| Coriolanus
vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
| Eerste bedrijf |
eerste toneel tweede toneel derde toneel vierde toneel vijfde toneel zesde toneel zevende toneel achtste toneel negende toneel tiende toneel |
| Een troep oproerige burgers op, met stokken, knotsen en andere wapens | |
| 1e Bediende Burger | Voordat we verder trekken, moet u naar mij luisteren. |
| Allen | Spreek, spreek. |
| 1e Burger | Bent u allen vastbesloten, eerder te sterven dan van honger om te komen? |
| Allen | Vastbesloten, vastbesloten. |
| 1e Burger | Maar eerst dan, jullie weten toch dat Caius Martius de voornaamste vijand van het volk is. |
| Allen | Dat weten we, dat weten we. |
| 1e Burger | Laten we hem doodslaan, en dan hebben we graan voor onze eigen prijs. Zijn we het daar over eens? |
| Allen | Niet meer over praten; laten we het doen. Gelijk, gelijk. |
| 2e Burger | Een enkel woord nog, beste burgers. |
| 1e Burger | Wij worden beschouwd als arme burgers, de patriciërs als goede. Waar de overheid zich mee overlaadt, daar zouden wij van kunnen leven. Als ze ons nou maar eens wilden afstaan wat zij teveel hadden vóór het bedorven was, dan zouden wij kunnen denken, dat ze ons geholpen hadden uit medemenselijkheid; maar zij denken dat dat meer is dan wij verdienen: de honger die ons uitmergelt, het zien van onze ellende, is als een boedelbeschrijving van hun overvloed; ons lijden is hun ten voordeel. Laat ons dit wreken met onze pieken, voór wij harken worden. Want de goden weten het: ik zeg dit uit honger naar brood, niet uit dorst naar wraak. |
| 2e Burger | En hebben jullie het in het bijzonder op Caius Martius gemunt? |
| Allen | Op hem vooral. Hij is een echte hond tegen de gewone man. |
| 2e Burger | Bedenken jullie wel, wat voor diensten hij heeft gedaan voor zijn land? |
| 1e Burger | Nou en of, en wij zouden hem er graag lof voor geven, als hij zichzelf er niet voor betaalde met hoogmoed. |
| 2e Burger | Nou, niet zo laatdunkend over hem. |
| 1e Burger | Ik zal jullie eens wat zeggen: al wat hij aan roemrijks deed, deed hij alleen daarvoor: al zouden slappelingen graag zeggen dat het voor zijn land was, hij deed het om zijn moeder te behagen, en om zich reden te geven trots te zijn, wat hij inderdaad is, even hogelijk als dat hij dapper is. |
| 2e Burger | Wat hij naar zijn natuur niet anders kan, dat rekent u hem als ondeugd toe. U moet helemaal niet zeggen dat hij hebberig is. |
| 1e Burger | Als ik dat niet zeggen moet, dan hoef ik ook niet verlegen te zitten om aanklachten. Hij heeft zijn fouten, in overvloed, alleen al van het opnoemen wordt je moe. |
| Geroep achter | |
| Wat is dat voor geschreeuw? De overkant van de stad is in opstand: wat staan we hier te kletsen? Op, naar het Capitool! | |
| Allen | Kom mee, kom mee. |
| 1e Burger | Wacht eens, wie komt daar? |
| Menenius Agrippa op | |
| 2e Burger | De brave Menenius Agrippa, iemand die altijd van het volk gehouden heeft. |
| 1e Burger | Hij is ten minste iemand die eerlijk is, als de rest dat nu ook eens was. |
| Menenius | Wat is er, landgenoten? Waar gaat u met knotsen, knuppels heen? Waarom? Zeg het me. |
| 1e Burger | Die zaak van ons is de Senaat bekend; ze hebben al veertien dagen lang aanwijzingen van wat wij van plan zijn, en dat gaan we nu in daden omzetten. Men zegt dat arme smekelingen een sterke adem hebben: ze zullen merken dat wij ook sterke armen hebben. |
| Menenius | Maar mannen, beste vrienden, brave buren, wilt u zichzelf te gronde richten? |
| 1e Burger | Dat kunnen wij niet, heer, dat zijn we al. |
| Menenius | Ik zeg u, vrienden, de patriciërs zijn echt bezorgd om u. Als het gaat om schaarste, uw lijden in nood, kunt u net zo goed naar de hemel slaan als uw stokken opheffen tegen de staat van Rome, want die gaat voort op zijn weg, breekt tienduizenden schakels open, sterker geklampt dan dat men ooit ziet in jullie linie. Als het gaat om nood, het zijn de goden, niet de patriciërs, en geen armen, maar op uw knieën helpt. Ach, u wordt door rampspoed daarheen meegesleurd waar u nog meer wacht; nu belastert u de stuurlui van de staat, die als vaders zorgen, waar u ze als vijanden vervloekt! |
| 1e Burger | Voor ons zorgen? Nou ja! Die hebben nog nooit naar ons omgekeken. Laten ons verhongeren, met hun pakhuizen boordevol met graan; laten bevelschriften uitgaan tegen woeker, om de woekeraars te steunen; schaffen elke dag een of andere heilzame wet af tegen de rijken, en voeren dagelijks strenge wetten in om de armen te boeien en aan banden te leggen. Als de oorlogen ons niet opeten, dan zij wel; en dat is alle liefde die zij voor ons hebben. |
| Menenius | U moet òf toegeven dat u buitengewoon kwaadaardig bent, of ik moet u dwaas noemen. Ik ga u een verhaal vertellen dat wel past; u kent het wel, maar het dient mijn doel, en dus waag ik het erop, het nog verder af te zagen. |
| 1e Burger | Goed, ik luister al, vriend; maar u moet niet denken, dat u ons ongenoegen met uw verhaaltje weg goochelen kunt; maar kom maar, als u daar zin in heeft. |
| Menenius | Ooit kwamen alle lichaamsdelen in opstand tegen de buik, en klaagden hem aan, en zeiden, dat hij alleen maar als een draaikolk zat midden in het lijf, en niets deed, heel erg lui, steeds maar het eten wegstouwend, nooit eens mee met de rest werkte, waar de andere organen, - kijken, horen, denken, leren, voelen, gaan - steeds elkaar aanvullend, goed bijdroegen aan de verlangen en behoeften van het hele lijf. De buik antwoordde toen - |
| 1e Burger | Wel, vriend, wat antwoordde de buik? |
| Menenius | Dat zal ik u zeggen, ja. Hij lachte wat, dus niet uit volle borst, vriend, maar meer zo - want ik kan de buik doen lachen, kijk u maar, en ook doen spreken - want hij zei, vol spot, tegen de opstandige, ontevreden delen die hem het brood misgunden - net zo goed als u die op senatoren scheldt, want die zijn niet als u. |
| 1e Burger | Wel, vriend, wat zei de buik? Zou het hoofd, de vorst gekroond, zou het waakzaam oog, het raadgevend hart, onze soldaat de arm, zou het been, ons paard, de tong, onze aanzegger, met de andere krachten en kleine helpers daar van dit geheel, - stel eens, dat zij - |
| Menenius | Ja, wat? Gut, zeg, wat spréékt die man! Ja, wat? Ja, wat? |
| 1e Burger | Door veelvraat buik flink worden onderdrukt, - de zinkput van het lijf - |
| Menenius | Ja, ja, wat dan? |
| 1e Burger | Als al die krachten klaagden, wat kon dan de buik antwoorden. |
| Menenius | Dat zal ik u zeggen,
zo u een beetje (van het weinige dat u heeft) geduld heeft, hoort u het antwoord van de buik. |
| 1e Burger | U doet er wel lang over. |
| Menenius | Let maar eens op; die buik van u was heel bedachtzaam, vriend, niet overhaast, als klagers, en hij sprak: 'Het is waar, mijn corporele vriendenschaar, dat ik als eerste al het voedsel krijg waar u op leeft; en dat is ook heel juist, want ik ben voorraadschuur, uitgiftepunt voor heel het lichaam. Ja, zoals u weet, stuur ik het door de stromen van uw bloed helemaal naar het hof, het hart, troon van het verstand; door de kronkelige dienstgangen van de mens ontvangt de sterkste pees, het minste adertje van mij wat onontbeerlijk is, waar het van leven moet. Al kunt u niet tegelijk, mijn beste vrienden,' - zegt de buik, let wel - |
| 1e Burger | Ja, goed; verder. |
| Menenius | Al kunt u niet meteen tegelijk zien wat ik ieder toebedeel, toch toont mijn boekhouding, dat iedereen van mij ontvangt de bloem van iedereen, en mij de zemelen laat.' Wat zegt u nu? |
| 1e Burger | Dat was een antwoord. Maar hoe legt u het uit? |
| Menenius | De senatoren zijn die goede buik, en u de opstandige leden; denk eens aan hun moeite en hun zorg; verwerk eens goed wat aller welzijn eist, en u vindt vast dat u geen staatsweldaad ooit ten deel valt of zij gaat van hen uit, en komt u toe, en zeker niet van uzelf. Wat denkt u nu, u, grote teen van deze volksoploop? |
| 1e Burger | Ik, grote teen? Waarom de grote teen? |
| Menenius | Omdat u, een der minsten, laagsten, armsten van deze wijze opstand, het meest vooraan staat. Jij, meuteleider, vreselijk fel en scherp, die voorop gaat als er iets te halen valt. Maar houd uw knuppels en uw knotsen klaar; Rome en zijn ratten staan klaar voor de strijd; één kant krijgt klappen. |
| Caius Martius op | |
| Dag, nobele Martius. | |
| Martius | Dank. Wat moet dit, opstandig boevenvolk, dat als je ergens last van hebt dat opwrijft tot je er niet uitziet. |
| 1e Burger | Vriendelijk, als altijd. |
| Martius | Vriendelijk zijn voor jou, dat zou vleien zijn beneden alle peil. Wat wil je, honden: geen vrede, en geen oorlog. De een maakt bang, de andere wild. Wie jullie dus vertrouwt, vindt jullie, waar hij leeuwen dacht, maar hazen; waar vossen, ganzen; niet vasthoudender dan een houtskoolvuurtje op het ijs, of dan hagel in de zon. Jullie kwaliteit is dat je prijst wie terecht is gestraft, en de rechter vervloekt. Wie roem verdient, krijgt jullie haat; wat jullie drijft is als de zin van een zieke, die het meest dat wil wat zijn kwaal nog erger maakt. Hij die rekent op jullie gunst, zwemt met loodzware vinnen, hakt eiken om met riet. Jullie vertrouwen! Elke minuut zien jullie het weer anders: je noemt hem nobel die je net nog haatte, wie held was heet nu slecht. Wat is er toch, dat je overal in de stad tekeer gaat tegen de nobele Senaat, die, naast de goden, jullie nog tegenhoudt, waar je elkaar anders zou verslinden? - Waar zij ze op uit? |
| Menenius | Op graan voor hun prijs, waarmee, zeggen zij, de stad ruim is voorzien. |
| Martius | Ophangen! Zeggen zij! Zitten thuis bij het vuur, en weten heel goed wat op het Capitool gebeurt: wie er stijgt, wie heerst, daalt; kiezen partij, weten echt wie met wie gaat; maken partijen sterk, en andere zwak waar ze het niet zo op hebben, de oude zolen! Dus er is graan genoeg! Schoof de adel zijn meelij maar eens ter zij, en liet men mij mijn zwaard, dan stapelde ik die duizenden boevenlijken zo hoog als ik met mijn lans kon gooien. |
| Menenius | Kom, deze zijn haast helemaal gekalmeerd; want al zijn ze toch buitengewoon dom, ze zijn uitermate laf. Maar, zeg eens, wat zegt de andere groep? |
| Martius | Die is uit elkaar. Ophangen! Ze schreeuwden over honger, kermden spreuken - dat honger muren breekt; dat een hond moet eten; spijs is voor de mond; de goden sturen graan niet slechts voor rijken. Dat soort tekstvodden ventileerden hun klacht, en toen als antwoord hun een eis werd vergund, heel gek weliswaar, die het hart van de adel breken en zijn macht verbleken moest, vlogen de mutsen omhoog, als het ware naar de horens van de maan, ieder nog harder schreeuwend. |
| Menenius | Wat kregen ze? |
| Martius | Vijf tribunen die instaan voor volkswijsheid door hen zelf te kiezen. Een is Junius Brutus, Sicinius Velutus, en, ik weet niet. Verdomd, die troep zou eerst de stad hebben moeten slopen, vóór ik had ingestemd; want op den duur regelt men de staat, volgen er groter zaken die opstand rechtvaardigen. |
| Menenius | Dit kan toch niet. |
| Martius | Ga maar vlug naar huis, stukken onbenul. |
| Een bode haastig op | |
| Bode | Waar is Caius Martius? |
| Martius | Hier; wat is er? |
| Bode | De Volsken zijn te velde; dat is het nieuws. |
| Martius | Daar ben ik blij om; zo kunnen wij lozen wat muf en ons teveel is. - Onze eerbiedwaardige vaders! |
| Sicinius Velutus op, Junius Brutus; Cominius, Titus Lartius, en andere senatoren. | |
| 1e Senator | Het is waar, Martius, wat u ons pas verteld heeft: de Volsken zijn in het veld. |
| Martius | Ze hebben een leider, Tullus Aufidius, die er flink op gaat. Het is zondig, maar ik benijd zijn adeldom; En zou ik niet degene zijn die ik ben, ik zou hem slechts willen zijn. |
| Cominius | U vocht toch samen! |
| Martius | Als de wereld vocht in twee kampen, en hij aan mijn kant, dan liep ik over, alleen, om met hem te strijden. Hij is een leeuw waar ik met trots op jaag. |
| 1e Senator | Dan, edele Martius, sta in deze krijg Cominius nu bij. |
| Cominius | dat hebt u ooit beloofd. |
| Martius | Dat is juist, heer, en ik houd woord. Jij, Titus Lartius, zult zien hoe ik het gezicht van Tullus raak. Kun jij niet lopen? Blijf jij hier? |
| Lartius | Nee, Martius, ik leun op één kruk, en met de andere vecht ik; maar achter blijven, nee! |
| Menenius | Het echte krijgs-bloed. |
| 1e Senator | Kom mee nu naar het Capitool; daar wachten onze beste vrienden op ons. |
| Lartius | [Tot Cominius] Gaat u eerst. [Tot Martius] Volg Cominius, die moeten wij volgen, u komt de voorrang toe. |
| Cominius | Nobele Martius. |
| 1e Senator | [Tot de burgers] En nou gauw naar huis, jullie. |
| Martius | Laat ze toch volgen. Volsken hebben graan; laat die ratten ginds aan hun schuren knagen. Eerzame muiters, uw moed belooft wat: kom alstublieft mee. |
| De burgers druipen af. Alles af, behalve Sicinius en Brutus | |
| Sicinius | Was iemand ooit zo trots als deze Martius? |
| Brutus | Hij is zonder weerga. |
| Sicinius | Toen men ons ooit als volkstribunen koos - |
| Brutus | Hebt u zijn lip gezien, zijn blik? |
| Sicinius | Wat zou het. |
| Brutus | Als die boos is, snauwt hij zelfs goden af. |
| Sicinius | De kuise maan zou hij belasteren. |
| Brutus | Laat deze krijg hem krijgen! Dapperheid maakte hem hoogmoedig. |
| Sicinius | Ja, want als succes zo'n natuur toelacht, gaat die vast tekeer als tegen zijn schaduw 's middags. Maar hoe kan zijn hoogmoed zich buigen onder het bevel van Cominius! |
| Brutus | Roem, waar hij op uit is. en die hem al rijkelijk tooit, wordt niet beter behouden en bereikt dan door een rang onder de hoogste: wat mislukt is de veldheer zijn schuld, al doet hij ook zijn uiterste best, en het grillig oordeel roept dan van Martius: 'O, had hij toch de zaak geleid!' |
| Sicinius | Ja, en gaat het goed, dan rooft de stem van het volk, die Martius alle eer geeft, Cominius van zijn verdiensten. |
| Brutus | Ja, Cominius' halve roem gaat al naar Martius, al deed Martius niets; elke fout van hem wordt Martius roem en eer, waar hij absoluut niets verdient. |
| Sicinius | Kom, laten we eens gaan kijken, hoe het nu verder loopt; en hoe dat hij, geheel los van zijn persoonlijkheid en stijl, de krijgstocht voorbereidt. |
| Brutus | Ja, laat ons gaan. |
| Beiden af | |
Tweede toneel | |
| Tullus Aufidius op, met senatoren van Corioles | |
| 1e Senator | Dus u denkt, Aufidius, dat ze in Rome van onze plannen op de hoogte zijn en weten wat wij doen. |
| Aufidius | Denkt u van niet? Wat werd in onze staat niet ooit bedacht en werd ook werkelijkheid, dat Rome niet direct door kreeg. Vier dagen terug kreeg ik een bericht van daar; de tekst luidt - ik heb de brief geloof ik hier - ja, hier is hij: Men heeft een macht bijeen: voor Oost of West dat weet niemand. De schaarste is heel groot, het volk is oproerig; en er wordt verteld: Cominius, uw oude vijand Martius, veel meer door Rome dan door u gehaat, en Titus Lartius, een dapper Romein, leiden de krijgsmacht met drieën, waarheen zij ook is gericht; waarschijnlijk tegen u. Houd dat in het hoofd.' |
| 1e Senator | Ons leger is te velde. Wij wisten altijd al, dat Rome klaar staat om ons te treffen. |
| Aufidius | Dus leek het u juist, uw krijgsplan te omsluieren, totdat het wel in het licht moest treden, maar bij het uitbroeden, bleek, dat Rome het kende. Dat aan het licht komen maakt dat we op minder mikken, waar wij eerst veel steden wilden innemen, voor Rome wist dat we op weg waren. |
| 2e Senator | Nobele Aufidius, aanvaard uw taak, en spoed u naar uw troepen; wij waken hier alleen over Corioles. Slaan zij het beleg hier op, dan breng uw macht tot ons ontzet; maar ik denk dat u zult zien dat hun aanval niet ons geldt. |
| Aufidius | Twijfel maar niet, ik weet het heel zeker. Ja, erger nog, delen van hun krijgsmacht zijn al op weg, en wel hierheen! Tot ziens, eerbare vaders. Als wij met Caius Martius samenkomen, eindigt de strijd, hebben wij gezworen, niet, vóór er een sterft. |
| Allen | De goden staan u bij! |
| Aufidius | En hoeden uw eer. |
| 1e Senator | Tot ziens. |
| 2e Senator | Ja, tot ziens. |
| Allen | Tot ziens. |
| Allen af | |
| Volumnia op en Virgilia, de moeder en de vrouw van Martius. Ze gaan op twee lage stoeltjes zitten naaien. | |
| Volumnia | Kom, dochter, ga eens wat zingen; of praat eens op een wat opgewektere toon. Als mijn zoon mijn echtgenoot was, zou ik me nog meer verheugen over zijn afwezigheid waardoor hij roem verwerft, dan over de omhelzingen in zijn bed waardoor hij me zou laten zien hoe erg dat hij van mij houdt. Toen hij nog een tenger jongetje was en de enige zoon van mijn schoot, toen hij als jongeman met zijn bevalligheid alle bewonderende blikken naar hem trok, toen zelfs het dagenlang smeken van koningen hem niet één uur van zijn moeders blik had kunnen afkopen, toen ik bedacht hoe dat eer zulk een heerlijke verschijning zou sieren, en dat zij niets beter zou zijn dan een schilderij aan de muur als vermaardheid haar niet aan zou drijven, toen liet ik hem maar wat graag het gevaar opzoeken, waar hij hem waarschijnlijk vinden kon, de roem. Ik stuurde hem een wrede oorlog in, vanwaar hij terugkwam met eikenloof rond zijn slapen. Ik zeg je, dochter, mijn hart sprong met geen groter vreugde op toen ik voor het eerst hoorde dat het een jongetje was dan toen ik voor het eerst zag dat hij zich een man getoond had. |
| Virgilia | Maar als hij in het gevecht gevallen was, moeder, wat dan? |
| Volumnia | Dan zou zijn heldenroem mijn zoon geweest zijn; daarin had ik mijn nageslacht gezien. Luister naar wat ik oprecht beken: al had ik een dozijn zonen, mij allen even lief, en geen minder dierbaar dan jouw en mijn goede Martius, dan had ik er liever elf die eervol voor hun land stierven dan één die wellustig zou zwelgen zonder krijgsdaden. |
| Een hofdame op | |
| Hofdame | Mevrouw, Vrouwe Valeria wenst u te spreken. |
| Virgilia | Wilt u mij dan toestaan om weg te gaan. |
| Volumnia | O, nee, dat zult u niet. Ja, ik hoor de trom van uw man die hierheen komt, ik zie hem Aufidius neerhalen aan het haar, Volsken rennen voor hem weg, als kinderen een beer. Ja, ik zie hem stampen, zo, en roepen, zo: 'Kom eens hier, lafaards, wel in Rome geboren, maar verwekt in angst.' Zijn voorhoofd vol bloed veegt hij dan met zijn maliënhand, en, door, als een maaier met aangenomen werk, alles, of niet betaald. |
| Virgilia | Zijn voorhoofd, vol bloed? O Jupiter, geen bloed! |
| Volumnia | Stil toch, dwaas kind! Dat staat een man veel beter dan goud zijn monument. Toen Hecuba Hector zoogde, waren haar borsten niet mooier dan zijn voorhoofd toen bloed er boos vanaf sprietste naar Griekse zwaarden. Goed, zeg Valeria dat wij haar graag zien. |
| Hofdame af | |
| Virgilia | Hoed, hemel, mijn man voor de felle Aufidius! |
| Volumnia | Hij slaat Aufidius' hoofd onder zijn knie, en treedt hem op de nek. |
| Valeria op, met een dienstmeisje, en een hofdame | |
| Valeria | Een goede morgen, dames, allebei. |
| Volumnia | Mevrouw! |
| Valeria | Hoe gaat het u beiden? U bent echte huismussen. Wat bent u daar aan het naaien? Een leuk steekje, echt waar. Hoe is het met uw zoontje? |
| Virgilia | Ik dank u, mevrouw; uitstekend, mevrouw. |
| Volumnia | Hij ziet liever zwaarden en hoort liever trommen dan dat hij op zijn leraar let. |
| Valeria | Ja, echt de zoon van zijn vader. Absoluut een hele lieve jongen. Echt, ik heb verleden woensdag wel een half uur naar hem zitten kijken: wat een vastberaden voorkomen. Ik zag hem achter een gouden vlinder aanrennen, en toen hij die gevangen had, liet hij hem weer gaan, en toen er weer achteraan, en toen viel hij in een keer, en hij stond weeer op, en ving hem opnieuw; en of dat vallen hem misschien boos had gemaakt. of wat het was - hij zette er gewoon zijn tanden in en scheurde hem open. Tjonge, wat scheurde hij die toch in stukken! |
| Volumnia | Een van de wilde vlagen van zijn vader. |
| Valeria | Nou, maar toch echt een nobel kind. |
| Virgilia | Een boefje, mevrouw. |
| Valeria | Kom, hou eens op met dat borduren, jullie moeten samen met mij vanmiddag de nietsdoende huisvrouw spelen. |
| Virgilia | Nee, beste mevrouw, ik ga niet mee naar buiten. |
| Valeria | Niet naar buiten? |
| Volumnia | Ze moet, ze moet. |
| Virgilia | Nee, echt niet, laat mij maar; ik ga de drempel niet over tot mijn heer uit de oorlog terugkomt. |
| Valeria | Foei, u moet zich niet, tegen alle gezond verstand in, zo inpakken. Kom, u moet de goede mevrouw echt eens gaan bezoeken die in het kraambed ligt. |
| Virgilia | Ik wens haar een spoedig herstel toe, en ik zal in mijn gebeden bij haar zijn; maar ik kan er niet heen. |
| Volumnia | Waarom dan niet, alstublieft? |
| Virgilia | Niet dat het mij niet bevalt, of dat ik haar niet aardig vind. |
| Valeria | U zou graag een tweede Penelope willen zijn; Maar men zegt, dat al het garen dat ze tijdens Odysseus' afwezigheid spon, alleen maar Ithaca vulde met motten. Kom, ik zou willen dat uw linnen even gevoelig was als uw vinger, dat zou u uit medelijden ophouden het te prikken. Kom, u moet met ons mee gaan. |
| Virgilia | Nee, lieve mevrouw, alstublieft; ik ga echt niet mee. |
| Valeria | Nou, u moet toch echt met me mee, en dan vertel ik u uitstekend nieuws over uw man. |
| Virgilia | Maar, mevrouw, dat kan er nog helemaal niet zijn. |
| Valeria | Maar ik maak toch echt geen grapje met u. Gisteravond is er nieuws van hem gekomen. |
| Virgilia | Echt waar, mevrouw? |
| Valeria | Ik meen het, echt waar; ik heb het een senator horen vertellen. Dit is het: de Volsken hebben een legermacht in het veld, waartegen Cominius de generaal uit uitgetrokken, met een deel van de Romeinse macht. Uw man en Titus Lartius hebben zich neergelaten vóór hun stad Corioles; ze twijfelen geen ogenblik aan de overwinning, en menen dat de veldtocht kort zal duren. Dit is waar, op mijn eer, en dus, kom alstublieft met ons mee. |
| Virgilia | Neem mij niet kwalijk, beste mevrouw, maar ik wil u hierna in alles uw zin doen. |
| Volumnia | Laat haar nou maar, mevrouw; zoals ze nou is, zal ze ons plezier toch maar verzieken. |
| Valeria | Ja, dat denk ik ook. Tot ziens, dan maar. Kom dan, beste mevrouwtje. Toe, Virgilia, zet al dat officieel gedoe buiten de deur, en kom met ons mee. |
| Virgilia | Nee, echt niet, ik doe het niet. Ik wens jullie veel plezier. |
| Valeria | Goed dan, tot ziens. |
| Allen af | |
| Martius op, Titus Lartius, met trommen en vaandels, met legerleiders en soldaten, vóór de stad Corioles. Een bode gaat naar hen toe. | |
| Martius | Daar is nieuws. Wedden, dat er gevochten wordt. |
| Lartius | Mijn paard tegen het uwe |
| Martius | Afgesproken. |
| Lartius | Goed.-- |
| Martius | Zijn veldheer en vijand al slaags geraakt? |
| Bode | Nog niet, maar ze houden elkaar in het oog. |
| Lartius | Dan is het edel ros van mij. |
| Martius | Ik koop het terug! |
| Lartius | Ik verkoop het niet, ik geef het niet; ik wil het u lenen voor een half honderd jaar. Eis de stad op. |
| Martius | Waar zijn de legers? |
| Bode | Anderhalf mijl ver. |
| Martius | Dan horen wij hun klaroenstoot, en zij de onze. Laat ons dan nu snel aan de slag gaan, Mars, dat ons nog rokend zwaard vanhier weg kan naar ons vrienden in het veld. Het signaal, trompetter. |
| Het signaal voor onderhandelen klinkt. Twee senatoren op, met anderen, op de wallen van Corioles. | |
| Is Tullus Aufidius binnen uw wallen? | |
| 1e Senator | Nee, en niemand die jullie minder ducht dan hij; minder dus dan weinig. |
| Trommels in de verte | |
| Hoor, onze trom roept onze jeugd. Eer breken wij onze muur, dan dat zij ons inrekenen; onze poort lijkt stevig dicht, maar heeft een biezen schuif; die gaat vanzelf open. Luister, daarginds. | |
| Krijgsrumoer in de verte | |
| Dat is Aufidius. Wat gaat hij me tekeer in uw doorbroken linie. | |
| Martius | Ze gaan erop! |
| Lartius | Laat hun lawaai ons leiden. Ladders, hier! |
| Het leger van de Volsken op | |
| Martius | Zonder angst stromen ze daar uit hun stad. Houd uw schilden voor uw harten, en vecht met sterker hart dan schild. Hup, dappere Titus. Meer dan wij dachten, minachten zij ons; toorn breekt door mijn huid. Mannen, zet hem op: wie terugdeinst beschouw ik als een der Volsken, en die voelt mijn scherp zwaard. |
| Krijgsgedruis. De Romeinen worden naar hun verschansingen teruggedreven. Martius vloekend op. | |
| Martius | Krijg alle kwalen uit het zuiden, schuim van Rome! Kudde - laat puisten en plagen je overdekken, dat men je eerder ruikt dan ziet, dat je elkaar besmetten kunt een mijl tegen de wind in! Ganzenzielen in mensenvorm, voor slaven op de vlucht die apen willen slaan! Pluto en hel! Van achteren pijn, de rug rood, het gezicht bleek van schrik en beef-angst! Verman u, naar huis, of, bij de hemelvuren, ik verzaak de vijand en stort me op u. Ten strijde nu, vooruit; als je vaststaat, dan slaan we ze naar hun vrouwen, zoals zij ons naar de linies. Volg me nu! Weer krijgsrumoer, en Martius gaat achter hen aan naar de poort Zo, de poort is open. Voorwaarts, wie durft! Fortuin ontsloot die voor wie vervolgen ging, niet voor wie vlucht. Let op, en doe als ik. |
| Hij gaat de poort binnen | |
| 1e Soldaat | Gekkenwerk! Mij niet gezien! |
| 2e Soldaat | Mij ook niet! |
| Martius wordt ingesloten | |
| 1e Soldaat | Hij is ingesloten. |
| Het krijgsrumoer houdt aan | |
| Allen | De kookpot in, echt waar. |
| Titus Lartius op | |
| Lartius | Hoe is het met Lartius? |
| Allen | Zeker weten, dood. |
| 1e Soldaat | Hij volgde wie daar vluchtte op de voet, ging met hen binnen; en toen, plotseling, smakten zij hun poorten dicht; hij is alleen, tegenover heel de stad. |
| Lartius | Die nobele vent! Geeft levend minder toe dan het kille zwaard, hij blijft recht, waar dat buigt. Weergaloos, Martius: een zuivere robijn, zo groot als jij, was niet zo'n mooi juweel. Jij was een soldaat naar Cato's hart, niet slechts met je slagen fel en vals, maar met je grimme blik en het donderend dreunen van je stem doe jij je vijanden sidderen, alsof de wereld koorts heeft en rilt. |
| Martius op, onder het bloed, aangevallen door de vijand | |
| 1e Soldaat | Kijk, heer. |
| Lartius | Maar dat is Martius! Laten we hem ontzetten, of het gaat ons net zo. |
| Ze vechten, en gaan allen de stad binnen | |
| Een paar Romeinen op, met buit | |
| 1e Romein | Dit neem ik mee naar Rome. |
| 2e Romein | En ik dit. |
| Derde Romein | Krijg nou de pest! Ik dacht dat dit zilver was. |
| Allen af Het krijgsrumoer gaat in de verte door Martius en Titus Lartius op, met een trompetter | |
| Martius | Kijk die schuivers toch eens; voor hen is tijd een kraakdrachme waard! Kussens, loden lepels, blikken zwaarden, wambuizen die de beul begraven zou met wie ze droeg: dat schuim pakt het, nog voor het beslecht is. Neer met hen! Luister eens hoe fel de veldheer strijdt! Daarheen! Daar slacht de man die mijn ziel haat, Aufidius, onze Romeinen. Dappere Titus, neem genoeg volk om de stad te houden mee, dan ga ik met wie het durven vliegensvlug Cominius helpen. |
| Lartius | Dappere heer, je bloedt; te heftig was wat jij gedaan hebt net voor nog een tweede strijd. |
| Martius | Prijs mij niet, vriend; Ik ben nog niet warm door wat ik deed. Het ga u goed. Het bloed dat ik laat is eerder een medicijn dan vol gevaar. Zo treed ik voor Aufidius en vecht met hem. |
| Lartius | Moge godin Fortuna op jou verliefd raken, en met haar charmes je vijands zwaard wegtoveren! Dappere heer, jouw page zij het geluk. |
| Martius | Zij helpe je als wie zij het liefste mag! Da nu, vaarwel. |
| Lartius | Roemruchte Martius! |
| Martius af | |
| Geef op de markt, trompetter, een signaal; roep heel het stadsbestuur daar bij elkaar, dan horen zij mijn plannen. En wat vlug! | |
| Allen af | |
| Cominius op met soldaten, schijnbaar zich terugtrekkend. | |
| Cominius | Even rust, vrienden; goed zo; wij zijn terug als Romeinen, niet roekeloos stand houdend, niet laf bij het ontwijken. Maar, geloof me, er komt nog meer strijd. Terwijl we daar vochten klonk af en toe, op windvlagen, het 'Ten Strijde!' van onze vrienden. Leid, Romeinse goden, hen in hun succes, zoals ook graag ons, opdat onze twee legers, samen jubelend, u dankbaar kunnen offeren. |
| Een Bode op | |
| Wat is je nieuws? | |
| Bode | De burgers van Corioles zijn naar buiten, ze vielen Lartius en Martius aan. Onze groep zag gedreven naar hun schansen, toen rende ik vlug weg. |
| Cominius | Al zeg je iets waars, je zegt het denk ik niet goed. Wanneer was dat? |
| Bode | Ruim een uur geleden, heer. |
| Cominius | Het is nog geen mijl; net hoorden we hun trommels nog. Hoe heb jij aan één mijl een uur verspild, en breng je het nieuws zo laat? |
| Bode | Volske spionnen zaten achter me aan: ik moest wel zo'n vier mijl omtrekkend me bewegen; anders had ik u dit al een half uur bericht. |
| Martius op | |
| Cominius | Wie is dat daar, die haast wel gevild lijkt? O grote Goden, het postuur van Martius, en zo heb ik hem al eens eerder gezien. |
| Martius | Kom ik te laat? |
| Cominius | Beter dan herder donder kent van trom, herken ik de klanken van Martius' stem uit iedere mindere. |
| Martius | Kom ik te laat? |
| Cominius | Ja, als u niet in het bloed van anderen komt, maar gehuld in eigen. |
| Martius | O, ik sluit u nu in de armen sterk als bij mijn bruid; in het hart blij als toen de huwelijksdag ten einde liep, en ook de kaarsen uit gingen. |
| Cominius | En, bloem der krijgers, hoe gaat het Titus Lartius? |
| Martius | Als iemand die veel dingen regelen moet: ter dood veroordelen, verbannen soms, losgeld oplegt, begenadigt, dan weer dreigt; hij houdt Corioles in Romes naam als een jachthond kwispelend aan de lijn, die hij laat gaan als hij wil. |
| Cominius | Waar is die boef die zei dat men u teruggedreven had? Waar is hij? Roep hem hier. |
| Martius | Laat hem toch maar, hij zei de waarheid: die heren van ons, het laag gemeen - verdomd - voor hen tribunen - geen muis liep ooit zo voor de kat als zij voor nog veel laffer tuig. |
| Cominius | Hoe won u dan? |
| Martius | Is er tijd voor het verslag? Ik denk van niet. Waar is de vijand? Bent u heer van het veld? Zo niet, waarom gerust, vóór u het bent? |
| Cominius | Wij vochten met verlies, mijn Martius, en retireerden om terug te slaan. |
| Martius | Hoe is hun stelling? Waar u soms waar dat de kern ligt van hun macht? |
| Cominius | Als ik het wel heb, staan vooraan in de linies de Antiaten, hun grootste kracht: Aufidius aan het hoofd, de ziel van al hun hoop. |
| Martius | Dan vraag ik u, bij alle slagen waar ik gevochten heb, bij het bloed, samen vergoten, bij het woord van trouw en eeuwig vrienden, stel mij nu tegen Aufidius en zijn Antiaten; schuif dat geen moment nog voor u uit, maar, zwaard en pijl vol opgestoken in de lucht, beproeven wij dit uur. |
| Cominius | Al wenste ik eer, dat u zich naar een heilzaam bad liet leiden en zalf kreeg op uw wonden, ik waag het niet uw vraag te weigeren. Kies zelf maar uit, wie het best u helpen bij uw plan. |
| Martius | Dat zijn die het liefste willen. Dus, zo iemand hier - daaraan twijfelen is een zonde - deze verf die mij bedekt graag ziet, zo hij de dood minder vreest dan zijn goede naam kwijt zijn; zo sterven als held voor hem opweegt tegen leven, en met zijn land hem dierbaarder dan hij, laat hem alleen, of iedereen die zo denkt, zijn zwaard hoog houden als volmondig 'ja' en Martius volgen. |
| Zij roepen allen en zwaaien met hun zwaard | |
| Allen | O, mij vooral! Maak mij tot zwaarddrager! |
| Zij heffen hem op in hun armen, en gooien hun mutsen omhoog | |
| Martius | Is dit niet slechts vertoon, dan is elk van u vier Volsken waard. Elk van u is in staat tegen de grote Aufidius een schild te keren, hard als het zijne. Allen dank ik, maar ik moet een keuze doen: en laat de rest hun krachten sparen voor een andere strijd, naargelang de zaak vereist. Dan voorwaarts nu, en voor het commando kies ik heel snel uit wie het meest geschikt zijn. |
| Cominius | Dus, mannen, voorwaarts: maak wat u zien liet waar, en u zult vlug in alles met ons delen. |
| Allen af | |
| Titus Lartius, die een wacht in Corioles heeft achtergelaten, trekt met trom en trompetten naar Cominius en Caius Martius; hij komt op met een luitenant, andere soldaten en een verkenner | |
| Lartius | Bewaak de poorten; voer uw opdracht uit zoals ik heb voorgeschreven. Vraag ik om hulp, stuur dan die pelotons na; de rest vangt een korte aanval wel op: bij verlies, gaat ons de stad verloren. |
| Luitenant | Doen wij, heer! |
| Lartius | Dan, weg: sluit achter ons uw poorten. Kom, gids, geleid ons naar het Romeinse kamp. |
| Allen af | |
| Krijgsrumoer als op een slagveld. Martius op en Aufidius, beiden van een andere kant | |
| Martius | Ik vecht alleen met jou, want ik haat jou meer dan eedbrekers. |
| Aufidius | Dan is onze haat gelijk: geen slang heeft Afrika waar ik meer van walg dan van jouw gehate roem. Zet je maar schrap. |
| Martius | Wie het eerste wijkt, sterft als slaaf van de ander, eeuwig verdoemd door de goden. |
| Aufidius | Vlucht ik, Martius, roep me dan 'haas' na. |
| Martius | Ik heb net drie uur, Tullus, alleen gevochten binnen jullie muren, en gedaan wat ik wou; het is niet mijn bloed waar je mij mee bedekt ziet. Wil jij wraak, span al je kracht dan in. |
| Aufidius | Al was jij Hector, die gesel ooit van jullie trotse stam, je zou me hier niet ontsnappen. |
| Ze vechten, en enkele Volsken komen Aufidius te hulp. Martius vecht tot ze, buiten adem, teruggedrongen worden. | |
| Dienstkloppers! Hoezo dapper? Maken mij te schande met jullie verdomde steun! | |
| Trompetten. Krijgsrumoer. Er klinkt een signaal voor de terugtocht. Door een deur aan de ene kant op, Cominius, met de Romeinen; door de andere deur op, Martius, met zijn arm in een mitella. | |
| Cominius | Als ik jou vertelde wat jij vandaag deed, dan geloofde jij je daden niet; maar ik meld ze, waar senatoren huilen en glimlachen, patriciërs luisteren, schouders ophalen, maar dan toch bewonderen, dames verschrikt, blij rillend, meer willen horen, dom tribuunvolk, dat, met het muffe plebs, jouw roem echt haat, het hart geweld aan doet, met: 'Dank de goden, dat wij in Rome zo'n soldaat hebben'. Toch kom jij als een toetje in dit feest, je hoofdmaal is genoten. |
| Titus Lartius op, met zijn legermacht, terug van een achtervolging | |
| Lartius | Generaal, hier is het paard, wij zijn het dekkleed maar: had jij gezien - |
| Martius | Stop, toch. Wanneer mijn moeder, die het recht heeft haar bloed op te hemelen, mij roemt, doet mij dat pijn. Ik heb gedaan zoals u gedaan hebt: wat ik kan; gedreven, zoals u was, door liefde voor mijn land. Wie enkel wat hij wilde heeft uitgevoerd deed meer dan ik. |
| Cominius | U mag het graf niet zijn van uw verdienste: Rome moet goed weten wat voor waardevols zij in huis heeft. Verhelen erger nog dan roof was het, haast afkeuring, uw daden te verbergen, te verzwijgen wat zelfs tot de hoogste top van lof verheven toch nog bescheiden klinkt. Dus vraag ik u - om wat u bent, niet als het loon voor wat u hebt gedaan - te luisteren naar mijn toespraak. |
| Martius | Ik heb nogal wat wonden, en het schrijnt als die van zich horen spreken. |
| Cominius | Zo niet, dan ontsteken ze vast bij ondankbaarheid, en vragen dood om zorg. Van al de paarden - heel wat, goede, zijn buitgemaakt - van al de rijkdom van het slagveld en uit de stad, staan we u een tiende af; neem voor uzelf, voor dat er iets verdeeld wordt, wat u wilt, naar vrije keus. |
| Martius | Ik dank u zeer, veldheer; maar mijn hart weigert een beloning hier waar mijn zwaard voor betaald heeft: ik wil dit niet, alleen mijn deel zoals iedereen, niets meer dan wie slechts toekeken. |
| Langdurig trompetgeschal. Men roept allen: 'Martius! Martius!', en gooit mutsen en lansen in de lucht. Cominius en Lartius staan men onbedekt hoofd. | |
| Moge die instrumenten, die u ontwijdt, nooit meer klinken. Als trom en trompet ooit vleiers blijken op het slagveld, laat hof en stad slap gehuichel zijn. Als staal zo zacht wordt als parasietenzijde, laat hem dan voor krijg worden geprezen. Stilte nu. Omdat ik nog het bloed niet van mij neus geveegd heb, of een zwakkeling geveld, wat velen hier ook deden zonder ophef, juicht u mij met uiterst overdreven jubel toe, alsof ik mijn arme ego graag gevoed zag met lof in overdrijfsaus. | |
| Cominius | Te bescheiden; wreder voor eigen roem dan ons dankbaar die u het uwe geven. Met verlof, als u tegen uzelf woedt, dan slaan wij u in boeien vast, als wie zichzelf bedreigt, om veilig met u te praten. Zo zij het, ons en de wereld, bekend, dat Caius Martius de zegekrans nu draagt; waarvoor ik hem mijn nobele strijdros schenk, bekend in het kamp, met alle toebehoren; en voortaan, om wat hij voor Corioles deed, hem noem: Martius Caius Coriolanus! Draag deze titel altijd met ere! |
| Trompetgeschal. Trommen en trompetten. | |
| Allen | Martius Caius Coriolanus! |
| Coriolanus | Ik ga mij wassen; als mijn gezicht schoon is, kunnen jullie zien of dat ik bloos of niet: hoe dan ook, bedankt. Ik zal uw paard berijden, en die naam door u toegevoegd, steeds hoog dragen, en mij naar mijn vermogen goed. |
| Cominius | Dan naar onze tent; voor we gaan slapen, sturen we een bericht naar Rome van ons succes. U, Titus Lartius, moet terug naar Corioles: stuur de eerste burgers naar ons in Rome, dat we het eens worden over hun goed en dat van ons. |
| Lartius | Zeker, heer. |
| Coriolanus | Het lijkt of de goden met mij spotten: ik, die vorstenschatten afsla, bedel nu bij u, mijn veldheer. |
| Cominius | Neem het, heb het. Wat is het? |
| Coriolanus | Ik verbleef ooit in Corioles in het huis van een arme man, die aardig voor mij was. Hij riep naar mij. Ik zag hem als gevangene Toen kwam Aufidius plotseling in mijn blikveld, en woede spoelde meelij weg. Ik vraag u, laat mijn arme gastheer vrij. |
| Cominius | Heel goed gesmeekt. Al had hij mijn zoon afgeslacht, hij zou zo vrij zijn als de wind. Ontsla hem, Titus. |
| Lartius | Hoe heet hij, Martius? |
| Coriolanus | O, jee, vergeten! Ik ben leeg, ja, mijn geheugen is vermoeid; hebben we geen wijn hier? |
| Cominius | Kom naar onze tent. Het bloed op uw gezicht is droog; het is tijd er iets aan te doen. Kom mee. |
| Allen af | |
| Trompetgeschal. Hoornsignalen. Tullus Aufidius op, onder het bloed, met twee tot drie soldaten | |
| Aufidius | De stad is ingenomen! |
| 1e Soldaat | Die komt wel terug onder goede condities. |
| Aufidius | Condities! Was ik maar een Romein, want nu, als Volsker, kan ik mezelf niet zijn. Condities, ach! Krijgt wie aan genade uitgeleverd is een goed verdrag? Vijf keren, Martius, vocht ik met jou, en vijf maal sloeg jij mij; en al vochten wij zo vaak als dat wij eten, je zou het weer doen, denk ik. Bij de hemel, als wij ons ooit nog treffen, baard aan baard, dan valt hij, ofwel ik. Mijn wedijver is niet meer eervol als vroeger; want waar ik hem met gelijke kracht te breken dacht, zwaard tegen zwaard, stoot ik nu maar wat toe, woede of list krijgt hem wel. |
| 1e Soldaat | Hij is de duivel. |
| Aufidius | Driester, maar niet zo sluw. Vergiftigd is mijn moed, door zijn macht aangeraakt: om hem wordt hij zichzelf ontrouw. Geen wijkplaats, slaap, geen naaktheid, ziekte, tempel of Capitool, gebed der priesters, en geen offer uur - niets dat woede temt - zal tegen mijn afschuw van Martius zijn invloed, zijn rotte kracht meer gelden doen. Waar ik hem vind, al is het bij mij thuis, al waakte mijn broer, zelfs daar, tegen elk gebod van gastvrijheid, zou ik mijn felle hand wassen in zijn hart. Naar de stad; hoor hoe ze is bezet en wie het zijn die Rome als gijzelaars eist. |
| 1e Soldaat | Gaat u dan niet? |
| Aufidius | Men wacht op mij bij het cipressenbos, ten zuiden van de stadsmolens. Kom mij daar zeggen hoe alles loopt, dat ik naar die gang mijn tempo richten kan. |
| 1e Soldaat | Zeker, mijn heer. |
| Allen af | |