| Driekoningenavond
Twelfth Night vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
| Eerste bedrijf |
eerste toneel tweede toneel derde toneel vierde toneel vijfde toneel |
|
| |
| Er klinkt muziek. Orsino, Hertog van Illyrië, op, Curio en nog meer heren | |
| Hertog | Als de muziek voedsel der liefde is,
speel door, verzadig mij tot meer dan vol, dat mij de lust te veel wordt, en vergaat. Dat loopje weer, met dan die slotcadens. Het overvloeide mij als het lief geluid van wind die rond viooltjesbedden speelt en geur geeft die zij steelt. Genoeg, niet meer. 't Is nu niet meer zo zoet als het eerder was. O liefdegeest, zo hongerig fel zijt gij, dat niets, ondanks de ruimte die gij hebt - groot als de zee -, bij u naar binnen gaat - van welke afmeting of hoogte ook -, of 't valt tot nietige onbeduidendheid in één tel. De liefde schept zo vele vormen, zij is de beeldenrijkste van de hartstochten. |
| Curio | Wilt u op jacht gaan, heer? |
| Hertog | Waarop, Curio? |
| Curio | Op het edelhert. |
| Hertog | Ik jaag al zo lang op het edelst hart.
O, toen mijn oog voor 't eerst Olivia zag - haar geur verdreef de kwalen uit de lucht -, werd ik meteen veranderd in een hert; nu achtervolgen mij steeds mijn verlangens, die felle jachthonden. |
| Valentino op | |
| Nog nieuws van haar? | |
| Valentino | Het spijt mij, heer, ik kreeg haar niet te spreken.
Dit antwoord kreeg ik van haar kamenier: zelfs niet de lucht zal zeven hete zomers een blik gegund worden op haar gelaat, want als een non zal ze een sluier dragen, dagelijks zal zij haar kluis met vocht besprenkelen, met ogenschrijnend zilt. Want zo bewaart zij de liefde van haar dode broer. Die wil zij levend houden in droeve gedachtenis. |
| Hertog | O, een vrouw met een zo fijngevoelig hart,
dat zij al om een broer om liefde treurt, hoe zal zij minnen, als de gulden pijl alle andere gevoelens heeft gedood die in haar leven; als lever, brein en hart, de soevereine tronen, zijn bezet, gevuld haar gratie met éénzelfde koning? Snel voor mij uit naar bloemenbedden zoet: 'n beschutte plaats ligt in gedachten goed. |
Allen af | |
| Viola, een kapitein en zeelieden op. | |
| Viola | Wat voor een land is dit, vrienden? |
| Kapitein | Dit is Illyrië, mevrouw. |
| Viola | En wat moet ik doen in Illyrië?
Mijn broeder is nu in Elysium. Misschien is hij toch niet verdronken. Wat jullie, matrozen? |
| Kapitein | U mag van geluk spreken, dat u zelf bent gered. |
| Viola | Mijn arme broer! Misschien hij ook wel. |
| Kapitein | Troost u, mevrouw, met wat gebeurd kan zijn.
Weet dan, dat toen ons schip in tweeën spleet, toen u en de paar man, met u gered, zich aan de weggeslagen boot vastklampten, zag ik, hoe uw broer - steeds op gevaar beducht - zich vastbond (moed en wanhoop leerde hoe) aan een sterke mast die op de golven dreef; als Arion op de rug van de dolfijn zag ik hem aan het oppervlakte blijven, zolang ik zien kon. |
| Viola | Hier is wat goud voor deze woorden.
Ik ben zelf ontkomen, en dat geeft mij hoop - met daarbij dat wat jij mij net vertelt -, dat 't hem net zo is. Ken jij dit land? |
| Kapitein | Zeker, mevrouw. Nog geen drie uur van hier
ben ik geboren en getogen. |
| Viola | Wie leidt dit rijk? |
| Kapitein | Een Hertog, nobel van aard en naam. |
| Viola | Hoe heet hij? |
| Kapitein | Orsino. |
| Viola | Orsino! Die naam hoorde ik ooit van vader.
Toen was hij niet getrouwd. |
| Kapitein | En nu nog niet, althans tot voor heel kort.
Ik ben pas een maand geleden weggegaan, en toen ging net het nieuwtje rond (u weet: de kleinen kletsen van wat groten doen), dat hij dong naar de hand van schone Olivia. |
| Viola | En wie is dat? |
| Kapitein | Een deugdzaam meisje, dochter van een graaf.
Die stierf een jaar geleê, en liet haar achter in de bescherming van zijn zoon, haar broer, die kort daarop ook stierf. Uit liefde om hem (zegt men), heeft zij een eed gezworen nooit meer een man te zien. |
| Viola | Kon ik die dame dienen,
en kon voor iedereen verborgen blijven - tot ik de tijd rijp acht voor openheid - wie ik werkelijk ben. |
| Kapitein | Dat zal lastig worden:
ze wijst alle verzoeken van de hand, ja, zelfs die van de Hertog. |
| Viola | Jij bent een vriendelijk man, mijn kapitein.
Anders dan in de natuur een prachtmuur vaak rond veel rommel staat, geloof ik graag, dat jij een inborst hebt die zeer wel past bij jouw zo schone uiterlijke voorkomen. Wil je alsjeblieft (en ik zal je rijk belonen) mij bijstaan, en verbergen wat ik ben bij de vermomming die ik indien nodig zal aannemen. Ik wil die Hertog dienen; jij moet mij hem als eunuch voorstellen. Het zal jouw moeite waard zijn, want ik zing goed. Ik zal over veel muziek met hem gaan praten, en zo mijn dienstbetrekking waardig zijn. En al het andere leert ons de tijd. Als mijn slim plan jou maar tot stilte leidt. |
| Kapitein | Goed, eunuch dus; van mij krijgt hij geen hint.
Als mijn tong klikt, sla dan mijn ogen blind. |
| Viola | Bedankt. Breng mij er heen. |
Allen af | |
| Jonker Tobias Burp en Maria op. | |
| Jonker Tobias | Wat voor onzin heeft mijn nichtje voor om de dood van haar broer zo op te nemen? Ik weet zeker, dat te veel piekeren de vijand voor het leven is. |
| Maria | U moet 's avonds echt eens vroeger naar huis komen, Jonker Tobias. Uw nichtje, mijn mevrouw, maakt er nogal wat bezwaar tegen, dat u zich zo slecht aan de tijd houdt. |
| Jonker Tobias | Och, dan maar bezwaar, als het zo zwaar ligt. |
| Maria | Ja, maar u houdt zich niet keurig aan eenvoudige regels. |
| Jonker Tobias | Hoezo mag ik iets niet aanhouden? Mijn kleren zijn keurig genoeg; ze zijn goed genoeg voor de kroeg, en deze laarzen ook. Zo niet, laat ze zichzelf dan maar ophangen. |
| Maria | Dat brassen en dat drinken ruïneert u nog. Gisteren had mevrouw het er nog over. En ook over die gekke jonker die u op een avond eens mee bracht om haar het hof te maken. |
| Jonker Tobias | Wie, Jonker Andries Bibberwang? |
| Maria | Ja, die. |
| Jonker Tobias | Zo'n groot man vind je in heel Illyrië niet. |
| Maria | Hoezo, groot? |
| Jonker Tobias | Hij heeft een inkomen van drieduizend goudstukken per jaar. |
| Maria | En geeft ze binnen een jaar uit. Hij is een stomme vent, die zijn geld er door jaagt. |
| Jonker Tobias | Foei, dat mag u niet zeggen. Hij speelt viola da gamba, spreekt wel drie of vier talen zonder een boek ingekeken te hebben, en heeft alle goede eigenschappen die de natuur kan geven. |
| Maria | Natuurlijk, hij is net zoals hij geboren is. Hij is niet alleen een gekke vent, maar hij vecht ook te veel. Hij heeft talent voor lafheid, en laat zijn woede in het gevecht snel afkoelen. Maar wie verstandig is, ziet dat hij een levendig talent heeft voor het graf. |
| Jonker Tobias | Bij deze sterke hand, welke schurken en lasteraars praten er zo over hem? Wie zijn dat? |
| Maria | Mensen die er aan toevoegen, dat hij elke avond dronken is waar u bij bent. |
| Jonker Tobias | Wij drinken op de gezondheid van mijn nichtje. Dat doe ik zo lang er nog iets door mijn keel kan, en zo lang er nog drank is in Illyrië. Hij is een lafaard en een lummel, die pas op mijn nichtje wil drinken als zijn hersenen in de rondte draaien, als een drijftol. Pas op, meid. Castiliano vulgo: hier hebben we Jonker Andries Bibberwang. |
| Jonker Andries Bibberwang op | |
| Jonk. Andries | Jonker Tobias Burp! Hoe gaat het, Jonker Tobias Burp? |
| Jonker Tobias | Beste Jonker Andries. |
| Jonk. Andries | Dag, lekker muisje. |
| Maria | Dag, meneer. |
| Jonker Tobias | Hoffelijk, Jonker Andries, het hof maken. |
| Jonk. Andries | Wat is dat nou? |
| Jonker Tobias | Het kamermeisje van mijn nichtje. |
| Jonk. Andries | Beste mevrouw Hof, mag ik nader met u kennis maken? |
| Maria | Ik heet Maria, heer. |
| Jonk. Andries | Beste mevrouw Maria Hof. |
| Jonker Tobias | U doet het niet goed, jonker. 'Het hof maken' is: naar een vrouw toegaan, haar meenemen, haar liefde betonen, haar bestormen, haar veroveren. |
| Jonk. Andries | Maar, waar dit gezelschap bij is zal ik toch echt mijn handen wel thuis laten. Is dat allemaal de betekenis van 'het hof maken'? |
| Maria | Eh, tot ziens, heren. |
| Jonker Tobias | Als jij ze zo laat gaan, Jonker Andries, hoef je je zwaard nooit meer te trekken. |
| Jonk. Andries | Als u zo weggaat, mevrouw, dan hoef ik mijn zwaard nooit meer te trekken. Mooie dame, u denkt zeker dat u hier met een stelletje gekken te doen heeft. |
| Maria | Meneer, ik wil met jullie niets doen. |
| Jonk. Andries | O, maar dat komt vast wel, mijn hand erop. |
| Maria | Denk maar wat u wil. Leg die hand van u maar op de onderdeur, dan kan die nat worden in de regen. |
| Jonk. Andries | Hoe dat zo, schatje? Leg eens uit wat u bedoelt. |
| Maria | Die hand lust wel wat, meneer. |
| Jonk. Andries | Dat dacht ik ook. Maar ik ben niet zo'n stomme ezel dat ik mijn hand nat laat regenen. Waar zit hem dan uw humor? |
| Maria | Het is maar hele dreuge humor, meneer. |
| Jonk. Andries | Heeft u daar nog meer van? |
| Maria | Die heb ik nou bij de hand; en als ik uw hand loslaat, heb ik niets meer. |
| Maria af | |
| Jonker Tobias | Wat jij nodig hebt, Jonker, is een pot niet al te droge Canarische wijn. Wanneer heb ik je zo gevloerd gezien? |
| Jonk. Andries | Nooit, of het kwam door de Canarische wijn. Het lijkt mij soms, dat ik niet groter geschapen ben dan een christenmens of een gewone man. Maar ik ben een groot liefhebber, van rundvlees, en soms denk ik dat dat slechte invloed heeft op mijn grootte, verstand. |
| Jonker Tobias | Helemaal niet. |
| Jonk. Andries | Nee, maar als ik het echt dacht, zou ik het niet meer eten. Morgen rij ik weer naar huis, Jonker Tobias. |
| Jonker Tobias | Pourquoi, mijn waarde jonker? |
| Jonk. Andries | Wat is Pourquoi? Doen, of niet doen? Ik wou, dat ik de tijd die ik aan schermen, dansen en aan berenvechten heb gegeven, aan de talen had besteed. O, had ik mij toch maar toegelegd op de schone kunsten! |
| Jonker Tobias | Dan had je ten minste een knappe kop gehad. |
| Jonk. Andries | Zou mijn haar dan ook beter hebben gezeten? |
| Jonker Tobias | O zeker, want je ziet dat het van nature niet krult. |
| Jonk. Andries | Maar het staat me wel goed, hè? |
| Jonker Tobias | Uitstekend, het hangt als vlas rond een spinrokken; ik hoop het nog mee te maken, dat een vrouwtje jouw zo tussen haar benen neemt, dat die haren van jou er af vliegen. |
| Jonk. Andries | Ik wil morgen echt naar huis, Jonker Tobias. Uw nichtje wil zich niet laten zien, en ook al wou ze wel, dan is het nog vier tegen een dat ze niks van mij moet. De Hertog zelf, hier vlak bij, dingt naar haar hand. |
| Jonker Tobias | Daar hoeft ze ook al niks van. Ze wil niet trouwen boven haar stand, wat rijkdom, jaren of ontwikkeling. Dat hoor ik haar nog zweren. Tut, tut, man, er is nog hoop. |
| Jonk. Andries | Dan blijf ik nog een maand. Ik ben iemand met de meest verbazingwekkendste eigenschappen in de wereld. Ik verlies mij soms helemaal in maskerspelen en fantastisch toneel. |
| Jonker Tobias | En ben je dan ook goed in die dingetjes, jonker? |
| Jonk. Andries | Beter dan wie ook in Illyrië, minder dan mij. Ook wil ik mij niet vergelijken met een oude rot. |
| Jonker Tobias | Hoe voortreffelijk ben je dan, jonker, in de gaillarde? |
| Jonk. Andries | Ik ben aardig goed in bokkensprongen. |
| Jonker Tobias | Ik ben ook redelijk in het bespringen. |
| Jonk. Andries | Mijn terugslagsprong is gewoon heel sterk voor iemand uit Illyrië. |
| Jonker Tobias | Waarom is dit allemaal niet bekend. Waarom hangt er voor deze talenten een gordijn. Vangen ze zo gemakkelijk stof, als het portret van Mevrouw Marie? Waarom ga jij niet in een Gaillarde naar de kerk, en kom je in een courante terug naar huis? Als ik zou lopen zou dat in een Schotse driepas zijn. Wateren zou ik in een vijfstap willen doen. Waarom doe je dit? Is deze wereld bedoeld om je talenten in te verbergen. Als ik zie wat voor prachtig stel benen jij hebt, dan zou ik zeggen dat jij onder het teken van de Gaillarde geboren bent. |
| Jonk. Andries | Ja, goed, hè; en het gaat nog veel beter met een donkere maillot aan. Zullen we een dansje maken? |
| Jonker Tobias | Wat moeten we anders doen? We zijn toch niet geboren onder de Stier? |
| Jonk. Andries | De Stier? Dat is de borst en het hart. |
| Jonker Tobias | Nee, man, benen en dijen. Laat me je nog eens zien springen. Ha, hoger. Ha, Ha, heerlijk. |
Allen af | |
| Valentino en Viola op - in mannenkleren. | |
| Valentino | Als de hertog u zo zijn gunsten blijft geven, Cesario, dan zult u het nog ver brengen. Hij kent u pas drie dagen, en u bent al geen vreemde meer. |
| Viola | U bent bang voor zijn grilligheid of mijn nalatigheid, als u zo de duur van zijn liefde in twijfel trekt. Is zijn gunst dan niet altijd even constant? |
| Valentino | Nee, zeker niet. |
| De Hertog, Curio en dienaren op | |
| Viola | Bedankt. Daar is de graaf. |
| Hertog | Wie weet waar Cesario is. |
| Viola | Geheel tot uw dienst, heer. |
| Hertog | [Tegen Curio en dienaren] Ga even iets terug.
[Tegen Viola] Cesario, nu je alles weet, ik jou ontsloten heb het boek met wat in mij verborgen ligt, ga, waarde jongeman, op weg naar haar; laat jou geen 'nee' afschrikken bij haar deur; zeg hen, dat je daar wortel schieten zal totdat je toegelaten wordt. |
| Viola | Maar, heer,
als zij door smart zozeer vereenzaamd is als er gezegd wordt, laat zij mij nooit toe. |
| Hertog | Roep, schreeuw, breek alle grenzen der beleefdheid,
maar kom niet onverrichter zake terug. |
| Viola | En als ik haar dan spreek, heer, ja, wat dan? |
| Hertog | Laat dan de passie van mijn liefde los,
het verhaal verrast haar van mijn diepste trouw. Hoe goed speel jij voor haar mijn liefdessmart: zij luistert heel wat beter naar jouw jeugd dan naar een boodschapper van zwaarder slag. |
| Viola | Ik denk van niet, heer. |
| Hertog | Geloof mij toch, jongen.
Wie zegt dat jij al man bent, ziet niet goed wat een gelukkige jeugd jij hebt. Diana heeft geen zachtere, rodere lippen; jouw stem hoog, helder, niet gebroken, past een meisje, ja, alles aan jou is als bij een vrouw. Jouw aanleg, weet ik, is zeer wel geschikt voor deze zaak. Ga met z'n vijven mee. Ja, allemaal, want ik voel me het beste in alle eenzaamheid. Lukt dit je goed, dan deelt je heer met jou heel zijn bezit, zijn rijkdom is van jou. |
| Viola | Ik doe mijn best
uw liefdetolk te zijn. [Terzijde] Het doet wel pijn, dit minnen, waar ik zelf zijn vrouw wou zijn. |
| Allen af
| |
| Maria en clown op | |
| Maria | Nou, of je vertelt me waar je bent geweest, of ik doe mijn mond voor geen streepje open om je te verexcuseren. Mijn mevrouw zal je laten hangen omdat je er niet was. |
| Clown | Laat ze dat dan maar doen. Wie op deze wereld goed gehangen wordt, hoeft niet meer bang te zijn voor de vijand. |
| Maria | Hoezo dat dan? |
| Clown | Hij zal er geen meer zien om bang van te worden. |
| Maria | Zwak, hoor. Ik zal je eens vertellen waar die uitdrukking vandaan komt. |
| Clown | Waar dan? |
| Maria | Uit de oorlog, Als u het daar, in al uw grappen, durft te zeggen, dan bent u pas echt grappig. |
| Clown | Och, geve God wijsheid aan wie wijs zijn, en laat wie narren zijn hun talenten goed gebruiken. |
| Maria | Toch zult u worden opgehangen, omdat u zo lang weg bent geweest; of ontslagen worden - is dat niet even fijn als ophangen? |
| Clown | Beter goed gehangen dan slecht getrouwd. En wat dat ontslag betreft - och, als het weer maar mooi blijft. |
| Maria | Bent u dan vastbesloten? |
| Clown | Nee, dat niet, maar ik weet twee dingen zeker. |
| Maria | Dan kan er altijd eentje breken. Als ze allebei kapot gaan, zakt uw broek af. |
| Clown | Die is goed, ha, die is heel goed. Zo kandie wel weer. Als jonker Tobias ophield met drinken, was jij het lekkerste stukje mals vlees in heel Illyrië. |
| Maria | Mond dicht, stouterik, zo is het wel genoeg. Hier komt mijn mevrouw. U kunt maar beter uw welgemeende excuses aanbieden. |
| Maria af
Olivia op, met Malvolio en dienaren | |
| Clown | Als je wilt, Slimheid, zorg dan dat ik een paar goede grappen kan maken. Die slimme jongens die denken dat ik ook slim ben, staan soms aardig voor schut. En ik, die zeker weet dat ik je niet bezit, kan aardig doorgaan voor een wijs man. Want wat zegt Quinapalus? 'Beter een grappige lul, dan een lullige grap'. God zij met je, Mevrouw. |
| Olivia | Afvoeren die gek. |
| Clown | Horen jullie dat niet, kerels? Afvoeren die mevrouw. |
| Olivia | Kom, u bent een droge nar. Ik wil niet meer naar u luisteren. U wordt mij verder ook wat al te vrijpostig. |
| Clown | Twee fouten, madonna, die te verbeteren zijn met drinken en met wijze raad. Want, geef de Clown te drinken, dan is de Clown niet meer zo droog; laat wie vrijpostig is, zichzelf helpen; lukt dat, dan is hij het niet; doet hij het belabberd, dan moet hij worden opgelapt. Verbeteren is altijd oplappen. Gaat deugd te ver, dan lapt de zonde haar er wel bij; als zonde zich betert, dan is die opgelapt door deugdzaamheid. Dat is pas eenvoudig denken, zo. Baadt het niet, het schaadt ook niet. Want, zoals rampspoed de enige echte hoorndrager is, zo is schoonheid een bloem. De Mevrouw vroeg de gek af te voeren; dus zeg ik nog een keer: voer haar af. |
| Olivia | Maar man, ik heb ze gevraagd u af te voeren. |
| Clown | Onbegrip in de eerste graad. Mevrouw, cucullus non facit monachum: dat wil ongeveer zeggen, dat mijn hoofd niet vol zit met narrengrappen. Goede Madonna, mag ik bewijzen dat u een Clown bent. |
| Olivia | Kunt u dat dan? |
| Clown | Heel handig, goede Madonna. |
| Olivia | Bewijs het dan. |
| Clown | Dan moet ik u de catechismus laten opzeggen, Madonna. Zeg eens, lief klein meisje. |
| Olivia | Goed man, omdat ik niets anders te doen heb, zal ik naar uw bewijs luisteren. |
| Clown | Madonna, waarom treur je? |
| Olivia | Maar nar, om de dood van mijn broer. |
| Clown | Ik denk dat zijn ziel in de hel is, madonna. |
| Olivia | Ik weet dat zijn ziel in de hemel is, nar. |
| Clown | Dat bent u de grootste nar, Madonna, omdat u treurt om uw broer die in de hemel is. Afvoeren die gek, heren. |
| Olivia | Wat denkt u van deze gek, Malvolio, is hij zich niet aan het beteren? |
| Malvolio | Zeker, en dat blijft zo door gaan, tot hij de doodsreutels voelt aankomen. Hoe meer de zwakheid wijze mannen aftakelt, hoe beter de narren worden. |
| Clown | Hoe sneller God u doet aftakelen, hoe narriger u wordt. Jonker Tobias wil er een eed op doen dat ik geen vos ben, maar hij heeft er geen twee stuivers voor over, dat u geen Clown bent. |
| Olivia | Wat zegt u daarop, Malvolio? |
| Malvolio | Mevrouw, het verbaast me, dat u zich kunt vermaken met dit soort leeghoofdigheid. Nog eergister heb ik gezien hoe hij pootje werd gelicht door zo' n herbergnar, die niet meer hersens heeft dan een steen. Kijk, nou weet hij al niet meer wat hij moet zeggen: als u niet lacht en hem wat aangeeft, staat hij met zijn mond vol tanden. Geloof me, het soort wijze mannen die kraaien voor het soort gekken dat kunstjes uit hun hoofd geleerd heeft vind ik gewoon na-apers van narren. |
| Olivia | O, u bent ziek van eigenliefde, Malvolio, en u proeft alles met een verwrongen smaak. Wie ruimdenkend en grootmoedig is, en wie geen fouten ziet, beschouwt kanonskogels als vogelpijltjes. Wie als Clown bekend staat kan geen laster spreken, al spot hij de hele dag; en een verstandig man kan niet spotten, al staat hij de hele dag te kankeren. |
| Clown | Moge Mercurius je leren liegen, want je spreekt goed van de narren. |
| Maria op | |
| Maria | Mevrouw, er is een jongeman aan de poort die u dringend wenst te spreken. |
| Olivia | Hij komt zeker van Hertog Orsino? |
| Maria | Dat weet ik niet, Mevrouw; hij is erg knap, met een waardig gevolg. |
| Olivia | Wie van mijn mensen heeft hem aangesproken? |
| Maria | Uw neef, Jonker Tobias, Mevrouw. |
| Olivia | Haal die daar alstublieft weg; hij praat alleen onzin. Goeie genade. [Maria af] Ga ook, Malvolio. Als het een boodschap is van de Hertog, dan ben ik ziek, of niet thuis. Verzin maar wat om het op te lossen. |
| Malvolio af | |
| Nu ziet u, kerel, hoe u grappen oubollig worden, en dat u niet meer in de smaak valt. | |
| Clown | U hebt voor ons gepleit, alsof uw oudste zoon een Clown was. Moge Jupiter zijn hersens vol verstand stoppen, want hier komt hij; eentje uit jullie familie heeft een heel zwakke pia mater. |
| Jonker Tobias op | |
| Olivia | Ook dat nog, half dronken. Wie is dat bij de poort, neef? |
| Jonker Tobias | Een heer. |
| Olivia | Een heer? Wat voor heer? |
| Jonker Tobias | Een heer, hrrrrr.. [Hikt]. Duizend pekelharingen nogantoe! Wat is er, zatte zotskap? |
| Clown | Beste Jonker Tobias! |
| Olivia | Neef, neef, zo vroeg op de ochtend en nu al de kluts kwijt? |
| Jonker Tobias | Ik lust kwijt? Laat de lust maar komen. D'r staat er een bij het poortje te wachten. |
| Olivia | Ja, inderdaad, wie is dat? |
| Jonker Tobias | Al wastie de duivel en z'n moer, tsal mij nzorg wezen. Geloof me, tkanmenieschelen. |
| Af | |
| Olivia | Waar lijkt een dronkenlap op, nar? |
| Clown | Op een drenkeling, een dolleman en een zottekop. Eén teug boven je theewater maakt je dol, nog een maakt je gek, en van de derde verdrink je. |
| Olivia | Ga jij de lijkschouwer maar opzoeken voor mijn neef, want hij is derdegraads bedronken: hij is verdronken. Ga hem halen, opschieten. |
| Clown | Hij is pas dol, madonna, en de Clown zal voor de dolleman zorgen. |
| Af
Malvolio op | |
| Malvolio | Mevrouw, die jongeman daarginds wil u per se spreken. Ik zei hem dat u ziek was; en hij neemt dat graag aan, en zegt dat hij u daarom juist wil spreken. Ik zei dat u sliep; maar dat schijnt hij ook al te weten, en zegt dat hij daarom met u wil praten. Wat moet ik tegen hem zeggen, Mevrouw? Hij heeft zich verschanst tegen elke afwijzing. |
| Olivia | Zeg hem, dat hij mij te spreken zal krijgen. |
| Malvolio | Dat is hem al gezegd: maar hij zegt dat hij bij uw deur zal blijven staan als een soort wachtpost, en poot van een bank zal worden tot hij u te spreken krijgt. |
| Olivia | Wat soort man is hij? |
| Malvolio | Een man als iedere andere. |
| Olivia | Maar hoe zijn manieren? |
| Malvolio | O, hele slechte manieren: hij moet en zal u spreken, of u wilt of niet. |
| Olivia | Hoe ziet hij eruit, en hoe oud is hij? |
| Malvolio | Hij is nog niet oud genoeg voor een man, en niet jong genoeg voor een knaap: hij is te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken; geen vlees geen vis; tussen jongen en man. Hij ziet er goed uit, en hij praat fel. Je zou zeggen dat hij nog maar net van de moedermelk af is. |
| Olivia | Laat hem maar binnenkomen. Roep mijn gezelschapsdame. |
| Malvolio | Juffrouw, de Mevrouw roept. |
| Af
Maria op | |
| Olivia | Doe vlug mijn sluier over mijn gezicht.
Wat heeft Orsino ons nu weer te zeggen. |
| Viola op | |
| Viola | Wie van u is de edele vrouwe van dit huis? |
| Olivia | Wend u tot mij, ik zal hier voor haar spreken. Wat wenst u? |
| Viola | Gij stralendste, voortreffelijkste, en ongeëvenaarde schoonheid, zeg mij alstublieft of dit de vrouwe van dit huis is, want ik heb haar nog nooit gezien. Ik zou niet graag mijn toespraak voor de verkeerde houden: want de tekst is niet alleen voortreffelijk geschreven, ik heb ook veel moeite gedaan om hem uit het hoofd te leren. Lieve schoonheden, houd me niet voor de gek; ik ben heel gevoelig, zelfs voor het minste woord van afkeuring. |
| Olivia | Waar komt u vandaan, heer? |
| Viola | Ik kan alleen maar dat zeggen wat ik uit het hoofd heb geleerd, en die vraag stond niet in mijn tekst. Lieve mevrouw, geef me enige verzekering dat u de vrouwe van het huis bent, dan kan ik doorgaan met mijn toespraak. |
| Olivia | Bent u een toneelspeler? |
| Viola | O, het idee. En toch, bij de giftand van het kwaad van de fortuin zweer ik hier, dat ik niet dat ben wat ik speel. Bent u de vrouwe van het huis? |
| Olivia | Als ik niet hier mijzelf speel, ja. |
| Viola | Zo u het bent, dan houdt u zich ten onrechte voor uzelf; want wat van u is om weg te schenken, geeft u nog niet het recht om te behouden. Maar dit is geen onderdeel van mijn boodschap. Ik ga nu door met een lofrede op u, en dan hoort u de kern van mijn boodschap. |
| Olivia | Geef gelijk de kern maar; laat de lofrede maar zitten. |
| Viola | Wat jammer, ik heb zo mijn best gedaan om haar uit mijn hoofd te leren; en het is nog poëtisch ook. |
| Olivia | Des te minder is er van waar; houd het maar voor uzelf. Wij horen, dat u zich bij de poort nogal brutaal heeft gedragen. Wij hebben u daarom meer uit verbazing toegelaten dan om naar u te luisteren. Als u gek bent, ga dan maar gauw, als u bij uw verstand bent, wees dan kort. De maan staat nu niet zo dat ik zin heb in een wild gesprek. |
| Maria | Wilt u het zeil maar hijsen, meneer? Deze kant op. |
| Viola | Nee, mijn beste zwabbergast, ik wil hier nog even liggen. Mevrouw, maak uw reus wat makker. Wilt u mijn boodschap horen? |
| Olivia | U moet wel iets gruwelijks te vertellen hebben, als u het met zo'n vreselijke hoffelijkheid omringt. Zeg wat u komt doen. |
| Viola | Het is alleen voor uw oren bestemd. Ik breng geen oorlogsverklaring, en ik eis niet dat u zich onderwerpt. Ik houd de olijftak in mijn hand. Mijn woorden zijn uitsluitend vredelievend. |
| Olivia | Maar toch begon u onbehouwen. Wie bent u? Wat wilt u? |
| Viola | Dat ik zo onbehouwen overkwam lag aan de ontvangst. Wie ik ben, en wat ik wil, is net zo geheim als maagdelijkheid: voor uw oren religie, voor andere profanatie. |
| Olivia | Laat ons hier alleen: wij willen die theologie wel horen. |
| Maria en dienaren af | |
| Wel, heer, hoe loopt uw tekst? | |
| Viola | Allerliefste Vrouwe- |
| Olivia | Een troostrijke leer, waar heel wat over te zeggen valt. Waar vindt u die tekst? |
| Viola | In Orsino's hart. |
| Olivia | In zijn hart? In welk hoofdstuk van zijn hart? |
| Viola | Als ik in dezelfde stijl doorga: in het eerste van zijn hart. |
| Olivia | O, dat heb ik gelezen: dat is ketterij. Heeft u niets meer te zeggen? |
| Viola | Beste mevrouw, mag ik uw gezicht zien. |
| Olivia | Heeft u enige opdracht van uw heer om met mijn gezicht te onderhandelen? U gaat nu buiten uw tekst: maar we zullen het gordijntje opzij schuiven en u het schilderij laten zien. [Zij slaat haar sluier terug] Kijk, meneer, dit was ik vandaag. Is het niet een prachtig stuk? |
| Viola | Voortreffelijk gemaakt, alsof het helemaal Gods werk is. |
| Olivia | De kleur is echt, heer, tegen weer en wind bestand. |
| Viola | Het is waarlijk schoon, en met een rood en wit,
de zoete, knappe hand van de Natuur verraadt zich. Gravin, u bent de wreedste vrouw op de aarde, als u die charme mee neemt naar het graf zonder een evenbeeld. |
| Olivia | Meneer, zo hard van hart zal ik niet zijn: ik zal mijn schoonheid op verscheidene oorkonden laten vastleggen. Er komen lijsten van, en elk stukje en beetje komt op een papiertje als bijlage van mijn testament. Daar staat dan: item, twee lippen van onbestemd rood; item, twee lichtblauwe ogen, met daarbij twee leden; item, een hals, een kin, enzovoorts. Heeft men u hierheen gestuurd om mij te taxeren? |
| Viola | Ik zie u, zoals u bent: u bent te trots:
maar al was u een duivel, u bent mooi. Mijn heer en meester mint u: beantwoord toch zo'n liefde, ook al droeg u nog de kroon van het allerschoonste schoon. |
| Olivia | Hoe mint hij mij? |
| Viola | Met adoratie, met een vloed van tranen,
met donderend lief gekreun, met zucht vol vuur. |
| Olivia | Uw heer weet, dat ik hem niet minnen kan.
Toch zal hij waardig zijn, een edel mens, van stand, en rijk, van smetteloze jeugd; geëerd, ruimdenkend, dapper en geleerd, en welbegaafd qua uiterlijk en geest. Maar weet dat ik niet van hem houden kan. Hij weet sinds lang, dat het antwoord is. |
| Viola | Als ik u liefhad met mijn meesters vuur,
met zoveel smart, dat leven was als dood, dan was uw weigeren voor mij zonder zin, ik zou het niet begrijpen. |
| Olivia | Maar, wat zou u dan doen? |
| Viola | Ik zou een wilgenhutje maken bij uw poort,
en riep dan steeds mijn ziel aan in het huis; ik schreef liefdezangen van verworpen trouw, en zong ze luid, tot in het holst der nacht; uw naam weerkaatste van de heuvels rond, wanneer de vlotte babbelkous der lucht uitriep: 'Olivia'. O, u rustte niet tussen de elementen aarde en lucht, voor u mij binnen liet. |
| Olivia | Dat hielp wellicht.
Wat is uw afkomst? |
| Viola | Meer dan ik verdien, maar mijn staat nu voldoet:
ik ben een edelman. |
| Olivia | Ga naar uw heer:
ik kan niet van hem houden: laat hem nooit meer iets sturen, tenzij u hierheen komt en mij zegt hoe hij het opneemt. Vaarwel dan: ik dank u voor de moeite; dit is voor u. |
| Viola | Ik hoef niet betaald, mevrouw; houd toch uw beurs;
mijn meester dient beloond, en niet ikzelf. Laat zijn hart als u het ooit mint zijn van steen, en dat uw hartstocht dan, als nu mijn heer, bespot wordt. Wrede schoonheid, tot nooit weer. |
| Af | |
| Olivia | 'Wat is uw afkomst?'
'Meer dan ik verdien, maar mijn staat nu voldoet: ik ben een edelman.' Ja, inderdaad: je tong, gelaat, gebaren, handelen, moed, geven je vijf blazoenen. Niet te vlug. Stop. Als eens de knecht de meester was. Ah, nee. Grijpt deze kwaal zo plotseling ons aan? Het is of de schoonheid van die jongeman onzichtbaar, onweerstaanbaar binnensluipt hier in mijn ogen. Ach, laat het zo zijn. Malvolio! |
| Malvolio op | |
| Malvolio | Mevrouw, geheel tot uw dienst. |
| Olivia | Ren die onhebbelijke bode na,
die van de graaf; hij liet hier deze ring, of ik wou of niet; zeg hem, dat ik hem niet wil. En ook, dat hij zijn heer geen valse hoop meer geven hoeft: ik ben niet meer voor hem. Als deze jongeman morgen soms komt, zal ik het hem uitleggen. Schiet op, Malvolio. |
| Malvolio | Zeker, mevrouw. |
| Olivia | Wat doe ik toch; straks blijkt dat mijn verstand
door eigen oog verleid is en verpand. Lot, toon uw kracht. Wij zijn onszelf in schijn: wat is beschikt, gebeurt: laat dat zo zijn. |
Af | |