| Koning Hendrik IV 1
King Henry IV 1 vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
| Eerste bedrijf |
eerste toneel tweede toneel derde toneel |
|
| |
| Eerste toneel Rossillion. Het paleis van de hertog. | |
| De jonge Bertram, Graaf van Rossillion, op, zijn moeder, de Gravin, Helena en Heer Lafew, allen in het zwart | |
| Gravin | Doordat ik mijn zoon van mij laat gaat, begraaf ik nog een keer mijn echtgenoot. |
|
Eerste Bedrijf Eerste toneel - Londen. Het paleis De Koning op, Lord John van Lancaster, de Graaf van Westmoreland, Sir Walter Blunt, en anderen | |
| Koning | Geschokt, nog niet bekomen, bleek en al,
kunnen we de opgejaagde vrede even doen uithijgen, met een hortend verhaal van nieuwe strijd aan stranden heel ver weg: niet langer laaft de dorstige aardmond hier zijn lippen met het bloed van eigen kroost, niet langer splijt krijg met zijn voren haar veld, of breekt haar bloempjes met de ijzeren hoef van tegen-staanders: die vijandige ogen, die, als vuursporen van een duistere hemel, - van één natuur, uit één en hetzelfde bloed -, pas nog fel op elkaar botsten, elkaar onderling afslachtten in burgerkrijg, marcheren nu, eendrachtig, ordelijk, allemaal één kant op, en staken het gevecht met bondgenoten, vrienden, bloedverwanten. Geen scherp van krijg, als slecht geborgen dolk, zal nog zijn meester snijden. Daarom, vrienden, helemaal tot waar Christus begraven is - onder wiens heilig kruis, wij, als zijn strijder, ons door een eed tot krijg verbonden hebben -, roepen wij een Engelse macht bijeen, wiens armen groeiden in de moederschoot om de heidenen uit die heiligheid te jagen die ooit het zalige voetenpaar betrad dat voor ons heil veertienhonderd jaar gelee werd vastgenageld aan het bittere kruis. Dit plan van ons is al twaalf maanden oud, en het heeft geen zin, te zeggen dat wij gaan; daar zijn wij niet voor hier. Laat mij dus horen, van u, mijn beste Westmoreland, mijn neef, wat onze Raad gisteravond heeft beslist, hoe vlot de tocht die we ons zo wensen doorgaat. |
| Westmoreland | Mijn vorst, er is druk over het tijdstip overlegd,
veel veldtochtzaken heeft men vastgelegd, toen er gisteren laat een bode onverwacht uit Wales aankwam, beladen met zwaar nieuws, en het ergst is, dat de edele Mortimer, met zijn mannen uit Herefordshire op weg tegen de woeste guerrilla Glendower, zelf is gepakt door die wilde Welshman, er duizend van zijn volk zijn afgeslacht, van wie de lijken zo mishandeld zijn, zo schaamteloos, beestachtig zijn verminkt door Welshe vrouwen, dat men hiervan niet zelfs met de diepste schaamte spreken kan. |
| Koning | Het lijkt alsof het bericht van deze slag
de zaak van het Heilig Land heeft afgebroken. |
| Westmoreland | Ja, dat gepaard met andere zaken, heer;
nog meer onwelkom, verontrustend nieuws kwam er uit het noorden; en het liep als volgt: op Kruisverheffingsdag trof dappere Hotspur, de jonge Henry Percy, Archibald, de onversaagde, veelgeprezen Schot, bij Holmedon, waar ze er vol op gingen, een heftig uur; zoals het uit de charges van het geschut en logica kon worden opgemaakt; wie het nieuws bracht sprong op het hoogtepunt te paard, bij het allerfelste woeden van de strijd, toen de afloop nog geheel onzeker was. |
| Koning | Hier is een trouwe, toegewijde vriend,
Sir Walter Blunt, net van zijn paard gestegen, bespat met alle soorten moddergrond tussen dat Holmedon daar en onze troon; hij heeft ons goed en welkom nieuws gebracht. De Graaf van Douglas is geheel verslagen; tienduizend Schotten, tweeëntwintig ridders, zag Walter, rij op rij, in eigen bloed, op het veld van Holmedon; Hotspur nam gevangen: Mordake, de graaf van Fife en de oudste zoon van de overwonnen Douglas, en de Graaf van Athol, Murray, Angus, en Menteith: is dat geen achtenswaardige oorlogsbuit? Geen mooie prijs? Wat zeg jij, neef? |
| Westmoreland | Ja, echt
een zegepraal waar een prins trots op kan zijn. |
| Koning | Daarmee maak jij mij droef, en zondig ik
door afgunst, dat mij heer Northumberland de vader is van een zo’n wakkere zoon; een zoon, die voor ligt op de tong van eer, de allerrechtste stam van heel het woud, Fortuna’s lieveling, haar grootste trots; terwijl dat ik, als ik zijn roem beschouw, losbandigheid en schande op het voorhoofd zie van mijn zoon Harry. Kwam er toch een bewijs, dat een spookfee onze kinderen ‘s nachts in hun wieg verwisseld heeft, dat van mij Percy genoemd, het andere Plantagenet. Dan had ik zijn Harry, en hij mijn kind: maar, weg die gedachten. Weet u al, neef, van Percy’s hoogmoed? De gevangenen, die hij gepakt heeft in dit avontuur, behoudt hij voor zichzelf; hij laat mij weten, dat ik enkel Mordake krijg, de Graaf van Fife. |
| Westmoreland | De lessen van zijn oom, ja, dit is Worcester,
uw kwade ster in elke samenstand, die hem zich klaar doet maken voor de strijd: jeugdige nekharen op tegen uw hoogheid. |
| Koning | Ik laat hem al hier komen ter rekenschap;
en daarom moet het even uitgesteld, ons heilig plan richting Jeruzalem. Komende woensdag houden wij weer Raad te Windsor, verwittig de Lords daarvan: maar keer zelf heel snel weer naar ons terug, want er is meer te zeggen en te doen dan dat ik in mijn woede uiten kan. |
| Westmoreland | Zeker, mijn vorst.Allen af
Tweede toneel - Londen. Een huis van de Prins. De Prins van Wales op, en Sir John Falstaff |
| Falstaff | Wel, Hal, hoe laat leven we, kerel? |
| Prins | Jij bent al zo ver heen door het drinken van oude Spaanse wijn, door het losknopen van je wambuis na het avondeten, en door op de bank te slapen na het middageten, dat je vergeten bent te vragen wat je eigenlijk wilde weten. Wat voor de duivel kan het jou schelen hoe laat het is? Tenzij uren bekers wijn waren, en minuten kapoenen, en klokken de tongen van koppelaars, en de wijzers de uithangborden van hup-huizen, en de zalige zon zelf een heet mokkeltje in vlamzijde, zie ik geen enkele reden om zo je woorden te verspillen en te vragen hoe laat het is. |
| Falstaff | Daar sla je de spijker nou eens echt op zijn kop, Hal, want wij, beurzengappers, laten ons leiden door de maan en de zeven sterren, en niet ‘door Phoebus, die razende ridder schoon’: en wil jij, manneke, als je ooit koning bent, wat God jou ooit genadig moge schenken, Uwe Genade, - Majesteit zou ik moeten zeggen, wat je zult het zonder genade moeten doen - |
| Prins | Wat, zonder genade? |
| Falstaff | Nee, echt niet, niet eens genoeg om voor eieren en boter te danken. |
| Prins | Nou, en wat verder? Maak je zin eens af. |
| Falstaff | Nou, manneke, als jij ooit koning bent, hoop ik niet, dat men ons, verlichte nachtbrakers, duistere dagdromers noemt: laat ons Diana volgen, als ridders van haar schaduw, de lievelingen van de maan; en laat men zeggen, dat wij mannen met een goede levensregel zijn, want wij sturen ons, als de zee, naar onze edele en kuise heerseres de maan, onder wier dekmantel wij stilletjes rondgaan. |
| Prins | Dat zeg je goed, en heel juist, want het geluk van ons, die dienaren van de maan zijn, heeft zijn eb en zijn vloed, als de zee, omdat het bestuurd wordt als de zee, door de maan - zoals bij voorbeeld, een beurs met goud die maandagnacht zeer vastberaden wordt gestolen en dinsdag ochtend zeer onberaden verbruikt, veroverd met een vloek ‘Geef hier’ en uitgegeven met de kreet ‘Pak aan’, nu eerst als in eb zo laag onderaan de ladder, en kort daarop als vloed zo hoog als de dwarsbalk van de galg. |
| Falstaff | Bij God, je hebt gelijk, kerel; en is mijn waardin van de herberg geen allerzoetst meidje? |
| Prins | Als honing van Hybla, oude kroegenschuiver; en is er iets boeiender dan een duffelleren jas? |
| Falstaff | Hoezo, hoezo, grapjanus? Die grappen en grollen van jou toch! Wat voor den duivel moet ik met een duffelse jas? |
| Prins | En wat heb ik in godsnaam met ‘mijn waardin van de herberg’ te maken? |
| Falstaff | Nou, die heb jij heel wat keertjes om de rekening geroepen. |
| Prins | Heb ik jou er soms ooit bij geroepen om jouw deel te betalen? |
| Falstaff | Nee, dat moet ik je nageven, daar heb jij alles zelf betaald. |
| Prins | Ja, en elders ook, zover mijn geld reikte, en waar het niet reikte, heb ik mijn krediet gebruikt. |
| Falstaff | Ja, en zo opgebruikt, dat, als jij niet de vermoedelijke erfgenaam was, je vermoedelijk allang- Maar zeg eens, manneke, zullen er in Engeland nog galgen overeind staan, als jij koning bent? En zal de durf zoals nu worden ingedamd door de roestige breidel, van die ouwe potsenmaker, de wet? Als jij koning bent, hang dan geen dief meer op. |
| Prins | Nee, dat zul jij doen. |
| Falstaff | Ik? O, prachtig! Bij God, ik zal een prima rechter zijn. |
| Prins | Jij oordeelt nu al op valse grond, ik bedoel, jij zult de dieven ophangen, en dus een prima beul zijn. |
| Falstaff | Best, Hal, best; in zekere zin bevalt dat mij net zo goed als aan het hof rond te hangen, laat ik u dat wel zeggen. |
| Prins | Om iets te pakken te krijgen? |
| Falstaff | Ja, om te pakken wat ik kan; een beul heeft er een hele kast mee vol hangen. Verduiveld, ik ben zo zwartgallig als een kater of een beer aan een ketting. |
| Prins | Of als een oude leeuw, of de luit van een minnaar. |
| Falstaff | Ja, of de baspijp van een doedelzak uit Lincolnshire. |
| Prins | Wat zou je zeggen als een haas, of de melancholie van de Moor-sloot. |
| Falstaff | Je komt wel met heel onsmakelijke vergelijkingen, ja, je bent een uiterst productieve, liederlijke, aardige jonge prins. Maar wil je me niet meer met ijdelheden lastig vallen, Hal. Ik zou van God willen weten, waar jij en ik een voorraadje goede namen konden kopen: een oude lord van de geheime raad ging kort geleden tegen mij tekeer over u; maar ik lette niet op hem, en toch sprak hij wijze woorden, en nog wel op straat. |
| Prins | Dat heb je goed gedaan, want de wijsheid verheft haar stem op de straten, en niemand slaat acht op haar. |
| Falstaff | Jij heb zo’n kwalijk maniertje om heilige teksten te verdraaien; je zou een heilige nog wel kunnen verleiden: jij hebt al veel kwaad in mij gesticht, Hal; moge God het je vergeven: voor ik je kende, Hal, wist ik niets, en nu ben ik, als iemand de waarheid mag zeggen, een beetje beter dan een van de Slechten. Ik moet dit leven opgeven, en zal het ook opgeven: bij de Heer, als ik dat niet doe, dan ben ik een slechterik; voor geen koningszoon in de christen-wereld wil ik mij laten verdoemen. |
| Prins | Waar gaan we morgen een beurs gappen, Hans? |
| Falstaff | Mijn God, waar je maar wilt, kerel; ik doe het; zo niet, dan mag je me een schurk noemen en me de grond in boren. |
| Prins | Ik merk dat jij je leven al behoorlijk gebeterd hebt: van bidden tot beurzensnijden. |
| Falstaff | Ach, Hal, dat is mijn roeping, Hal, een man zondigt niet als hij zijn roeping volgt.
Poins opPoins! - Nou zullen we horen of Gadshill iets op touw heeft gezet. O, als de mens door verdienste zalig zou worden, welk gat in de hel zou dan heet genoeg voor hem zijn? Dit is de meest doortrapte schurk die ooit tegen een eerlijk iemand ‘Halt’ geroepen heeft. |
| Prins | Goeie morgen, Ned. |
| Poins | Goeie morgen, beste Hal. Wat zegt Monsieur Gewetenswroeging? Wat zegt Sir John Wijn-met-suiker? Hans, hoe zit het, is je ziel het al met de duivel eens aan wie jij op Goede Vrijdag vorige week je ziel verkwanseld hebt, tegen een glas Madeira en een koud kippenboutje? |
| Prins | Sir John houdt zijn woord, de duivel zal krijgen wat hem toekomt, want hij heeft nog nooit een spreekwoord gebroken: hij zal de duivel geven wat des duivels is. |
| Poins | Dan ben jij vervloekt, omdat je tegenover de duivel je woord houdt. |
| Prins | Anders was hij verdoemd omdat hij de duivel bedrogen had. |
| Poins | Maar jongens, jongens, morgenvroeg, om vier uur, naar Gadshill! Er gaan pelgrims naar Canterbury met rijke offergaven, en er rijden kooplui naar Londen met dikke portemonnees. Ik heb voor jullie allemaal maskers; paarden hebben jullie zelf. Gadshill ligt bij Rochester; morgenavond heb ik het eten besteld in Eastcheap: we kunnen het even veilig doen als slapen. Als jullie gaan, zal ik jullie zakken vol kronen stoppen; als jullie niet willen, dan blijf maar thuis en laat je hangen. |
| Falstaff | Hoor eens, Yedward, als ik thuis blijf en niet mee ga, dan hang ik u omdat u meegaat. |
| Poins | Zo, vetkwab. |
| Falstaff | Hal, doe jij mee? |
| Prins | Wie, ik, stelen? Ik een dief? Nee, ik niet, echt niet. |
| Falstaff | Er is helemaal geen eerlijkheid in jou, geen manhaftigheid, geen kameraadschap; jij bent ook helemaal niet van koninklijke bloede, als je geen koninklijke 10 shilling waard durft te zijn. |
| Prins | Nou, goed, eens in mijn leven wil ik wel uit mijn bol gaan. |
| Falstaff | Zo mag ik het horen. |
| Prins | Er mag gebeuren wat er wil, maar ik blijf thuis. |
| Falstaff | Bij God, dan pleeg ik hoogverraad aan jou, als jij koning bent. |
| Prins | Je doet maar. |
| Poins | Sir John, zou je de prins en mij even alleen kunnen laten: ik zal met argumenten voor dit avontuur bij hem aankomen dat hij wel gaat toegeven.
FalstaffWel, God geve jou de overredingskracht, en hem ontvankelijke oren, zodat wat jij zegt hem overtuigt, en wat hij hoort geloofd wordt, zodat de nobele prins, om de lol, een gemene dief blijkt te zijn, want de arme misbruiken van de wereld moeten onderhouden worden. Tot ziens, jullie zien mij in Eastcheap. |
| Prins | Tot ziens, tweede lente! Tot ziens, herfstzomertje!Falstaff af |
| Poins | Wel, mijn beste suikerprins, rij morgen met ons mee. Ik ben een grap van plan, die ik niet alleen uit kan voeren. Falstaff, Bardolph, Peto en Gadshill gaan de mannen beroven waar we de hinderlaag al voor gelegd hebben - u en ik zullen er niet bij zijn: en als ze de buit binnen hebben, dan mag u dit hoofd van mijn schouders slaan, als u en ik hen niet gaan beroven. |
| Prins | Hoe moeten wij hen kwijtspelen bij ons vertrek? |
| Poins | Nou, we gaan gewoon wat eerder of later weg dan zij, en spreken dan een plek af waar we elkaar zullen zien, waar wij dan als we zin hebben weg blijven; en dan gaan zij zelf die heldendaad ondernemen, en ze zijn er nog niet mee klaar, of wij overvallen hen. |
| Prins | Goed, maar ze mogen onze paarden niet zien; die zal ik in het bos vastbinden; wij doen andere maskers voor als we hen verlaten hebben; en, ja, man, dan heb ik nog ruwe kleding voor die gelegenheid, om over onze bekende kleren aan te trekken. |
| Prins | Goed, maar, eh, ik ben bang dat ze te sterk voor ons zullen zijn. |
| Poins | Nou, èn: twee ervan ken ik als de rasechtste lafaards die ooit de benen hebben genomen; en als de derde langer vecht dan hij denkt dat het verstandig is, dan neem ik nooit meer een wapen in de hand. De kracht van de grap zit hem in de ontzettende leugens die de vette schelm ons zal vertellen als we elkaar bij het avondeten ontmoeten, hoe dat hij met wel dertig man gevochten heeft, met welke parades, met welke stoten, welk levensgevaar hij heeft doorstaan; en in hem dan ineens te ontmaskeren, daar zit hem de grap. |
| Prins | Goed, ik ga mee; zorg dat we alles hebben wat er nodig is, en kom morgenavond bij me in Eastcheap; daar wil ik gaan eten. Tot ziens. |
| Poins | Tot ziens, mijn heer.Af |
| Prins | Ik ken jullie, en eventjes verdraag ik
die wilde neigingen van jullie nietsdoen. Hierin volg ik het voorbeeld van de zon: die houdt met lage, pestbeladen wolken haar schoonheid voor de wereld even weg, opdat ze, als ze weer zichzelf wil zijn, zo lang verwacht, nog meer bewonderd wordt, als zij door de mist heen breekt, vuil en vies, de gore damp die haar dreigde te verstikken. Als iedere dag van het jaar een speeldag was, dan werd spel even duf als werken nu; maar als iets zelden komt, is het feest als het komt; wat zeldzaam, onverwacht is, schenkt veel vreugd: als ik dus dit losbandig leven afzweer, en een schuld betaal die ik nooit ben aangegaan, beschaam ik des te meer wat men verwacht naarmate ik beter dan mijn woorden blijk; dan zal, als hel metaal op duistere grond, mijn ommekeer mijn feilen overstralen, nog mooier schijnen, nog meer blikken trekken dan iets dat het moet doen zonder contrast. Zo zondig ik, dat men die zonde acht; ik win tijd terug waar men dat het minst verwacht.Af Derde Toneel - Windsor. De Raadkamer De Koning op, Northumberland, Worcester, Hotspur, Sir Walter Blunt, en anderen |
| Koning | Mijn bloed was veel te rustig en te stil,
en wou niet sneller stromen bij zo’n smaad, en u hebt dat ontdekt - want juist daarom trapt u op mijn geduld: maar wees verzekerd, van nu af word ik meer mezelf, gevreesd en krachtig, dan ik van nature ben, altijd glad als olie, zacht als jong dons, waardoor ik het recht op eerbied heb verbeurd dat een trots hart enkel aan trotsen schenkt. |
| Worcester | Ons huis verdient het niet, genadig vorst,
dat grootheid er haar zweep tegen verheft, de grootheid die wij eigenhandig zelf tot zo’n staat hielpen stijgen. |
| Northumberland | Maar, mijn vorst, - |
| Koning | Zorg dat je weg komt, Worcester, want jouw blik
verraadt gevaar en ongehoorzaamheid: uw houding is te driest, te vastbesloten: nooit en te nimmer verdraagt majesteit het gramme tarten van een dienaarsblik. Gaat u gerust; wij roepen u wel weer als wij uw raad en bijstand nodig hebben.Worcester af [Tot Northumberland] Wat wilde u zeggen? |
| Northumberland | Wel, mijn edele vorst,
de krijgsgevangenen, in uw naam geëist, die Harry Percy hier bij Holmedon maakte, werden niet, zoals hij stelt, zo grof geweigerd als aan uw majesteit ooit is gemeld. En dus is òf opzet, òf misverstand schuldig aan dit vergrijp, en niet mijn zoon. |
| Hotspur | Ik heb nooit gevangenen geweigerd, heer,
maar ik weet nog, hoe, toen het gevecht voorbij was, en ik, verhit van het woeden en felle strijd, zwak en buiten adem leunde op mijn zwaard, er een heer voorbij kwam, in een keurig pak, fleurig als een bruigom, de kin kort gemaaid als het stoppelveld na het oogstfeest zo glad. Hij rook naar geurtjes van een modekramer, en hield tussen zijn vinger en zijn duim een strooidoosje, dat hij steeds weer opnieuw naar zijn neus bracht, en het dan snel weg haalde - boos snoof die, als het opnieuw dicht bij hem kwam, dat heel snel op - en hij maar lachen en praten: en toen soldaten doden langs hem droegen, schold hij hen uit voor plompe, lompe kerels, omdat ze een akelig en stinkend lijk tussen de wind brachten en zijne hoogheid. Met welgekozen woorden, keurig net, sprak hij tot mij, en vroeg onder andere mijn krijgsgevangenen voor uw majesteit. Pijn overal van koud geworden wonden en dan ook nog gepest door een papegaai, gaf ik in mijn ergernis en ongeduld zomaar een antwoord, ik weet echt niet meer wat, als dat hij moest, of niet, want wat was ik kwaad dat hij er zo keurig bij stond, heerlijk rook, zo als een kamermeisje reppelde van krijg, van trom, van wonden - God betere het -, en zei, dat bij inwendige kneuzingen spermaceet wel een supermiddel was, en dat het bijzonder kwalijk was, dat men uit het binnenste van de onschuldige aarde het kwaadaardig salpeter bleef opgraven, dat zoveel flinke en sterke kerels laf had omgebracht, - was er geen geschut geweest, dan zou hij zelf soldaat geworden zijn. Die blabla zonder kop of staart, mijn vorst, gaf ik zomaar wat als antwoord, zei ik al, en ik verzoek u, om, in zijn bericht, geen beschuldiging te zien die zich wringt tussen mijn liefde en uwe Majesteit. |
| Blunt | Zoals de zaken nu staan, edele vorst,
moet wat Lord Harry Percy heeft gezegd op enig tijdstip, tegen die en die, en daar en daar, met alles eromheen, vergeten worden, en nooit tegen hem gebruikt worden, of hem in opspraak brengen om wat hij heeft gezegd, als hij het herroept. |
| Koning | Hij blijft zijn krijgsgevangenen weigeren,
maar stelt voorwaarden, en hij eist, dat wij voor eigen rekening direct die dwaas, die Mortimer, zijn zwager, vrijkopen, die, ik zweer het u, moedwillig zijn mannen verraadde die hij voor ging in de strijd tegen die vervloekte tovenaar, Glendower, wiens dochter, horen wij, de graaf van March pas heeft gehuwd: moet heel de schatkist leeg om een verrader vrij en thuis te krijgen? Moeten wij verraad kopen? Met lafaards praten, die uitgespeeld zijn, zich verkwanseld hebben? Laat hem verhongeren op de kale bergen; want hem beschouw ik nooit meer als mijn vriend, wiens tong mij nog één stuiver vragen gaat om die opstandige Mortimer vrij te kopen. |
| Hotspur | Mortimer een rebel!
Hij viel u nimmer af, mijn soeverein, tenzij door het lot des krijgs; hoor als bewijs slechts één tong voor die wonden allemaal, gapende wonden, die hij dapper ontving, toen hij, op de biezen oever van de Severn, alleen, in een gevecht van man tot man, bijna een uur doorbracht in felle strijd, zich metend met de machtige Glendower. Driemaal kwam men op adem, dronk driemaal bij overeenkomst van de snelle stroom, die dan, ontzet door beider bloedig uitzien, zich angstig tussen het bevend riet verschool en het rimpelig hoofd in de holle oever borg, onder het bloed van deze dappere strijders. Nooit kleurde naakte, vuige veinzerij haar werking zo met dodelijke wond, en nooit zou ook de nobele Mortimer er zoveel krijgen, en met instemming: noem hem daarom niet valselijk oproerling. |
| Koning | Een leugen, Percy, jij liegt over hem,
hij heeft zich nooit gemeten met Glendower: hij had nog liever met de duivel zelf gevochten, en alleen, dan Owen Glendower. Schaam jij je niet? Kerel, laat ik je nooit meer horen spreken van die Mortimer: stuur me uw gevangenen zo snel als het kan, of je zult echt iets van mij horen dat jou niet aanstaat. Mylord Northumberland: u hebt verlof, met uw zoon te vertrekken. Stuur uw gevangenenen, of u hoort van mij.Koning af, met Blunt en gevolg |
| Hotspur | Al kwam de duivel er zelf me om brullen,
ik stuur ze niet: ik ga achter hem aan, en zeg hem dat: daar lucht mijn hart van op, al zet ik ook mijn hoofd erbij op het spel. Northumberland Wat is er? Dronken van dolheid? Blijf wat, hier komt uw oom. Worcester weer op |
| Hotspur | Spreken van Mortimer?
Jezus, òf ik van hem spreek; moge mijn ziel vervloekt zijn, als ik niet zijn zijde kies: ja, voor hem wil ik deze aderen ledigen, mijn bloed vergieten, drup voor drup in het stof, maar ik zal die vertrapte Mortimer verheffen zo hoog als die ondankbare koning daar, die rotte en ondankbare Bolingbroke. Northumberland De koning, broer, heeft uw neef dol gedraaid. |
| Worcester | Wie heeft dit, toen ik weg was, op doen laaien? |
| Hotspur | Verdomd, hij wil al mijn gevangenen,
en toen ik nog eens aandrong op de vrijkoop van mijn vrouws broer, keek hij behoorlijk bleek, zag hij mij aan met doodsschrik in zijn blik, beefde hij, al bij de naam Mortimer. |
| Worcester | Bepaald niet onterecht: Richard die dood is
heeft hem toch als naaste in het bloed erkend? Northumberland Ja, inderdaad, ik heb het horen proclameren: het was, toen onze ongelukkige vorst (vergeve God de zonden ons jegens hem) de Ierse veldtocht ondernemen ging; vanwaar hij, door wat hier gebeurde, terugkwam, om afgezet te worden en vermoord. |
| Worcester | En om wiens dood wij in heel de wereld flink
worden nagewezen en zwaar vervloekt. |
| Hotspur | Maar wacht eens: heeft toen Koning Richard hem,
mijn broeder, Edmund Mortimer, genoemd als erfgenaam op de troon? |
| Northumberland | Ik heb het zelf gehoord. |
| Hotspur | Dan treft zijn neef, de koning, heel geen blaam,
die hem het liefst zag hongeren op een kaal gebergte. Maar hoe kunt u, die de kroon op het hoofd heeft geplaatst van die ondankbare man, en om hem de verwenste schandvlek draagt hem tot moord te hebben aangezet, hoe kunt u een wereld vervloekingen ondergaan, omdat u het werktuig was, de lage helper, de strop, de ladder, nee, nee, de beul zelf. Vergeef me, dat ik tot zo’n diepte daal, om u te wijzen welk een maat en plaats u inneemt onder deze sluwe koning! Zal men, O schande, in deze dagen zeggen, of optekenen in een latere kroniek, dat mannen van uw adel, van uw macht, die beide aan een slechte zaak verpandden (zoals u beiden, God vergeve het u, deed) om Richard, het lieve roosje, weg te hakken, voor deze doorn, de hondsroos Bolingbroke? En zal men zeggen, tot nog grotere schande, dat u vernederd, weggeschoven werd door hem voor wie u die schande onderging? Nee, nog is het tijd, om uw verbannen eer weer vrij te kopen, en te zorgen dat u weer een goede naam krijgt bij het volk: dan wreek de smadelijke minachting van deze trotse vorst, die dag en nacht zijn schuld aan u in één klap zoekt te kwijten, al was het met een bloedklap van uw dood; daarom zeg ik u - |
| Worcester | Stil, neef, genoeg daarvan.
Ik wil u nu een geheim boek openslaan, en voor uw snel begrijpend ongenoegen iets dieps en zeer gevaarlijks voorlezen, dat evenveel moed eist en avontuur als de wild kolkende stroom oversteken op het gladde voetpaadje van een lans. |
| Hotspur | Valt hij, tot ziens dan, of hij zinkt of zwemt!
Stuur het gevaar maar uit van oost naar west, als de eer het dan kruist van noord naar zuid, dan vechten ze vast: O, meer bruist het bloed van wie op leeuwen jaagt dan op een haas. Northumberland Alleen het idee al van een grootse daad drijft hem voorbij de grenzen van het geduld. |
| Hotspur | Mijn hemel, hoe eenvoudig lijkt de sprong,
de bleke maan de zilveren eer te ontrukken, te duiken naar de bodem van het diep, waar het peillood nimmer de grond raken kan, daar verdronken eer oppakken bij het haar, als wie haar daarvandaan redt dragen mag al haar waardigheid zonder concurrentie: maar weg met dit krenterig delen van eer! |
| Worcester | Hij grijpt hier naar een wereld vol verbeelding,
maar zoekt niet naar de vorm die hij eigenlijk moet. Mijn beste neefje, luister toch naar mij. |
| Hotspur | Neem mij niet kwalijk. |
| Worcester | Die edele Schotten dus,
die uw gevangenen zijn - |
| Hotspur | Houd ik allemaal;
bij God; ik sta niet één Schot aan hem af, al kon een Schot zijn ziel redden, geen een. Ik hou ze, ik zweer er op. |
| Worcester | U draaft weer door,
en luistert niet naar wat ik zeggen wil: u houdt de krijgsgevangenen - |
| Hotspur | Nou en òf.
Hij zou hem niet vrijkopen, die Mortimer, wou niet dat ik één woord zei van Mortimer, maar ik zal hem opzoeken wanneer hij slaapt, en dan schreeuw ik in zijn oren: ‘Mortimer!’ Ja, ik koop een spreeuw, en die leer ik dan alleen het woord ‘Mortimer’, en geef hem die cadeau, om al zijn boosheid goed op gang te houden. |
| Worcester | Maar luister nou eens, neef, één woordje maar. |
| Hotspur | Hierbij zweer ik plechtig ieder streven af,
behalve hoe ik die Bolingbroke kan tergen: en wat die vuurvreter betreft, die Prins van Wales, - als ik niet dacht, dat zijn vader hem haat en graag zag dat hem iets engs overkwam, die zou ik een pot geven met giftig bier! |
| Worcester | Tot ziens, neef: ik spreek u binnenkort nog wel,
wanneer uw zinnen meer op luisteren staan. Northumberland Ben jij door een wesp gestoken, dolle dwaas, dat je tekeer gaat zoals een vrouw zou doen, en je oor slechts luisteren wil naar eigen tong? |
| Hotspur | Ai, ik voel de zweep, de stok en brandnetels,
de mieren bijten me, wanneer ik hoor van die gemene schuimer Bolingbroke. In Richards tijd - hoe heet het slot al weer? Krijg nou de pokken, het is in Gloucestershire - het was waar zijn oom, de gekke hertog, woonde, zijn oom van York - waar ik het eerst neerknielde voor die vorst met dat lachje, Bolingbroke, mijn God, toen u met hem terugkwam van Ravenspurgh. Northumberland Slot Berkley. |
| Hotspur | U zegt het juist.
Nou, wat een suikerberg aan hoffelijkheid bood toen die hazewind mij kwispelend aan! ‘Als dit kindergeluk ooit groot zal zijn’, en ‘Lieve Henry Percy’, ‘Beste neef’: de duivel hale die bedriegers, - gedver! Maar kom met uw verhaal, oom; ik ben klaar. |
| Worcester | Maar als u soms nog niet, dan ga maar door,
we kunnen wachten. |
| Hotspur | Nee, ik ben echt klaar. |
| Worcester | Dan nog eens over die Schotten van u:
geef allen dadelijk zonder losgeld vrij, en laat de zoon van Douglas dan in Schotland voor u volk ronselen; ik schrijf u wel, waarom dat om diverse redenen zal worden toegestaan. - [Tot Northumberland] En u, mylord, terwijl uw zoon zijn best doet daar in Schotland, moet u zich heimelijk nestelen in het hart van die beminde, waardige prelaat, de Aartsbisschop. |
| Hotspur | Van York? |
| Worcester | Die heeft het moeilijk
met zijn broers dood in Bristow, de Lord Scroop. Wat ik hier zeg heb ik niet uit mijn duim, als iets dat goed zou kunnen, maar het is heel lang beraamd, gewogen en gewikt, en wacht slecht totdat het gelaat zich toont van het gunstig tijdstip dat het tot handelen brengt. |
| Hotspur | Ik ruik het. Zowaar ik leef, het wordt goed.
Northumberland Voor het wild zich roert, laat jij de honden los. |
| Hotspur | Nee, het moet en zal een prachtige aanslag zijn;
dan zal de macht van Schotland, en van York, met Mortimer samengaan. |
| Worcester | Zo zal het zijn. |
| Hotspur | Wat is me dat voortreffelijk uitgedacht. |
| Worcester | En wat ons maant tot spoed is niets gerings:
wij ronselen een hoofdgroep om ons hoofd te redden; want, ja, hoe rustig we ons nu ook gedragen, de koning blijft zich onze schuldenaar voelen en menen dat wij op afbetaling wachten, totdat hij ons helemaal heeft uitbetaald: je merkt toch hoe hij al begonnen is ons vreemden te doen zijn voor zijn genade. |
| Hotspur | Zo is het, ja; nemen wij wraak op hem. |
| Worcester | Tot ziens, neef. Maar zet niet één stap meer,
dan waar ik schriftelijk heen leiden zal. Wanneer de tijd rijp is, en dat is gauw, sluip ik naar Glendower, en Lord Mortimer, waar u en Douglas, en onze hele macht vol goede moed, naar mijn aanwijzing, treffen: dan ligt ons lot in eigen sterke arm, waar wij het nu wankel en onzeker zien. Northumberland Tot ziens, broeder; wij zullen slagen, vast. |
| Hotspur | Vaarwel dan, oom: vlieg toch snel om, gij, tijd,
tot klap en kreun op het veld ons spel begeleidt.Allen af Tweede Bedrijf Eerste toneel - Rochester. De binnenhof van een herberg Een voerman op, met een lantaarn in de hand |
| 1e Voerman | Hola! Ze kunnen me hangen als het nog geen vier uur in de ochtend is; de grote Beer staat boven de nieuwe schoorsteen, en de paarden zijn nog altijd niet gepakt. Hé, stalknecht! |
| Stalknecht | [Achter] Ik kom al, ik kom al. |
| 1e Voerman | Ha, Tom, wil je het zadel van Bles wat opkloppen, en wat vlokken wol onder de knop steken; de arme knol is lelijk afgeschaafd aan de schoften.
Een tweede voerman op |
| 2e Voerman | De erwten en bonen zijn hier zo muf als een hond, en dat is de vlugste manier om arme knollen wormen te bezorgen: dit huis hier is op zijn kop gezet sinds de dood van Robin de stalknecht. |
| 1e Voerman | Die arme kerel toch: hij had geen plezier meer in het leven sinds de prijs van de haver de hoogte in ging; dat was zijn dood. |
| 2e Voerman | Dit is volgens mij wel het beroerdste huis langs de hele Londense weg wat vlooien betreft; ik ben gestoken als een zeelt. |
| 1e Voerman | Als een zeelt! Mijn hemel, geen christenkoning kan al meer gebeten zijn dan ik sinds dat de eerste haan gekraaid heeft. |
| 2e Voerman | Maar ze gunnen ons ook helemaal geen nachtspiegel, en dan lekken we onder de schouw, en zo’n kamerloog broedt vlooien als een modderkruiper. |
| 1e Voerman | Hé, stalknecht! Schiet nou toch op, en laat je hangen, schiet op. |
| 2e Voerman | Ik heb een zij spek en twee pakken gember die ik helemaal naar Charing Cross moet brengen. |
| 1e Voerman | Jezus nog an toe! De kalkoenen in mijn mand zijn bijna uitgehongerd. Hé, stalknecht! Krijg de pokken! Heb je geen ogen in je kop? Kun je niet horen? Als het niet een even goede daad was als je bedrinken om jouw hersens in te slaan, dan ben ik een boef. Kom hier, en laat je hangen. Heb jij dan geen geloof?
Gadshill op |
| Gadshill | Goeiemorgen, voerlui. Hoe laat is het? |
| 1e Voerman | Het zal zo’n twee uur zijn. |
| Gadshill | Kun je me even je lantaarn geven, dan kan ik op stal mijn ruin gaan bekijken. |
| 1e Voerman | Nou, rustig aan, zeg; ik ken een foefje dat twee keer zoveel oplevert. |
| Gadshill | Kun jij me die van jou dan even lenen? |
| 2e Voerman | Ach, ja, nou. Kun jij me je lantaarn lenen, zegt hij! Dan wil ik je eerst zien hangen. |
| Gadshill | Zeg, voerman, hoe laat denk jij in Londen te zijn? |
| 2e Voerman | Vroeg genoeg om nog met een kaars naar bed te gaan, als je dat maar weet; kom, buurman Mugs, we gaan de heren uit hun bed halen; ze gaan met het gezelschap mee, want ze hebben veel om op te letten.De voerlui af |
| Gadshill | Hé, kamerdienaar, waar ben je?
Kamerdienaar op |
| Kamerdienaar | ‘Bij de hand, zegt de beurzensnijder’. |
| Gadshill | Je kunt net zo goed zeggen: ‘Bij de hand, zegt de kamerdienaar’, want jij bent niet veel verder af van het beurzensnijden dan aanwijzen van uitvoeren; jij vertelt hoe het gedaan moet worden. |
| Kamerdienaar | Goedemorgen, meneer Gadshill. Het is nog steeds, zoals ik u gisteravond heb verteld: er is een grootgrondbezitter uit het woud van Kent, die driehonderd mark aan goud bij zich heeft, dat hoorde ik hem gisteravond aan tafel zeggen tegen een van de mensen uit zijn gezelschap, een soort rentmeester, die ook een aardig sommetje bij zich heeft, God weet hoeveel; ze zijn al op, en hebben eieren en boter besteld - ze gaan dadelijk weg. |
| Gadshill | Nou, als die niet de makkers van Sinterklaas tegenkomen, mag je mijn nek cadeau hebben. |
| Kamerdienaar | Nee, die hoef ik niet, bewaar die maar voor de beul, want ik weet dat jij Sinterklaas zo braaf dient, als een boef maar kan. |
| Gadshill | Wat praat je me nou van de beul? Als ik hang, worden er twee galgen vet gesmeerd: want als ik hang, hangt de oude Sir John vlak naast mij, en jij weet dat dat geen hongerlijder is. Och, er zijn nog andere Trojanen, die jij helemaal niet kent, die voor de grap het handwerk graag eer aan doen; die zouden het wel in de doofpot stoppen als we tegen de lamp lopen, om hun eigen reputatie te redden. Ik hou me niet op met landlopers te voet, niet met knuppel-zwaaiende kwartjesdieven, of met dol-schreeuwende, besnorde, paars aangelopen moutwormen, maar met burgemeesters en renteniers, die hun stand ophouden, die eerder zullen toeslaan dan spreken, eerder spreken dan drinken, eerder drinken dan bidden - maar, nee, gadver, daar lieg ik, want ze liggen constant hun heilige, de gemeenschap, aan te roepen, of liever, hebben en berijden haar in gemeenzaamheid, en maken het echt buitengewoon met haar. |
| Kamerdienaar | Wat, gewoon buitenechtelijk? Houdt dat echt buiten als er nattigheid is? |
| Gadshill | Zij wel, zij wel, de wet heeft haar in de olie gelegd: wij pikken absoluut veilig: wij hebben de varenzaadformule, wij zwerven onzichtbaar. |
| Kamerdienaar | Nou, volgens mij hebt u het meer aan de nacht dan aan het varenzaad te danken, dat u onzichtbaar rondwandelt. |
| Gadshill | Geef me je hand: jij zult een deel van onze winst hebben, zo waar ik een eerlijk man ben. |
| Kamerdienaar | Nou, laat me het dan liever hebben zo waar u een gemene boef bent. |
| Gadshill | Schei uit, wat alle mensen gemeen hebben is de naam homo: vraag de stalknecht maar, of hij mijn ruin uit de stal naar buiten brengt. Tot ziens, stom achtereind.Beiden af
Tweede toneel Gad’s Hill. De grote weg. De Kroonprins op, Poins en Peto |
| Poins | Kom, verberg je, verberg je! Ik heb Falstaff zijn paard weggehaald. en nou gaat hij tegen de vleug in als gesteven fluweel. |
| Kroonprins | Weg wezen!Ze verbergen zich allemaal
Falstaff op |
| Falstaff | Poins! Poins, ze mogen jou hangen! Poins! |
| Kroonprins | [Komt te voorschijn] Rustig maar, vetgemeste boef, wat ga je toch allemaal tekeer? |
| Falstaff | Waar is Poins, Hal? |
| Kroonprins | Die is boven op de heuvel geklommen; ik ga hem wel halen.Hij gaat weg |
| Falstaff | Wat een vloek, om met die dief samen op roof uit te gaan; de schurk heeft mijn paard meegenomen en Joost mag weten waar vastgebonden. Als ik nog maar vier voet verder loop, barst ik uit elkaar. Nou hoop ik hiervoor beloond te worden met een mooie dood, als ik ten minste de galg kan ontlopen omdat ik die boef gedood heb. Ik ben zijn gezelschap nu al tweeëntwintig jaar uur in uur uit aan het afzweren, maar dat gezelschap van die schurk heeft mij behekst. Als die boef mij geen drankjes heeft ingegeven, dat ik hem aardig vinden moet, dan laat ik me hangen. Het kan niet anders, ik heb drankjes gehad. Poins! Hal! Jullie kunnen allebei de pest krijgen. Bardolph! Peto! Ik wil van honger sterven, voor ik nog een voet verder ga roven - als het niet even verdienstelijk als drinken is, een fatsoenlijk man te worden en deze boeven te verlaten, dan ben ik de grootste lomperd die ooit kiezen had om mee te kauwen; acht meter ongelijke grond is voor mij hetzelfde als zeventig mijl te voet, en die boeven met hun harten van steen weten dat maar al te goed. Ze kunnen me de pokken krijgen, als dieven elkaar niet eens meer kunnen vertrouwen! [Ze fluiten] Hé! Krijgen jullie allemaal de klere, geef me mijn paard, boeven, geef me mijn paard en laat je hangen! |
| Kroonprins | [Tevoorschijn komend] Rustig, dikke pens, ga maar liggen, je oor tegen de grond, en luister of je de voetstappen van reizigers kunt horen. |
| Falstaff | Heeft u hefbomen om mij weer op te lichten als ik beneden ben? Donders nog an toe, nooit van mijn leven sleep ik mijn vlees nog eens zo ver te voet, zelfs niet voor al het geld uit je vaders schatkist. Wat ben je met mij van plan door me zo te verknollen. |
| Kroonprins | Je liegt, je bent niet verknold, je bent ontknold. |
| Falstaff | O, alsjeblieft, Kroonprins Hal, help me weer aan mijn paard, mijn beste koningszoon. |
| Kroonprins | Wegwezen, boef, moet ik je stalknecht zijn? |
| Falstaff | Hang jezelf maar op aan vermoedelijke-troonopvolgers-kousenbanden! Als ze mij krijgen, ga ik hier alles van zeggen: als ik er niet voor zorgen zal, dat ze liedjes gaan zingen over jullie allemaal, en wel op hele schunnige melodieën, dan mag ik vergiftigd worden met een beker wijn. - als een grap te ver gaat, en dan nog wel te voet, dan hoef ik niet meer!
Gadshill op en Bardolph |
| Gadshill | Halt! |
| Falstaff | Ik stop al, tegen mijn wil. |
| Poins | O, dat is onze lokvogel, ik ken zijn stem. [Hij komt te voorschijn met Peto] Bardolph, wat is het nieuws? |
| Bardolph | Gezichten weg; de maskers voor, daar komt geld van de koning de heuvel af, het gaat naar de schatkamer van de koning. |
| Falstaff | U liegt, boef, het gaat naar de kroeg van de koning. |
| Gadshill | Er is genoeg om ons allemaal - |
| Falstaff | Te laten hangen. |
| Kroonprins | Vallen jullie hen aan, mannen in de holle weg: Ned Poins en ik lopen wat naar beneden - als ze aan jullie aanval ontsnappen, lopen ze ons tegen het lijf. |
| Peto | Met hoeveel zijn ze? |
| Gadshill | Acht tot tien man ongeveer. |
| Falstaff | Jeminee, ze gaan ons toch niet beroven? |
| Kroonprins | Wat, een lafaard, Sir John Pens? |
| Falstaff | Ik ben inderdaad geen mager Jantje van Gent uw grootvader, maar een lafaard, nee, Hal. |
| Kroonprins | Wel, we wachten op het bewijs. |
| Poins | Vriend Jack, je paard staat achter de heg; als je het nodig hebt, kun je het daar vinden. Tot ziens, en houd je goed. |
| Falstaff | Nou kan ik het niet eens afranselen, al werd ik er voor opgehangen. |
| Kroonprins | Ned, waar is onze vermomming? |
| Poins | Hier vlak bij, kom mee.De Kroonprins en Poins af |
| Falstaff | Nou, mannen, het geluk zij met ons, laat ik maar zeggen - iedereen op zijn post.
De reizigers op |
| 1eReiziger | Kom, buurman, de jongen zal onze paarden wel de heuvel af leiden; laten wij even te voet gaan en onze benen strekken. |
| Dieven | Halt! |
| 2eReiziger | God bewaar ons! |
| Falstaff | Toeslaan, gooi ze op de grond, snij die boeven de keel door! Stelletje geile klaplopers, spekvreters, boerenkinkels, ze haten ons, jongelui. Sla ze tegen de vlakte, vil ze! |
| 2eReiziger | O, nou zijn we verloren, wij allemaal, voor altijd. |
| Falstaff | Laat je hangen, dikpenzen, boeven, verloren? Nee, rijke stinkers, ik wou dat je hele bezit hier was. Hup, spekbillen, hup! Hé, schurken, het jonge volk moet leven. Jullie zijn ook nog gezworenen, hè? Nou, wij zullen jullie bezweren, wacht maar.
Ze beroven hen en binden hen vast. Allen af. De Kroonprins en Poins weer op, in vermomming |
| Kroonprins | De dieven hebben de eerlijke lui vastgebonden; als wij tweeën nou de dieven eens konden beroven en gezellig naar Londen gingen, zou dat een week lang het onderwerp van gesprek zijn, dan zou er een maand om gelachen worden, en zou het altijd een prachtige grap blijven. |
| Poins | Opzij! Ik hoor ze komen.Ze gaan opzij staan
De dieven weer op |
| Falstaff | Kom, mannen, laat ons delen, en dan te paard, vóór het dag wordt; als de Kroonprins en Poins geen gruwelijke lafaards zijn, dan is er geen gerechtigheid meer op aarde; die Poins heeft niet meer dapperheid in zijn lijf dan een wilde eend.
Terwijl ze de buit aan het verdelen zijn, worden ze overvallen door de Kroonprins en Poins |
| Kroonprins | Jullie geld! |
| Poins | Boeven!
Ze rennen allemaal weg, en na twee klappen rent ook Falstaff weg, de buit achterlatend. |
| Kroonprins | Dat was me gauw gepiept. Nou vlug te paard:
de boeven zijn verstrooid, en zijn zo bang, ze gaan vast voor elkaar nu op de loop; elk ziet zijn maatje aan voor een agent! Wegwezen, Ned - die Falstaff zweet zich dood, en smeert de magere aarde waar hij loopt. Ik zou hem beklagen, als ik niet lachen moest. |
| Poins | Wat brulde onze vetzak toch.Allen af
Derde Toneel - Warkworth. Het kasteel. Hotspur op, alleen; hij leest een brief. |
| Hotspur | ‘Wat mij betreft, mylord, ik zou mij er zeer op verheugen, daar te zijn, gezien de liefde die ik uw huis toedraag.’ Hij zou er zich op verheugen; waarom doet hij dat dan niet? Gezien de liefde die hij ons huis toedraagt: daarmee toont hij, dat zijn eigen hut hem liever is dan ons huis. Laat me eens verder kijken. ‘Wat u wenst te ondernemen is gevaarlijk’ - Nou, zeker weten; het is gevaarlijk een kou te vatten, te slapen, te drinken; maar laat ik u dit zeggen, mylord de Gek, van deze netel, Gevaar, plukken wij de bloem Veiligheid. ‘Wat u wenst te ondernemen is gevaarlijk; de vrienden die u genoemd hebt zijn onbetrouwbaar, de tijd zelf is slecht gekozen, en heel uw plan te licht als tegenwicht voor zo’n grote weerstand.’ Meent u dat, meent u dat? Ik zeg u nog eens, dat u een domme, laffe boerenkinkel bent, en dat u liegt: wat is me dit voor een hersenloos wezen! Here God nog an toe, ons plan is zo goed als er ooit een plan is beraamd, onze vrienden zijn trouw en standvastig: een goed plan, goede vrienden, met het vaste vertrouwen dat het goed zal gaan: een voortreffelijk plan, hele goede vrienden: wat is me dat een koudbloedige schurk. Als u maar weet, dat mylord van York het plan goedkeurt, en de algehele lijn van de aanslag. Mijn God, als ik nou toch bij die schurk was, zou ik hem de hersens kunnen inslaan met de waaier van zijn dame. Is mijn vader er niet bij, mijn oom, en ikzelf? Lord Edmund Mortimer, mylord van York, en Owen Glendower? En dan ook nog de Douglas? Heb ik niet hun schriftelijke toezegging, dat zij zich gewapend met mij zullen verenigen op de negende van de volgende maand, en zijn enkelen van hen al niet uitgerukt? Wat is me dit een ongelovige schurk, een heiden! Ha! Men zal nog zien, dat hij in de volle openhartigheid van zijn angst en zijn kleinmoedigheid nog naar de Koning gaat, om hem alles wat wij aan het voorbereiden zijn bloot te leggen! O, ik wou dat ik me in tweeën kon splitsen en de twee helften elkaar een pak ransel kon laten geven, dat ik zo’n schoteltje afgeroomde melk bij zo’n eervolle onderneming heb willen betrekken! Ophangen, die man, laat het hem de koning maar vertellen, wij zijn er op voorbereid: ik ga vanavond nog op weg.
Lady Percy op Zo, Kaat. Ik moet u binnen twee uur verlaten. |
| Lady Percy | Mijn heergemaal, wat bent u zo alleen?
Waarom ben ik al veertien dagen lang een vrouw, verbannen uit mijn Harry’s bed? Wat is het, lieve man, dat jou berooft van eetlust, van plezier en gulden slaap? Waarom buig je je ogen naar de grond, en schrik je op als je op je eentje zit? Waarom ben je die blos van je nu kwijt, wat geef je mijn rijkdom, mijn recht op jou, aan somber peinzen en neerslachtigheid? Vaak zat ik bij jouw sluimerend aan jouw zij, en hoorde je mompelen van staal en krijg, je steigerend ros in het gareel krijgen met: ‘Moed! vooruit!’ En jij sprak enkel maar van uitval, terugtocht, en van schans en tent, van parapet, van grenswal, palenschans, van veldslang, van bombarde, het kanon, van losprijs, van soldaten dood op het veld, de wisselingen van knallende strijd. Zo was je geest van binnen bij de krijg, en maakte je in je slaap zodanig druk, dat heel je voorhoofd parelde van het zweet als blaasjes op een pas doorwoelde beek, en je gezicht plotseling heel vreemd vertrok, als bij een man die door een bevel verrast zijn adem inhoudt. Wat zijn toch die tekens? Mijn man staat voor een hele zware taak; ik wil weten wat, of hij houdt niet van mij. |
| Hotspur | Hé daar!
Een dienaar opIs Gilliams al weg met het pak? |
| Dienaar | Zeker, mylord, al ruim een uur. |
| Hotspur | Heeft Butler al de paarden van de sheriff? |
| Dienaar | Maar één paard, heer, hij heeft het net gebracht. |
| Hotspur | En wat voor paard? Een ruin, een kortoor hoop ik? |
| Dienaar | Zeker, mylord. |
| Hotspur | Een ruin kies ik als mijn troon.
Ik ga er zo op zitten. Espérance! Zeg Butler, dat hij hem het park in leidt.Dienaar af |
| Lady Percy | Maar hoor nu toch eens, beste man van mij. |
| Hotspur | Wat is er, lieve dame? |
| Lady Percy | Wat voert u toch van mij vandaan? |
| Hotspur | Wat anders dan mijn paard, mijn lief, mijn paard. |
| Lady Percy | Zo kan hij wel weer, dolle aap!
Zelfs een wezel wordt nog niet zo geplaagd door opvliegers als u. Nee, absoluut, ik wil het weten, Harry, wat het is; Ik ben bang dat mijn broer Mortimer zich roert om zijn titel, en u heeft laten halen om zijn plan te steunen. Maar als u gaat - |
| Hotspur | Zo ver te voet, daar word ik moe van, lieve. |
| Lady Percy | Kom, kom, mijn klein parkietje, antwoord mij
direct op deze vraag die ik hier stel; ik ga je pinkje breken, Harry, echt, als jij mij alles niet haarfijn vertelt. |
| Hotspur | Weg,
weg, vrijstertje! Liefde! Ik hou niet van jou, ik geef niet om je, Kaat; dit is geen tijd voor spel met poppetjes en lippentuiten; bloedneuzen willen wij, gekraakte kronen en toch mee betaald krijgen. God, mijn paard! Wat zeg je, Kaat? Wat wil je nog van mij? |
| Lady Percy | Houdt u niet van mij? Is dat dan echt waar?
Wel, dan maar niet, als u niet van mij houdt, dan ik niet van mijzelf. Mag u mij niet meer? Kom, zeg of dat een grapje was, of niet. |
| Hotspur | Kom, wil je mij zien wegrijden?
Alleen als ik op mijn paard zit, zweer ik je, dat ik eindeloos van je houd. Maar luister, Kaat, ik wil niet dat je mij ooit nog eens vraagt waar ik heen ga, of raden gaat waarom: waar ik heen moet, moet ik; kortom, ik moet vanavond weg van u, mijn lieve Kaat. Ik weet wel dat u wijs bent, maar niet wijzer dan Harry Percy’s vrouw; dat u trouw bent, maar altijd vrouw; en als het om zwijgen gaat, geen edelvrouw kan het beter; ik weet zeker, verklappen zul jij nooit wat jij niet weet; zover vertrouw ik jou, mijn lieve Kaat. |
| Lady Percy | Zo ver? Niet verder? |
| Hotspur | Geen centimeter. Maar luister, mijn Kaatje,
waar ik heen ga, daar volg jij morgen mij: vandaag vertrek ik, en morgen kom jij. Tevreden, Kaatje? |
| Lady Percy | Ik moet wel, ik heb geen keus.Allen af
Vierde toneel Eastcheap. De herberg ‘De Everkop’. De Kroonprins op en Poins |
| Kroonprins | Ned, kom nou eens eindelijk uit dat muffe kamertje, en help me eens wat lachen. |
| Poins | Waar ben je geweest, Hal? |
| Kroonprins | Met zo’n stuk of vier ezelskoppen tussen zo’n tachtig okshoofden. Ik heb de allerlaagste snaar van de nederigheid bespeeld. Man, ik ben nu de gezworen broer van een trio biertappers, en ik mag ze allemaal bij hun voornaam noemen: Tom, Dick en Francis. Ze zetten er al hun zaligheid voor in, dat ik, al ben ik alleen de kroonprins, toch de koning der wellevendheid ben; en ze zeggen mij ronduit dat ik niet zo’n kerel ben als die Falstaff die het hoog in de bol heeft, maar een Corinthiër, een kerel met pit, een goede jongen (bij God, zo noemen ze me), en als ik eens koning van Engeland ben, zal ik alle flinke jongens van Eastcheap tot mijn beschikking hebben. Stevig drinken noemen zij ‘rood verven’, en als je bij het zwelgen adem schept roepen ze ‘Hum!’, en vragen je ‘Doorgaan!’ Om kort te gaan, ik heb het in een kwartier zo voortreffelijk voor elkaar, dat ik de rest van mijn leven met elke ketellapper in zijn eigen taal drinken kan. Ik zal je eens wat zeggen, Ned, je hebt heel wat eer misgelopen dat je niet met mij bij deze heldendaad geweest bent; maar, zoetelieve Ned - om de naam Ned wat zoeter te maken geef ik je dit suikerzakje, dat mij zojuist door de hulptapper in de hand is gedrukt, iemand die zijn leven lang geen ander Engels gesproken heeft dan: ‘Acht shilling, zes stuiver’, en ‘Dank u wel’, met wat hij er gillend op laat volgen: ‘Gelijk, meneer, gelijk! Een pint muskaat schrijven voor de Halvemaanskamer’ of iets dergelijks. Maar Ned, om de tijd te doden tot Falstaff er is: - ga jij eens in de kamer hiernaast staan, terwijl ik die kleine onervaren tappersjongen vraag, waarom hij mij dat suikerzakje gegeven heeft, en blijf aan een stuk door ‘Francis!’ roepen, zodat hij er bij mij niets anders uit kan brengen dan ‘Gelijk’. Ga maar gauw, dan zal ik je een voorstelling geven.
Poins gaat een zijvertrek in |
| Poins | [Achter] Francis! |
| Kroonprins | Je bent voortreffelijk. |
| Poins | [Achter] Francis!
Francis op, een hulptapper. |
| Francis | Gelijk, meneer, gelijk. Help beneden in de Granaatkamer, Ralph. |
| Kroonprins | Kom eens hier, Francis. |
| Francis | Mylord? |
| Kroonprins | Hoe lang moet jij nog dienen, Francis? |
| Francis | Nog wel vijf jaar, zolang tot er - |
| Poins | [Achter] Francis! |
| Francis | Gelijk, meneer, gelijk. |
| Kroonprins | Vijf jaar! Goeie genade, vijf jaar lang met tinnen kroezen klepperen! Maar zeg eens, Francis, zou jij het lef hebben voor lafaard te spelen voor je contract, het je hielen te laten zien en weg te wezen? |
| Francis | O Here, meneer, ik zou op alle heilige boeken in Engeland willen zweren, dat ik het hart zou hebben - |
| Poins | [Achter] Francis! |
| Francis | Gelijk, meneer. |
| Kroonprins | Hoe oud ben je, Francis? |
| Francis | Laat eens kijken - met Sint Michiel word ik - |
| Poins | [Achter] Francis! |
| Francis | Gelijk, meneer - wilt u even wachten, mylord. |
| Kroonprins | Maar luistert u eens, Francis, die suiker die u mij heeft gegeven, dat was voor één stuiver, hè? |
| Francis | O Herejee, was het maar voor twee stuiver geweest. |
| Kroonprins | Ik geef je er duizend pond voor - vraag die maar wanneer je wilt, en je zult het krijgen. |
| Poins | [Achter] Francis! |
| Francis | Gelijk, gelijk. |
| Kroonprins | Gelijk, Francis? Nee, Francis, maar morgen, Francis; of, Francis, donderdag; of eigenlijk wanneer je wilt, Francis. Maar, Francis - |
| Francis | Mylord? |
| Kroonprins | Wil jij die man gaan bestelen met dat leren wambuis aan, met die kristallen knopen, met die kale kop, die agaten ring, bruine kousen, getwijnde kniebanden, die gladde prater met Spaans leren tasje? |
| Francis | Herejee, meneer, wie bedoelt u? |
| Kroonprins | Nou dan is uw bruine wijn uw enige drankje: want, Francis, uw witte wambuis zal er vuil van worden. In Barbarije, vriend, kan het niet zo duur worden. |
| Francis | Wat, meneer? |
| Poins | [Achter] Francis! |
| Kroonprins | Wegwezen, deugniet, hoor je ze niet roepen?
Nu roepen ze hem allebei; de hulptapper weet niet wat hij moet doen of welke kant hij op moet. De Tapper op |
| Tapper | Wat, sta je daar te kijken terwijl je ze zo hoort roepen? Zorg voor de gasten binnen. [Francis af] Mylord, de oude Sir John en nog een half dozijn anderen staan voor de deur, zal ik ze binnenlaten? |
| Kroonprins | Laat ze daar even staan, en doe dan de deur open. [Tapper af] Poins!
Poins weer op |
| Poins | Gelijk, meneer, gelijk. |
| Kroonprins | Hé, man, Falstaff en de andere dieven staan voor de deur; zullen we lol hebben? |
| Poins | Als krekels in het gras, jongen; maar luister eens, wat voor doortrapt spelletje heb je daar met die tapper gespeeld? Wat wou je daar eigenlijk mee? |
| Kroonprins | Ik ben nu in de stemming voor elke grap die ooit door mensen is uitgehaald sinds de verre dagen van de oude Adam af tot aan de onmondige leeftijd van twaalf uur middernacht heden.
Francis weer op Hoe laat is het, Francis? |
| Francis | Gelijk, meneer, gelijk.Af |
| Kroonprins | Hoe kan die knaap minder woorden hebben dan een papegaai en toch de zoon van een vrouw zijn? Zijn bezigheid is trap-op, trap-af, zijn welsprekendheid is punten van een rekening. Ik ben nog niet gestemd als Percy, de Hotspur van het noorden, die bij het ontbijt zo’n zes tot zeven dozijn Schotten doodt, zijn handen wast en tot zijn vrouw zegt: ‘Foei, wat een stil leventje, ik wil echt aan het werk’. ‘O, mijn lieve Harry’, zegt zij dan, ‘hoeveel heb je er vandaag gedood?’ Geef mijn ruin wat te drinken’, zegt hij, en antwoordt: ‘Ongeveer veertien’, een uur later; ‘Een kleinigheidje, een kleinigheidje’. Roep Falstaff maar binnen; ik zal Percy spelen, en dat verdomde everzwijn moet Dame Mortimer, zijn vrouw, spelen. ‘Rivo’ zegt de dronkaard: roep dat Ribstuk binnen, roep die Vetklomp.
Falstaff op, Gadshill, Bardolph en Peto; gevolgd door Francis, met wijn. |
| Poins | Welkom, Jack, waar kom je vandaan? |
| Falstaff | Al die lafbekken kunnen me de klere krijgen, zeg ik, en de duivel ook, ja en amen! Geef me een beker wijn, jongen. Liever dan zo’n leven te blijven leiden, wil ik kousen gaan breien, en verstellen en er ook nog nieuwe voeten aan zetten. Al die lafbekken kunnen me de klere krijgen! Geef me een beker wijn, boef; is er dan helemaal geen deugd meer op aarde?Drinkt |
| Kroonprins | Heb jij nooit gezien hoe Titan een schaal boter kuste (die weekhartige Titan!), en hoe die smolt bij de zoete woordjes van de zon. Zo ja, dan kijk dan eens naar deze combinatie. |
| Falstaff | Jij boef, er zit ook nog kalk in deze wijn; bij boze mensen vind je alleen maar schurkerij. En toch is een lafaard erger dan een beker wijn met kalk erin. Een schurk van een lafaard! Ga rustig door, oude Jack, sterf wanneer je wilt - als mannelijkheid, echte mannelijkheid nog niet van het aangezicht van deze aarde is verdwenen, dan ben ik een ijle haring zonder kuit: in heel Engeland leven er geen drie echte mannen die niet gehangen zijn, en een van hen is vet en wordt oud, God betere het, het is me een slechte wereld, wat ik je zeg. Was ik toch maar een wever; ik zou psalmen kunnen zingen, of wat dan ook. Al die lafbekken kunnen me de klere krijgen, ik blijf het zeggen. |
| Kroonprins | Kom op, wolbaal, wat zit u te mopperen? |
| Falstaff | Een koningszoon! Als ik jou niet uit je koninkrijk jaag met een houten zwaard, en al je onderdanen voor je uit drijf als een zwerm wilde ganzen, dan wil ik nooit meer haar op mijn gezicht dragen. U, Prins van Wales! |
| Kroonprins | Wel, schandalige bolknak, wat is er? |
| Falstaff | Bent u niet zo’n lafaard? Geef daar maar eens antwoord op - en Poins daar? |
| Poins | Verdomd, jij vetzak, als je me een lafaard noemt, bij God, dan steek ik je dood. |
| Falstaff | Ik jou een lafaard noemen! Ik wil jou verdoemd zien vóór ik jou lafaard noem, maar ik had er wel duizend pond voor over, als ik zo hard kon lopen als jij. U bent recht genoeg in de schouders, het maakt u niets uit wie uw rug ziet: noemt u dat uw vrienden de rug dekken? Dat soort dekvrienden kunnen me de klere krijgen, geef me liever iemand die me in mijn gezicht kijkt! Geef me een beker wijn: ik ben een boef als ik vandaag al iets heb gedronken. |
| Kroonprins | O, schurk! je hebt je lippen nog niet eens goed afgedroogd sinds de laatste keer dat je gedronken hebt. |
| Falstaff | Wat maakt het uit. [Hij drinkt] Al die lafaards kunnen me de klere krijgen, ik blijf het zeggen. |
| Kroonprins | Wat is er toch? |
| Falstaff | Wat is er toch? Er zijn er hier vier onder ons, die vanmorgen vroeg duizend pond buitgemaakt hebben. |
| Kroonprins | Waar zijn die, Jack, waar zijn die? |
| Falstaff | Waar zijn die? Ons afgenomen zijn die: wel honderd man tegen ons vieren. |
| Kroonprins | Wat, honderd, man nog an toe! |
| Falstaff | Ik ben een boef, als ik niet met een dozijn van die kerels op halve degenafstand gevochten heb, twee uur aan een stuk. Als door een wonder ben ik ontsnapt. Ik heb acht stoten door mijn wambuis gekregen, vier door mijn broek, eentje dwars door mijn beukelaar, mijn zwaard is ingehakt als een handzaag - ecce signum! Sinds ik man ben heb ik nog nooit zo hard gevochten: maar het mocht niet baten. Al die lafaards kunnen me de klere krijgen. Laat hen het maar vertellen. Als ze iets aan de waarheid verkleinen of vergroten, dan zijn het schurken, en de zonen der duisternis. |
| Kroonprins | Zeg eens, heren, hoe ging het nou? |
| Gadshill | Wij vielen met z’n vieren ongeveer een dozijn - |
| Falstaff | Op z’n minst zestien, mylord. |
| Gadshill | En hebben ze vastgebonden. |
| Peto | Nee, nee, niet vastgebonden. |
| Falstaff | Nou, schurk, vastgebonden, man, elk van die kerels, of ik wil een Jood wezen: een Hebreeuwse Jood. |
| Gadshill | Terwijl we aan het delen waren, werden we door een stuk of zes ruwe kerels overvallen - |
| Falstaff | En die maakten de anderen los, en toen kwamen ze allemaal. |
| Kroonprins | Zo, hebben jullie met al die mannen gevochten? |
| Falstaff | Allemaal? Ik weet niet wat u bedoelt met ‘allemaal’, maar als ik niet met vijftig stuks heb gevochten, wil ik een bosje radijsjes wezen: als er geen twee- of drieënvijftig boven op die arme oude Jack zaten, dan ben ik geen tweebenig schepsel. |
| Kroonprins | Ik hoop in Gods naam, dat u er niet een paar hebt vermoord. |
| Falstaff | Nou, daar helpt geen bidden meer aan: twee heb ik er ingepeperd. Ik weet zeker dat ik er twee om zeep heb geholpen, twee boeven in stijflinnen plunje. Hoor eens goed, Hal, als ik je hier iets sta voor te liegen, mag je me in het gezicht spuwen, mag je me een knol noemen. Jij kent mijn oude parade. Hier stond ik, en zo hield ik mijn wapen. Vier boeven in stijflinnen kwamen er op mij af - |
| Kroonprins | Hoezo, vier? Net zei je maar twee. |
| Falstaff | Vier, Hal, ik had het over vier. |
| Poins | Ja, ja, hij zei vier. |
| Falstaff | Die vier kwamen schouder aan schouder op mij af, vielen met alle macht op mij aan; zonder met mijn ogen te knipperen ving ik al hun zeven klingen op met mijn beukelaar, zo! |
| Kroonprins | Zeven? Net waren het er nog maar vier. |
| Falstaff | In stijflinnen? |
| Poins | Ja, vier, in stijflinnen plunje. |
| Falstaff | Ja, zeven, bij dit gevest, of ik wil een boef wezen. |
| Kroonprins | Laat hem toch maar, direct krijgen we er nog meer. |
| Falstaff | Luister jij wel, Hal? |
| Kroonprins | Ja, en ik let ook goed op, Jack. |
| Falstaff | Echt doen, hoor, want het is het luisteren waard. Die negen in stijflinnen waar ik het over had- |
| Kroonprins | Zo, alweer twee meer. |
| Falstaff | Nou, die galgenbrokken hadden zoveel stukken - |
| Poins | Dat hun de broek uit viel. |
| Falstaff | Dat ze van mij weg begonnen te gaan; maar ik hen op de hielen, viel met hand en tand aan, en snel als gedachten had ik er zeven van de elf betaald gezet. |
| Kroonprins | O ontzettend! Elf stijflinnen kerels gegroeid uit maar twee! |
| Falstaff | Maar alsof de duivel in het spel was, vielen er drie misbakken boeven met groene pakken van grove stof mij in de rug aan en hakten er maar op los, want het was zo donker, Hal, dat je geen hand voor ogen kon zien. |
| Kroonprins | Die leugens zijn net als hun vader die ze verwekt, enorm als een berg, doorzichtig en tastbaar. Zeg eens, jij kluitbollige vetzak, jij hersenloze stomkop, jij gore obscene glibberige vetvang, - |
| Falstaff | Hé, ben jij gek? Ben jij gek? Is de waarheid niet meer waar? |
| Kroonprins | Wel, hoe kon jij die kerels in het groen herkennen, als het zo donker was dat je geen hand voor ogen kon zien? Kom op, verklaar dat eens. Wat zeg je daarop? |
| Poins | Kom, verklaar dat eens, Jack, verklaar dat eens. |
| Falstaff | Wat, onder dwang? Mijn God, al hing ik aan de wipgalg, al lag ik op alle pijnbanken van de wereld, ik zou jullie niets zeggen onder dwang. Geef eens één reden voor dwang? Al bestonden er net zo veel beste redenen als bessen en bramen, dan nog zou niemand van mij redenen onder dwang horen, o zo. |
| Kroonprins | Ik wil niet langer medeplichtig zijn aan deze zonde. Deze volbloed-lafbek, deze beddenperser, deze paardenrugbreker, deze enorme vleesberg, - |
| Falstaff | Mijn God, hongerlijder die u bent, palinghuid, gedroogde ossentong, bullenpees, stokvis - O, had ik maar adem genoeg om te zeggen waar jij op lijkt - kleermakersel, bogenkist, uitgewerkte vuile rapier! |
| Kroonprins | Wel, kom maar even op adem, en begin dan maar weer, en als je jezelf hebt uitgeput in slechte vergelijkingen dan luister nog eens naar wat ik te zeggen heb. |
| Poins | Let op, Jack. |
| Kroonprins | Wij tweeën zagen jullie vieren vier man aanvallen; jullie bonden ze vast en maakte je meester van hun goed - let goed op hoe een eenvoudig verhaal schande over jullie brengt. Toen vielen wij tweeën jullie vieren aan, en joegen jullie met één enkele schreeuw van je buit vandaan, die wij nu hebben, ja, en jullie hier in huis kunnen laten zien: en, Falstaff, u hebt uw pens zo vlot meegesleept, met zulk een behendigheid, en u brulde om medelijden, en bleef maar rennen en brullen: zo heb ik nog nooit een stierkalf horen brullen. Wat ben je me toch een boef om zo op je zwaard in te hakken als je deed, en dan te zeggen dat het van het vechten is gekomen. Wat voor truc, wat voor slimmigheid, wat voor mollengat kun je nu weer bedenken, om je te verbergen voor openbare schande? |
| Poins | Nou, laat eens horen, Jack, wat voor truc heb je nou? |
| Falstaff | Mijn God, ik kende jullie zo goed als hij die jullie heeft gemaakt. Maar, mannen, hoor nou toch eens; maar kon het in mij opkomen de vermoedelijke troonopvolger te doden? Kon ik mij tegen de echte prins het zwaard heffen? Maar jij weet toch, dat ik zo dapper ben als Hercules: maar negeer het instinct niet - de leeuw zal de ware prins niet aanraken; instinct is een belangrijk iets. Ik was nu een lafaard op instinct: ik zal nu levenslang beter van mij denken en van jou, van mij als een dappere leeuw en van jou als een echte Kroonprins. Maar, bij God, mannen, ik ben blij dat jullie het geld hebben. Waardin, de deuren dicht! Vanavond wakker, morgen bidden! - Brave borsten, vrienden, gouden hartjes, alle titels voor goede kameraadschap voor jullie! Wel, zullen we lol maken, zullen we à l’improviste een blijspel opvoeren? |
| Kroonprins | Doen we, en het zal gaan over jouw vlucht. |
| Falstaff | Hou op, Hal, als je nog iets om me geeft.
Waardin op |
| Waardin | O Jee, mylord de Kroonprins. |
| Kroonprins | Wel, mylady Waardin, wat heeft u mij te zeggen? |
| Waardin | Nou, mylord, er is een man van aanzien van het hof aan de deur die u wenst te spreken: hij zegt dat hij van uw vader moest komen. |
| Kroonprins | Geef hem maar aanzienlijk en vorstelijk veel, en stuur hem terug naar mijn moeder. |
| Falstaff | Wat voor soort man is het? |
| Waardin | Een oude man. |
| Falstaff | Wat doet die waardigheid ‘s nachts om twaalf uur uit zijn bed? Zal ik hem te woord staan? |
| Kroonprins | Ja, doe maar, Jack. |
| Falstaff | Nou, dan zal ik hem maar gelijk afschepen.Af |
| Kroonprins | Grote goedheid, mannen, wat hebben jullie toch dapper gevochten, echt waar, Peto, echt waar, Bardolph; jullie zijn ook leeuwen, jullie liepen ook weg uit instinct, jullie zouden de ware kroonprins ook niet iets willen aandoen, toch - foei! |
| Bardolph | Nou, maar ik ben weggelopen toen ik de anderen zag rennen. |
| Kroonprins | Nou, zeg me eens eerlijk, hoe kwam die degen van Falstaff zo aan al die happen? |
| Peto | Wel, hij heeft eropin gehakt met zijn dolk, en hij zei dat hij de waarheid Engeland uit zou zweren om u te laten geloven dat het in een gevecht gebeurd was, en hij wist ons zover te krijgen om hetzelfde te doen. |
| Bardolph | Ja, en om onze neuzen met scherp gras te kietelen, dat ze zouden gaan bloeden, en dan onze kleren daarmee te besmeren, en zweren dat het bloed was van echte mannen. Ik deed wat ik al in geen zeven jaar had gedaan; ik werd er rood van, toen ik hoorde wat voor afschuwelijke invallen hij had. |
| Kroonprins | Jij, boef, jij hebt achttien jaar geleden een beker wijn gestolen en werd op heterdaad betrapt, en sinds die tijd heb jij altijd zomaar gebloosd. Jij had vuur en zwaard aan je zijde, en toch rende jij weg - welk instinct heeft je daartoe aangezet? |
| Bardolph | Mylord, ziet u die hemeltekens? Ziet u die vurige meteoren? |
| Kroonprins | Ja. |
| Bardolph | Wat denkt u wat ze betekenen? |
| Kroonprins | Hete levers, en koude beurzen. |
| Bardolph | Galgroenheid, mylord, als men het juist vat. |
| Kroonprins | Nee, de galg voor wie men juist vat.
Falstaff weer opHier komt magere Jaap, hier komt de knekelman. Wel, mijn beste volgepropte wattenbol, hoe lang is het geleden, Jack, dat jij je eigen knie hebt gezien? |
| Falstaff | Mijn eigen knie? Toen ik even oud was als jij, Hal, was ik aan mijn middel nog niet zo dik als een adelaarspoot, ik had in de duimring van iedere alderman kunnen kruipen: dat zuchten en steunen kan me gestolen worden, dat blaast een mens op als een blaas. Er is gruwelijk nieuws in omloop: dat was net Sir John Bracy, van uw vader: u moet morgenochtend naar het hof. Die bewuste kerel uit het noorden, Percy, en die kerel uit Wales die ooit Amadon er flink van langs gaf en Lucifer de horens opzette, en de duivel zijn trouw vazal heeft doen zweren op het kruis van een Welse hellebaard - verduiveld, hoe heet hij ook al weer? |
| Poins | O, Glendower. |
| Falstaff | Owen, Owen, ja, die was het; en zijn schoonzoon Mortimer, en de oude Northumberland, en die vurige Schot der Schotten, Douglas, die op zijn paard een loodrechte heuvel oprent - |
| Kroonprins | Degene die geweldig hard rijdt, en met zijn pistool een mus in de vlucht doodschiet. |
| Falstaff | Precies raak. |
| Kroonprins | Maar hij nooit de mus. |
| Falstaff | Nou ja, die boef had toch wel pit in hem, hij wou niet lopen. |
| Kroonprins | Wat doe jij dan niet stom, dat je hem prijst voor rennen. |
| Falstaff | Met zijn paard, oen, te voet doet hij geen stap. |
| Kroonprins | Jawel, toch, uit instinct. |
| Falstaff | O.k., uit instinct: o ja, die is er ook bij, een zekere Mordake, en nog wel duizend blauwmutsen. Worcester is ‘s nachts stilletjes weggegaan; de baard van jouw vader is op dat nieuws wit geworden; nu kunt u land kopen zo goedkoop als stinkende makreel. |
| Kroonprins | Nou, als we een hete Juni krijgen en deze opwinding van burgeroorlog aanhoudt, dan regelen we het dat we maagden net zo vlot kopen als kopspijkertjes, met honderden tegelijk. |
| Falstaff | Jereminee, daar heb je gelijk in, man, wat dat aangaat zullen we goede zaken kunnen doen. Maar, zeg eens, Hal, ben jij niet vreselijk bang? Jij bent de vermoedelijke troonopvolger; kan de wereld jou nog ooit drie van dergelijke vijanden voorschotelen als die duivel Douglas, die boze geest Percy en dat hellejong Glendower? Ben jij niet vreselijk bang? Gaat je bloed er niet van kou van rillen? |
| Kroonprins | Helemaal niet, echt niet, ik heb niet zo’n instinct als jij. |
| Falstaff | Nou, maar je zult er morgen toch vreselijk van langs krijgen als je bij je vader komt; als ik je een goede raad mag geven zou ik alvast maar een antwoord instuderen. |
| Kroonprins | Goed, doe jij dan maar alsof je mijn vader bent, en stel me een paar vragen over mijn handel en wandel. |
| Falstaff | Zal ik? Goed dan! Dan zal deze stoel mijn troon zijn, deze dolk mijn scepter en dit kussen mijn kroon. |
| Kroonprins | Dan blijkt jouw troon alleen maar een fijne kruk te zijn, jouw goede scepter een loden dolk en jouw kostbare rijke kroon een armzalige kale kruin. |
| Falstaff | Stil maar, als er nog een sprankje genade in je leeft, zul je nu geroerd worden. Geef me een beker wijn, om mijn ogen rood te kleuren, zodat men denken kan dat ik gehuild heb, want ik moet spreken met veel emotie, en ik ga het doen op de manier van Koning Cambyses. |
| Kroonprins | Wel, hier is mijn buiging. |
| Falstaff | En hier is mijn toespraak. Terzijde, edele heren. |
| Waardin | Herejee, dit wordt volgens mij echt lachen. |
| Falstaff | Ween niet, vorstin, uw tranen zijn vergeefs. |
| Waardin | God, wat houdt hij zijn gezicht in de plooi. |
| Falstaff | Leid, heren, mijn bedroefde vorstin weg,
want leed verstopt de sluizen van haar oog. |
| Waardin | Herejee, hij doet het net zo goed als ik die boeven van toneelspelers ooit heb zien doen. |
| Falstaff | Stil, potteke bier, stil, beste Bloed Marietje. - Harry, het verbaast me niet alleen waar jij je tijd doorbrengt, maar ook met wie jij omgaat. Want, de kamille kan dan wel des te sneller groeien naarmate ze meer vertreden wordt, naarmate de jeugd meer verspild wordt is ze des te sneller versleten. Dat jij mijn zoon bent daarvoor heb ik deels de verzekering van je moeder, maar voornamelijk die verraderlijke blik in je ogen die mij overtuigt, en die stoute hanglip van jou. Als jij dus een zoon van mij bent, - en dan kom ik nu waar ik wezen wil -, waarom wordt jij dan zo nagewezen, als jij een zoon van mij bent? Zal zo’n roemruchte zon van de hemel een spijbelaar blijken te zijn, die bramen eet? Een vraag, die niet gesteld mag worden. Moet de zoon van Engeland een dief blijken, een beurzensnijder? Een vraag die wel gesteld mag worden. Er is één ding, Harry, waar jij vaak van gehoord hebt, en dat velen in dit land kennen onder de naam pek. Dit pek, zo zeggen oude bronnen, maakt andere zaken vuil, en zo ook het gezelschap waarmee je verkeert: want, Harry, nu spreek ik niet tot jou in dronkenschap maar in tranen, niet in scherts, maar emotioneel, niet louter met woorden maar ook met pijn in het hart. En toch is er een deugdzaam man, die ik vaak in jouw gezelschap heb gezien, maar ik weet niet hoe hij heet. |
| Kroonprins | Wat voor soort man is het, als het uwe Majesteit belieft? |
| Falstaff | Een statige man, welgevormd, moet ik zeggen; met een goedmoedige blik, een innemend oog, en een uiterst waardige houding; en, ik denk, zo ongeveer vijftig, of misschien wel naar de zestig; en nou schiet het me weer te binnen, hij heet Falstaff. Als die man tot schunnigheid in staat is, dan vergis ik mij lelijk in hem; want, Harry, in zijn blik zie ik deugdzaamheid. Wanneer de boom aan zijn vruchten te kennen is, zoals men de vruchten kent aan de boom, dan kan ik bepaald stellen, dat er deugd zit in die Falstaff: houd hem aan je zijde, verban de rest. En zeg me nou eens gauw, schelmpje vol ondeugd, waar je deze maand allemaal gezeten hebt. |
| Kroonprins | Spreek jij als een koning? Ga jij voor mij staan, dan zal ik de vader spelen. |
| Falstaff | Mij afzetten? Als jij het maar half zo ernstig doet, zo majesteitelijk, zo in woord en daad, dan mag je mij bij de enkels ophangen als een babykonijntje of een haas bij de poelier. |
| Kroonprins | Goed, hier zit ik dan. |
| Falstaff | En ik sta hier. Oordeel, heren. |
| Kroonprins | Wel, Harry, waar komt u vandaan? |
| Falstaff | Mijn edele heer, van Eastcheap. |
| Kroonprins | De klachten die ik over u hoor zijn onbehoorlijk. |
| Falstaff | Alle donders, edele heer, ze zijn vals: ik zal u laten zien wat voor jong prinsje ik ben: dat zult u leuk vinden. |
| Kroonprins | Hoorde ik jou daar vloeken, goddeloze knaap? Kom mij voortaan niet meer onder de ogen. Met geweld word jij van de genade weggesleept, jij bent bezeten door een duivel in de gedaante van een oude, dikke man; een ton van een man is jouw kameraad. Waarom ga jij om met die homp vieze ziektes, die buil vol beestachtigheid, die opgeblazen baal waterzucht, dat enorme wijnvat, die volgestopte tas met ingewanden, die geroosterde Manningtree-os met opgevulde buik, die eerbiedwaardige Ondeugd, die grijze verdorvenheid, die vader losbol, die bejaarde ijdelheid? Waar is hij goed in, dan in wijn proeven en drinken? Waarin net en keurig, dan in kapoenen voorsnijden en eten? Waarin knap, dan in sluwheid? Waarin sluw, dan in schurkerigheid? Waarin schurkerig, dan in alles? Waarin achtenswaardig, dan in niets? |
| Falstaff | Ik zou u willen verzoeken niet sneller te gaan dan ik u kan volgen: wie bedoelt u? |
| Kroonprins | Die verfoeilijke schurk en verleider van de jeugd, Falstaff, die oude Satan met witte baard. |
| Falstaff | Mijn vorst, die man ken ik. |
| Kroonprins | Ik weet, dat jij hem kent. |
| Falstaff | Maar zeggen dat ik meer kwalijke zaken in hem kende dan in mijzelf zou meer zijn dan ik zelf wist. Dat hij oud is, jammer maar helaas, dat bewijzen zijn witte haren, maar dat hij, met uw verlof, een hoerenjager zou wezen, dat ontken ik ten stelligste. Als gesuikerde wijn drinken een gebrek is, dan moge God de bozen bijstaan. Als oud en vrolijk zijn zonde is, dan zijn heel wat waarden die ik ken verdoemd: als dik zijn iets is om gehaat te worden, dan moet men wel heel erg van de magere koeien van de Farao houden. Nee, mijn beste heer, verban Peto, verban Bardolph, verban Poins - maar als het gaat om die lieve Jack Falstaff, die aardige Jack Falstaff, die trouwe Jack Falstaff, die koene Jack Falstaff, en daarom des te dapperder omdat hij de oude Jack Falstaff is, verban het maatje van jouw Harry niet, verban het maatje van jouw Harry niet; verban die dikke Jack, en u verbant de hele wereld. |
| Kroonprins | Dat zal ik toch echt doen.Er wordt geklopt. Waardin, Francis en Bardolph af
Bardolph, hard rennend, weer op |
| Bardolph | O mylord, mylord, de sheriff staat voor de deur met een supergevaarlijke wacht. |
| Falstaff | Weg, jij boef! Speel het spel ten einde! Ik heb nog heel wat te zeggen ten gunste van die Falstaff.
De waardin weer op |
| Waardin | Jeminee, mylord, mylord! |
| Kroonprins | Hé, ho, de duivel rijdt op een strijkstok, wat is er aan de hand? |
| Waardin | De sheriff en zijn hele wacht staat voor de deur; ze komen het huis doorzoeken. Moet ik ze binnenlaten? |
| Falstaff | Hoor je dat, Hal? Noem een zuiver goudstuk nooit valse munt: in wezen ben jij echt, al lijk je niet zo. |
| Kroonprins | En jij bent een geboren lafaard zonder instinct. |
| Falstaff | Ik wijs uw hoofdpremisse af. Als u dan ook de sheriff wilt afwijzen, prima; zo niet, laat hem dan maar binnen komen. Als ik op de galgenkar niet even goed ben als wie dan ook, dan naar de duivel met mijn opvoeding. Ik hoop dat de strop het even kort met mij maakt als met enig ander. |
| Kroonprins | Verberg je maar gauw achter het wandtapijt, en laat de anderen naar boven gaan. Nu, mannen, een eerlijk gezicht en een goed geweten. |
| Falstaff | Die heb ik allebei, maar hun tijd is wel geweest, en dus zal ik me maar verbergen.
Allen af, behalve de Kroonprins en Peto |
| Kroonprins | Roep de sheriff binnen.
De sheriff op en Voerman Zo, meneer de sheriff, wat wenst u van mij. |
| Sheriff | Eerst mijn excuses, mylord. Een oploop
heeft een paar mannen naar dit huis gevolgd. |
| Kroonprins | Wat voor mannen? |
| Sheriff | Een van hen is wel heel bekend, mijn heer,
een grote dikke man. |
| Voerman | Zo vet als boter. |
| Kroonprins | Die man, kan ik u verzekeren, is niet hier,
die heb ik zelf met een opdracht weggestuurd: maar, sheriff, hierbij geef ik u mijn woord, dat ik hem ter verantwoording zal sturen voor alles waar hij van beschuldigd wordt; en dan verzoek ik u weer weg te gaan. |
| Sheriff | Ik ga al, edele heer; twee heren zijn
honderden marken lichter na die roof. |
| Kroonprins | Kan zijn; als hij die mannen heeft beroofd,
moet hij het verantwoorden; dan nu, tot ziens. |
| Sheriff | Goedenavond, edele heer. |
| Kroonprins | Het is toch al lang Goedemorgen, of niet? |
| Sheriff | U heeft gelijk, heer; het is al twee uur geweest.Af, met Voerman |
| Kroonprins | Die olieschurk is zo bekend als de pauluskerk; ga hem eens gauw roepen. |
| Peto | Falstaff! - Vast in slaap achter het wandtapijt: hij snurkt als een paard. |
| Kroonprins | Hoor eens hoe zwaar dat hij ademhaalt - zoek zijn zakken eens na. [Hij zoekt zijn zakken na, en vindt wat papieren.] Wat heb je gevonden? |
| Peto | Alleen maar wat papieren, mylord. |
| Kroonprins | Laat eens kijken, lees ze maar op. |
| Peto | [Leest]Item, een kapoen2 shilling, 2 stuiver
Item, saus4 stuiver Item, wijn, 2 stoop5 shilling, 8 stuiver Item, ansjovis en wijn na avondeten2 shilling, 6 stuiver Item, broodhalve stuiver |
| Kroonprins | Ontzettend! Maar één halvestuiver brood op deze gigantische hoeveelheid wijn? Wat er verder nog aan geheimen staan, lezen we wel als het beter uitkomt. Laat hem daar maar slapen tot het dag is; ik ga morgenvroeg naar het hof. Wij moeten allen de oorlog in, en jouw plaats zal eervol zijn. Ik zal er voor zorgen dat deze dikzak een infanterie commando krijgt, en ik weet dat een mars van twaalf passen zijn dood zal zijn. Het geld zal met bijslag terugbetaald worden. Morgenochtend wel op tijd zijn; en nu dan, goede morgen, Peto. |
| Peto | Goede morgen, beste heer.Allen af
Derde Bedrijf Eerste toneel - Bangor. Het Huis van de Aartsdeken. Hotspur op, Worcester, Lord Mortimer en Owen Glendower |
| Mortimer | Het verbond is zeker, de beloften mooi
en heel ons voorspel vol voorspoedige hoop. |
| Hotspur | Lord Mortimer, en neef Glendower, neemt u beiden plaats.
En u, oom Worcester. Wel, verduiveld, toch, ik heb de kaart vergeten. |
| Glendower | Nee, die is hier:
neem plaats, neef Percy; en u ook, neef Hotspur; telkens wanneer Lancaster uw namen alleen maar uitspreekt verbleekt hij en wenst hij u in de hemel met een diepe zucht. |
| Hotspur | En u in de hel,
als hij de naam Owen Glendower hoort. |
| Glendower | Ik geef hem geen ongelijk; bij mijn geboorte
was heel de hemel vol vormen van vuur, brandende bakensterren, toen ik kwam beefde de aarde op haar grondvesten als een lafaard. |
| Hotspur | Dat had zij ook gedaan,
als uw moeders kat op dat moment jongen gekregen had, en was u nooit geboren. |
| Glendower | Ik zeg, dat de aarde schudde toen ik kwam. |
| Hotspur | Maar de aard, beweer ik, had niets van mijn aard,
als u vindt dat zij trilde uit angst voor u. |
| Glendower | De hemel was één vuurzee, de aarde trilde - |
| Hotspur | Dan rilde de aarde om dat hemelvuur,
en niet uit vrees dat u geboren was. Als de natuur verziekt is breekt zij vaak bizar naar buiten, zwangerrond wordt de aard vaak door een lastig soort koliek geplaagd, door een niet te temmen wind die zij in haar schoot gevangen houdt, die vrijuit wil, en schokt tegen de oude dame aarde, en neer stort torens met mos bedekt. Toen u kwam, had de oude dame zo’n aanval van pijn in haar constitutie. |
| Glendower | Van velen, neef,
zou ik dit soort spot niet dulden; sta mij toe, nogmaals te zeggen hoe bij mijn geboorte de hele hemel vol vurige vormen was, er geiten van de bergen renden, vreemd loeien van kudden velden schrikken liet. Die tekenen merkten mij als ongewoon, en heel mijn levensloop heeft aangetoond dat ik niet op de rol sta van het gemeen. Waar woont de man omsloten door de zee die Engeland, Schotland, Wales de kusten beukt die mij les gaf, die mij zijn leerling noemde? Stel mij hem voor, die, enkel een vrouwenzoon, mij volgen kan op het zware pad der kunst, en mee gaat in de diepe wetenschap. |
| Hotspur | Dat niemand beter Welsh spreekt, neem ik graag aan:
ik ga aan tafel. |
| Mortimer | Rustig, neef Percy, u maakt hem nog kwaad. |
| Glendower | Ik kan geesten roepen uit het onpeilbaar diep. |
| Hotspur | Dat kan ik ook, dat kan toch iedereen,
maar komen ze inderdaad ook als u roept? |
| Glendower | U, neef, kan ik leren, duivels te bezweren. |
| Hotspur | Jou, neef, kan ik leren, duivels weg te bannen
met waarheid; spreek waar, en verban de duivel. Als jij hem op kunt roepen, haal hem dan hier, en ik zweer dat ik macht heb hem vanhier te bannen: spreek levenslang de waarheid: ban de duivel. |
| Mortimer | Kom, kom, dit helpt ons toch niet, dit geklets. |
| Glendower | Driemaal ging Hendrik Bolingbroke tekeer
tegen mijn krijgsmacht, driemaal stuurde ik hem zonder succes van de oevers van de Wye en de zanderige Severn uitgekleed terug. |
| Hotspur | Wat, zonder kleren terug? Hoe moest hij dan
daarna koortsvrij blijven, in ‘s duivels naam? |
| Glendower | Hier is de kaart; zullen wij nu het gebied
naar overeenkomst in drieën verdelen? |
| Mortimer | De aartsdeken heeft het al opgedeeld
voor ons in drie geheel gelijke delen: Engeland, van Trent en Severn helemaal tot hier, naar het zuiden en het oosten, is voor mij; alles westelijk van de Severn, Wales, daarginds, en al het vruchtbaar land binnen die grens, voor Owen Glendower: en, lieve neef, voor u wat noordelijk overblijft, voorbij de Trent. De stukken zijn in drievoud opgesteld, alleen ons zegel moet nog toegevoegd, hetgeen wij nog vanavond kunnen doen; daarna gaan wij, neef Percy, u en ik en u, mylord van Worcester, morgen op weg, naar uw schoonvader en de Schotse macht, zoals is afgesproken, bij Shrewsbury. Mijn vader Glendower is nog niet zover, maar wij kunnen hem wel twee weken missen. [Tot Glendower] En in die tijd roept u toch wel uw pachters, uw vrienden en edelen uit de buurt bijeen. |
| Glendower | Een kortere tijd brengt mij tot u, mylords,
en ook uw echtgenoten, in mijn gevolg, van wie u zonder afscheid weg moet nu, want anders zou er een vloed van tranen stromen wanneer u van uw vrouwen afscheid neemt. |
| Hotspur | Ik vind mijn deel, noordelijk van Burton hier,
nou niet bepaald zo groot als dat van u: kijk maar eens, hoe die rivier hier aankronkelt en uit het beste stuk van heel mijn land een reuzehalvemaan snijdt, wat een stuk. Hier wil ik dat de stroom wordt afgedamd; hier moet de rimpelloze, zilveren Trent een nieuwe bedding krijgen, schoon en glad; hij zal zich niet zo met een wending krommen mij hier beroven van een rijk stroomgebied. |
| Glendower | Niet krommen? Het moet en zal - u ziet het toch. |
| Mortimer | Ja,
maar kijk hoe hij verder stroomt, en ginds met vast voordeel voor u mijn land weg duwt, van het overland zoveel van mij neemt als het aan de andere zijde van u pakt. |
| Worcester | Ja, maar een doorsteek hier kost niet zoveel,
en wint de landtong in het noorden, hier, en dan stroomt hij weer recht en glad. |
| Hotspur | Zo wil ik het dan; het kost echt niet zoveel. |
| Glendower | Ik wil het niet veranderd hebben. |
| Hotspur | Nee? |
| Glendower | Nee, en laat het ook maar. |
| Hotspur | Wie verbiedt mij dat? |
| Glendower | Nou, ik. |
| Hotspur | Zorg dat ik het niet versta; zeg het in het Welsh. |
| Glendower | Ik spreek mijn Engels net zo goed als u,
want ik ben opgevoed aan het Engels hof, waar ik menig Engels liedje in mijn jeugd heel aardig voor harp heb gearrangeerd, en zo aan taal iets leuks heb toegevoegd - die gave is bij u nog nooit gezien. |
| Hotspur | Nou, nou, en of ik daar toch blij mee ben.
Ik was nog liever een poesje en riep ‘miauw’, dan zo een rijmelende sneldichter; ik hoor liever een koperen kandelaar gedraaid, of wielen knarsen op een droge as, daar kneep ik mijn tanden veel minder voor samen dan versvoeten waarover men steeds valt - dat is als het draven van een stijve knol. |
| Glendower | Nou goed, de Trent zal worden omgeleid. |
| Hotspur | Het laat me koud: ik geef drie keer zoveel land
aan de eerste de beste vriend die het verdient: maar let wel op, als het om zaken gaat, dan vecht ik om het tiende van een haar. Zijn onze stukken klaar? Kunnen wij gaan? |
| Glendower | Het is heldere maan; u kunt vannacht nog weg:
ik spoor de schrijvers aan tot spoed, en zal uw vrouwen zeggen dat u gaat. Ik ben bang dat mijn dochter waanzinnig wordt, want ze is zo aan haar Mortimer gehecht.Af |
| Mortimer | Foei, neef, wat zit u mijn vader toch dwars! |
| Hotspur | Ik kan het niet laten; hij maakt mij soms kwaad
door wat hij mij vertelt van mier en mol, Merlijn, de dromer, en zijn profetie, en van een draak en vinnenloze vis, geruide raaf, gekortwiekte griffoen, een leeuw die ligt, een kat die springen wil, en zoveel zinloos gezanik dat ik van mijn geloof afval. Gisteravond nog, hield hij me daar wel negen uur lang vast met het opnoemen van alle duivelnamen die hem dienden; ik riep: ‘Hum’, en ‘Ja, ga door!’, maar luisterde niet; vermoeiender, echt, dan een struikelend paard, een vrouw die kijft, erger dan een huis vol rook. Ik zat liever op kaas en knoflook in een molen, ver weg, dan in welk lustslot ook heerlijk te eten waar ik naar hem moest luisteren al die tijd. |
| Mortimer | Hij is, geloof me, een waardig edelman,
uitzonderlijk belezen, en zeer goed in de geheime kunst, moedig als een leeuw, buitengewoon aardig, en even rijk als Indiës mijnen. Zal ik u eens wat zeggen: hij heeft groot respect, neef, voor uw fiere geest en doet zijn eigen wezen flink geweld, als u hem dwarsboomt, ja, geloof dat maar; ik verzeker u, dat er geen sterveling is die hem zo mocht tarten als u hebt gedaan, en het gevaar niet proefde van zijn toorn: maar ik verzoek u, waag het niet te vaak. |
| Worcester | U bent bepaald te eigenzinnig, heer,
en sinds uw komst hebt u al genoeg gedaan waardoor hij zijn geduld verliezen kon; die fout moet u toch echt zien te verbeteren. Soms geeft zij blijk van grootheid, moed en ‘spirit’, - en daarmee tooit zij u met nobelheid -, maar al vaak verraadt zij felle woede, gebrek aan vormen en aan zelfbeheersing, trots, eigenwaan, neerkijken op een ander, en het minste dat een man daarmee is behept ontneemt hem ‘s mensen achting, werpt een smet op al de glans van zijn voortreffelijkheid daar dat hem welverdiende lof ontneemt. |
| Hotspur | Ik heb mijn les; de groeten met uw hoofsheid.
Kijk, onze vrouwen, en daarom, tot ziens. Glendower weer op, met de vrouwen |
| Mortimer | Dit ergert mij zo, dat ik woedend word:
mijn vrouw kent heel geen Engels, ik geen Welsh. |
| Glendower | Mijn dochter huilt; zij wil u niet laten gaan,
zij wil soldaat zijn, zij wil ook ten strijde. |
| Mortimer | Zeg, dat zij met mijn tante Percy, vader,
onder uw geleide heel snel volgen zal. Glendower spreek met haar in het Welsh, en zij antwoordt hem, eveneens in het Welsh |
| Glendower | Ze is wanhopig, hier, een vervelend, eigengereid schepsel, voor wie geen praten helpt.
De dame spreekt in het Welsh |
| Mortimer | Jouw blik begrijp ik goed, dat mooie Welsh
dat jij doet stromen uit die volle hemelen ken ik al te goed, en als ik mij niet schaamde zou ik antwoorden in dezelfde taal.De dame spreekt weer in het Welsh Ik begrijp jouw kusjes, en jij die van mij, het spraakloos weergeven van het gevoel, en ik zal nimmer ooit verzaken, lief, tot ik jouw taal geleerd heb, want jouw tong maakt Welsh zo zoet als een hooggestemd lied, dat ‘s zomers in het prieel een koningin schitterend versierend zingt bij haar luit. |
| Glendower | Nou, als u wegsmelt, dan wordt zij ook dol.De dame spreekt weer in het Welsh |
| Mortimer | O jee, maar nu weet ik totaal van niets. |
| Glendower | Of u op het lekkere biestapijt komt liggen,
en uw lieve hoofd wilt rusten in haar schoot, dan zingt ze een lied dat u graag horen wilt, en geeft de slaapgod macht over uw oog, door uw bloed te toveren met zoete loomheid, en u te brengen tussen waken en slaap zoals de scheiding tussen dag en nacht, het uur voordat het hemels zonnespan in het oosten aan zijn gouden tocht begint. |
| Mortimer | Ik wil hier heel graag luisteren naar haar lied;
intussen, hoop ik, is het stuk gereed. |
| Glendower | Uitstekend; de muziek die voor u spelen zal
zweeft duizend mijlen ver thans in de lucht, maar men zal zo hier zijn: ga zitten en luister. |
| Hotspur | Kom, Kaat, zo goed als jij ligt er geen een;
kom vlug, vlug dan, ik leg mijn hoofd graag in jouw schoot. |
| Lady Percy | Ach wat, jij malle gans.De muziek speelt |
| Hotspur | Nu merk ik dat de duivel Welsh verstaat;
geen wonder dus dat hij vol grillen zit, verdraaid, hij is een goede muzikant. |
| Lady Percy | Dan moet u één en al muziek zijn, man,
want u wordt helemaal beheerst door grillen. Stil liggen, diefje, luister hoe de Lady zingt in het Welsh. |
| Hotspur | Ik hoor liever mijn hond Lady huilen in het Iers. |
| Lady Percy | Wou jij zo graag een gat in je hoofd? |
| Hotspur | Nou, nee. |
| Lady Percy | Dan stil wezen. |
| Hotspur | Dat ook niet, dat is een gebrek van vrouwen. |
| Lady Percy | Nou, God helpe jou. |
| Hotspur | Het bed in van die Lady. |
| Lady Percy | Wat zeg je? |
| Hotspur | Stil, ze zingt.De Lady zingt een lied in het Welsh
Kom, Kaat, nou wil ik ook van jou een lied. |
| Lady Percy | Van mij niet, nee, warempelig niet. |
| Hotspur | Van u niet, nee, warempelig niet! Hartje, u zweert als de vrouw van de banketbakker - ‘U niet, nee waarempel niet!’, en ‘Zo waar ik leef!’, en ‘God sta me bij!’, en ‘Zo zeker als ik hier sta!’-
en geeft je eden zulk een taffen waarborg, als was je nooit voorbij Finsbury geweest. Zweer als een dame, Kaat, die je ook bent, een volle-monden-eed, geen ‘warempel niet’, laat zulke peperkoekenvloeken maar aan opgedofte zondagsburgers over. Kom, zingen. |
| Lady Percy | En ik zing niet. |
| Hotspur | Het is de kortste weg naar kleermaker worden of africhter van roodborstjes. Als de stukken klaar zijn wil ik binnen twee uur weg; kom dus maar binnen, als u wilt.Af |
| Glendower | Kom, kom, Lord Mortimer, u bent zo traag
als deze heethoofd Percy vol vuur vliegt; de stukken zijn vast klaar - alleen ons zegel, en dan maar vlug te paard. |
| Mortimer | Als dat zou kunnen.Allen af
Tweede toneel - Londen. Het paleis. De Koning op, de Prins van Wales, en anderen |
| Koning | Gaat u toch, Lords; de Prins van Wales en ik
moeten nog iets privees bespreken: maar blijf in de buurt, want we hebben u bepaald nog nodig, straks.De Lords af Ik weet niet of dat God het zo heeft beschikt omdat ik iets heb gedaan dat Hem mishaagt, dat Zijn verborgen oordeel mij een straf en een gesel verwekt heeft uit mijn bloed; maar door jouw levenswandel doe jij mij geloven dat jij aangewezen bent tot hete wraak en roede van de hemel om mijn fouten te straffen. Waarom anders zijn die, jouw rang onwaardige, lage driften, het armzalige, ellendige, vreselijke gedrag, vermaak, zo maar, vrienden van laag allooi, waar je aan verknocht bent, ja, zelfs mee vergroeid, in jou aanwezig naast jouw schone afkomst, en op het niveau zelfs van jouw prinsenhart. |
| Kroonprins | Met uw verlof, hoogheid; ik wou dat ik
mij net zo kon ontdoen van elke smet als ik mij ongetwijfeld schoon kan wassen van vele die mij worden toegedicht. Maar moge ik vragen om zoveel verontschuldiging, dat ik, als ik veel verzinsels heb weerlegd, die het oor van grootheid te vaak horen moet, van dankjesjagers en van nieuwtjesventers, voor enkele dingen die waar zijn, waarin ik, nog jong, van het pad ging en flink heb gedwaald, vergeving vind omdat ik echt schuld beken. |
| Koning | God vergeve je! Maar het blijft vreemd, Harry,
hoe ver de wiekslag van jouw neiging afwijkt van het vluchtpatroon van al jouw voorvaders. Jouw plaats in de Raad heb jij grof verspeeld - die is ingenomen door je jongere broer -; haast ben je een vreemdeling voor ieder hart aan het hof en van de prinsen van mijn bloed: de hoop, ja de verwachting van jouw tijd is nu vervlogen, iedere mensenziel voorvoelt profetisch dat jij vallen zult. Had ik ooit mijn gezelschap zo vergooid, was ik zo afgesleten in ieders oog, zo zonder glans, zo alledaags voor het volk, dan was de roep, die mij hielp aan de troon, beslist loyaal gebleven aan wie haar had, en had me een roemloos balling laten blijven, een heerschap zonder waarde of belofte. Daar men mij zelden zag, werd ik, als ik kwam, voortdurend aangegaapt als een komeet; vaders zeiden hun kinderen: ‘Kijk, dat is hem’, een ander zei dan: ‘Waar, wie is Bolingbroke?’ en ik stal alle hoffelijkheid des hemels, en kleedde mij in zulk een nederigheid dat ik uit ieders hart vertrouwen afdwong, met luide bijval, jubel uit aller mond, waar de gekroonde koning bij was nog wel. Zo hield ik mijn persoon steeds fris en nieuw; want, als een bisschopskleed, zag men mij nooit maar werd ik wel bewonderd: al mijn praal werd, zeldzaam en dus groots, juist als een feest, en won door schaarste aan meer plechtstatigheid. De dwaze vorst liep steeds maar op en neer, met domme fratsenmakers, heethoofden, snel aangebrand, - haalde zijn waardigheid omlaag door omgang met bokkenspringers, liet zijn grote naam ontheiligen door spot, en gaf zijn aanzien, zijn naam ten spijt, prijs aan de hoon van jongvolk, moest het gestook aanhoren van baardeloze grapjurken, zocht steeds meer de straten op van het gemeen, gaf zich volledig aan de gunst van het volk, dat, met de ogen dagelijks overvoerd, te vol raakte van honing, wie de smaak van zoet tegen ging staan, want ook maar iets meer dan een beetje is al veel te veel. Dus, als hij zich dan ooit moest laten zien, werd hij als een juni-koekoek: wel gehoord, maar waar is hij nou; met ogen gezien, die, mat en afgestompt door ‘nou alweer’, geen bijzondere aandacht aan hem schenken zoals aan zon-gelijke majesteit wanneer die in bewonderende ogen schijnt, maar die wat slaperig met halfdichte leden hem recht vóór zich niet zien, zo aanstaren zoals men zijn vijand altijd nors aankijkt, als men genoeg van hem heeft, zat is, vol. En bij diezelfde club, Harry, hoor jij, want jij hebt jouw status van kroonprins verbeurd: je hebt met schurken verkeerd. Geen enkel oog dat jou vaak ziet en niet moe van jou is, behalve het mijne dat jou graag meer zag, en nu iets doet wat ik het niet graag zag doen: het maakt zich blind door dwaze tederheid. |
| Kroonprins | Drievoud genadig heer, ik wil voortaan
veel meer mijzelf zijn. |
| Koning | Maar voor iedereen
ben jij tot nu geweest zoals Richard was toen ik uit Frankrijk landde in Ravenspurgh, en zoals ik toen was is Percy nu. En, bij mijn scepter en mijn eeuwige heil, hij heeft een hogere aanspraak op de troon dan jij hebt door de schaduw van het erfrecht. Want zonder recht, ja, zonder zweem van recht, vult hij voor het rijk het veld met harnassen, houdt hij stand voor de open leeuwenmuil, en leidt, met minder schuld dan jij aan leeftijd, stokoude lords en waardige bisschoppen naar zwaardgekletter en naar bloedige strijd. Welk een onsterfelijke roem verwierf hij tegen Douglas, de hoog geprezen held, wiens felle aanvallen en koene naam van alle krijgers de allereerste rang en de hoogste militaire titel roven in alle rijken waar men Christus eert. Drie keer sloeg Hotpur, onze Mars in luiers, dat kindsoldaatje, op zijn veldtochten de grote Douglas, nam hem ooit gevangen, liet hem vrij, en sloot toen vriendschap met hem, daarmee zo het koor versterkend van het verzet dat onze troon ging wankelen en haast viel. En wat zegt u daarop? Percy, Northumberland, de Aartsbisschop van York, Douglas, Mortimer verbinden zich tegen ons en staan op. Maar wat vertel ik je dit allemaal? Wat jou van vijanden verteld, Harry, jij, naaste en duurste vijand die jij bent. Jij, die misschien wel uit een slaafse vrees, uit lage dwang, uit boze opwelling in Percy’s dienst tegen mij vechten gaat, hem nalopen, bedienen op zijn wenk, ten teken hoe verdorven dat jij bent. |
| Kroonprins | Nee, denk dat niet, zo moet u het niet zien;
en God vergeve hen die uwe majesteit de goede dunk van mij hebben ontroofd. Ik maak dit alles goed op Percy’s hoofd, en zal aan het einde van een dag vol roem fier tot u zeggen gaan: ‘Ik ben uw zoon’, als ik tot u kom, de kleren vol met bloed, bloed op mijn trekken als een maskerlaag, die, weggepoetst, mijn schande met zich veegt; en dat wordt ook de dag, O, kwam die gauw, waarop dat kind van eer, dat kind van roem, Hotspur, de dappere, ridder, hooggeroemd, en uw vergeten Harry samentreffen. Was elke eer die zich op zijn helm bevindt een menigte; en op mijn hoofd mijn schande dubbel zoveel! Want ooit komt er een dag, dat ik die jongen uit het noorden dwing zijn grote daden met mijn schand te ruilen. Percy is alleen mijn zaakwaarnemer, heer, die namens mij grossiert in grote daden, weldra roep ik hem op tot rekenschap en moet hij al zijn glorie overleggen, ja, het minst waarmee men hem in zijn leven eerde, of ik scheur hem de rekening uit zijn hart. Dat zweer ik plechtig in de naam van God, dat ik het zo doe, wanneer het Hem behaagt; dan hele dit, zo vraag ik uw majesteit, de oude wond van mijn losbandigheid: en anders delgt mijn einde elke schuld, en zal ik honderdduizend doden sterven voor ik het kleinste deel breek van die eed. |
| Koning | Dat doet een honderdduizend muiters sterven -
daardoor krijg jij de volmacht en het bevel. Blunt op Wel, beste Blunt? Je lijkt me heel gehaast. |
| Blunt | Dat is de zaak ook, waar ik van spreken kom.
Lord Mortimer van Schotland heeft bericht, dat Douglas zich bij Shrewsbury op de elfde bij de Engelse rebellen heeft gevoegd. Ze zijn de meest geduchte legermacht die ooit een staat met onheil heeft bedreigd. |
| Kroonprins | Vandaag is de Graaf Westmoreland vertrokken,
met hem mijn zoon, Lord John van Lancaster, want dit bericht is al vijf dagen oud. Breek jij, Harry, aanstaande woensdag op; wijzelf marcheren donderdag. Het verzamelpunt is Bridgnorth, en u, Harry, gaat via Gloucestershire, als ik dan goed reken, en alles loopt normaal, moet onze hoofdmacht over een dag of twaalf in Bridgnorth zijn. Er is heel veel te doen; dus snel op pad, wie treuzelt krijgt het voordeel langzaam plat.Allen af Derde toneel - Eastcheap. De herberg ‘De Everkop’ Falstaff op en Bardolph |
| Falstaff | Bardolph, ben ik niet schandalig afgevallen sinds dat laatste avontuur? Word ik niet mager? Slank ik niet af? Kijk toch eens, mijn vel hangt om mij heen als de huisjurk van een oude dame. Ik ben verschrompeld als een pippeling. Wel, ik ga me bekeren, en wel onmiddellijk, terwijl ik nog wat om het lijf heb; nog even en ik heb het hart niet, en dan heb ik de kracht niet meer om berouw te hebben. Als ik niet vergeten ben, hoe een kerk er van binnen uitziet, ben ik een peperkorreltje, een brouwerspaard: een kerk van binnen! Mijn gezelschap, mijn slecht gezelschap heeft mij bedorven. |
| Bardolph | Sir John, u bent zo terneergeslagen, dat u niet lang meer te leven hebt. |
| Falstaff | Kijk, daar heb je het al: kom, zing eens een schunnig liedje, vrolijk me eens op. Ooit was ik zo deugdzaam als een man van stand betaamt; heel deugdzaam; vloekte weinig; dobbelde niet meer dan zeven keer - per week; ging niet vaker naar een hoerentent dan vier keer - per uur; betaalde geld dat ik geleend had - drie of vier keer; leefde netjes en binnen de maat; en nu leef ik zonder enige orde, en buiten alle maat. |
| Bardolph | Ja, maar u bent zo dik, Sir John, dat u wel buitenmaats moet zijn, buiten elke denkbare maat, Sir John. |
| Falstaff | Als jij je gezicht verbetert, zal ik mijn leven verbeteren: jij bent onze admiraal, jij draagt de lantaarn aan de achtersteven, nee, die zit bij jou in de neus: jij bent de Ridder van de Brandende Lamp. |
| Bardolph | Maar, Sir John, mijn gezicht doet u toch geen kwaad. |
| Falstaff | Dat mag je wel zeggen: ik maak er even nuttig gebruik van als heel wat mensen van een ring-met-doodshoofd, of een ‘memento mori’. Elke keer als ik jouw gezicht zie, moet ik denken aan het hellevuur, en Dives die in het purper leefde: want daar zit hij in zijn mooie kleren, en brandt, en brandt. Als jij ook maar enigszins geneigd was tot deugd, dan zou ik zweren bij jouw gezicht: mijn eed zou zijn: ‘Bij dit vuur, die engel van God!’ Maar jij bent helemaal aan zonde verslaafd; ja, was het niet voor dat licht in je gezicht, dan zou je de zoon zijn van de uiterste duisternis. Toen jij ‘s nachts Gadshill oprende om mijn paard te pakken, - als ik toen niet dacht, dat jij een ignis fatuus was geweest, of een vuurwerkbol, dan is er voor geld niets meer te koop. O, jij bent een eeuwige feestverlichting, een vreugdevuur dat nooit uit-gaat. Jij hebt mij duizend mark toortsen en kaarsen bespaard, als ik ‘s nachts met je wandelde van kroeg tot kroeg: maar met het geld voor de wijn die jij op mijn kosten gedronken hebt, had ik bij de duurste kaarsenmaker van Europa goed kaarsen kunnen kopen. Ik heb die salamander van jou als tweeëndertig jaar van vuur voorzien, God moge het mij lonen. |
| Bardolph | Verdomd, ik zou willen dat mijn gezicht in uw buik zat! |
| Falstaff | Godallemachtig! Wat zou ik me dan van binnen een ontsteking hebben.
De waardin op Hoe is het, mevrouw Kloek - de Kip, heeft u al nagevraagd wie mijn beurs gerold heeft? |
| Waardin | Nou, Sir John, toch, wat denkt u nou toch, Sir John, denkt u dat ik dieven in mijn huis heb? Ik heb gezocht, ik heb gevraagd, en mijn man ook, man na man, jongen na jongen, dienaar na dienaar - geen tiende van een haar is er ooit in mijn huis zoek geraakt. |
| Falstaff | U liegt, waardin: Bardolph is hier ooit geschoren en is toen heel wat haar kwijt geraakt, en ik durf te wedden dat mijn beurs gerold is: loop heen, u bent een hollewaai, loop heen. |
| Waardin | Wie, ik? Nee maar, zeg dat nog eens; God in de hemel, dat ben ik nog nooit in mijn eigen huis genoemd. |
| Falstaff | Loop heen, ik ken u door en door. |
| Waardin | Nee, Sir John, u kent mij niet, Sir John, ik ken u, Sir John, ik krijg nog geld van u, Sir John, en nu zoekt u ruzie om het mij af te pikken. Ik heb u nog een dozijn hemden gekocht. |
| Falstaff | Groflinnen uit Dowlas, smerig Dowlas. Die heb ik weggegeven aan bakkersvrouwen; die hebben er meelziften van gemaakt. |
| Waardin | Zowaar ik een eerlijke vrouw ben, fijn batist van acht shilling de el! En ik krijg hier ook nog geld van u, Sir John, voor uw eten, voor uw drankjes tussendoor, en voor geld dat u is geleend, vierentwintig pond. |
| Falstaff | Hij heeft er ook zijn deel van gehad, laat hem betalen. |
| Waardin | Hij? Jammer, hij is arm, hij heeft niets. |
| Falstaff | Hoezo? Hij arm? Kijk eens naar zijn gezicht? Wat noemt u rijk? Laat men munt slaan uit zijn neus, laat men munt slaan uit zijn wangen, ik betaal geen duit. Wat, wilt u een jonge verspiller van mij maken? Kan ik niet eens van mijn rust genieten in mijn eigen herberg, zonder dat men mij de zakken rolt? Ik ben een zegelring van mijn grootvader kwijt geraakt van wel veertig mark. |
| Waardin | O Jee, ik heb de kroonprins ik weet niet hoe vaak horen zeggen dat die ring van koper was. |
| Falstaff | Wat? Die prins is een boef, een lafaard. Godsamme, als hij hier was zou ik hem een pak ransel geven als een hond, als hij dat zei.
De Kroonprins marcheert op, met Peto; Falstaff gaat naar hem toe, terwijl hij op zijn stok blaast als een fluit. Wat is er, kerel? Waait de wind echt uit die hoek? Moeten wij allemaal marcheren? |
| Bardolph | Ja, twee aan twee, zoals men naar Newgate wordt afgevoerd. |
| Waardin | Mylord, wilt u alstublieft even naar mij luisteren. |
| Kroonprins | Wat zeg je, mevrouw Snel? Hoe gaat het je man? Ik mag hem graag, hij is een eerlijke kerel. |
| Waardin | Beste mylord, luister toch. |
| Falstaff | Laat haar alsjeblieft lopen en luister naar mij. |
| Kroonprins | Wat heb je te vertellen, Jack? |
| Falstaff | Pas geleden ben ik hier ‘s avonds in slaap gevallen, achter het wandtapijt, en toen ben ik bestolen: dit huis is een hoerentent geworden, hier pikt men zakken leeg. |
| Kroonprins | Wat ben je dan kwijt, Jack? |
| Falstaff | Wil je me wel geloven, Hal, drie of vier schuldbekentenissen, van veertig pond elk, en de zegelring van mijn grootvader. |
| Kroonprins | Een prul, een ding van niets. |
| Waardin | Dat heb ik hem ook al gezegd, en ik zei dat ik het uw genade had horen zeggen; en, mylord, hij spreekt allerlei gemene praat over u, de vuilbek, en hij zei, dat hij u er wel eens flink van langs zou geven. |
| Kroonprins | Wat? nee toch! |
| Waardin | Als het niet waar is, dan ben ik niet trouw, niet eerlijk en geen vrouw. |
| Falstaff | Er zit in jou ook niet meer trouw dan in een gestoofde pruim, of meer eerlijkheid dan in een opgejaagde vos - en wat dat vrouwzijn aangaat, bij jou vergeleken kan Maid Marian doorgaan voor buurtmeestersvrouw. Rot op, trut. |
| Waardin | Nou ja, wat, trut, hoezo, trut? |
| Falstaff | Hoezo, een trut? Nou, een trut om God op te danken. |
| Waardin | Ik ben geen trut om God op te danken, als je dat maar weet, ik ben een fatsoenlijke echtgenote, en, even los van jouw ridderschap, jij bent een boef om mij zo te noemen. |
| Falstaff | Even los van jouw vrouwzijn, jij bent een beest dat je het beter weet. |
| Waardin | Nou, zeg dan eens wat voor beest, boef die je bent. |
| Falstaff | Wat voor beest? Nou, een otter. |
| Kroonprins | Een otter, Sir John? Waarom een otter? |
| Falstaff | Waarom? Ze is vlees noch vis, geen man weet hoe je haar moet aanpakken. |
| Waardin | Wat ben jij gemeen als je dat zegt: jij en iedereen weet hoe je me moet pakken, boef die je bent. |
| Kroonprins | Heel goed gezegd, waardin, en hij is maar wat gemeen met jou. |
| Waardin | Maar met u ook, mylord, want pas zei hij dat hij nog duizend pond van u kreeg. |
| Kroonprins | Kerel, krijgt u nog duizend pond van mij? |
| Falstaff | Duizend pond, Hal? Een miljoen, jouw vriendschap is mij een miljoen waard, en jij bent mij je vriendschap schuldig. |
| Waardin | Ja, mylord, en hij noemde u Jack, en hij zei dat hij u er flink van langs zou geven. |
| Falstaff | Heb ik dat gezegd, Bardolph? |
| Bardolph | Zeker, Sir John, dat heeft u gezegd. |
| Falstaff | Ja, als hij beweert dat mijn ring van koper is. |
| Kroonprins | Ik zeg je, dat hij van koper is, durf je nu zo goed als je woord te zijn? |
| Falstaff | Nou, Hal, je weet dat ik dat durf voor zover jij een man bent, maar voor zover jij kroonprins bent, vrees ik je, als het gebrul van een leeuwenwelp. |
| Kroonprins | En waarom niet als de leeuw? |
| Falstaff | De koning zelf is te vrezen als de leeuw: denk jij dat ik jou evenveel vrees als jouw vader? Nou, als ik dat doe, dan straffe mij God en moge mijn gordel barsten. |
| Kroonprins | O, wat zouden jouw darmen om je knieën vallen, als dat gebeurt! Maar, kerel, in jouw lijf is er geen plaats voor trouw, waarheid en eerlijkheid; het zit daar barstens vol met darmen en middenrif. Een eerlijke vrouw van zakkenrollerij te beschuldigen! Jij liederlijke, schaamteloze, opgezwollen boef, als er iets anders in je zak was dan herbergrekeningen, nota’s van hoerententen, en één armzalig stuiver-hoeveelheidje kandijsuiker om je op te peppen, als jouw zak gevuld was met ook maar iets anders waar je je over zou kunnen beklagen dan dit, dan ben ik een schurk; en toch durf jij vol te houden, dat je geen onrecht op zak wilt steken. Schaam je je niet. |
| Falstaff | Hoor eens, Hal. Je weet, dat Adam viel in de staat van onschuld; en wat denk je dan dat Falstaff deed in de staat van schurkendom? Je ziet, dat ik meer vlees heb dan andere mensen, en daarom heb ik ook meer zwakheden. Dus u bekent, dat u mijn zakken gerold hebt? |
| Kroonprins | Dat lijkt zo uit het verhaal. |
| Falstaff | Waardin, ik vergeef je, ga het ontbijt maar klaar maken, ga vrijen met je man, ga je bedienden na, zorg goed voor je gasten, je zult mij voor alle gezonde redenen toegankelijk vinden, je ziet dat ik gemakkelijk tot rust gebracht kan worden, ja, ga maar alsjeblieft. (De waardin af) Wel, Hal, nu het nieuws van het hof: hoe heeft men gereageerd op die overval, vriend? |
| Kroonprins | O, mijn liefste os, ik moet altijd je goede engel zijn - het geld is alweer terug betaald. |
| Falstaff | O, ik hou niet van dat terugbetalen: dat is dubbel werk. |
| Kroonprins | Ik ben goede maatjes met mijn vader, en ik kan alles doen. |
| Falstaff | Plunder dan vóór alles de schatkist, en wel onmiddellijk. |
| Bardolph | Ja, doe dat, mylord. |
| Kroonprins | Ik heb jou het bevel gegeven, Jack, over een afdeling voetvolk. |
| Falstaff | Ik had liever paardenvolk gehad. Waar kan ik iemand vinden, die behoorlijk kan stelen? O, zo’n knappe dief van een jaar of tweeëntwintig: ik zit gruwelijk op zwart zaad. Wel, laat ons God danken voor die rebellen, ze doen niemand kwaad, behalve de deugdzame lui; ik prijs ze, ik loof ze. |
| Kroonprins | Bardolph! |
| Bardolph | Mylord? |
| Kroonprins | Breng deze brief naar Lord John Lancaster,
naar mijn broer John, deze naar Lord Westmoreland.Bardolph af Kom, Peto, te paard, te paard, want jij en ik moeten vóór het middagmaal nog dertig mijl. Peto af Jou zie ik morgen in de Tempelzaal, om twee uur ‘s middags, Jack: daar hoor je de opdracht, en krijg je het geld en de instructie hoe het volk uit te rusten. Het land staat in brand; die Percy toont zijn pit, wij dan wel zij, één delft het onderspit.Af |
| Falstaff | Puik gezegd! Prachtig! Het ontbijt, waardin, kom!
O, was nu deze herberg maar mijn trom.Af |