| Hamlet
vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste bedrijf eerste toneel | |
| Barnardo en Francisco, twee wachtposten, komen op | |
| Barnardo | Wie is daar? |
| Francisco | Halt, ik stel hier vragen. Geef acht; wie bent u. |
| Barnardo | Lang leve de koning. |
| Francisco | Barnardo? |
| Barnardo | Ja. |
| Francisco | Wat goed van u, dat u op tijd hier bent. |
| Barnardo | Het slaat net twaalf. Kruip in je bed, Francisco. |
| Francisco | Bedankt voor het aflossen. Het is bitter koud, en het valt mij zwaar. |
| Barnardo | Een rustige wacht gehad? |
| Francisco | Het was muisstil. |
| Barnardo | Nou, welterusten. Ik moet met Horatio en Marcellus posten; Vraag of ze opschieten als u ze ziet. |
| Francisco | Ik geloof dat ik ze hoor. |
| Horatio en Marcellus komen op | |
| Stop, wie is dat? | |
| Horatio | Eigen mensen. |
| Marcellus | En volgers van de Deen. |
| Francisco | Goede nacht. |
| Marcellus | Het beste, vriend. Wie heeft u afgelost? |
| Francisco | Barnardo. Ook u een goede nacht. |
| Francisco af | |
| Marcellus | Hallo, Barnardo. |
| Barnardo | Hé, is dat Horatio? |
| Horatio | Minstens zijn hand. |
| Barnardo | Welkom, Horatio; welkom, vriend Marcellus. |
| Horatio | En, is dat ding vannacht opnieuw verschenen? |
| Barnardo | Ik heb niets gezien. |
| Marcellus | Horatio zegt, dat wij wat fantaseren, en wil zich maar niet laten overtuigen, dat wij tot twee keer toe dit schrikbeeld zagen. En daarom heb ik hem hierheen gesleept, om naast ons post te vatten de hele nacht, opdat hij, als het ons opnieuw verschijnt, zelf ziet wat wij zagen en het kan aanspreken. |
| Horatio | O, rustig maar, het verschijnt toch niet. |
| Barnardo | Kom zitten, en laat ons weer opnieuw uw oor bestormen, dat zo verschanst is tegen ons verhaal van wat wij twee keer zagen. |
| Horatio | Nou, even dan. Barnardo, laat ons horen wat je weet. |
| Barnardo | 't Was gisteren nog: die ster daarginds ten westen van de Pool verlichtte op haar loop het hemeldeel waar zij nu brandt; de klok sloeg juist ten een; en toen zagen Marcellus en ikzelf.... |
| Marcellus | Stil, hou je mond. Want kijk, daar komt het weer. |
| Barnardo | Het lijkt weer de koning die gestorven is. |
| Marcellus | Jij hebt gestudeerd, Horatio, spreek het aan. |
| Barnardo | Is het niet net de koning? Kijk, Horatio. |
| Horatio | Beslist. Ik sta verstomd en vol verbazing. |
| Barnardo | Men moet het aanspreken. |
| Marcellus | Vraag iets, Horatio. |
| Horatio | Wat zijt gij, die het duister binnenstormt in die krijgshaftige en schone vorm waarin de nu begraven Deense Majesteit ons ooit voorging? Bij God, ik gebied u, spreek. |
| Marcellus | Het is beledigd. |
| Barnardo | Kijk, het stapt weer door. |
| Horatio | Blijf, spreek, spreek, ik gebied u: spreek. |
| Marcellus | Het is weg en wenst geen antwoord. |
| Barnardo | Wat nu, Horatio? U trilt en ziet lijkbleek. Dit is bepaald iets meer dan inbeelding. Wat denkt u er van? |
| Horatio | God sta me bij, dit zou ik niet geloven, als niet mijn eigen zintuigen hiervan het bewijs gaven. |
| Marcellus | Lijkt het niet op de koning? |
| Horatio | Als jij op je evenbeeld. Dezelfde wapenrusting als hij droeg toen hij de eerzuchtige Noor bekampen ging. Zo grimmig keek hij ooit, toen hij op het ijs die Pool bekampte en de sleden brak. Hoe vreemd. |
| Marcellus | Al twee maal eerder op dit dodenuur is hij martiaal de wachtpost langsgegaan. |
| Horatio | 'k Weet niet wat ik hiervan precies moet denken, maar zo in het algemeen schijnt het een voorbode van de uitbarsting die onze staat nu wacht. |
| Marcellus | Ga zitten, kom, en laat iemand mij zeggen, waarom dit strenge en stipte wachten 's nachts 's lands onderdanen steeds zo kwellen moet; waartoe bij dag het brons kanon gegoten, en oorlogstuig van ver weg aangevoerd; waartoe het scheeps- en breeuwvolk zo geprest, dat zelfs hun zondag tot een werkdag wordt; wat jaagt ons op, dat zo veel zweet en haast de nacht de werkgezel maakt van de dag, wie kan mij dat vertellen? |
| Horatio | Een gerucht is alles wat ik weet: de vorige koning, wiens beeld zojuist aan ons verschenen is, werd, als bekend, door Fortinbras de Noor, ontvlamd door wangunst en door grootheidswaan, ten strijd gedaagd; daar sloeg de koene Hamlet (wel overal bekend in het westelijk halfrond) Fortinbras neer, en die verbeurde zo, geheel naar wet en ridderlijk gebruik, aan de overwinnaar niet alleen zijn leven maar ook al zijn bezittingen aan land; waartegen onze vorst een redelijk pand had ingezet, dat toegevallen was aan Fortinbras, als hij gewonnen had; nu viel zijn land volgens die overeenkomst naar inhoud en naar geest aan Hamlet toe. Thans, heren, heeft de jonge Fortinbras, een man van niet te stuiten vuur en vlam, zo hier en daar in de hoeken van zijn land wat ongeregeld volk bijeen gegraaid, het voedsel voor een koene onderneming die hun vuur vreet, met als geen ander doel -voor onze staat schijnt dat een zekerheid-, om met geweld van wapens en met dwang het land eens door zijn vader zo verspeeld weer te heroveren. Dit, neem ik aan, is de hoofdoorzaak dat wij ons voorbereiden, de reden voor de wacht, en het waarom van het jachten en van het driften in het land. |
| Barnardo | Zo is het, en niet anders, u heeft gelijk. Het verklaart ook, waarom wij worden bezocht door dat geharnast voorspook, als de koning, die basis was en is van al de strijd. |
| Horatio | Het is stof in het oog dat ons tot denken noopt. Toen Rome het hoogst was en de palm der naties, kort voor de machtige Julius Caesar viel, stond elk graf leeg, en klonk er overal gekreun, gegil van doden, wit gekleed; de sterren staartten vuur, er dauwde bloed, ongunstig stond de zon; de vochtige maan, waardoor Neptunus' rijk beïnvloed staat, werd haast verduisterd als bij de oordeelsdag. Zo heeft de hemel met de aarde hier aan landgenoten, onze streek, getoond de voortekens van vergelijkbaar kwaad, als boden van welk onheil komen gaat en voorspel van wat nadert: de ondergang. |
| De geest op | |
| Maar stil, kijk nou. Daar komt het weer opnieuw. Ik kruis zijn pad, al is het mijn dood. | |
| De geest spreidt zijn armen | |
| Stop, spookbeeld: Als gij beschikt over een stemgeluid, spreek tot mij. Als gij van ons een goede daad verlangt, die u verlossen kan en mij kan zegenen, spreek tot mij; Als gij uw eigen land in rampen weet, die voorkennis wellicht afwendbaar maakt, dan spreek. Of, als gij, levend, geld hebt afgeperst en weggeborgen in de schoot der aarde, wat jullie geesten geen rust gunt in dood, spreek mij ervan, blijf, spreek. | |
| De haan kraait | |
| Stop het , Marcellus. | |
| Marcellus | Zal ik het treffen met mijn hellebaard? |
| Horatio | Ja, als het niet blijft staan. |
| Barnardo | 't Is hier. |
| Horatio | 't Is hier. |
| De geest af | |
| Marcellus | 't Is weg. Het is fout om tegen zoiets majestueus zo op te treden, met geweld van niets; onkwetsbaar is het immers, als de lucht, en al ons dwaze slaan is tevergeefs. |
| Barnardo | Het wou net iets zeggen toen de haan ging kraaien. |
| Horatio | Het schrok zoals iemand die bewust van schuld schrikt van een dagvaarding. Men zegt ook wel, dat de trompetter van de ochtendstond met zijn verheven, schrille keelgeluid de god van het daglicht wekt, en dat zijn roep uit vuur of water, en uit aarde of lucht de geest die veel te ver doolt snel verjaagt, terug naar zijn graf; en dat dit waar is, blijkt uit het fantoom dat ons verschenen is. |
| Marcellus | Het verdween in het niets bij het kraaien van de haan. Men zegt dat steeds tegen de tijd van het jaar als wij Christus' geboorte vieren gaan die schemervogel hele nachten zingt. Geen geest durft dan zich roeren, zegt men wel, geen ster treft ons, de nachten zijn gezond, geen trol slaat toe, geen heks heeft toverkracht, zo heilig en gezegend is die tijd. |
| Horatio | Ik weet het, en ik moet er in geloven. Maar zie, de roodgeklede ochtendstond betreedt de dauw op de hoge oosterhelling. Beëindigen wij de wacht: het is juist, dunkt mij, de jonge Hamlet nu verslag te doen van wat wij zagen; want dit zwijgzaam spook zal tegen hem wel degelijk iets zeggen. Is het goed, dat wij twee hem hierover spreken, zoals de liefde en de plicht ons past? |
| Marcellus | Natuurlijk, graag; ik heb wel zo'n idee, waar wij hem straks het makkelijkst kunnen vinden. |
| Allen af | |
| Tweede toneel | |
| Trompetgeschal. Claudius op, Koning van Denemarken, Gertrude, de Koningin, raad, waaronder Voltemand, Cornelius, Polonius en zijn zoon Laërtes, en Hamlet, in het zwart gekleed | |
| Koning | Hoewel van Hamlet, onze waarde broer, de dood nog door werkt, en het ons zou passen bedroefd van hart te zijn, en heel ons rijk in nationale rouw te gaan gedompeld, heeft ons verstand toch de natuur in toom, in dat, terwijl wij treurend hem gedenken, wij ook onszelf niet uit het oog verliezen. Wie ik zuster noemde, vrouwe van ons land, vorstin en erfgename van de staat, haar hebben wij, zij het met bedompte vreugd, met één oog stralend, en het andere mat, droef bij mijn bruid, met blijdschap aan de baar, met vreugd en smart van een gelijk gewicht, genomen tot vrouw. En dat niet in strijd met uw zienswijze, die mij op dit punt volledig steunt. Voor alles dank ik u. De jonge Fortinbras, zo melden wij, laatdunkend neerkijkend op onze kracht, of menend dat de dood van onze broer heel onze staat verstoord heeft en verscheurd, heeft, met groot voordeel in zijn achterhoofd, mij onophoudelijk de eis gesteld terug te geven wat zijn vader ooit binnen de wet aan landstreken verloor aan onze dappere broeder. Dat zegt hij. Wat ons aangaat, en deze samenkomst, het volgende: ik vraag hier in dit schrijven de oom van Fortinbras, de Noorse vorst, die, zwak en aan zijn bed gekluisterd, niets van het plan zal weten van zijn broeders zoon, om hem te stuiten in zijn gang, daar het volk, zijn legerschaar, gelicht is in 't geweer uit eigen onderdanen. Ik stuur u, mijn vriend Cornelius, en u, Voltimand, als dragers van die boodschap naar de Noor, met niet meer volmacht om met de oude koning op zaken in te gaan dan wat dit stuk per punt omstandig heeft uiteengezet. Vaarwel, laat haast uw woorden leiden, niet uw trouw. |
| Corn/Volt | Dat wij u trouw zijn zult u zien uit alles. |
| Koning | Wel zonder twijfel; het ga u goed, vaarwel. |
| Voltemand en Cornelius af | |
|
En nu, Laërtes, wat brengt u voor nieuws. Het ging om een verzoek; nu dan, Laërtes? Wat men de Deen in redelijkheid wil vragen dat moet gezegd. Wat wil je graag, Laërtes, dat ik je schenken zal zonder verzoek? Geen band is nauwer tussen hoofd en hart, geen hand voert beter uit het woord des monds, dan wat de Deense troon is voor jouw vader. Wat zal het zijn, Laërtes? | |
| Laërtes | Geduchte heer, uw toestemming naar Frankrijk terug te gaan, vanwaar ik graag naar Denemarken kwam om daar u trouw te zweren bij uw kroning; maar nu dat dit voorbij is, geef ik toe, dat hart en zin weer terug naar Frankrijk neigen, en zich aan uw genade onderwerpen. |
| Koning | Wat zegt uw vader? Mag u van Polonius? |
| Polonius | Zijn onophoudelijk aandringen, mijn heer, heeft mij vermurwd, en dus, uiteindelijk, heb ik zijn wens bekrachtigd met mijn woord. Ik vraag u nederig hem te laten gaan. |
| Koning | Geniet, Laërtes, van je jeugd, en maak de tijd tot slaaf van je voortreffelijkheid. Maar nu, Hamlet, mijn neef en ook mijn zoon. |
| Hamlet | Verwant naar het vlees, maar naar het gevoel vervreemd . |
| Koning | Waarom altijd die wolk op uw gelaat? |
| Hamlet | Beslist niet, heer, ik ben zo'n zonnekind. |
| Koningin | Leg af die nachtfloers van je vaal gezicht; zie Denemarken, Hamlet, als een vriend. En blijf niet zo terneergeslagen steeds je edele vader zoeken in het stof. Dit lot is ons gemeen; kort is de tijd, en dit bestaan is het pad naar eeuwigheid. |
| Hamlet | Het leven is gemeen, mevrouw. |
| Koningin | Zo ja, waarom schijnt het voor jou dan iets speciaals? |
| Hamlet | Schijnt, nee, mevrouw, het is, ik ken geen schijn. Het is niet alleen, moeder, mijn zwarte jas, noch het plechtstatig zwart van rouwkledij; geen geforceerd gezucht of ademtocht, geen tranenvloed ontsproten aan het oog, geen neergeslagen trek in het gelaat, met al het uiterlijk vertoon van smart toont wat ik ben. Al dit schijnt inderdaad, want het is steeds iets dat men spelen kan. Maar mijn hart bergt veel meer dan valse schijn. Zij zijn slechts tuig en smuk van hart en pijn. |
| Koning | Het is goed en prijzenswaardig, Hamlet, in uw aard, uw vader al dit rouwbeklag te schenken, maar uw vader verloor toch ook een vader, en die de zijne - en wie achter bleef had kort de plicht te wenen als een zoon rondom de baar. Maar om met koppigheid te blijven treuren is recalcitrant, onmannelijk en tegen Gods gebod; het toont een wil die met de hemel spot, een geest verbitterd en een weerloos hart, onnozelheid en ongeletterd zijn. Wij weten toch wat er gebeuren moet, dat ziet eenieder met gezond verstand; waarom het hoofd gebroken, en gemokt? Foei, het is een euveldaad tegen de hemel, een daad tegen de doden, het verstand; zij spot met de natuur, wier thema is de dood van vaders, en die altoos stelt - van de eerste dode tot wie heden stierf-: 'Het moet zo zijn". Begraaf dus, vragen wij, die nutteloze smart, en denk aan ons als vader; want laat de wereld weten: U heeft het eerste recht op deze troon, en ik gevoel een liefde jegens u die nobel is en geenszins onderdoet voor een vaderhart. Dat u terug wilt gaan naar de Universiteit van Wittenberg is tegenstrijdig met al wat wij wensen. Verander van gedachten, en blijf hier in de geborgenheid van dit paleis, onze eerste hoveling, en neef en zoon. |
| Koningin | Laat al mijn beden niet vergeefs zijn, Hamlet; ik bid je, blijf bij ons, ga niet naar Wittenberg. |
| Hamlet | Ik zal u graag gehoorzamen, mevrouw. |
| Koning | Welnu, uw hart heeft juist gesproken, Hamlet. Blijf bij ons in dit land. Kom nu, Mevrouw; dat Hamlet hiermee vrij heeft ingestemd verblijdt mijn hart; uit dankbaarheid hiervoor zal het groot kanon telkens wanneer ik toast vandaag de wolken spreken van dit feit, en als de koning klinkt dringt terug van het zwerk de donder van de aarde. Laat ons gaan. |
| Trompetgeschal; allen af, behalve Hamlet | |
| Hamlet | Dat dit te zeer ontaarde vlees kon smelten , zijn hardheid dooien, overgaan tot vocht, of dat de Eeuwige in een gebod de zelfdoding niet had belet. O God! Hoe vunzig, mat en zonder enig nut komt mij het gedoe van deze wereld voor. Ik walg van deze ongewiede tuin, die bol staat van het zaad, geheel bedekt door veile aard. Dat het zover moest komen! Twee maanden dood pas,- minder, nog geen twee -, een zo volmaakte koning, een Hyperion naast deze sater, die geen hemelwind de wangen van mijn moeder al te ruw beroeren liet. Bij Hemel en bij aard', waarom herinnerd? O, zij hing aan hem, alsof door het voedsel zelf haar grote lust nog groter werd; en toch binnen een maand; ga weg spookbeeld; O zwakheid, gij heet vrouw. Een maandje maar, voor het schoeisel was versleten waarop zij vader volgde naar zijn graf, als Niobe, in tranen - O God, zij - een beest zonder verstand of logica zou langer treuren - trouwde zij mijn oom, mijn vaders broeder - maar minder op hem lijkend dan ik op Hercules. Binnen een maand, nog voor het zilt van haar geveinsde tranen haar roodgewreven ogen had verlaten, was zij gehuwd - O gruw, al dit gehaast, al dit geschuif in het bloedschennig bed! Het is niet goed, en kan het ook nooit zijn. Breek maar, mijn hart, want ik moet zwijgen nu. |
| Horatio, Marcellus en Barnardo op | |
| Horatio | Gegroet, Hoogheid. |
| Hamlet | Ik ben blij u hier te zien. Horatio, of zie ik het verkeerd. |
| Horatio | Welzeker, heer, en als altijd uw dienaar. |
| Hamlet | Vriend, heer, noemen wij zo elkaar voortaan. Wat brengt u hier uit Wittenberg, Horatio? - Marcellus. |
| Marcellus | Mijn heer. |
| Hamlet | Wat fijn u hier te zien. [Tot Barnardo] Dag heer. Wat doet u hier zo ver van Wittenberg? |
| Horatio | Wij spijbelen zo graag, mijn goede prins. |
| Hamlet | Dat zou ik niet van uw vijand willen horen, en wens dus niet dat u mijn oren dwingt geloof te hechten aan wat u hier zelf tegen uzelf inbrengt. Jullie zijn niet lui. Waarom zijn jullie hier op Elsinore? Ik zal je leren zuipen voor je gaat. |
| Horatio | Voor de begrafenis van uw vader, heer. |
| Hamlet | O nee, spot niet zo met me, jaargenoot. 't Was volgens mij de bruiloft van mijn moeder. |
| Horatio | Zeker, mijn heer, die volgde zeer direct. |
| Hamlet | Zuinigheid, vriend. Pastei, bij het rouwmaal warm, werd koud bij het bruiloftsmaal weer opgediend. O, wat een zwarte dag. Ik had veel liever mijn aartsvijand ontmoet bij de hemelpoort. Mijn vader, het is of ik mijn vader zie. |
| Horatio | Waar, heer? |
| Hamlet | Hier, voor mijn geestesoog, Horatio. |
| Horatio | Ik heb hem ooit gezien, een echte koning. |
| Hamlet | Hij was een man, in alles allereerst. Zo'n iemand zien mijn ogen nimmermeer. |
| Horatio | Vannacht heb ik hem, denk ik, heer, gezien. |
| Hamlet | Gezien? Wie? |
| Horatio | De koning, heer, uw vader. |
| Hamlet | Mijn vader, onze koning? |
| Horatio | Temper nog even uw verbazing, heer, en luister nauwgezet naar wat ik u - met deze beide heren als getuigen - te zeggen heb. |
| Hamlet | O God, vertel het mij. |
| Horatio | In twee opeenvolgende nachten zijn Marcellus en Barnardo hier, op post ter middernacht, op dat onzalige uur, bezocht door een geest die op uw vader leek. Plots staat hij daar, geharnast, top tot teen, precies als hij, en gaat plechtstatig lopend hun oog voorbij; hij loopt tot drie maal toe voor hun van schrik totaal ontzette ogen, op stafafstand, terwijl dit tweetal hier, als espenbladen sidderend van angst, niets zeggen kan, en hij weer gaat. Dit nu vertellen zij mij in het diepst vertrouwen. De nacht daarop deelde ik met hen de wacht, en op het uur precies als mij gezegd, dezelfde vorm als zij hadden verklaard, verschijnt het weer. Ik kende uw vader goed. Geen hand lijkt meer op de ander. |
| Hamlet | Waar was dat? |
| Marcellus | Hoog op de walgang waar wij posten, heer. |
| Hamlet | En hebt u hem toegesproken? |
| Horatio | Zeker, heer, maar het gaf geen antwoord. Even leek het mij, alsof het opkeek, een beweging maakte en iets wou zeggen. Maar op dat moment klonk luid het kraaien van de ochtendhaan, en op dat sein sloop het toen haastig weg, verdween uit ons gezicht. |
| Hamlet | Hoe vreemd is dit. |
| Horatio | Zo waar ik leef, mijn edele heer, het is waar; en wij beschouwden het als onze plicht het u te laten weten. |
| Hamlet | Natuurlijk, heren; het bevreemdt mij zeer. Zijn jullie straks de avondwacht? |
| Allen | Ja, heer. |
| Hamlet | Geharnast, zei je? |
| Allen | Geharnast, heer. |
| Hamlet | Van top tot teen? |
| Allen | Mijn heer, van top tot teen. |
| Hamlet | Dus zijn gezicht heeft niemand toen gezien? |
| Horatio | Welzeker, heer, want zijn vizier was op. |
| Hamlet | Hoe keek hij, oorlogszuchtig? |
| Horatio | Veeleer bedroefd, dan kwaad of dreigend. |
| Hamlet | Bleekwit of rood? |
| Horatio | Inbleek. |
| Hamlet | En keek hij jullie steeds strak aan? |
| Horatio | Voortdurend, heer. |
| Hamlet | Was ik er toch geweest. |
| Horatio | Het zou u zeer hebben verward. |
| Hamlet | O, ongetwijfeld. En is hij lang gebleven? |
| Horatio | Men had rustig tot honderd kunnen tellen. |
| Marc/Barn | O, veel langer. |
| Horatio | Niet toen ik hem zag. |
| Hamlet | Had hij een grijze baard, wellicht? |
| Horatio | Zoals die was gedurende zijn leven, een zilver zwart. |
| Hamlet | Ik houd vannacht de wacht. Misschien komt het opnieuw. |
| Horatio | Het komt beslist. |
| Hamlet | Als het de vorm neemt van mijn nobele vader, spreek ik het aan, al opent zich de hel en doet mij haast verstommen. Ik smeek u ook, als niemand weet van wat u hebt gezien, dit altijd te bewaren in uw zwijgen, en wat er ook vannacht gebeuren gaat, probeer het te doorgronden, maar spreek niet. Ik zal uw liefde lonen. Wel, tot straks. En op de walgang tussen elf en twaalf zien wij elkaar. |
| Allen | Wij zijn u zeer verplicht. |
| Hamlet | Door liefde, net als ik aan u. Vaarwel. |
| Marcellus, Horatio en Barnardo af | |
|
Mijn vaders geest. - geharnast! Het lijkt verdacht. Hier is iets goed verkeerd. Was het maar nacht. Tot zo lang, stil, mijn ziel. Het kwaad komt uit, al is het heel de wereld die het omsluit. | |
| Af | |
|
derde toneel | |
| Laërtes en Ophelia op | |
| Laërtes | Mijn spullen zijn aan boord. Nu, zus, vaarwel, en laat wat van u horen als de wind weer gunstig staat, en doe niet of u slaapt als er verbinding is. |
| Ophelia | Dacht u van niet? |
| Laërtes | Wat Hamlet en dat beetje gunst betreft, beschouw het als een gril, een spel van het bloed, als een viooltje in de lentebloei, te pril, niet blijvend, zoet, maar niet constant, wiens geur slechts even wat verstrooiing brengt, niet meer. |
| Ophelia | Niet meer dan dat? |
| Laërtes | Zie het niet als meer. De bottende natuur groeit niet alleen in kracht en lijf, maar als die tempel wast spreidt zich de eredienst van geest en ziel naar vele dingen uit. Nu mint hij u, nu smet geen vlek of streek of listigheid de oprechtheid van zijn wil; maar u zult zien, dat zijn positie hem de wil oplegt; door zijn geboorte is hij onderdaan: hij kan niet zoals mensen zonder naam zijn eigen gang gaan, want zijn keus bepaalt het welzijn en de bloei van het hele land; en daarom is zijn keuze steeds beperkt door wat het lichaam - met hem aan het hoofd - uitdrukkelijk wenst. Als hij van liefde spreekt, dan is het wijs dat zo ver te geloven, als hij door zijn bijzondere rang en stand die woorden hard kan maken, waarin hij ook nog de stem van het volk heeft te eerbiedigen. Weeg af ook wat uw goede naam kan lijden, wanneer zijn zingen u te gretig lokt, en u uw hart verliest, uw rijkdom opent voor zijn nog onbedwongen lastigheid. Pas op, Ophelia, O, pas op, mijn zusje, en houd gevoelens in het achterveld in veiligheid voor het schot van de begeerte. Het schraalste meisje is spilziek genoeg als zij haar schoonheid prijsgeeft aan de maan. De achterklap raakt zelfs de deugdzaamheid. De worm knaagt te vaak aan het lentekind nog voor de kleine knopjes zijn ontvouwd. En in de lichte ochtenddauw der jeugd is het gauw de stuifbrand wiens besmetting dreigt. Voorzichtig dus: wie schroomt is wel bewaard; jeugd staat spontaan op tegen eigen aard. |
| Ophelia | Ik zal mij houden aan die wijze les en waken voor mijn hart. Maar lieve broer, wees niet als een schijnvrome herder soms die mij de doornen weg ten hemel toont, maar zelf, als opgeblazen libertijn, het roze pad betreedt van lust en luim, en zich niet houdt aan eigen preek. |
| Laërtes | O nee. Ik moet zo weg. |
| Polonius op | |
|
Maar kijk, daar is mijn vader. Een dubbele zegen is een dubbele gunst; het toeval schenkt mij nog een keer vaarwel. | |
| Polonius | Nog hier, Laërtes. Aan boord, schiet op, aan boord. De wind bolt reeds de schouder van uw zeil, men wacht op u. Kom hier, ik zegen je. Prent deze raad in je herinnering: geef wat je denkt niet door aan stem of tong, en voer een wilde inval nimmer uit. Wees steeds gemeenzaam, maar geenszins gemeen. Klem hem die zich als vriend bewezen heeft met stalen beugels diep binnen je hart. Maak toch geen handen vuil en doe niet mee met elke vechtersbaas en kinderbroek. Begeef je niet in strijd, maar als je er bent, bijt van je af, dan kijkt de held wel uit. Leen iedereen je oor, maar spreek niet veel. Luister naar meningen, maar oordeel niet. Laat kleren even groots zijn als de beurs, en zonder overdaad; rijk maar gewoon, want wie in Frankrijk hoog in aanzien staat is ook wat dat betreft vol nobelheid. Leen zelf toch nooit en geef geen lening af, want vaak verspeel je zo je geld en vriend, en lenen vreet aan het scherp van zuinigheid. Maar dit vooral: wees trouw aan eigen ik, en dan zal volgen als de nacht de dag dat jij naar niemand onoprecht kunt zijn. Vaarwel, en mag mijn zegen dit doen groeien. |
| Laërtes | In alle nederigheid ga ik nu, heer. |
| Polonius | De tijd dringt zeer. Uw scheepsvolk wacht op u. |
| Laërtes | Vaarwel, Ophelia, en vergeet toch nooit wat ik u heb gezegd. |
| Ophelia | Ik sluit het in mijn hart, waarvan u als enige het slot bewaart. |
| Laërtes | Vaarwel. |
| Laërtes af | |
| Polonius | Wat heeft hij u, Ophelia, gezegd? |
| Ophelia | Met uw verlof, het ging over heer Hamlet. |
| Polonius | Aha, dat treft zeer wel. Men zegt mij, dat hij vaak de laatste tijd met u onder vier ogen heeft gesproken, en u wat graag naar hem geluisterd hebt. Als dat zo is - de stelligheid hield haast afkeuring in -, dan moet ik u hier zeggen dat u uzelf niet zo weet te gedragen als het mijn dochter en uw eer betaamt. Wat is er tussen jullie? Wat is waar? |
| Ophelia | De laatste tijd doet hij mij steeds opnieuw avances, heer. |
| Polonius | Avances? Meisje, praat niet zo grasgroen; alsof u het gevaar nog niet beseft. Die wat u noemt 'avances' gelooft u echt? |
| Ophelia | Ik weet niet, vader, wat ik denken moet. |
| Polonius | Dan zal ik het u leren. Wat een kind bent u, dat u avances aannam als betaling. Het is geen baar geld. Vorder een hogere prijs, want anders - en nu siddert het arme woord zo opgejaagd van zin - sta ik voor schut. |
| Ophelia | Hij heeft mij overstelpt met liefdeblijken op alleszins passende wijze. |
| Polonius | Ach ja, het past hem wonderwel. Kom nou! |
| Ophelia | En wat hij zei heeft hij bevestigd, heer, met alles wat de hemel heilig is. |
| Polonius | Tja, zo makkelijk strikt men snippen. Het hart versmijt zijn adem aan de tong door zijn warmbloedigheid. Dit laaien, dochter, dat licht belooft en warmte - in de kiem gesmoord echter nog voor zij zijn ontstaan - noem dit geen vuur. Wees vanaf nu wat minder vrij met al uw vrouwelijkheid. Eis meer van wie u oproept ten gesprek tot overgaaf. Wat heer Hamlet betreft, te jong is hij, wees daarvan overtuigd, en hij mag toch een heel stuk verder gaan dan u gegeven is. Kortom, Ophelia, geloof zijn eden niet; het zijn sjacheraars, die onder het dekmantel van fijn scharlaken gaan lorrendraaien vol schijnheiligheid, flemend als toegewijde koppelaars om beter te verleiden. Kort en goed, ik verbied uitdrukkelijk dat van nu af aan u enig vrij moment verbeuzelen gaat met spreken en gepraat tegen heer Hamlet. En hieraan houd ik u. Kom, laat ons gaan. |
| Ophelia | Ik zal, mijn heer, gehoorzamen. |
| Beiden af | |
|
Vierde toneel | |
| Hamlet, Horatio en Marcellus op | |
| Hamlet | Wat bijt die wind venijnig. Het is bar koud. |
| Horatio | Een snerpend koude lucht snijdt ons de adem. |
| Hamlet | Hoe laat is het? |
| Horatio | Het zal tegen twaalven zijn. |
| Marcellus | Nee, het heeft geslagen. |
| Horatio | O, ik heb niets gehoord. Dan komt het tijdstip langzaam nader, waarop die geest gewoonlijk rond gaat waren. |
| Trompetgeschal, twee kanonschoten | |
| Hamlet | De koning drinkt vannacht en hij zakt door, hij brast, en danst halfzat de sprongenstap; en telkens als hij zijn glas rijnwijn kuist klinkt door klaroenstoten en tromgeroffel zijn feestdronk rond. |
| Horatio | Is dit een volksgebruik? |
| Hamlet | Ja, zeker wel. Maar volgens mij, al ben ik van dit land en zit het in mijn bloed, is het groter eer het gebruik te breken dan het na te houden. Stompzinnig brallen maakt ons oost en west geminacht en versmaad door andere naties. Men noemt ons dronkaards, en bevuilt men 'zwijnen' onze toenaam; en met reden, want hoe goed en hoe succesvol wij in alles zijn, het neemt het merg uit onze goede naam. En zo gebeurt het ook dat een persoon, die door een zwakke plek in zijn natuur als door geboorte, dus buiten zijn schuld (want de natuur kiest zelf haar oorsprong niet), of door een trek die de andere overheerst en alle schansen neerhaalt van het verstand, of door een gewoonte die een goed gedrag te zeer zal hinderen - dat zo'n persoon, getekend, als ik zeg, door slechts een fout, door de natuur, of smet van de fortuin, hoe zuiver ook zijn andere deugden zijn, hoe eindeloos als dat een mens kan dragen, juist om die ene fout in zijn geheel verdorven wordt geacht. Een korrel kwaad verbergt vaak heel de nobele natuur, die dan te schande staat. |
| Horatio | Daar komt het, heer. |
| Hamlet | O, engelen der genade, sta ons bij. Of gij nu goed of kwaad bent, geest of droes, een hemelwind of hellestormen brengt, uw plan boosaardig is of welgezind, uw uiterlijk roept zo veel vragen op, dat ik tot u spreken moet. Ik noem u Hamlet, vorst, vader, Deense Koning. Antwoord mij. Ik barst haast van onwetendheid. Zeg mij, waarom uw beenderen, gezegend, opgebaard, uit hun grafwaad zijn gebarsten, waarom uw tombe waarin wij u zagen neergelegd zijn logge marmeren kaken heeft geopend en ons u wedergeeft? Wat kan het zijn, dat gij, een dode, in volle rusting zo terugkeert in het grillig schijnsel van de maan, de nacht benauwt, en ons zo gruwelijk schokt, dat onze geest, de speelbal der natuur, niet denken kan, dit niet meer kan bevatten; zeg mij waarom, wat wilt gij dat wij doen? |
| De geest wenkt | |
| Horatio | Het wenkt u om wat verder mee te gaan, alsof het iets te mededelen had aan u alleen. |
| Marcellus | Zie het hoffelijk gebaar, waarmee het wenkt naar een wat stillere plek. Maar ga niet mee. |
| Horatio | O nee, in geen geval. |
| Hamlet | Het zegt geen woord. Dus zal ik het maar volgen. |
| Horatio | O nee, heer! |
| Hamlet | O nee, waarom toch al die angst? Ik schat mijn leven toch geen stuiver waard. En wat voor kwaad kan het mijn ziel berokkenen, die net als deze geest onsterfelijk is? Daar wenkt het mij opnieuw. Ik zal het volgen. |
| Horatio | Wat, heer, als het u mee leidt naar de zee, of naar de glibberige steile klip die wel tot in het water overhelt, en daar verandert in iets griezeligs, dat u de kracht van het verstand ontneemt en u tot waanzin drijft? Bedenk dat goed. Dat is de plaats waar, zo maar, zonder reden, tot daden van vertwijfeling besluit wie zo veel vadem diep kijkt naar de zee en haar benee hoort bulderen. |
| Hamlet | Het wenkt nog steeds. Ga verder, ik zal u volgen. |
| Marcellus | U mag niet gaan, heer. |
| Hamlet | Handen van mij af. |
| Horatio | Wees wijs, u mag niet gaan. |
| Hamlet | Mijn lot roept luid, en maakt elk kleinste haarvat in dit lichaam gehard als het peeswerk van Nemea's leeuw. Het blijft mij roepen. Los nu, mijne heren. Wie mij nog tegen houdt sla ik tot geest. Ga weg, jullie. Ga maar, ik volg u al. |
| Horatio | De waanvoorstelling rooft hem van zijn zinnen. |
| Marcellus | Er achteraan. Wie volgt er zo'n bevel? |
| Horatio | Laat ons hem volgen nu. Hoe loopt dit af? |
| Marcellus | De stank van rot waart door de staat der Denen. |
| Horatio | God zal het ten beste keren. |
| Marcellus | Laat ons gaan. |
| Allen af | |
|
Vijfde toneel | |
| De geest en Hamlet komen op | |
| Hamlet | Waar leidt gij mij naar toe? Spreek, ik ga niet verder. |
| Geest | Let op. |
| Hamlet | Ik luister. |
| Geest | Mijn uur is zeer nabij, dat ik weer terug moet naar het zwavelvuur vol vreselijke pijn. |
| Hamlet | O, arme geest. |
| Geest | Verplicht zijt gij te wreken als gij hoort. |
| Hamlet | Wat? |
| Geest | Ik ben uw vaders geest, gedoemd een zekere tijd door nacht te waren, en overdag in vuur te moeten vasten, totdat de gruwelijkheden in mijn leven verteerd zijn en gelouterd. Als ik mocht spreken van de geheimen van mijn kerkerhol, zou het geringste woord van mijn verhaal uw ziel verscheuren en uw bloed doen stollen, uw ogen als twee sterren doen verschieten, de vlechten uit uw lokken doen gaan springen dat elke haar apart rechtop ging staan als stekels op het varken zonder rust. Maar eeuwigheid dient niet geopenbaard aan het oor van vlees en bloed. O luister, hoor! Als gij uw vader ooit hebt liefgehad - |
| Hamlet | O God! |
| Geest | Dan wreek die laffe moord op hem gepleegd. |
| Hamlet | Moord! |
| Geest | O, elke moord is een zeer laffe daad, maar deze spot met wetten der natuur. |
| Hamlet | O, spreek ervan, dan kan ik vogelvlug, snel als de rede, als de liefdeduif, mij werpen op wraak. |
| Geest | Gij leert zeer snel. En trager zoudt gij zijn dan het vette kruid dat sluimerend ligt geworteld langs de Lethe, als dit u niet tot daden bracht. Nu luister. Ik werd, zo zegt men, slapend in mijn tuin gebeten door een slang - heel het Deense volk wordt met een zo gefabriceerd verhaal wat voorgelogen -; weet dan, goede vriend, de slang die toen uw vaders leven eindde draagt nu zijn kroon. |
| Hamlet | Mijn ziel had het voorzien! Mijn oom! |
| Geest | Ja, dat bloedschennig en ontuchtig beest; met woordmagie, met giften vol bedrog - O boos vernuft, en gaven met de macht zo te misleiden - wist hij schaamteloos mijn vrouw te winnen, die zo deugdzaam scheen. O Hamlet, wat ontviel daar toch van mij, wiens liefde zulk een waardigheid bezat, die hand aan hand ging met de dure eed waarmee ik haar huwde; en dan kiezen voor zo'n wrak, wie de natuur veel minder schonk dan dat zij mij gaf. Maar zoals deugdzaamheid nooit wijken zal, al koost de geilheid haar met engelenhand, zo krijgt lust van een hemels bed genoeg schoon hij verbonden is met het zoetste zoet, en werpt zich dan op gorigheid. Maar stil, ik denk dat ik de ochtend ruik. Laat mij kort zijn. Zoals mijn gewoonte was, lag ik eens 's middags in mijn tuin te slapen, en op dit vredig uur sloop toen uw oom omzichtig met wat ebbengif nabij, en schonk het schilfervormend distillaat in allebei mijn oorschelpen; het sap is zo vijandig tegen 's mensen bloed dat het als kwik zo snel zijn weg vervolgt door elke poort en laan van het hele lichaam, en dan met grote kracht verstijven doet het dunne en gezonde bloed, als melk die schift door zuren. Zo stolde mijn bloed; meteen toen braken schilfers door mijn huid als bij een hagedis; mijn mooie lijf was een afschuwelijke, vieze korst. Zo werd mij, slapend, door een broederhand in een slag leven, kroon en vrouw ontnomen, zonder vergiffenis voor al mijn zonden, geen mis, geen zalving, absolutie, biecht, met op mijn schouder nog die zware last. O gruwel, gruwel aller gruwelijkheden. Als uw natuur niet dood is, neem het niet, laat niet het koningsbed van Denemarken beslapen worden door lust en incest. Maar welke actie gij ook onderneemt, smet uw geweten niet, en beraam ook niets tegen uw moeder. Laat het aan God, en aan de dorens van haar binnenste, haar te prikken en te straffen. Vaarwel: de glimworm geeft het eerste uur reeds aan en doet verbleken zijn nu zinloos vuur. Adieu, adieu, adieu. Vergeet mij niet. |
| Af | |
| Hamlet | O hemelscharen! Aarde! Wat nog meer? Moet soms de hel er bij? O rustig, hart, en word niet ogenblikkelijk oud, mijn kracht, maar houd mij op de wind. U niet vergeten? Nee, arme geest, zo lang uw heugenis zetelt in deez' verwarde bol. U niet vergeten? O, van de tafel der herinnering wis ik hier weg elk dwaas, nietszeggend feit, en elke zin en beeld en indruk die het jeugdig brein daarop heeft aangebracht, en daar, binnen het boek van mijn gedachten, zult gij alleen in al uw glorie wonen vrij van elk aards gedoe. Dat zweer ik u. O vrouw vol van laaghartigheid, O schurk, jij grijnzende, verdomde schurk! Mijn schrijftablet. Ik teken hier maar op: wie lachen kan is zeer vaak ook een schurk - althans het is zeker waar in Denemarken. Zo, oom, dat staat er maar. En nu mijn lijfspreuk: die is: 'Adieu, adieu, vergeet mij niet'. Ik heb gezworen. |
| Horatio en Marcellus, roepend, op | |
| Horatio | Heer, heer. |
| Marcellus | Heer Hamlet. |
| Horatio | De hemel sta mij bij. |
| Hamlet | [Terzijde] Ja, inderdaad. |
| Marcellus | Hallo, mijn heer, hallo. |
| Hamlet | Hallo, jongen, hallo. Kom, vogel, kom. |
| Marcellus | Hoe is het, nobele heer? |
| Horatio | Nog nieuws, mijn heer. |
| Hamlet | O, schitterend. |
| Horatio | O heer, vertel het ons. |
| Hamlet | O nee, het wordt doorverteld. |
| Horatio | Door mij niet, heer, ik zweer u. |
| Marcellus | Ook niet door mij, heer. |
| Hamlet | Wat denk jullie; zou iemand soms ooit menen - niet verder vertellen. |
| Hor./Marc. | We zweren het. |
| Hamlet | Er is geen enkele schurk in Denemarken, of hij is een doortrapte boef. |
| Horatio | Moet er een geest uit het graf op staan, mijn heer, om ons dat te vertellen? |
| Hamlet | Inderdaad. En daarom gaan wij nu hier uit elkaar, zonder dat ik omstandig iets vertel. Ga doen waar plicht en neiging u toe noopt, want iedereen heeft neiging en heeft plicht, wat het ook zij; - wat arme ik betreft: ik ga nu bidden. |
| Horatio | Dat zijn slechts wilde en verwarde woorden, heer. |
| Hamlet | Het spijt me uit het hart dat ze u kwetsen - ja, geloof me, uit het hart. |
| Horatio | Het kwetst niet, heer. |
| Hamlet | Bij de heilige Patrick, het kwetst wel degelijk, en nogal heftig ook. Wat deze geest betreft, het is een echte, dat verzeker ik jullie. En als je weten wilt wat ons twee bindt, bedwing die wens zo mogelijk. Nu, vrienden, want dat zijn jullie, wijzen en soldaten, nu heb ik nog maar een verzoek. |
| Horatio | Wat is het, heer? |
| Hamlet | Praat nooit over wat hier vannacht gebeurd is. |
| Hor/Marc | O nee, heer, zeker niet. |
| Horatio | Geloof me, heer, ik houd mijn mond. |
| Marcellus | Ik ook, mijn heer, geloof me. |
| Hamlet | Zweer het op mijn zwaard. |
| Marcellus | We hebben reeds gezworen, heer. |
| Hamlet | Op het kruis van het zwaard. |
| Geest | [Roept onder het toneel] Zweer. |
| Hamlet | Zo jongen, goed gezegd. Ben je daar, oude kerel? Kom op, je hoort ons vriendje ondergronds. Verbind je tot een eed. |
| Horatio | En welke, heer? |
| Hamlet | Om nooit te spreken van wat je hebt gezien. Zweer op mijn zwaard. |
| Geest | Zweer.. |
| Zij zweren | |
| Hamlet | Hic et ubique? Naar een andere plaats, en legt uw handen weer hier op mijn zwaard. Zweer op mijn zwaard, om nooit te spreken van wat u heeft gezien. |
| Geest | Zweer op zijn zwaard. |
| Zij zweren | |
| Hamlet | Goed zo, oude mol. Kruip jij zo snel in de aarde? Een waardig mineur. Nog eens, nu hier, mijn vrienden. |
| Horatio | O dag en nacht, wat is dit wondervreemd. |
| Hamlet | Verwelkom het dus als een vreemdeling. In hemel en in aarde is veel meer dan uw wijsgerigheid vermoedt, Horatio. Maar kom, zweer hier, als straks, om nooit, God sta u bij, hoe vreemd of gek ik mij dan ook gedraag - daar ik wellicht hierna het juist zal vinden om een groteske houding aan te nemen -, dat u, wanneer u mij dan ziet, wel nooit, met armen zo gevouwen, of hoofdschuddend, of als ik iets zeg dat enig argwaan wekt als 'Bekend' of 'We konden wel, stel dat' of 'Als wij eens spraken', 'Er zijn er als ze mochten' of zoiets dubbelzinnigs, dan duidelijk stelt dat u iets van mij weet - O, zweer dit toch, zo help u Gods genade in uw nood. |
| Geest | Zweer. |
| Hamlet | O rustig, zwaar verstoorde geest. Dus, Heren, met al mijn liefde stel ik mij u ter hand; en wat zo'n arme man als Hamlet is kan doen om liefde en vriendschap uit te drukken, het zal niet ontbreken. Laat ons samen gaan. En steeds uw vingers op uw lippen, alstublieft. De tijd rukt uit zijn voeg; vervloekt de dag dat ik geboren ben die hem stellen mag. Nee, kom, laat ons toch samen gaan. |
| Allen af | |