evenwicht,
jouw gratie geeft hun kunst gracieus aspect,
maar jij, mijn hart, verheft tot meesterhand
deze ongeletterde, deez' dilettant.

79
Zo lang als ik alleen je gunst genoot
sprak al jouw gratie enkel door mijn pen;
het gracieuze vers is echter dood,
mijn Muze is moe en koos een andere fan.
Het is waar, mijn lief, de weidsheid die jij schenkt
verdient bewerkt door een veel grootser man;
jij reikt je lijfpoëet wat hij bedenkt,
hij neemt en geeft wat hij niet houden kan.
hij noemt jou deugdzaam maar hij stal dat woord
uit jouw gedrag; waar hij jou schoonheid geeft
vond hij dat op je wand; al wat jij hoort
aan lof is wat er in je zelf slechts leeft.
Dank hem dus niet voor al wat hij verhaalt,
zijn schulden worden door jou zelf betaald.

80
Ik word ontmoedigd, als ik van jou dicht,
te weten dat een betere pen jouw naam
veel hoger prijst, veel meer roemt jouw gezicht
en mijn tong bindt bij het zingen van jouw faam.
Zo weids ben jij, dat je als de oceaan
het bolste zeil, en het kleinste dragen kan;
dus stuur ik mijn rammend scheepje op jou aan:
Wil je hem ontvangen, deze wildeman!
Jouw laagste water houdt mij in de vaart,
als hij op jouw onpeilbare diepten rijdt;
ik ben een wrak, als scheepje niets meer waard,
terwijl hij, sterk van inhout, roem verspreidt.
Vaart hij behouden en verlamt mij ra,
het ergst is dat ik van liefde dan verga.

81
Of ik het ben die jou een grafspreuk geeft
of dat jij leeft als ik in de aarde rot,
het is jouw faam die de door ver overleeft:
vergeten wordt mijn geest en overschot.
Jouw naam zal vanaf nu onsterfelijk leven
terwijl ik voor de wereld dood zal zijn;
het goedkoopste graf zal mij de aarde geven;
in aller ogen ligt jouw dodenschrijn.
Dit is het monument dat jou omsluit,
dat het oog dat nog niet is steeds weer herleest;
de tong van dan draagt weer jouw wezen uit,
als alles wat nu ademt is geweest.
Dan leeft jij voort - zo sterk is wat ik zong -
waar de adem het meest leeft: op 's mensen tong.

82
Het is waar, jij nam mijn Muze niet tot vrouw
en kunt dus ongestraft je oordeel spreken
over wat opgedragen is aan jou,
een thema dat elk boek ontneemt gebreken.
Jij blinkt zo uit naar lichaam en naar geest,
dat al mijn lof ver ontoereikend is;
jij dient te zoeken niet wat is geweest
maar veeleer eigentijds' getuigenis.
Doe dat, mijn vriend, maar als de retoriek
de meest bizarre verzen heeft bedacht,
weet dan hoe ik getrouw en sympathiek
de echte vriendschap onder woorden bracht;
hun kliederverf komt beter tot haar recht
op wangen zonder bloed - jou past hij slecht.

83
Jij had geen fulpen dichtertong vandoen,
en dus verfraaide ik nooit je mooi gelaat;
ik zag je grootser - of dat meende ik toen -
dan minzaam horend povere dichterpraat.
Ik heb gezwegen dus, omdat ik wist,
dat jij wel zelf uitstekend tonen kunt
hoe steeds zo'n flutpen weer de lengt mist
je ziel te kennen in zijn hoogste punt.
Jij noemde zondig dat het zweeg, mijn lied,
als mij in stilte de hoogste glorie wacht;
mijn stomheid, immers, schaadt je schoonheid niet,
als menig grafschrift dat geen leven bracht.
Er ligt meer leven in één van je ogen,
dan jouw twee dichters met hun zang vermogen.

84
Zelfs wie het meeste zegt, zegt toch niet meer
dan dit rijk woord van lof; 'Jij bent slecht jij' -
en die compactheid geeft jouw weidsheid weer;
dat het voor jouw gelijke een voorbeeld zij.
Hoe karig is het met die pen gesteld
die niet wat hij beschrijft omgeeft met praal;
maar als wie van jou schrijft ons slechts vertelt
dat jij jij bent, dan schittert zijn verhaal.
Laar hem slechts afschrijven wat in jou staat
- want steeds straalt de natuur, kent geen verval -,
dat ondertussen zijn faam rijzen gaat,
zijn stijl bewonderd worde overal.
Vervloek toch waar je mee gezegend bent:
ontwaard is roem voor wie er meer wordt verwend.
85 Mijn Muze is te beschroomd, haar tong spreekt niet
nu in veel prachtbanden met gouden veer
hun ware aard men opgetekend ziet,
frazen, die Muzen scherpten keer op keer.
Ik ben in zwijgen, zij in woorden sterk,
ik roep `Amen', daar ik ongeletterd ben,
na elke lofzang, het gladde woordenwerk
van een deskundig geest, verfijnde pen.
Hoor ik u geprezen, zeg ik: `Inderdaad',
en voeg aan hoogste lof nog veel meer bij,
zodat wat eerst kwam niet het laatste staat:
het woord verliest van liefde diep in mij.
Let bij de ander op wat zijn woord preekt,
bij mij op wat uit al mijn zwijgen spreekt.

86 Was het zijn gezwollen vers, steeds voor de wind
op koers naar jou, zijn kostbare kleinood,
dat in mijn geest gevangen hield mijn kind,
een graf makend van mijn gedachtenschoot?
Was het door zijn hooggestegen geest die neer-
viel op mij, dat ik dood was, vleugellam?
Hij, noch zijn duister geestverwantenheer
maakte mijn verzen log en zwaar en stram.
Hij, noch het gefluister van de guichelaar
die 's nachts met mooie woorden hem misleidt
bracht dit, mijn diepe zwijgen, voor elkaar;
uit die hoek kwam niet mijn verlegenheid.
Maar dat ik in zijn puntdicht u zien kon
ontnam mij kracht, droogde mijn dichterbron.

87 Ik laat het duurste fonds van mijn actieve,
en dat ben jij toch, kostbaarste van alle;
vrijheid herkrijg je door jouw waarde-brieven,
en al mijn wissels op jou zijn vervallen.
Wat houd ik jou tegen je wil gebonden;
wie ben ik dat dit in mijn schoot belandde,
mij ontbreken voor deez' gift rechtmatige gronden,
en dus komt mijn patent weer in jouw handen.
Jij gaf jezelf, onkundig van je waarde
of overschattend wie jou accepteerde;
zo keert je gift, die meer, misvatting, baarde,
dit inziend weer naar waar ze eerst verkeerde.
Een vorstendroom liet mij de vreugde smaken
dat ik je had; maar niets rest bij het ontwaken.

88 Wanneer jouw gril mij ooit terzijde stelt,
en aan de kaak zet mijn verdienstelijkheid,
dan breng ik mij aan jouw kant in het veld,
en noem ik passend jouw meinedigheid.
Mijn eigen zwakheid ken ik zelf het best;
ik heb een inbreng dus in jouw geding
het verwijt aan mij - verborgen voor de rest - ;
mij afbreken brengt jou dus jubeling;
het brengt ook mij gewin, naar ik wel weet,
want wordt mijn liefde voor jou tot gevlei,
dan geeft wat ik mezelf aandoe aan leed
jou voordeel, en een dubbel voordeel mij.
Mijn liefde ligt zo diep in jouw persoon
dat ik voor jouw recht mijzelve krom betoon.

89 Om mijn te ver gaan laat je mij alleen,
zeg jij, en ik beken mijn uitspatting;
noem mij maar kreupel, en ik hink meteen,
wat jij beweert ontstijgt verdediging.
Het is minder erg dat jij me vallen laat,
daadwerkelijk kiest voor ander levensbloed,
dan dat je schijnbaar niet voor mij bestaat,
en dat ik zo mijn hart verloochenen moet,
aan jou voorbij moet gaan, dat op mijn tong
jouw zoete, lieve naam gebonden ligt,
wijl ik je kwetsen zou zo ik van je zong,
en de oude band bracht in het volle licht.
Om jou zie ik verder af van elk verweer,
want die jij haat hem past geen liefde meer.

90 Dus, sla mij nu, en wacht niet met je haat;
krenk mij, volg de fortuin van boosheid dol
in dat de wereld mij dwarsbomen gaat,
en raak mij nu, niet in je nabeurt, vol.
En is mijn hart van smarten weer hersteld,
sla niet opnieuw met reeds verwerkte pijn;
regen niet 's ochtends nog na stormgeweld,
laat niet getalm al jouw victorie zijn.
Verlaat me zo je wilt, maar niet als laatste,
als ik nog door andere pijnen word beheerst,
maar kom meteen; dan proef ik het gehaatste
dat de fortuin mij brengt het allereerst;
en ander drukkend leed, dat nu leed schijnt,
blijkt niets wanneer jij gaat, als jij verdwijnt.

91 Op afkomst boogt de een, of wat hij weet,
is groots op rijkdom, of op lichaamskracht,
de ander beroemt zich op zijn - kwasterig - kleed,
zijn valken, honden, en zijn paardenpracht,
en elke aard heeft wel een eigen vreugd
waar hij het meest van al in opgaan kan.
Geen van die zaken doen mijn echter deugd;
één vreugd is mijn waarmee ik het al omspan:
jouw liefde is beter toch dan elk kwartier,
rijker dan schatten, fijner dan brokaat,
zoeter dan valken of viervoetig dier;
jij bent van mij, geen die daar prat op gaat.
Een angst blijft slechts, dat jij ontnemen zal
mijn groot geluk, mij stort in het diepste dal.

92 Roof dan je hart, o hartedief, van mij;
jij vormt het leven lang mijn zekerheid,
en leven sterft als liefde in wintertij
want in jouw liefde is het dat het gedijt.
Dan ben ik niet bevreesd voor het grootste kwaad
als het minste reeds mijn leven eindigen wil.
Mij past, zo zie ik, een veel betere staat
dan die afhankelijk is van jouw gril.
Jouw wisselzucht vermag mij nooit te kwellen
waar pad jouw breuk mij brengt in stervensnood.
Wat kan ik mij terecht gelukkig stellen:
jouw liefde brengt mij zaligheid, en dood.
Maar wat is schoon en vreest geen enkele smet?
Ben jij soms vals? Heb ik niet opgelet!

93 Zo moet ik leven, als een echtgenoot
bedrogen door je `trouw'; je blik verwart
door liefdes schijn, waar jij je anderen bood:
je kijkt me aan, maar elders is je hart.
Geen haat kan er ooit leven in je ogen,
en dus ontgaat mij je verandering.
Bij velen wier hart ernstig heeft bedrogen
draagt het gelaat daarvan de uitdrukking.
Maar bij jouw schepping schreef de hemel voor
dat liefde in je gezicht steeds leven moet;
wat je ook denkt, aan wie je het hart verloor
je blik dient daarom vol van liefdes gloed.
Als Eva's appel zal je glanzen zijn,
zo jij van binnen niet wordt als je schijn.

94 Wie machtig is, maar nimmer zich laat gaan,
wie niet dat doet waar hij het meest mee dreigt,
wie anderen beweegt, zelf pal blijft staan,
steenhard en koud is, tot geen lusten neigt,
hij erft met recht de hemelse genade,
zorgt dat natuur haar rijkdom niet verspilt,
beheerst het al van achter zijn façade,
in dat hij anderen tot zijn diensten drilt.
Wat prachtig is brengt zomer zoete baat,
zelf toch gedoemd tot leven en tot dood;
maar als een lage ziekte die bloem schaadt
dan is het minste kruid het grootst kleinood.
In daden wordt vaak zuur wat zoet was, blank;
verrot verslaat de lelie onkruidstank.

95 Hoe zoet en lieflijk maak jij toch de smaad
die, als een kanker in de zoete roos,
je schone naam zo vroeg al zoekt en schaadt!
Hoe zoet verhul je al je stout gekoos!
De kwade tong die van jouw wandel spreekt
en schandaleus je avontuurtjes laakt
treft jou geenszins, want de kritiek verbleekt:
jouw naam is het die ondeugd heilig maakt.
O, welk een lustslot koos de boosheid uit,
dat zij een fraaie woonplaats vond in jou!
waar schoonheids waas de fouten buitensluit
en alles mooi maakt wat ik hier aanschouw.
Bewaak, mijn vriend, die gulheid van het lot:
het hardste mes, verkeerd gebruikt, wordt bot.

96 De een vindt jou te jong, de ander vrij,
een derde valt op jeugd, op dartelheid.
Deugd of ondeugd, men mag ze allebei,
al keurt men af, het wordt hier aanminnigheid.
De minste ring aan koninginnehand
wordt als iets waardevols en goeds gedacht
en zo wordt al jouw zwakheid toch briljant,
toch juist beoordeeld en voornaam geacht.
Ving niet de wolf genadeloos veel prooi
als hij zich als een lam vermommen kon?
Hoe veel aanbidders bracht jij naar jouw kooi
als jij met al je charmes eens begon.
Maar doe het niet - ik ben je zo nabij -,
want wij zijn één, mijn goede naam ben jij.

97 Een winter leek mijn vreemd gescheiden zijn
van jou, de vreugde van het vliedend jaar,
een kille huivering in sombere schijn,
van eind december, schraal en kil en klaar.
Toch was dit kort verweesd zijn zomertij,
een rijke herfst, vol vruchten meer en meer
- voldragen werd de speelse last van mei -,
een schoot verweeuwd na het heengaan van zijn heer.
Maar overvloed aan vrucht scheen mij een kind,
een wees eerst toe, een vaderloos geboort',
want jij bent in wie zomer vreugde vindt,
waar zonder jou men zelfs geen vogels hoort,
of, als ze zingen, klinkt het zo bedompt,
dat het blad verbleekt, bang dat de winter komt

98 Het voorjaar lang heb ik u niet bezocht,
toen grand seigneur april, die narrenkap,
in alles uitstortte het jeugdig vocht -
Saturnus zelfs, zwaar toch, volgde zijn stap.
Geen vogelfluit, noch zelfs het zoetst zoet
van andere bloempjes van de open lucht
gaf mij voor zot gepraat het juiste gemoed,
noch plukte ik in de wei hun rijpe vrucht.
Geen leliewit maakt mij sprakeloos,
het was een schaduw slechts van waar geluk;
geen vermiljoen diep prees ik in de roos,
de vorm slecht zag ik van het meesterstuk.
Nog scheen het winter, met nergens uw beeld,
dus heb ik met uw schaduwen gespeeld.

99 Het viooltje wees ik op zijn overmoed:
waar, diefje, stal jij toch de zoete geur
dan uit mijn vriend zijn mond; de rode gloed
waarmee je zacht gelaat zich tooit als kleur
heb je te grof gepurperd in zijn bloed.
De lelie heb ik om je hand verwezen,
je haar was prooi van knoppen marjolein,
de rozen stonden op hun doorns te vrezen,
van schaamte blozend, bleek van hartepijn.
Een derde, rood noch wit, had iets van beide,
had aan die buit je adem toegevoegd;
maar zij moest kanker wraak ten dode lijden,
die hogelijk ijdel was en vergenoegd.
Ik zag dat ieder bloempje langs mijn pad
van jou zijn geur en kleur gesloten had.

100 Waar zijt gij, Muze, dat gij zo lang zwijgt
van dat waar gij uw kracht steeds aan ontleent?
Welk prullig lied is het dat uw vuur nu krijgt;
wat zwak is geeft gij licht, raakt zelf versteend?
Kom, dwaal niet, Muze, en haal in die tijd
van nietsdoen met een beter, nobeler lied.
Zing tot het oor dat uw gezang verbeidt
en dat Uw pen de stof en woorden biedt;
sta op, ten arbeid; zie mijn vriends gezicht:
heeft daar de tijd al rimpels gegraveerd?
Zo je, schrijf voor verval een hekeldicht,
leer te verachten wat de tijd begeert.
Geef liefde langer leven dan tijd kort;
spot met zijn zeis, zodat zijn hand verdort.
terugverder