| Cymbeline
vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
| Eerste bedrijf |
eerste toneel tweede toneel derde toneel vierde toneel vijfde toneel zesde toneel zevende toneel |
|
| |
| Brittannië Het paleis van Cymbeline | |
| Twee edellieden op | |
| 1e Edelman | Wie je ook ziet kijkt somber: ons humeur volgt de planeten net zoals men aan het hof de koning lijkt te volgen. |
| 2e Edelman | Maar wat is er? |
| 1e Edelman | Zijn dochter, de erfgenaam van het rijk (die hij voor de enige zoon bestemd had van een weduwe door hem getrouwd), verbond haar lot aan een arm, maar keurig edelman. Zij is gehuwd, haar man verbannen; zij in het gevang, naar buiten één groot verdriet, met de vorst volgens mij echt geraakt. |
| 2e Edelman | Alleen de koning? |
| 1e Edelman | En hij die haar kwijt is: en de koningin, die hen heel graag gehuwd zag. Maar aan het hof is niemand, al staat hun gezicht ook net zoals de koning kijkt, die in zijn hart niet juicht om zoveel zak en as. |
| 2e Edelman | Waarom? |
| 1e Edelman | Wie de prinses niet kreeg, dat is een zak te slap voor een slechte naam; en wie haar heeft (wie haar getrouwd heeft, dus, ach, beste man, en dus verbannen) is een schepsel dat, als men de hoeken van de aarde afzocht naar zijn gelijke, er altijd wel iets ontbrak aan wie kans maakte. Ik denk dat geen uiterlijk schoon, geen zo'n inborst, iemand zo siert als hem. |
| 2e Edelman | U prijst hem hoog. |
| 1e Edelman | Mijn lof spreidt zich nog binnen zijn bereik, ik verklein hem eerder, dan dat ik mateloos zijn weidsheid span. |
| 2e Edelman | Hoe heet hij; wat is zijn afkomst? |
| 1e Edelman | Zijn diepste wortels ken ik niet: zijn vader heette Sicilius, die krijgsroem won naast Cassibelan tegen de Romeinen, maar zijn titels kreeg van Tenantius, die hij succesrijk diende en met roem: zo kreeg hij ook de bijnaam Leonatus: die had (naast de edelman waar het hier om gaat) nog twee zonen, die in de oorlog vielen, hun zwaard in de hand. Zo=n smart overviel hun vader toen zonder kinderen dat hij uitstapte; en zijn lieve vrouw, rond van de edelman waar wij van spreken, stierf bij zijn geboorte. De koning neemt de zorg voor het kindje op, noemt hem Posthumus Leonatus, hij voedt hem op, maakt hem zijn eigen page, houdt hem alle kennis voor die zijn tijd hem kan aanbieden, en hij neem het op, zoals wij lucht, vlotter dan toegediend, en zijn lente werd oogsttijd: leefde aan het hof, - en dat is wat -, zeer geroemd en geliefd; een voorbeeld voor de jongsten, voor de rijperen een spiegel die hen vormde, voor de ouwetjes een kind dat kindsen leidt. En voor zijn vrouw (om wie hij is verbannen): haar eigen waarde spreekt hoezeer zij hem mocht; en al zijn deugd wordt ons heel duidelijk, doordat haar keus zegt wat voor man hij is. |
| 2e Edelman | Ik eer hem al uit uw verhaal. Is zij het enig kind van de koning? |
| 1e Edelman | Zijn enig kind. Hij had twee zonen - het is een heel vreemd verhaal, let op - die, met de oudste nog pas drie, en de ander in de wieg, gestolen werden uit hun kamer; en nu nog heeft niemand een idee waarheen. |
| 2e Edelman | Hoe lang geleden is dat al? |
| 1e Edelman | Wel twintig jaar. |
| 2e Edelman | Dat men twee koningskinderen zo steelt, - zo slap bewaakt, dat men zo langzaam zocht, en ze niet terug vond! |
| 1e Edelman | Hoe vreemd het ook zij, en hoe belachelijk de onachtzaamheid, het is wel waar, vriend. |
| 2e Edelman | Ik geloof u graag. |
| 1e Edelman | Genoeg hiervan. Hier komt de edelman, de koningin en de princes. |
| Beiden af | |
| Tweede toneel Dezelfde plaats | |
| De Koningin op, Posthumus, en Innogen | |
| Koningin | Nee, dochter, je zult echt zien dat ik niet de duivel ben die laster stiefmoeders altijd noemt. Mijn gevangene bent u, maar uw cipier geeft u wat graag de sleutels die uw kerker afsluiten. En u, Posthumus, men zal weten dat ik achter u sta, zo gauw ik de koning kalm krijg: ja, want nu is hij nog altijd laaiend, en het zou goed zijn als u zich voor zijn vonnis buigt, zo rustig als u verstand u ingeeft. |
| Posthumus | Zeker, hoogheid, ik vertrek vandaag nog. |
| Koningin | U kent het gevaar. Ik ga nog een rondje door de tuin; hoezeer gaat mij de pijn aan van min die men dwarsboomt, dat de vorst jullie samenspraak verbiedt! |
| Af | |
| Innogen | O huichel-hoffelijkheid! Hoe subtiel kriebelt dat kreng voordat zij bijt. Mijn lieve man, mijn vaders toorn doet pijn, maar helemaal niet (altijd los van mijn heilige plicht) dat wat zijn woede mij kan aandoen. Ga maar vlug, en ik zal hier elk uur het doelwit zijn van boze blikken: leven zonder troost, maar met dit juweel ergens in de wereld dat ik ooit terugzie. |
| Posthumus | Vrouwe, echtgenote, O, lady, huil niet meer, want dan zou ik licht het vermoeden wekken dat ik weker ben dan dat een man betaamt. Ik blijf steeds de trouwste echtgenoot die ooit trouw zwoer. Ik ga in Rome wonen, bij Philario, een kennis van mijn vader, maar die ik alleen uit brieven ken; schrijf daarheen, vrouw, en met mijn ogen drink ik uw woorden in, al is inkt pure gal. |
| De Koningin weer op | |
| Koningin | Maak het toch kort: want als de koning komt, weet ik niet hoe zwaar ik het te verduren krijg: [Terzijde] maar ik lok hem toch hierheen: steeds als ik lastig voor hem ben, vergoelijkt hij de pijn die ik breng, als gunst: mijn boosheid kost hem duur. |
| Af | |
| Posthumus | Al duurde ons afscheid zo lang als ons nog van ons leven rest, steeds langer werd de tegenzin. Adieu! |
| Innogen | Nee, blijf nog even: al ging u voor een ommetje, dan nog was zo een afscheid veel te kort. Kijk, lief; neem deze diamant, van moeder, schat; en houd hem tot u met een ander trouwt, als Innogen gestorven is. |
| Posthumus | Een ander? O, goden, geef mij enkel die ik heb, bezegel dat ik geen tweede omarmen zal met kluisters van de dood! Blijf hier, niet af, Hij doet de ring aan zijn vinger zolang liefde u aanhoudt: en liefste, mooiste, zoals ik mijn arme zelf ruilde voor u tot uw oneindige schade, zo win ik van u bij een kleine ruil. Draag dit om mijnentwil, een handboei van de liefde, die ik mijn liefste gevangene nu aanleg. |
| Hij doet haar een armband aan | |
| Innogen | O, de goden! Wanneer zien wij elkaar weer? |
| Cymbeline op, en edellieden | |
| Posthumus | Nee, de koning! |
| Cymbeline | Jij, stomme lul, uit mijn ogen, hiervandaan! Als jij het hof na de uitspraak nog bezwaart met jouw nietswaardigheid, dan sterf je. Weg! Jij bent mij gif in het bloed. |
| Posthumus | De goden hoeden u, en zegenen al wat edel blijft aan het hof! Ik ben al weg. |
| Af | |
| Innogen | Geen foltering heeft de dood pijnlijker dan dit. |
| Cymbeline | Trouweloze kut, die mij jeugdig houden moest, jij gooit me er nog jaren bij! |
| Innogen | O, alstublieft, heer, pijnig uzelf niet met al uw verwijten, uw toorn voel ik toch niet; een veel dieper leed verdooft mij pijn en vrees. |
| Cymbeline | Onzalig? Ongehoorzaam? |
| Innogen | Geen hoop, wanhopig, en onzalig dus. |
| Cymbeline | Die mijn vrouws enige zoon ooit hebben kon. |
| Innogen | O, een zegen, dat ik niet kon! Ik koos een arend, en vermeed een wouw. |
| Cymbeline | Jij nam een schooier, en had graag mijn troon als zetel voor de laagheid. |
| Innogen | Die heb ik eer glans verleend. |
| Cymbeline | O jij, stuk ongeluk. |
| Innogen | Heer, het is uw schuld dat ik van Posthumus hield: u voedde hem als mijn vriendje op, en hij is wel iedere vrouw waard: haast meer dan ik waard dan dat hij nu betaalt. |
| Cymbeline | Wat! Bij jij gek? |
| Innogen | Bijna, heer: help mij, hemel! Was ik maar van een ossendrijver, en Leonatus de zoon van buurman herder. |
| Cymbeline | Jij stomme trut! |
| De Koningin weer op | |
| Ze waren weer bij elkaar: u heeft niet gedaan wat wij wensten. Weg nu, met haar, en sluit haar op. | |
| Koningin | Nou, kalm een beetje. Stil, lieve dochter, rustig toch! - Dierbare vorst, laat ons alleen, en kom wat tot uzelf, naar eigen inzicht. |
| Cymbeline | Nou, van mij mag ze één drup bloed per dag wegkwijnen, en, oud, aan die dwaasheid sterven. |
| Cymbeline en Edellieden af | |
| Koningin | Foei, beheers u. |
| Pisanio op | |
| Hier is uw dienaar. Wel, man, is er nieuws? | |
| Pisanio | Uw zoon trok het zwaard tegen mijn meester. |
| Koningin | Wat? Toch niets gebeurd hoop ik? |
| Pisanio | Dat had best gekund, maar mijn heer deed of het spel was, en niet echt, en was niet gepikeerd; wat omstanders haalden hen uit elkaar. |
| Koningin | Daar ben ik blij om. |
| Innogen | Uw zoon is dus mijn vaders vriend, hij helpt een balling aan te vallen. Dapper, zeg! Die zag ik samen graag in een woestijn, en ik daar met een naald, om hem die week te prikken. Wat liet u uw heer alleen? |
| Pisanio | Op zijn bevel. Hij wou niet dat ik hem naar de haven bracht: maar gaf mij voorschriften waar ik mij aan te houden had zo het u behaagt mij in dienst te nemen. |
| Koningin | Hij was steeds uw trouwe dienaar: en, ik wed mijn eer, dat zal hij blijven. |
| Pisanio | Ik dank u nederig, hoogheid. |
| Koningin | Ga nu wat wandelen. |
| Innogen | Kom over een goed half uurtje bij mij langs; U moet (tenminste) mij heer uit gaan zwaaien. U kunt nu gaan. |
| Allen af | |
Dezelfde plaats | |
| Cloten op, en twee edellieden | |
| 1e Edelman | Ik zou u toch aanraden, heer, een ander hemd aan te trekken; de heftigheid van de actie doet u dampen als een brandoffer: en waar lucht uit gaat, komt lucht in; en die lucht buiten is minder gezond dan die welke u zelf afgeeft. |
| Cloten | Als er bloed aan mijn hemd zat, zou ik een ander aandoen. Heb ik hem gewond? |
| 2e Edelman | [Terzijde] Nou, echt niet; zelfs niet zijn geduld. |
| 1e Edelman | Hem gewond? Zijn lijf is één doorgestoken karkas, als hij niet gewond is. Het is één doorsteekweg voor staal, als het niet gewond is. |
| 2e Edelman | [Terzijde] Zijn zwaard had schulden, en het ging door achterafstraatjes. |
| Cloten | De schurk wou niet blijven staan om tegen mij te vechten. |
| 2e Edelman | [Terzijde] Nee, maar hij vluchtte almaar vooruit, naar uw gezicht. |
| 1e Edelman | Blijven staan voor u? Maar u heeft zelf land genoeg: maar hij heeft uw eigendom vergroot door het veld voor u te ruimen. |
| 2e Edelman | [Terzijde] Ja, net zoveel duim als u oceanen hebt. De oenen! |
| Cloten | Ik had graag gezien, dat er niemand tussenbeide gekomen was. |
| 2e Edelman | [Terzijde] Ja, ik ook, tot u languit op de grond had kunnen meten wat voor gek dat u was. |
| Cloten | Dat zij van die kerel houdt, en mij weigert! |
| 2e Edelman | [Terzijde] Als het een zonde is het ware te kiezen, dan gaat zij naar de hel. |
| 1e Edelman | Zoals ik u altijd al zei, heer, haar schoonheid gaat haar verstand te boven. Van buiten ziet ze er goed uit, maar ik zie er maar weinig geestigs van haarzelf op. |
| 2e Edelman | [Terzijde] Ze heeft geen uitstraling op gekken, want de weerschijn zou haar geen goed doen. |
| Cloten | Kom, ik ga eens naar mijn kamer. Ik zou willen, dat er iets gebeurd was. |
| 2e Edelman | [Terzijde] Nou, ik niet, of het had de val van een ezel moeten zijn, maar dat is geen groot ongeval. |
| Cloten | Komt u met ons mee? |
| 1e Edelman | Ik ga met u mee, hoogheid. |
| Cloten | Ja, dan gaan we samen. |
| 2e Edelman | Zeker, mijn heer. |
| Allen af | |
-Dezelfde plaats | |
| Innogen en Pisanio op | |
| Innogen | Ik wou dat je vastgegroeid stond aan de haven en elk schip ondervroeg: stel dat hij schrijft, en ik het niet krijg, dan was dat als het verlies van een genadebrief. Wat was het laatste dat hij jou zei? |
| Pisanio | Dat was: zijn vrouwe, vrouwe! |
| Innogen | En wuifde hij met zijn zakdoek? |
| Pisanio | Kuste die. |
| Innogen | Gevoelloos doek, gelukkiger daar dan ik! En was dat alles? |
| Pisanio | Nee, mevrouw; zo lang als hij zich door mij met dit oog, of oor, van anderen onderscheiden liet, bleef hij aan dek, steeds wuivend met zijn handschoen, hoed, of zakdoek, naargelang zijn zielenroerselen het best uitdrukten hoe traag zijn ziel verreisde, hoe snel zijn schip voer. |
| Innogen | Hij werd voor jou vast zo klein als een kraai, of kleiner, voor jij ophield hem na te kijken. |
| Pisanio | Ja, mevrouw. |
| Innogen | Mijn oogbanden had ik gebroken, laten knappen, als ik hem maar had kunnen zien, tot de verkleining der ruimte hem een punt maakte scherp als mijn naald: ja, ik had hem gevolgd, tot hij van mug-grootte gesmolten was tot lucht: en dan had ik mijn oog afgewend, en gehuild. Pisanio, wanneer horen wij van hem? |
| Pisanio | Beslist, mevrouw, zo gauw hij weer een kans heeft. |
| Innogen | Ik kon geen afscheid nemen; en ik had nog zoveel liefs te zeggen: vóór ik hem vertellen kon, hoe ik aan hem denken zou, precies wat, en wanneer; of hem zweren doen dat geen Italiaanse ooit mijn geluk en zijn eer roven zou; of hem kon zeggen, met mij om zes uur 's morgens, 's middags, 's avonds verenigd te zijn in gebed, want dan ben ik voor hem in de hemel; vóór ik hem die afscheidskus kon geven, die ik gevat had tussen twee lieve woordjes, komt mijn vader, en schudt, bar en boos als de noordenwind, al onze knopjes vóór het ontluiken af. |
| Een hofdame op | |
| Hofdame | br> de koningin wenst u te spreken. |
| Innogen | Wat ik u vroeg te doen, doe dat maar gauw. - Ik kom naar haar toe. |
| Pisanio | Dat doe ik, mevrouw. |
| Allen af | |
-Rome. Het huis van Philario. | |
| Philario op, Iachimo, een Fransman, een Nederlander en een Spanjaard. | |
| Iachimo | Geloof me, heer, ik heb hem in Brittannië gezien; zijn aanzien was toen al aan het groeien, en er werd verwacht dat hij zo een waardig man zou worden als hij later werd genoemd. Maar ik had hem toen best kunnen beschouwen zonder de hulp van verwondering, zelfs al had de lijst van zijn voortreffelijkheden aan zijn zijde gehangen, zodat ik ze stuk voor stuk kon lezen. PhilarioU spreekt van hem toen hij veel minder dan nu toegerust was met dat wat hem volkomen maakt, zowel van buiten als van binnen. |
| Fransman | Ik heb hem in Frankrijk gezien: we hadden er daar heel wat die zo recht in de zon konden kijken als hij. |
| Iachimo | Het feit dat hij met de dochter van de koning getrouwd is, waarbij hij meer naar haar waarde gewogen dient te worden dan naar die van hem zelf, geeft hem ongetwijfeld een veel grotere reputatie dan die welke hij verdient. |
| Fransman | En dan zijn verbanning. |
| Iachimo | Ja, en de bijval van hen die onder haar banier deze jammerlijke scheiding betreuren werkt bijtengewoon samen om hem nog meer op te hemelen; al was het alleen om haar oordeel te verdedigen, dat zich anders bij de eerste de beste aanval al gewonnen had moeten geven, als zij een bedelaar had genomen - al was die van veel mindere rang. Maar hoe komt het, dat hij zijn intrek bij u genomen heeft? Wat buigt zich kennismaking toch vreemd naar onder. |
| Philario | Zijn vader en ik waren krijgsmakkers; hem heb ik vaak niets minder dan mijn leven te danken gehad. - Hier komt de Brit net aan. Laat hem zo hoffelijk door u ontvangen worden als een vreemdeling van zijn rang recht heeft te verwachten van edelen van uw ervaring. |
| Posthumus op | |
| Ik verzoek u allen kennis aan te knopen met deze edelman, die ik als een vriend van mij aan u aanbeveel. Hoe waardig hij dat is, laat ik u liever zelf ontdekken dan het in zijn bijzijn te vertellen. | |
| Fransman | Mijn heer, wij hebben elkaar toch in Orleans gekend. |
| Posthumus | En sindsdien sta ik bij u in het krijt voor uw beleefdheden, waarvoor ik, hoe ik ze ook vergeld, u altijd verschuldigd zal blijven. |
| Fransman | Mijn heer, u overschat mijn armzalige beleefdheden: ik was blij, dat ik mijn landgenoot en u kon verzoenen: het zou jammer geweest zijn, als het tussen u beiden tot een gevecht gekomen was, met dat dodelijk plan dat ieder van u toen koesterde, en dat om een zo onbetekenende en alledaagse reden. |
| Posthumus | Neem me niet kwalijk, heer, maar ik was nog jong toen ik die reis maakte, en ik weigerde het liefst te accepteren wat mij werd gezegd, dan dat ik mij, bij al wat ik deed, liet leiden door de ondervinding van anderen: maar ook naar mijn rijper oordeel (als ik u niet ontrief door te stellen dat het rijper is) was de onenigheid niet zo onbetekenend. |
| Fransman | Toch wel, om door het zwaard beslecht te worden, en dan nog wel door twee heren die elkaar ongetwijfeld totaal zouden hebben omgelegd, of allebei gevallen waren. |
| Iachimo | Is het soms onbescheiden om te vragen waar het geschil om ging? |
| Fransman | Zeker niet, dacht ik: het was een openlijke woordentwist, die zonder bezwaren verder verteld kan worden. Hij leek veel op de onenigheid die gisterenavond ontstond, toen elk van ons de lof zong van de meisjes van ons land; deze heer hield toen staande - en was bereid dat met zijn bloed te willen bevestigen -, dat die van hem mooier was, met meer deugdzaamheid en verstand, kuiser, standvastiger en voortreffelijker, en minder gauw te verleiden dan de meest uitgelezen Franse dames. |
| Iachimo | Dat soort dame leeft niet meer; of de opvatting van deze heer is bij deze al versleten. |
| Posthumus | Zij heeft dat soort deugd nog altijd, en ik geloof dat nog vast. |
| Iachimo | U moet haar niet zo boven onze Italiaanse meisjes uitsteken. |
| Posthumus | Als men mij weer zo uitdaagt als toen in Frankrijk, zou ik niets van haar lof afdoen, en ik zou zeggen dat ik haar lief was, niet haar vriendje. |
| Iachimo | Even mooi, even goed - een soort gekoppelde vergelijking - zou al iets te mooi en te goed zijn geweest voor een dame in Brittannië. Als ze anderen die ik heb ontmoet overtreft zoals die diamant van u vele andere die ik heb gezien overstraalt, dan zou ik nog niet willen geloven dat zij velen overtreft in deugdzaamheid; maar ik heb de kostbaarste diamant die er bestaat nooit gezien, en u de deugdzaamste dame niet. |
| Posthumus | Ik roemde haar naar mijn schatting: en dat doe ik ook met mijn steen. |
| Iachimo | En hoe hoog schat u die dan? |
| Posthumus | Meer dan de wereld bezit. |
| Iachimo | Of die weergaloze liefde van u is dood, ofwel ze wordt overtroffen door een klein steentje. |
| Posthumus | Dat ziet u verkeerd: de een kan verkocht worden of weggegeven, als er maar genoeg rijkdom is voor de koop, of verdienste voor het geven. Dat andere is niet iets dat men verkoopt, het is louter een geschenk van de goden. |
| Iachimo | Dat de goden u hebben gegeven? |
| Posthumus | Dat ik met hun genade houden zal. |
| Iachimo | Het kan dan wel zijn dat zij u van rechtswege toebehoort, maar u weet dat er ook wel eens vreemde eenden vallen in buurmansvijver. Ook die ring van u kan gestolen worden; dus van uw twee onwaardeerbare schatten is de ene maar zwak en kan de andere iets overkomen; een slimme dief, of een in dit opzicht bekwame hoveling zou het kunnen wagen zowel de eerste als de laatste te ontvreemden. |
| Posthumus | Er is in dat Italië van u geen hoveling zo bekwaam dat hij de eer van mijn echtgenote zou kunnen veroveren, al noemt u haar zwak in het bewaren of verliezen daarvan: ik twijfel er absoluut niet aan, dat u hier een heleboel dieven hebt; en toch ben ik niet bang voor mijn ring. |
| Philario | Laten we het daarbij houden, heren. |
| Posthumus | Ja, van harte. Deze edele Signore behandelt mij niet als een vreemdeling - en daar dank ik hem voor; wij zijn direct goede vrienden. |
| Iachimo | Als ik vijf keer zo lang met uw schone vrouwe zou kunnen praten, dan had ik al aardig wat vaste voet bij haar; ik zou haar terugdringen, tot aan toegeven, stel dat ik bij haar kon komen en iets zou kunnen. |
| Posthumus | Nee, nee. |
| Iachimo | Daarvoor zou ik de helft van mijn vermogen durven wedden tegen uw ring, al is die iets minder waard is: maar ik zet dit weddenschap eerder in tegen uw goed vertrouwen dan haar goede naam. En om uit te sluiten, dat u er door gekrenkt wordt: ik zou dit durven ondernemen tegen welke vrouw ter wereld ook. |
| Posthumus | Uw zelfvertrouwen is wel erg roekeloos; en ik twijfel er niet aan, dat u bij uw poging ondervinden zult wat u verdient. |
| Iachimo | En wat is dat dan? |
| Posthumus | Een afwijzing: al verdient uw poging, zoals u dat noemt, veel meer: ook een afstraffing. |
| Philario | Zo is het wel genoeg, heren; dit kwam te plotseling op, - laat het sterven zoals het geboren werd, en ik hoop dat jullie elkaar eerst beter leren kennen. |
| Iachimo | En toch had ik graag mijn hele vermogen en dat van mijn buren erbij verwed, dat ik waar kan maken wat ik gezegd heb. |
| Posthumus | En welke dame wou u uitkiezen om lastig te vallen. |
| Iachimo | Die van u, die volgens u de standvastigheid zelve is. Ik wil tienduizend dukaten verwedden tegen uw ring, dat - geef mij maar eens een aanbeveling aan het hof waar uw dame is, met geen ander voordeel dan de gelegenheid om haar twee keer te spreken, en ik breng vandaar die eer van haar mee die u zo veilig bewaard denkt. |
| Posthumus | Tegen uw goud zet ik net zoveel goud is: mijn ring is mij even dierbaar als mijn vinger: hij is er een deel van. |
| Iachimo | U bent een liefje, en daarom weet u goed wat u doet. Al kocht u vrouwenvlees voor een miljoen per gram, u kunt het toch niet tegen bederf beschermen; maar ik zie dat u wat bijgelovig bent, en wat angstig. |
| Posthumus | Ach, u kletst ook altijd maar door; ik hoop, dat u het ernstig bedoelt. |
| Iachimo | Ik weet heel goed wat ik zeg, en ik zweer dat ik bereid ben te ondernemen wat er gezegd is. |
| Posthumus | O ja? Ik zal mijn diamant in pand geven tot u terugkomt: daar zullen we een onderlinge afspraak over maken. De voortreffelijkheid van mijn geliefde vrouw overtreft de onwaardige gedachte van u, hoe ontzagwekkend die ook moge zijn. Ik daag u uit tot deze weddenschap: hier is mijn ring. |
| Philario | Ik wil er niet om wedden. |
| Iachimo | Bij de goden, die is al aanvaard. Als ik u geen afdoend bewijs breng, dat ik het zoetste lijfelijk deel van uw lief heb genoten, dan zijn mijn tienduizend dukaten van u, en uiteraard ook uw diamant: moet ik terug, en laat ik haar eer zo ongeschonden zoals u vertrouwt, dan is zij uw juweel, dan is dit juweel van u, en dan is mijn goud van u: alles onder de voorwaarde, dat ik uw aanbeveling ontvang voor een onbelemmerde toegang. |
| Posthumus | Die voorwaarden neem ik aan, laten wij dat onderling schriftelijk vastleggen. Alleen dit moet u nog met mij overeenkomen: als het avontuurtje met haar doorgaat, en u mij onweerlegbaar aantoont dat zij bezweken is, ben ik niet verder uw vijand; dan is zij geen twist tussen ons meer waard. Als zij zich niet laat verleiden, en u niet het tegendeel kunt bewijzen, dan zult u, om uw kwalijke bedoeling en om uw aanslag op haar eerbaarheid, mij met uw zwaard rekenschap moeten geven. |
| Iachimo | Uw hand - dat is zo afgesproken: We zullen dit alles in wettelijke vorm laten noteren; en dan, onmiddellijk naar Brittannië, anders vat de onderneming kou, en sterft zij. Ik ga mijn goud halen, en laat onze wederzijdse weddenschap op papier zetten. |
| Posthumus | In orde. |
| Posthumus en Iachimo af | |
| Fransman | Gaat dat volgens u ook echt door? |
| Philario | Iachimo zet beslist door. Laat ons hen maar volgen. |
| Allen af | |
-Brittannië. het paleis van Cymbeline. | |
| Koningin op, hofdames, en Cornelius | |
| Koningin | Pluk die bloemen gauw, vóór de dauw optrekt. Wie heeft het lijstje bij zich? |
| 1eHofdame | Ik, mevrouw. |
| Koningin | Ga maar vlug. |
| Hofdames af | |
| En, dokter, heeft u die gif-flesjes bij u? | |
| Cornelius | Natuurlijk, hoogheid; hier zijn ze, mevrouw: |
| Hij geeft haar een klein doosje | |
| maar neemt u het mij niet kwalijk, als ik u vraag (gestuurd door mijn geweten), waarom u deze zwaargiftige stoffen van mij wou, die langzaam aanzetten tot sluipend sterven, heel traag, maar dodelijk. | |
| Koningin | Wat raar, dokter, dat je mij zoiets vraagt. Ben ik niet sinds lang jouw leerling? Heb jij mij niet geleerd hoe ik geurtjes maak? Hoe ik destilleer? Inmaak? Zo, dat onze grote koning mij vaak vleit om mijn middeltjes. En, eenmaal zover, kan ik toch wel (of zie jij me als een duivel), mijn kennis enigszins uitbreiden gaan met nog wat proeven? Ik probeer de kracht uit van die spullen van jou op wezens die het hangen niet eens waard zijn (niet op mensen), kijk hoe heftig ze werken, en gebruik dan tegengiften op hen, en doorgrond zo hun aard en uitwerking. |
| Cornelius | Uwe hoogheid gaat met al die proeven zich nog het hart verharden: En al dat onderzoek naar hoe het werkt daar krijgt u nog eens wat van. |
| Koningin | Wees maar niet bang. |
| Pisanio op | |
| [Terzijde] Daar komt een gladde schelm; op hem neem ik mijn eerste proef: hij is vóór zijn meester, en een vijand van mijn zoon. Wel, wel, Pisanio? Ik heb u even niet meer nodig, dokter, u kunt wel gaan. | |
| Cornelius | [Terzijde] Ik vertrouw u niet, mevrouw; maar u zult wel niemand kwaad doen. |
| Koningin | [Tot Pisanio] Hoor eens even. |
| Cornelius | [Terzijde] Daar hou ik nou niet van. Ze denkt dat zij bizar sluipend vergif heeft; maar ik ken haar; zo'n boze slang vertrouw ik zulk dodelijk sap toch zeker nooit toe. Dat wat zij nu heeft bedwelmt de zinnen eventjes, verdooft ze wat; misschien probeert ze het eerst op hond en kat, en dan wat hoger: maar er is geen gevaar, al geeft het spul een zekere schijn van dood, het legt de levensgeesten even stil, om frisser op te leven. Zij gelooft in dat verkeerd effect; vertrouwt mij meer hoe meer ik haar zo bedrieg. |
| Koningin | Je kunt gaan, dokter, tot ik je weer roepen laat. |
| Cornelius | Dan ga ik beleefd. |
| Af | |
| Koningin | Zij huilt steeds, zeg je? Denk je ook niet, dat ze langzaam kalmeert, en goede raad die verdwaasdheid verdringen laat? Aan het werk: als jij mij meldt dat zij van mijn zoon houdt, dan zweer ik je dat je op dat moment even groot bent als je meester: groter, want zijn geluk ligt sprakeloos, en zijn naam zieltoogt. Terug kan hij niet, en hij kan niet blijven waar hij is: veranderen van staat is één ellende ruilen voor een andere, en elke dag die komt komt weer in hem een dag werken verzieken. Wat wou je ook, zo steunen op wie al aan het vallen is; zich niet kan oprichten, geen vrienden heeft, al is het maar om te steunen? |
| De Koningin laat het kistje vallen. Pisanio raapt het op. | |
| Jij weet niet wat je daar opraapt: houd het maar voor de moeite: het is iets dat ik zelf gemaakt heb; het heeft de koning wel vijf maal van de dood gered. Ik ken geen sterker middel. Ja, neem het toch mee; het is een voorschot op een groter loon dat ik je geven wil. Zeg je mevrouw hoe het voor haar staat, als kwam het van jezelf; bedenk wat een kans je krijgt als je van kant ruilt, en je houdt je meesteres, èn mijn zoon, die aan je denken zal. De koning krijg ik wel zover dat hij je de post geeft die jij graag hebt: en dan ik, vooral ik ja, die je tot deze zaak heb aangezet, zal jou rijkelijk belonen. Roep mijn dames: denk aan mijn woorden. | |
| Pisanio af | |
| Een slimme doordouwer. Schrikt nergens van; doet wat zijn meester zegt, en zal haar steeds herinneren aan haar eed van trouw jegens haar man. Ik gaf hem iets, dat, àls hij het gebruikt, haar zal beroven van haar liefdeboden: en als zij zelf niet inbindt, zal zij dat binnenkort ook moeten slikken. | |
| Pisanio weer op, met de hofdames | |
| Zo, zo, heel goed, heel goed: breng die viooltjes, primula's, madeliefjes maar naar mijn kamer; tot ziens, dan, Pisanio; denk aan wat ik zei. | |
| De Koningin en de hofdames af | |
| Pisanio | Dat doe ik, ja; maar ooit ontrouw zijn aan mijn goede heer, dan wurg ik mezelf; reken niet op meer. |
| Af | |
-Dezelfde plaats | |
| Innogen op, alleen | |
| Innogen | Een vader wreed, een stiefmoeder heel vals, een dwaas die naar een getrouwde dame dingt wier man verbannen is: - ja, O, die man, mijn hoogste kroon van smart! En dan, zo=n rij die mij erom pest. O, was ik maar geroofd als mijn twee broers: blije ik! Maar het ergste is het verlangen naar grootsheid. Zalig zijn zij, de armen, die hun eenvoudige wens vervuld zien, wat hun troost kracht geeft. - Wie komt daar aan? Ach! |
| Pisanio en Iachimo op | |
| Pisanio | Mevrouw, hier is een edelman uit Rome met een brief van mijn meester. |
| Iachimo | Huil niet, mevrouw: de dappere Leonatus gaat het goed; hij groet uwe hoogheid vriendelijk. |
| Hij overhandigt een brief | |
| Innogen | Dank u, heer: u bent hier hartelijk welkom. |
| Iachimo | [Terzijde] Wat is haar buitenkant toch uiterst rijk! Als haar geest even kostbaar is, is zij alleen Arabië's vogel; en ben ik mijn weddenschap kwijt. Overmoed, help mij! En, Driestheid, wapen mij van top tot teen, of ik moet al vluchtend vechten, als de Parth; dan maar direct weg. |
| Innogen | [Leest] Hij staat heel hoog in aanzien; en ik ben hem grenzeloos dank verschuldigd. Verleen hem dienovereenkomstig uw gunst, en verricht datgene wat u is toevertrouwd - Dat is wat ik hardop lees. Maar door het overige wordt zelfs de kern van mijn hart verwarmd, en het dankt hem daarvoor. U bent zo welkom, edele heer, als ik u met woorden zeggen kan, en u zult dit zien in alles wat ik doen kan. |
| Iachimo | Dank u, schoonheid. - Wat! Zijn de mannen gek? Kregen zij geen ogen om de hemelboog te zien, de rijke oogst van zee en land, die onderscheiden tussen de vuurbollen boven, en tweelingstenen op een strand vòl, en kunnen wij dan geen verschil maken, met dit soort aanblik daar, tussen mooi en lelijk? |
| Innogen | Waarom die bewondering? |
| Iachimo | Het ligt niet aan het oog: aap en baviaan gaan tegen de een tekeer, en bekkentrekken naar de ander. En ook niet aan het verstand: als het om 'mooi' gaat, zal een idioot zelfs wijs oordelen; en niet aan het verlangen. De slonzigheid, geplaatst naast schone glans, zou eer verlangen leegheid op doen geven dan tot eten verlokken. |
| Innogen | Wat wil hij eigenlijk? |
| Iachimo | Is lust voldaan - dat zat maar onvervuld verlangen, vat dat, vol, blijft lopen, - eerst het lam verslindt en dan snakt naar afval. |
| Innogen | Maar, beste man, bent u bezeten? Ziek soms? |
| Iachimo | Goed, mevrouw: [Tot Pisanio] Wilt u eens gaan kijken, vriend, waar toch mijn dienaar blijft: ik liet hem buiten; hij is hier vreemd en weet niets. |
| Pisanio | Ik wilde hem juist tegemoet gaan, vriend. |
| Af | |
| Innogen | Hoe gaat het met mijn man? Nog heel gezond? |
| Iachimo | Heel goed, mevrouw. |
| Innogen | En is hij opgewekt? Dat hoop ik echt. |
| Iachimo | Bijzonder opgeruimd: geen vreemdeling is daar zo vlot en vrolijk: men noemt hem de Britse feestneus. |
| Innogen | Toen hij hier nog was was hij veel eerder ernstig, en wist vaak zelf niet waarom. |
| Iachimo | Ernstig zag ik hem nooit. Hij trekt daar met een Fransman op, een zeer eminent monsieur, die thuis naar het schijnt een Gallisch meisje heeft. Hij blaast en puft, zucht zwaar; dan lacht die uitgelaten Brit (uw man, dus) uit volle borst, en roept >O, ik barst haast, als ik bedenk, hoe die man die - uit eigen ervaring, boeken, verhalen - weet wat een vrouw is, ja, absoluut niet anders kan zijn, zijn vrijheid smachten doet naar zekere slavernij. |
| Innogen | Zegt mijn man dat? |
| Iachimo | O, ja, met tranen in het oog van het lachen: het is een genot er bij te zijn, als hij die Fransman plaagt: ja, hemel, menig man doet vaak wat fout. |
| Innogen | Maar hij toch niet, hoop ik. |
| Iachimo | Hij niet; toch moest hij 's hemels gunst wat meer in dank aanvaarden, rijk in hemzelf, - in u, die ik als van hem zie, buiten elk bereik. Ik móet wel vol verbazing staan, maar moet ook meelij hebben. |
| Innogen | En waarmee dan, heer? |
| Iachimo | Diep meelij met twee wezens. |
| Innogen | Ben ik er een? U kijkt naar mij: wat ziet u in mij ellende die uw deernis verdient? |
| Iachimo | Dieptreurig! Mij weghouden van de stralende zon, en troosten in de kerker met een kaarsenpit? |
| Innogen | Alstublieft, geef toch eens met meer duidelijkheid antwoord op mijn vragen. Waarom meelij met mij? |
| Iachimo | Omdat anderen nu (ik zei haast) genieten gaan van uw - Maar aan de goden is het recht van wraak, mij past het niet ervan te spreken. |
| Innogen | U schijnt iets van mij te weten, of over mij; waar angst voor iets verkeerds meer schade doet dan dat iets echt gebeurt - bij zekerheid komt hulp vaak veel te laat, of men voorkomt als men iets tijdig weet - vertel mij toch, wat u aanzet, en stopt. |
| Iachimo | Had ik deze wang en liet ik daar mijn lippen langs; deze hand, wier steeds aanraken van wie voelt de ziel tot eed van trouw dwingt; dit object, dat het wild bewegen van mijn oog invangt, en het hier in vuur zet; en zou ik dan, daardoor verdoemd, lippen aflebberen van wie elk bestijgt zoals naar het Capitool; meepakken, met handen gehard door valsheid ieder uur (door valsheid als door arbeid); dan gluren in een oog gemeen en glansloos als het walmend licht dat door stinkend vet wordt gevoed: dat hoort alle helleplagen ineens te krijgen, zo'n ommekeer in begeren. |
| Innogen | Mijn man is Brittannië vast vergeten. |
| Iachimo | En zelf - niet ik met mijn neiging tot fantaseren - verklaart hij zijn anders-zijn laag; uw charmes toveren dit bericht enkel op mijn tong uit mijn stilzwijgend binnenste. |
| Innogen | Niet meer. |
| Iachimo | O, dierbaarste: uw zaak raakt mij in het hart met deernis die mij ziek maakt! O, een vrouwe, zo schoon, en al verbonden aan een rijk wat een vorst dubbel groots maakt, die haar man met hoertjes delen moet, betaald met geld uit uw kas voor hem; met gore koppelaars die doen in al wat ziekelijk is en rot maar wel voor veel geld! Uitgezwoten tuig dat zelfs vergif vergiften zou. Neem wraak, of wie u baarde was geen koningin, en u verzaakt uw afkomst. |
| Innogen | Hoezo, wraak? Hoe zou ik me moeten wreken? Als dit waar is (en ik heb een hart dat zelfs mijn beide oren nog niet zo gauw misleiden), is dit waar, wat moet ik dan wreken? |
| Iachimo | Moet ik van hem leven als Diana's priesteres, heel koud in bed, terwijl hij wipt met schaamteloos volk, en u hoont, op uw kosten - Neem daar wraak. Ik wijd mijzelf aan al wat u zoet wenst, en, edeler dan die vluchteling van uw bed, zal ik mij trouw betonen aan uw min, in alle stilte. |
| Innogen | Kom, Pisanio, vlug! |
| Iachimo | Laat mij mijn dienst bezegelen op uw mond. |
| Innogen | Weg, ik noem mijn oren schuldig, die zo lang naar jou luisterden. Als jij eerbaar was, had je dit verteld uit deugdzaamheid, niet met het doel dat jij zocht, laaghartig, bizar. Jij krenkt een edelman, die net zo ver van jouw verhaal is als jij van eer, en valt een dame lastig die vreselijk baalt van jou, de duivel zelf. Pisanio, kom nou! De koning mijn vader zal horen van jouw tekeergaan: als hij het goed vindt, dat zich een onbeschofte vreemdeling aan zijn hof gedraagt als in een Rooms bordeel, en ons zijn geile fantasieën openbaart, dan heeft hij een hof waar hij niets om geeft, en een dochter die hij bepaald niet respecteert. Pisanio! |
| Iachimo | Gelukkige Leonatus! Ik mag wel zeggen: het vertrouwen dat jouw vrouwe in jou stelt verdient jouw trouw, en jouw integriteit haar vol vertrouwen. Leef gezegend lang! De vrouw van de allerbeste man waar ooit een land zich op beroemen kon. En u, zijn lief, past bij die beste man. Vergeef me. Ik zei dit om te zien of dat uw trouw ook diep geworteld is, en ik schets uw man opnieuw, zoals hij is: trouw en oprecht als geen, zo'n ernstige heiligheid, dat hij hele volksstammen aan zich toveren kan: elk hart behoort hem half. |
| Innogen | U krabbelt terug. |
| Iachimo | Als een god afgedaald troont hij bij mensen; hij heeft een waardigheid die hem apart maakt, meer dan een sterveling haast. O, wees niet boos, verhevenste, dat ik het heb gewaagd, te zien of u een vals verhaal zou pakken - hetgeen de wijsheid van uw keuze eerde voor zo'n uitzonderlijk man, die nooit - weet u - verkeerd zal gaan. Mijn vriendschap jegens hem deed mij u wannen, maar de hemel schiep u, onvergelijkbaar,al zonder kaf. Vergeef mij. |
| Innogen | Goed, heer. Mijn hofinvloed staat u ten dienst. |
| Iachimo | Ik dank u zeer. Vergeten had ik haast, u om een dienst te vragen, klein maar toch gewichtig en van groot belang: uw man, mijzelf en andere edellieden zijn bij het plan betrokken. |
| Innogen | Wat is het dan? |
| Iachimo | Met zo'n twaalf man uit Rome, en uw man (de beste veer uit onze wiek) hebben wij gelapt voor een geschenk voor onze keizer: namens de anderen heb ik dat gekocht in Frankrijk: prachtig zilverwerk, juwelen, kostbaar gezet, alles van grote waarde, en als vreemdeling hier ben ik heel bezorgd, om het veilig op te bergen: wilt u het voor mij bewaren? |
| Innogen | Met alle plezier: ik zet mijn eer in dat ze veilig zijn, het gaat ook mijn man aan; ik zal ze bewaren in mijn slaapkamer. |
| Iachimo | Het zit in een kist, bewaakt door mijn knechten; ik ben zo vrij die naar u toe te sturen, voor één nacht: morgen vaar ik weer weg. |
| Innogen | O, nee, nee, nee. |
| Iachimo | Ja, alstublieft; of ik doe mijn woord tekort door langer weg te blijven. Uit Gallië kwam ik overzee, want ik wilde en zou uwe hoogheid zien. |
| Innogen | Ik dank u voor uw moeite; maar morgen niet weg. |
| Iachimo | Ik moet, mevrouw. En als u daarom nog zin hebt uw man te schrijven, doe dat dan vanavond nog: ik ben al veel te lang hier: het geschenk moet ik op tijd afleveren. |
| Innogen | Ik schrijf hem. Stuur die kist maar, ik zal er goed op passen, u krijgt haar zeker terug: van harte welkom. |
| Allen af | |