| Koning Edward 3
king edward the third vertaling Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste toneel - Londen. Een staatsievertrek in het paleis. Trompetgeschal. Koning Edward op, Derby, Kroonprins Edward, Audley en Artois. | |
| Koning Edward | Robert d’Artois, uit je geboorteland,
Frankrijk, verbannen, krijg je toch bij ons een even grandioze heerlijkheid: wij maken je tot Graaf van Richmond hier. En om met onze stamboom door te gaan: Wie volgde er Phillip le Bew toen op? |
| Artois | Zijn drie zonen, die allen na elkaar
hun vaders vorstentroon bezetten, maar stierven, en geen kinderen verwekten. |
| Koning Edward | Maar was mijn moeder niet een zus van hen? |
| Artois | Zeker, mylord; en deze Isabel
was de enige dochter die die Phillip had, die uw vader later huwde als zijn vrouw; en uit de geurige lusttuin van haar schoot kwam uzelf voort, Europa’s bloem en hoop, door afstamming dus Frankrijks erfgenaam. Merk de rancune van opstandige lui: toen de rechte lijn dood was van Le Bew, moffelde Frankrijk uw moeders recht weg, en, al volgde zij in lijn, men riep John, van het huis Valois, uit tot hun vorst: want, zegt men wel, het Franse Koninkrijk, zo vol Prinsen van grootse afstamming, hoorde geen leider te dulden, tenzij afkomstig van een mannelijke lijn; juist daarom, ja, ging men aan haar voorbij. Maar die gefabriceerde redenen zullen stofhopen blijken van los zand. Wellicht vindt men het uiterst ongehoord, dat ik, een Fransman, dit naar buiten breng: maar hoor, hemel, wat ik daartoe hier zweer: het is geen haat of wrok om iets privé’s, maar liefde voor mijn land en voor het recht zet mijn tong aan tot zulk een spraakzaamheid. In rechte lijn bent u onze vredewacht, waar John van Valois indirect naar reikt; dan, onderdanen, omhels toch uw Vorst! Waarin komt onze plicht niet beter uit dan dat een trots tiran wordt neergehaald en de echte herder het hoofd wordt van het rijk. |
| Koning Edward | Zoals vruchtbare regen, Artois, geeft deze raad
een extra scheut groei aan mijn waardigheid; en met je woorden, vol vurige kracht, ontspringt er weer felheid, moed in mijn hart - tot nu overgroeid door onwetendheid, die omhoog stijgt op gouden vleugels roem, en Isabels afkomst aantonen gaat, en te zwaard de stijfkoppen onderwerpen kan die tegen mijn Franse macht aantrappen. Er klinkt een hoornsignaal Een boodschapper? - Hoor eens, Audley, waarvandaan. Audley af, en direct weer terug op |
| Audley | De Hertog van Lorrain komt van overzee
en vraagt uwe hoogheid om een onderhoud. |
| Koning Edward | Laat komen, heren, dan horen wij het nieuws.
Heren af. De Koning gaat op zijn staatsiezetel zitten. De Heren weer op; met Lorraine, en gevolg Wel, Hertog van Lorrain, wat brengt je hier? |
| Lorraine | Koning John van Frankrijk, de grote vorst,
laat je groeten, Edward, en wil, door mij, dat, waar door zijn vrijgevigheid jou het Hertogdom Guyen toegevallen is, jij hem daarvoor nederig danken zult. Dienovereenkomstig draag ik jou hier op, binnen veertig dagen naar Frankrijk te gaan, om daar, zoals het de gewoonte is, te zweren dat je de vorst trouw zult zijn; zo niet, vervalt jouw recht op dat gebied, en neemt hij het land zelf weer in bezit. |
| Koning Edward | Welk een gelegenheid lacht mij hier toe!
Denk ik me daar naar Frankrijk toe te gaan, of ik word gelijk gevraagd, ja, meer bedreigd, op-straffe-van, of-ik-maar-komen-zal: hem toegeven was wel heel kinderlijk. Lorrain, breng dit als antwoord aan je heer: ik wil hem bezoeken, zoals hij verlangt; maar hoe? Niet onderdanig buigend, nee, maar als overwinnaar waar hij buigen moet. Zijn kromme, grove listen zijn aan het licht: de waarheid trekt het vizier van zijn gezicht, dat al zijn arrogantie glanzen deed. En durft hij trouw bevelen van mijn kant? De kroon is van mij, die hij onwettig draagt; hij hoort te knielen, waar hij zijn voet zet. Ik eis hier niet een hertogdommetje maar alle landsdelen van het grote rijk, en als hij die mopperend weigeren gaat, rits ik hem die geleende pluimen af en stuur ik hem naakt de woestenij in. |
| Lorraine | Dan, Edward, ondanks al jouw heren hier,
daag ik je hierbij uit voor een duel. |
| Prins Edward | Uitdaging, Fransman? Die kaatsen we terug,
helemaal tot diep in je meesters keel. En, met evenveel respect als ik spreek van de vorst, mijn vader en de heren hier, zo noem ik die boodschap van jou maar grof, en wie jou stuurde kroop stiekem omhoog naar het adelaarsnest, als de luie bastoon; waar we hem van weg gaan schudden met een storm - wat de anderen door zijn pijn daar wel weg houdt. |
| Warwick | Laat hem dat leeuwenmasker van hem afdoen,
want als hij de Leeuw tegenkomt in het veld kan die hem wel kleinscheuren voor zijn jong. |
| Artois | De beste raad die ik zijn hoogheid geven kan
is overgave vóór hij ervanlangs krijgt. Laakbaar handelen rekent men minder aan dan fel tegen terecht verdenken in te gaan. |
| Lorraine | Ontaarde schurk, jij, adder voor de plaats
waar jij als kind zozeer gekoesterd werd! Heb jij soms deel aan al dit samenzweren?Hij trekt zijn zwaard. |
| Koning Edward | [Die ook zijn zwaard trekt] Zie eens, Lorraine, hoe scherp het is, dit staal:
iets heel graag willen tegen mijn hart in prikt meer als een roos dan hier, deze kling; dat zal mij pijn doen, als de nachtegaal, zo dikwijls als ik mij ter ruste leg, tot ik mijn vaandels in Frankrijk ontvouw. Dat is mijn laatste woord; dus, gaat u maar. |
| Lorraine | Dit raakt mij minder, noch de branietaal
van Engeland, dan zijn visie vol venijn: het onbetrouwbaarst is wie het trouwst moest zijn.Af |
| Koning Edward | Nu, Heer, staat ons snel kielschip onder zeil:
de handschoen ligt, en oorlog vangt zo aan, maar is nog echt zo gauw niet aan zijn eind. Wat komt Sir William Montague hier doen? Hoe staat het verbond tussen de Schot en ons? |
| Montague | Los en verbroken, mijn vermaarde heer:
zo gauw men deze trouweloze vorst de terugtocht meldde van uw legerschaar, drong hij, ondanks zijn vroegere eed, gelijk de steden binnen in het grensgebied: Berwick viel, Newcastle, een ruïne, weg, ja, en juist nu belegert die tiran het kasteel Roxborough, binnen wiens muur de Gravin Salisbury wel bezwijken zal. |
| Koning Edward | Dat is toch jouw dochter, Warwick, of niet?
Wier man al zo lang in Bretagne dient, dat Lord Mountford daar wordt geïnstalleerd. |
| Warwick | Inderdaad, mijn heer. |
| Koning Edward | Schande, David, hulpeloze dametjes
bang maken met die wapenstok van jou! Ik krijg jullie slakkenhoorntjes wel klein. Dus, Audley, jouw eerste opdracht is dit: werf voetvolk voor die Franse krijg van ons; en monster jij snel onze krijgsmacht, Ned, kies een aparte groep uit per district, het moeten soldaten zijn met veel pit, die, op schande na, nergens bang voor zijn; let dus goed op, want deze oorlog nu brengt ooit roem, en met zo’n machtige natie. Derby, wees jij gevolmachtigd voor ons naar onze schoonvader toe, Graaf Hainault: licht hem in over onze onderneming, en zeg dat hij, met de verbondenen in Vlaanderen, de Keizer van Almagne namens ons eveneens zover krijgen moet. Zelf, - terwijl jullie daarmee bezig zijn -, ga ik, met de mij beschikbare legermacht, weer die verraderlijke Schot verslaan. Wees vastberaden, lui; het zal oorlog zijn aan alle kanten; Ned, vergeet voortaan die studie en die boeken van je maar en wen je schouders aan een pantserlast. |
| Kroonprins | Mijn jeugdig enthousiasme hoort net zo graag
dit almaar toenemend krijgsgedruis aan, als bij de kroning van een nieuwe vorst de opgewekte bijval van het volk, als men alom het ‘Ave Caesar’ roept. In deze school van eer leer ik beslist hoe ik mijn vijanden ten dode leid, of zelf de geest geef in een gerechte strijd. Vooruit, nu elk zich aan de slag gezet: grootste zaken verdragen geen verlet.Allen af Tweede toneel De Gravin (van Salisbury) op (, boven.) |
| Gravin | Ach, hoe vaak tuurt mijn arme blik vergeefs
om hulp die mijn soeverein sturen zou! Jij, neef Montague, mist, vrees ik, de moed de koning aan te spreken, en eens goed, met heftige bezwaren namens mij. Jij zegt hem vast niet, hoe pijn dat het doet, geminacht, gevangen te zijn door een Schot, nagejaagd met heel lomp en grof gevloek of gedwongen door onbeschoft gedrag; jij zegt hem vast niet, als hij het hier wint, hoe zij in het Noorden ons uitlachen gaan, en, in gemene, schuine springliedjes hun winst gaan uitbrallen en onze val, zomaar de kale lucht in, bleek en dor. (Beneden Koning) David op en Douglas; (zij ontmoeten) Lorraine. Ik moet hier weg: die eeuwige vijand daar komt naar de muur; ik luister stil opzij naar het arrogant geklets van allebei. |
| Koning David | Mylord Lorraine, groet u die broer van ons,
want Frankrijk mogen wij in het Christendom het allerliefst, hem eren wij het meest. Wat uw boodschap betreft, ga terug en zeg, dat wij met Engeland nooit gaan onderhandelen, mooi weer spelen, een wapenstilstand sluiten, maar dat we hun steden platbranden, en zo blijven roven tot voorbij hun stad, York; nooit houden onze lieve jongens halt, heeft roest en kanker tijd om het lichte bit aan te vreten, of het vlotte sporenstaal, of legt men de tuniek van maliën af, hun staven van generfde Schotse es hang men nooit vreedzaam aan hun stadswallen, nooit werpt men het bijtend kortzwaard uit de riem vol knoppen, getaand leer, totdat uw vorst uitroept: "Genoeg, meelij, spaar Engeland nu." Vaarwel, en zeg hem dat u ons hier laat vóór het kasteel; en u ging van ons weg, juist toen het zich ons overgegeven had. |
| Lorraine | Dan groet ik u, en breng ik, met respect,
uw hoogst welkome woorden aan mijn vorst.Af |
| Koning David | Nu, Douglas, terug naar onze taak van straks,
hoe die bepaalde buit nu wordt verdeeld. |
| Douglas | Ik had graag de dame, heer, en verder niets. |
| Koning David | Nee, stil eens, man, ik heb hier eerste keus,
en ik spreek haar eerst eens aan hier voor mijzelf. |
| Douglas | Mag ik dan haar juwelen voor mij, heer? |
| Koning David | Die zijn onlosmakelijk van haarzelf,
en wie haar erft krijgt die op de koop toe. Een Schot, als boodschapper, in grote haast op |
| Boodschapper | Snel rijdend over de heuvels, mijn vorst,
om buit te halen, zagen wij een legermacht die deze kant op aan het marcheren was. De zon weerkaatste de harnassen als een veld van staal, een woud pieken kwam op ons af. Bedenk hier, hoogheid, maar heel gauw wat op: met een vlotte mars duurt het geen vier uur, dat de achterste linie hier is, mijn vorst. |
| Koning David | Terugtrekken dan: het is de Koning van Engeland. |
| Douglas | Jemmie, mijn knecht, zadel mijn lieve moor. |
| Koning David | Wil jij ten strijde? Wij zijn veel te zwak. |
| Douglas | Dat weet ik, heer, en daarom vlucht ik weg. |
| Gravin | Mylords van Schotland, blijft u voor een drankje? |
| Koning David | Ze pest ons, Douglas; daar kan ik niet tegen. |
| Gravin | Mijn beste heer, wie krijgt de dame nu,
wie haar juwelen? U gaat vast niet weg, voor u onderling de buit mooi hebt verdeeld. |
| Koning David | Ze heeft het bericht gehoord, en ons gesprek,
en, zo bemoedigd, minacht zij ons zo. Nog een boodschapper op. |
| 2e boodschapper | Te wapen, heer! We zijn compleet verrast. |
| Gravin | De Franse ambassadeur achterna, heer,
zeg hem dat u niet naar York durft te gaan, met als excuus dat uw lief paardje lam is. |
| Koning David | O wat een ramp, dat heeft ze ook gehoord!
Tot ziens, dame. Het is dat ik hier niet blijf -De Schotten af |
| Gravin | Het is geen angst, die u toch tot vluchten drijft. -
O heerlijke troost, zo welkom in ons huis! Die stoere Schot die, met zijn grote mond, vóór mijn wallen zwoer dat men niet wijken zou - voor welke krijgsmacht dan ook in dit land -, draaide, bleek van angst waardoor hij steeds vlucht, zich weg tegen de storm in uit noord-oost, alleen al toen het woord wapenen viel. Montague op O, heerlijke dag! Kijk, daar is mijn neef! |
| Montague | Hoe is het, tante? - Wij zijn toch geen Schotten,
dus waarom voor uw vrienden de poort dicht? |
| Gravin | Maar jou heet ik heel welkom, neef, want jij
komt mijn vijanden vanhier wegjagen. |
| Montague | De koning zelf komt hierheen in persoon:
kom zijne hoogheid beneden begroeten. |
| Gravin | Waar moet ik het met hem over hebben dan,
waaruit mijn plaats spreekt en zijn waardigheid?Af, boven. Koning Edward op, Warwick, Artois en anderen. |
| Koning Edward | Wat, zijn die bietsvossen er al vandoor,
vóór we onze honden kunnen loslaten? |
| Warwick | Inderdaad, heer, maar het enthousiast geblaf
van honden jaagt hen wel vlak achterna. De Gravin op |
| Koning Edward | En dit, Warwick, is zeker de Gravin? |
| Warwick | Wier schoonheid, mijn heer, door despotenangst,
- net als meibloesem door gemene wind -, bedekt, bevlekt is, is vergaan, voorbij. |
| Koning Edward | Was zij ooit mooier, Warwick, dan vandaag? |
| Warwick | Mijn vorst en koning, zij was heel niet mooi,
indien haar zelf ontsierd werd door haar zelf zoals ik haar zag toen zij nog was zichzelf. |
| Koning Edward | Wat school er in die ogen toen betovering
overtreffend de voortreffelijkheid van nu, waar het licht verval in schoonheid vooralsnog onderdanig ogen vol Majesteit verliefd haar bewonderend aan kan doen zien? |
| Gravin | In eerbied lager dan de grond waar ik kniel;
en, in die knieën, buigt mijn zachte hart dat mij uw hoogheid volgzaam betonen wil met duizend maal dank van een onderdaan voor uw koninklijke aanwezigheid hier, die kommer en krijg afhield van mijn poort. |
| Koning Edward | Sta op, mevrouw; wat ik je breng is vrede,
maar het is wel oorlog wat ik daarmee krijg. |
| Gravin | Geen krijg voor u, heer; de Schotten zijn weg,
gefrustreerd galoppeert men terug naar huis. |
| Koning Edward | Ik smacht uit liefde en schande, als ik hier val,
- ja, achter die Schotten aan. - Artois, vlug. |
| Gravin | Blijft u nog even, soeverein, kom toch terug,
en laat het gezag van een machtig vorst ons huis eren; mijn man, die op veldtocht is, zal jubelen uit vreugde, als hij het hoort. Kom maar niet aan met ‘koninklijke staat’: zorg dat u van buiten door ons poortje gaat. |
| Koning Edward | Het spijt me, gravin, maar ik, dichterbij - nee, ik wacht:
ik ben bang, ik heb van verraad gedroomd vannacht. |
| Gravin | Laat hier verraad wegblijven, met een boog. |
| Koning Edward | Niet verder dan haar samenspannend oog,
dat flink verziekend gif schiet in mijn hart dat geen verstand weerstaat, geen tover tart. Het is niet de zon alleen nu waar macht ligt, een oog het licht te nemen met haar licht; wat ik zo graag zie, twee dag-sterren, mijn bron, ontsteelt mij mijn licht veel meer dan die zon. Beschouwend verlangen, verlang vooral naar contemplatie die u leiden zal. - Warwick, Artois, te paard, snel hiervandaan. |
| Gravin | Welk woord weerhoudt mijn soeverein van gaan? |
| Koning Edward | [Ter zijde] Wat moet een tong met zo een sprekend oog,
dat meer overtuigt dan een groots betoog? |
| Gravin | Vlei niet, als voorjaarszon, dit land van mij
door even hier te zijn, - en dan voorbij; maak onze buitenmuur niet meer vereerd dan dat je hier even binnen nog verkeert. Ons huis, mijn vorst, is als een boerenknecht, wiens onbehouwenheid geheel niets zegt van wat hem wacht, met een inborst die nochtans vol mildheid is, rijk aan verborgen glans. Ja, waar er gouderts zit, diep, uit het zicht, lijkt grond, als er geen planttapijt op ligt, kaal, dor, onvruchtbaar, en op niets gericht; en waar de bovenlaag soms bogen kan op grootse pracht, op geur, op één bont plan, daar vindt men als men graaft dat dit genot opspringt uit drek en mest en krengenrot. En dit nog, als mijn allerlaatste beeld: een ruwe muur zegt niets van wat er speelt in het huis, maar hult als een mantel veeleer het schitterend kleed eronder tegen het weer. Wees aardiger dan ik die maar doordrijft; verzoek jezelf, of je even bij mij blijft. |
| Koning Edward | [Ter zijde] Zo wijs, zo mooi; wiens hart wordt niet geraakt
waar poortwachter wijs over schoonheid waakt? - Gravin, al dwingt mijn zaak mij hiervandaan, ik zal wachten en je steeds ten dienste staan. - Kom, mijne heren, hier logeer ik vannacht.Allen af |