| Koning Hendrik IV,2
King Henry IV,2 vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
|
Inleiding Warkworth. Voor het kasteel van Northumberland. Het gerucht op, geheel met tongen beschilderd. | |
| Gerucht | Open uw oren; want wie van u stopt zijn gehoor dicht, als het Gerucht luid spreekt? Van de Oriënt tot het neigende westen onthul ik, op mijn ijlpaard, de wind, steeds weer elk volgende bedrijf op deze aardbol. De laster rijdt voortdurend op mijn tongen, die ik in alle talen rondbazuin; ik prop valse meldingen in het mensenoor. Ik spreek van vrede, terwijl stille haat de wereld vriendelijk lachend zwaar verwondt; wie anders dan het Gerucht, dan ik alleen, roept ter verdediging een krijgsmacht op, noemt het grote jaar, rond met een ander leed, toch zwanger van die barse tiran Krijg, al is het niet zo. Een fluit is het Gerucht, waar gissing, argwaan, ijverzucht op blaast, en dit zo makkelijk, zo vlot wordt bespeeld, dat het botte, ontelbaar-hoofdig monster zelfs, de steeds verdeelde, wispelturige massa, erop kan spelen. Maar waarom moet ik mijn welbekende lichaam hier ontleden voor eigen volk? Wat komt Gerucht hier doen? Ik ren vóór Koning Hendriks zege uit, die op het bloedig veld bij Shrewsbury de jonge Hotspur en zijn macht versloeg, de vlam dovend van felle rebellie in het bloed van de opstand. Maar waarom moet ik beginnen met een waarheid? Het is mijn taak, rond te strooien, dat Harry Monmouth viel onder het grimme zwaard van de edele Hotspur, en dat de koning zelf voor Douglas’ woede het gezalfde hoofd ten dode heeft geneigd. Zo heb ik het rondgestrooid in stad en land vanaf het vorstelijk veld bij Shrewsbury tot dit wormstekelig, half-vervallen slot, waar Hotspurs vader, graaf Northumberland, sluw-ziek ligt. Boodschappers ijlen hierheen, en geen van hem brengt ander nieuws dan wat hij van mij hoorde. Schijntroost, uit mijn mond, is erger dan een waar bericht dat wondt.Af Eerste Bedrijf Eerste toneel - Dezelfde plaats Lord Bardolph op |
| Lord Barpolph | Wie staat hier aan de poort? De Portier opWaar is de graaf? PortierWie zal ik zeggen dat u bent? |
| Lord Barpolph | Zeg hem, dat de Lord Bardolph hem graag spreken wil. |
| Portier | Zijne Hoogheid is aan het wandelen in de tuin. U hoeft maar aan te kloppen op de poort, en hij doet zelf open. Northumberland op |
| Lord Barpolph | Daar is de graaf. |
| Northumberland | Welk nieuws, Lord Bardolph? Ieder ogenblik is nu vast vader van een gruweldaad. De tijd is wild; tweedracht is, als een paard, doorvoed en driftig, heftig uitgebroken, en stormt alles vóór hem plat. |
| Lord Barpolph | Edele graaf, ik breng u zeker nieuws van Shrewsbury. |
| Northumberland | Als God het wil, goed. |
| Lord Barpolph | Zo goed als het hart kan wensen. De koning is gewond, en zal vast sterven; ook is, doordat het geluk was met uw zoon, Prins Harry op het veld gedood; de Blunts stierven door Douglas’ hand; dan zijn prins John en Westmoreland en Stafford weggevlucht; en Harry Monmouths spekbil, het slagschip John, is door uw zoon gevangen. O, zo’n dag, zo’n slag, zo’n stormen en zo’n overwinning, heeft onze tijd nooit meer zozeer gesierd sinds Caesar triomfeerde. |
| Northumberland | Hoe weet u dat? Bent u op het veld geweest, bij Shrewsbury? |
| Lord Barpolph | Ik sprak iemand, mylord, die er was geweest, een heer van stand en met een goede naam, die mij dit nieuws voor waarheid heeft verteld. |
| Northumberland | Daar is mijn dienaar Travers, die ik dinsdag heb weggestuurd op zoek naar enig nieuws. Travers op |
| Lord Barpolph | Die ben ik vooruit gereden onderweg; hij kan niet méér met zekerheid vertellen dan dat wat hij van mij vernomen heeft. |
| Northumberland | Wel, Travers, wat brengt u hier aan goed nieuws? TraversMylord, Sir John Umfrevile stuurde mij terug met blijde berichten, en reed snel weg van mij met een beter paard. Weldra kwam spoorslags mij een heer langszij, halfdood van het jagen; die liet zijn bloedig paard op adem komen. Hij vroeg de weg naar Chester, en ik wou van hem horen hoe het in Shrewsbury ging. De opstand, zei hij, was geheel mislukt, en het spoor van Harry Percy was nu koud. Daarop joeg hij zijn krachtig paard weer voort, boog zich en sloeg zijn hielen met hun staal tegen het hijgend lijf van de arme knol, tot aan de spoorknop; nou, die schoot wel weg, hij leek de weg al rennend te verslinden, hoefde niet opnieuw gevraagd. |
| Northumberland | Wat? Nog eens! Was Harry Percy’s spoor, volgens hem, koud? Van Heetspoor, Koudspoor? Is die rebellie daar dus mislukt? |
| Lord Barpolph | Mylord, luistert u eens: wanneer uw zoon niet de overwinnaar is, dan geef ik heel mijn baronie in ruil voor een zijden koord; geen woord daarover meer. |
| Northumberland | Waarom gaf die heer die langszij Travers opreed dan die details van een nederlaag? |
| Lord Barpolph | Hij? Een waardeloze kerel, die het paard waarop hij reed gestolen had, en, echt, zomaar wat zei. Kijk, daar komt nog meer nieuws. Morton op |
| Northumberland | Ja, het voorhoofd van die man geeft, als een voorblad, al aan hoe dat de treurzang lopen zal. Zo is ook het strand waarop de heerszuchtige vloed de sporen van zijn inval achterliet. Zo, Morton, jij was toch in Shrewsbury? |
| Morton | Ik ben weggerend van Shrewsbury, mylord, waar grimme dood zijn gruwelijkst masker voordeed tot onze schrik. |
| Northumberland | Hoe gaat het mijn zoon, mijn broer? Je siddert, en je bleke wang zegt meer dan wat je tong mij hier vertellen kan. Zo strak keek ook de man, zo uitgeblust, zo mat, zo doods van blik, intriest, die ooit Priamus’ voorhang wegtrok in de nacht, hem zeggen wou dat half zijn Troje brandde: maar Priamus vond het vuur, vóór hìj zijn woorden, en ik mijn Percy’s dood, vóór jij die meldt. Jij wou zeggen: ‘Dit alles deed uw zoon; en uw broer dit; zo streed de nobele Douglas’ - mijn gretige oren vullend met hun roem: maar op het eind, waarmee je ze voorgoed stopt, een zucht die het eerder prijzen doet verwaaien, aan het eind: ‘Broer, zoon, ja, allen zijn ze dood’. |
| Morton | Douglas leeft nog; en uw broer is niet dood; maar, die zoon van u, mylord - |
| Northumberland | Is dus dood. Wat is het kwaad vermoeden rap van tong! Hij die al vreest wat hij niet weten wil weet instinctief als hij een ander ziet dat wat hij vreest zo is. Maar, spreek, Morton; vertel een graaf dat zijn vermoeden liegt, en ik zal het opnemen als zoet verwijt, en je heel rijk belonen voor die smaad. |
| Morton | U bent te groot, dat ik u tegenspreek; wat u vermoedt is waar, uw angst is juist. |
| Northumberland | Zeg desondanks toch niet dat Percy dood is. Ik zie een merkwaardig ‘Ja’ in hoe jij kijkt: je schudt je hoofd, en vindt de waarheid spreken maar eng of zondig. Is hij dood, dan zeg dat: de tong die zijn dood meldt begaat geen fout; hij zondigt die van doden leugens spreekt, niet wie de doden als niet levend meldt. Maar de eerste brenger van onwelkom nieuws heeft wel een zeer ondankbare taak: zijn tong klinkt altijd als een droeve doodsklok na, die luidde bij het verscheiden van een vriend. |
| Lord Barpolph | Ik kan niet geloven, dat uw zoon dood is. |
| Morton | Het spijt me, dat ik u moet doen geloven wat God geve dat ik nooit had moeten zien; maar deze ogen zagen, hoe hij, onder het bloed, mat en vermoeid, zich zwak verzetten kon tegen Harry Monmouth, die met snelle klappen de onversaagde Percy op de grond kreeg, waarvan hij nooit meer levend op zou staan. Om kort te gaan, de dood van hem wiens moed zelfs het slapste krijgsvolk steeds had aangehitst, doofde, direct toen hij bekend werd, het vuur bij de allerhardst gestaalde moed in het kamp: want door zijn kloekheid was zijn macht gescherpt, en toen die week werd, viel ook heel de rest terug op zichzelf, als slap en heel zwaar lood: en net als iets dat van zichzelf al zwaar is gedreven door veel kracht heel erg snel vliegt, verleende ons volk, bezwaard door Hotspurs val, aan dat gewicht zo’n lichtheid door hun angst, dat pijlen minder snel naar het doelwit vluchten dan onze krijgsmacht, richting veiligheid, van het slagveld vluchtte. Toen werd snel gevangen de nobele Worcester, en de wilde Schot, die heftige Douglas, wiens voortreffelijk zwaard driemaal ‘s konings evenbeeld had gedood, verloor de moed, en eerde zelf de schande van hen die omkeerden, en op zijn vlucht werd hij, struikelend van angst, gepakt. Kortom, de Koning won, en stuurde een snelle macht om met u in de slag te gaan, mylord, met aan het hoofd de jonge Lancaster en Westmoreland. En dit is al mijn nieuws. |
| Northumberland | Nog tijd genoeg om daarover te treuren. In gif zit heelkracht; en dit nieuws, dat mij, zo ik gezond was, flink ziek had gemaakt, maakt mij, nu dat ik ziek ben, haast gezond. Zoals een koortslijder, wiens zwakke knieën als zwakke hengsels knikken onder het lijf, de aanval zat, als vuur, losbreekt van de arm van zijn verzorger, zijn mijn leden nu, eerst zwak van leed, en nu versterkt door leed, driemaal zichzelf. Dus weg, jij, stomme kruk! Een schub gestaalde handschoen met scharnier moet sluiten om mijn hand. Weg, ziekenmuts, die veel te vrouwelijk het hoofd beschut, mikpunt van vorsten, uit op nog meer bloed. Bind staalplaat om mijn slapen; dan, storm toe, gij, gruwelijkst uur dat tijd en haat durft brengen, op de ontketende Northumberland af! Kus de aarde, hemel! Houd de wilde vloed nu niet tegen, Natuur! Laat orde gaan! Zij deze wereld niet meer het toneel waar haat gevoed wordt in een langzaam spel; maar laat die geest van de eerst-geborene Kaïn ieder doorvloeien, dat elk hart de koers van bloed volgt, dat dit gruwelstuk vlug stopt, en duisternis de doden dan begraaft. |
| Lord Barpolph | Die heftigheid doet u geen goed, mylord. |
| Morton | Zorg dat u uw verstand niet kwijt raakt, graaf; het leven van uw kameraden hangt geheel van uw welzijn af; en dat bezwijkt, als u zich overgeeft aan heftige wildheid. Het resultaat had u al gewogen, heer, uw kansen al nagegaan, voordat u zei: ‘Wij weren ons’. Toen had u al beseft, dat uw zoon vallen kon in het strijdgewoel. Hij ging zijn pad over het gevaar, op het scherpst, kon eerder vallen dan erover komen. U wist hoe makkelijk hij wond en schram kon oplopen, en dat zijn strijdlust hem zou drijven in het felst van het gevaar. Toch zei u: ‘Voorwaarts’, en was niets hiervan, hoezeer gevreesd, u een belemmering voor het uitgestippeld plan. Hoe liep het dan, wat bracht de koene onderneming meer dan dat wat men ervan verwachten kon? |
| Lord Barpolph | Wij wisten, wij, geraakt door dit verlies, dat wij ons waagden op zo’n woelige zee, dat het tien tegen een was dat we het overleefden; toch waagden wij het: de ons voorgehouden winst schoof de angst voor mogelijk gevaar ter zij; met zoveel inzet wagen wij het opnieuw. Kom, lijf en goed, we zetten alles in. |
| Morton | Het is de hoogste tijd. En, mijn hoogedele heer, ik hoor als zeker, en zeg het dus als waar, dat de edele aartsbisschop van York klaar staat met een geduchte macht. Hij is een man die al zijn volgers dubbel aan zich bindt. Uw edele zoon had schaduw en het lijf, het uiterlijk van mannen onder zich; want oproer, juist dat ene woord, vervreemdt de daden van het lichaam van de ziel, en men vocht onder dwang, met tegenzin, zoals men drankjes slikt; aan onze kant met hun bewapening; maar ja, hun ziel had hen door dit woord ‘oproer’ vastgevroren, als vissen in een vijver. Opstand wordt voor deze bisschop een religie thans; men acht hem als oprecht en vroom van zin, men volgt hem reeds met lichaam en met ziel; hij voedt de rebellie met Richards bloed, het bloed, dat hij van Pomfrets stenen schraapt; hij noemt zijn strijd en zaak een zaak van God, beschermt, beweert hij, een zwaar bloedend land, dat zieltoogt onder koning Bolingbroke; en groot en klein verzamelt zich rond hem. |
| Northumberland | Eerlijk gezegd, wist ik dit al, maar heeft het leed van nu het uit mijn geest gewist. Kom mee naar binnen, en zoek nu met mij de beste weg naar veiligheid en wraak; stuur brieven rond, dat de aanhang groter wordt: je hebt er nooit te weinig, altijd te kort.Allen af Tweede toneel - Londen. Ergens op straat. Sir John Falstaff op, met zijn Page, die zijn zwaard en rondschild draagt. |
| Falstaff | Wel, reus van een jongen, wat zegt de dokter van mijn water? |
| Page | Hij zegt, meneer, dat het water zelf goed en gezond was; maar dat de eigenaar van het water meer ziektes zou kunnen hebben dan hijzelf weet. |
| Falstaff | Mensen van allerlei slag stellen er een eer in, de draak met mij te steken. Het brein van deze uit klei samengestelde hoop dwaasheid, de mens, is niet in staat ook maar iets te bedenken dat leuker is dan ik bedenk of dan dat over mij bedacht is; ik ben niet alleen geestig in mijzelf, maar ook de reden dat er geestigheid is in anderen. Ik loop hier voor jullie uit als een zeug die al haar biggetjes heeft doodgedrukt op één na. Als de kroonprins jullie voor een andere reden bij mij in dienst heeft gedaan dan om bij mij af te steken, nou, dan weet ik het niet meer. Jij daar, verdomde dwerg, jij bent meer geschikt om op mijn muts te zitten dan achter mijn hielen aan te lopen. Tot nu toe heb ik nooit een cameetje als dienaar gehad, maar ik zal u niet in goud of zilver zetten, maar in slonzige kleren, en u als klerespul naar uw meester terugsturen - dat jochie, de kroonprins, uw meester, met zijn kin nog zonder dons! Bij mij groeit er eerder een baard in de palm van mijn hand dan bij hem op zijn wang; en toch heeft hij het lef te stellen dat hij een eerste-klas kop heeft. God mag het afmaken als Hij er zin in heeft, er is nog geen haartje fout aan. Het kan hem de kop niet kosten, want de barbier verdient er nog geen stuiver aan. En toch kraait hij alsof hij zich al man noemde toen zijn vader nog een vrijgezel was. ‘Zijne Genade’ mag hij van mij blijven, maar hij is bijna uit mijn genade, dat kan ik hem verzekeren. Wat zei meester Dommelton van het satijn voor mijn korte mantel en mijn pofbroek? |
| Page | Hij zei, meneer, dat u hem een betere borg moest stellen dan Bardolph: hij wou zijn schuld-bekentenis en die van u niet aanvaarden, de waarborg beviel hem niet. |
| Falstaff | Laat hem verdoemd zijn als de rijke vrek! Laat zijn tong alsjeblieft nog heter branden! Zo’n gadvergemese Achitophel! Zo’n schofterige ja-natuurlijk boef, om een man van stand aan het lijntje te houden, en dan een borgtocht te eisen! Die gadvergemese gladkoppen steken hun neus in de wind tegenwoordig met die schoenen met hoge hakken en die sleutelbossen aan hun gordel, en als een man over een eerlijke zaak met hen eens is dan eisen ze ook nog eens een borgtocht. Ik had nog liever dat ze mijn mond volstoppen met rattenvergif dan dat ze die met waarborgen vol willen stoppen. Ik dacht dat hij mij tweeëntwintig el laken zou sturen, en, zowaar ik een edelman ben, hij stuurt mij een ‘borg’. Nou, laat hem maar rustig gaan slapen met die borg; want hij heeft de hoorn des overvloeds en het licht van zijn vrouw schijnt er doorheen; en toch ziet hij dat niet, al heeft hij zijn eigen lantaarn om hem bij te lichten. Waar is Bardolph? |
| Page | Die is naar Smithfield om uw edelheid een paard te kopen. |
| Falstaff | Ik heb hèm in St. Paul’s gekocht, en híj gaat mij een paard in Smithfield kopen. Als ik nou ook nog een vrouwtje kon krijgen in het bordeel, dan was ik een man, een paard en een vrouw rijker. De Lord Opperrechter op, met een dienaar |
| Page | Heer, daar komt de Lord die de prins liet inrekenen omdat die hem ter wille van Bardolph had geslagen. |
| Falstaff | Hier, stil, ik wil hem liever niet zien. |
| Opperrechter | Wie is die man daar? |
| Dienaar | Falstaff, om u te dienen, Lord. |
| Opperrechter | Die van betrokkenheid bij die straatroof wordt verdacht? |
| Dienaar | Inderdaad, mylord; maar hij heeft zich sindsdien bij Shrewsbury van zijn beste kant laten zien, en hij is nu, naar ik hoor, met een commando onderweg naar Lord John van Lancaster. |
| Opperrechter | Wat, naar York? Roep hem terug. |
| Dienaar | Sir John Falstaff! |
| Falstaff | Zeg hem, jongen, dat ik doof ben. |
| Page | U moet harder praten, mijn meester is doof. |
| Opperrechter | Ja, dat geloof ik vast, doof voor alles dat goed is. Ga hem maar aan zijn mouw trekken, ik moet hem spreken. |
| Dienaar | Sir John! |
| Falstaff | Wat, zo’n jonge kerel die aan het schooien is! Zijn er geen oorlogen? Kun je niet in dienst gaan? Kan de koning geen onderdanen gebruiken? Hebben oproerlingen geen soldaten nodig? Al is het dan een schande ergens anders dan aan de ene kant te staan, bedelen is nog een ergere schande dan aan de slechtste kant te staan, al was die ook nog zoveel slechter als de naam oproer het kan zeggen. |
| Dienaar | U vergist zich in mij, meneer. |
| Falstaff | Hoe dat, meneer, heb ik dan gezegd dat u een eerlijk man bent? Mijn ridderschap en mijn soldateneer buiten beschouwing gelaten: ik zou grof tegen u gelogen hebben als ik dat had gezegd. |
| Dienaar | Wilt u dan uw ridderschap en uw soldateneer buiten beschouwing laten, en mij toestaan dat ik u zeg dat u grof staat te liegen, als u zegt dat ik wat anders ben dan een eerlijk man. |
| Falstaff | Zal ik u zoiets laten zeggen? Zal ik ter zijde zetten wat met mij vergroeid is? Als ik u ook maar iets toe zal staan, mag u mij ophangen. En als u toestemming neemt, had u maar beter al opgehangen geweest. U jaagt op het valse spoor. Wegwezen! Vort! |
| Dienaar | Meneer, mijn meester wou graag met u spreken. |
| Opperrechter | Sir John Falstaff, kan ik even met u spreken. |
| Falstaff | Mijn waarde heer! God geve u goede gezondheid. Ik ben blij uwe hoogheid hier buiten te zien, men had mij verteld dat uwe hoogheid ziek was. Ik hoop dat uwe hoogheid op advies van de dokter naar buiten komt: hoewel uw jeugd nog niet helemaal voorbij is, heeft die toch al een bijsmaakje van ouderdom gekregen: ze is al wat gekruid door het zout van de tijd; en ik zou u in alle onderdanigheid willen verzoeken, uw gezondheid bijzonder in acht te nemen. |
| Opperrechter | Sir John, ik had u al ontboden vóór uw onderneming richting Shrewsbury. |
| Falstaff | Om u te dienen, hoogheid, ik hoor dat zijne majesteit met enig ongemak uit Wales is teruggekeerd. |
| Opperrechter | Ik heb het hier niet over zijne majesteit. U wenste niet te komen toen ik u ontbood. |
| Falstaff | En ik hoor bovendien dat zijne majesteit ook last heeft gekregen van die verdomde verlamming. |
| Opperrechter | Wel, God make hem weer beter! Laat mij nu alstublieft een paar woorden tot u zeggen. |
| Falstaff | Die verlamming is als ik het wel heb een soort lethargie, met uw verlof, een soort slaperigheid in het bloed, een verdomd lastige tinteling. |
| Opperrechter | Waarom vertelt u mij dit allemaal? Het zal wel. |
| Falstaff | Het heeft zijn oorsprong in veel leed, in gepieker, en stoornis van de hersenen; ik heb de oorzaak van zijn symptomen bij Galen gelezen, het is een soort doofheid. |
| Opperrechter | Volgens mij heeft u zelf die ziekte opgelopen, want u hoort niet wat ik zeg. |
| Falstaff | Heel goed, mylord, heel goed. Met uw verlof, het is eerder de ziekte van het niet luisteren, de kwaal van het nergens op letten, waar ik door word geplaagd. |
| Opperrechter | Het straffen van uw enkels zou de aandacht van uw oren verbeteren, en ik zou het niet erg vinden uw arts te worden. |
| Falstaff | Ik ben zo arm als Job, mylord, maar ik lijd niet zo geduldig. Uwe hoogheid kan mij dan wel het drankje opsluiting voorschrijven met het oog op mijn armoede, maar hoe ik uw voorschriften lijdzaam moet opvolgen, daar zou geen wijs man een greintje zekerheid over kunnen hebben. |
| Opperrechter | Ik heb u ontboden, toen ik u wilde spreken, omdat er zaken waren die u uw leven hadden kunnen kosten. |
| Falstaff | Ik werd geadviseerd niet te komen door mijn raadsman die zeer goed thuis is in de wetten van de landsdienst. |
| Opperrechter | Wel, Sir John, het punt is, dat u in grote losbandigheid leeft. |
| Falstaff | Wie een gordel als de mijne omgespt, kan hem niet strak aanhalen. |
| Opperrechter | Uw middelen zijn zeer klein, en u leeft op grote voet. |
| Falstaff | Ik zou willen dat het anders was, ik zou willen dat ik makkelijker rond kon komen en dat mijn middel niet zo groot was. |
| Opperrechter | U hebt de jonge kroonprins op het verkeerde pad gebracht. |
| Falstaff | De jonge kroonprins heeft mij op het verkeerde pad gebracht. Ik ben de kerel met de grote buik, en hij is mijn hond. |
| Opperrechter | Nou, ik wil een pas geheelde wond niet openscheuren. Uw diensten op de dag bij Shrewsbury hebben uw nachtelijke streken bij Gadshill een beetje verguld. U dankt het de onrustige tijden dat u zo rustig door de aanklacht bent gerold. |
| Falstaff | Mylord, - |
| Opperrechter | Maar alles is goed, dus laat het ook maar zo: geen slapende wolven wakker maken. |
| Falstaff | Een wolf wakker maken, is al even erg als een vos te ruiken. |
| Opperrechter | Wel, u bent als een kaars waarvan het beste stuk is opgebrand. |
| Falstaff | Zo’n grote feestkaars, mylord, één en al vet - ik had ook kunnen zeggen van was, want mijn wasdom had dat kunnen staven. |
| Opperrechter | Elke witte haar op uw gezicht moest een teken zijn van waardigheid. |
| Falstaff | Van baardigheid, baardigheid, baardigheid. |
| Opperrechter | U gaat de jonge kroonprins overal achterna, als zijn kwade engel. |
| Falstaff | Nou, nee, mylord, uw kwade engel is licht, en ik hoop dat ieder die mij ziet mij zal willen aannemen zonder mij eerst te wegen. En toch, ik moet bekennen dat ik in sommige opzichten niet naar waarde word geschat. Ik weet het niet - deugd telt zo weinig in deze kruideniers-tijden, dat ware moed en berenleider is geworden; snel van begrip zijn is nu een biertapper en verspilt zijn scherpzinnigheid aan het optellen van rekeningen; alle andere gaven, eigen aan de mens, zijn geen kruisbes meer waard, zoals de boosheid van de tijd ze heeft vervormd. U die oud bent hebt geen oog voor de talenten van ons die jong zijn; u meet de hitte van onze lever af aan de bitterheid van uw gal; en ik geef toe, dat wij, die in de frontlinie zijn van onze jeugd, ook inderdaad een stelletje heethoofden zijn. |
| Opperrechter | Dus u durft uw naam nog op de lijst van jeugd te zetten, u, die al getekend is met alle kenmerken van ouderdom! Heeft u niet een vochtig oog, een droge hand, een gele wang, een witte baard, een afnemend been, een toenemend buikje? Is uw stem niet gebroken, uw adem kort, uw kin dubbel, uw verstand simpel, en alles aan u vermolmd met ouderdom? En u wilt uzelf jong noemen? Foei, foei, foei, Sir John! |
| Falstaff | Mylord, ik werd rond drie uur in de middag geboren, met een wit hoofd en een tamelijk rond buikje. Wat mijn stem betreft, die heb ik bedorven met het bevelen, en het zingen van psalmen. Verder bewijzen dat ik nog jeugdig ben, wil ik niet: de waarheid is, dat ik alleen oud ben in verstand en inzicht; en hij die met mij om duizend mark luchtsprongen wil maken, moet me het geld maar voorschieten, en ik doe mee. Wie die oorvijg aangaat die de prins u gegeven heeft, die heeft hij u als een ruwe kroonprins gegeven, en u heeft hem ontvangen als een verstandig edelman. Ik heb hem er flink voor op zijn donder gegeven, en de jonge leeuw heeft er spijt van - wel niet in zak en as, maar in nieuwe zijde en oude sherry. |
| Opperrechter | Nou, God geve de kroonprins een betere makker. |
| Falstaff | God geve de makker een betere prins! Ik kan maar niet van hem afkomen! |
| Opperrechter | Wel, de koning heeft u en prins Harry gescheiden: ik hoor dat u mee gaat met Lord John van Lancaster, tegen de aartsbisschop en de Graaf van Northumberland. |
| Falstaff | Ja, dat heb ik aan uw lieve zoete wijsheid te danken. Maar jullie die thuis Vrouw Vrede omhelzen, bid God dat onze legers elkaar niet op een warme dag treffen; want, bij God in de hemel, ik neem maar twee hemden mee, en ik ben niet van plan me buitengewoon in het zweet te werken. Als het een hete dag is, en ik met iets anders ga zwaaien dan een fles, dan is dat de laatste keer dat ik laat zien hoe sterk dat ik ben. Als er maar ergens een gevaarlijk karwei opduikt, dan moet ik eropaf. Wel, ik kan niet eeuwig blijven duren; maar het is al altijd een gril van de Engelse natie geweest, om, als ze iets goeds hebben, het ook voor alles te gebruiken. Als je dan zo nodig wil volhouden dat ik een oude man ben, dan zou je me rust moeten geven. Ik zou, verdomd, willen dat mijn naam niet zo’n verschrikkelijke klank had bij de vijand - het zou me beter bevallen te worden opgevroten door roest dan tot niets worden weggeschuurd door eeuwige beweging. |
| Opperrechter | Nou, gedraag u zoals het hoort, gedraag u zoals het hoort, en God zij met uw onderneming. |
| Falstaff | Wilt uwe hoogheid mij soms duizend pond lenen voor mijn uitrusting? |
| Opperrechter | Nog geen stuiver, nog geen stuiver: u staat niet stevig genoeg om zoveel pond te dragen. Tot ziens: en de groeten aan mijn neef Northumberland De Opperrechter met zijn dienaar af |
| Falstaff | Als ik dat doe, mag je me met een driemansmoker een tik laten geven. Een man kan ouderdom en gierigheid net zo min uit elkaar houden als jonge leden en liederlijkheid: maar de jicht verziekt de een, en de sief de ander; en beide hebben zo hun eigen vloek, als voorloper op die van mij. Jongen! |
| Page | Meneer? |
| Falstaff | Hoeveel geld heb ik nog? |
| Page | Zeven kwartjes en twee stuivers. |
| Falstaff | Ik kan maar geen middeltje vinden tegen dat uitteren van mijn beurs; lenen rekt en rekt de ziekte, maar die is toch ongeneselijk. Breng deze brief naar de kroonprins; deze naar de Graaf van Westmoreland; - en deze naar dat oude wijfie Ursula, wie ik de vorige week beloofd heb te trouwen, sinds ik de eerste witte haar op mijn kin heb ontdekt. Vlug dan; u weet waar u mij kunt vinden. [Page af] Laat die jicht de sief toch krijgen! Of laat de sief de jicht toch krijgen! Want een van die twee is met mijn grote teen aan het sollen. Het maakt niet uit of ik hink; ik kan er de oorlog een kleurtje aan geven, en mijn pensioen zal er des te meer verdiend door lijken. Een slimme kop slaat overal een slaatje uit; ik ga die ziekten te gelde maken.Af Derde toneel - York. Het paleis van de aartsbisschop. De Aartsbisschop op, Thomas Mowbray de Lord Marshal, Lord Hastings en Lord Bardolph. |
| Aartsbisschop | U kent nu onze zaak, en onze middelen, en, nobele vrienden, ik vraag u allemaal te zeggen wat u van de kansen denkt: Lord Maarschal, wat vindt u er als eerste van? |
| Mowbray | Ik geef grif toe dat ons verzet gegrond is, maar ik kreeg graag van u meer zekerheid, of deze middelen toereikend zijn om krachtig en met een geheven hoofd de macht des konings tegemoet te treden. |
| Hastings | De monsterrol vermeldt op dit moment zo’n vijfentwintigduizend keurtroepen; en voor versterking hopen we ruimschoots op Lord Northumberland, wiens boezem gloeit van vuur door krenkingen hoog opgelaaid. |
| Lord Barpolph | De grote vraag, Lord Hastings, is dus nu, of onze vijfentwintigduizend hier het aankunnen zonder Northumberland. |
| Hastings | Met hem beslist. |
| Lord Barpolph | Ja, juist, daar gaat het om: want, achten wij ons zonder hem te zwak, dan, vind ik, mogen wij geen stap te ver gaan voordat zijn hulp aan ons inzetbaar is; want bij een plan met zoveel bloed als dit mag er geen sprake zijn van gissingen, verwachting en van nog onzekere hulp. |
| Aartsbisschop | Zeer juist, Lord Bardolph, zo was het ook het geval met Hotspur toen hij vocht in Shrewsbury. |
| Lord Barpolph | Inderdaad, heer, hij voedde zich met hoop, rekende op ijdel toezeggen van steun, zich vleiend met het vooruitzicht van veel macht die minder dan zijn minste raming bleek, en dus, met overmoed die aan waanzin grensde, leidde hij zijn strijdmacht in de dood, en sprong met de ogen dicht voor waarheid in het verderf. |
| Hastings | Maar, met verlof, het heeft nog nooit geschaad verwachting en waarschijnlijkheid te wegen. |
| Lord Barpolph | Ja, ja, mits deze staat van oorlog nu, de actie vóór ons, - die trouwens al loopt -, zo op hoop steunt, als wij vroeg in de lente de knoppen zien ontluiken; - dat belooft met zekerheid veel vrucht, ons wel bewust wat vorst niet doen kan. Vóór wij bouwen gaan, bezien we eerst het land, tekenen het plan, en als we het ontwerp zien van het huis, dan ramen we de kosten van de bouw, en stijgen die uit boven de middelen, dan maken we toch zeker een nieuw plan met minder kamers, of, in het ergst geval bouwen we helemaal niet. Hoeveel te meer moet men bij dit groot werk - haast het ene rijk neerhalen en een ander oprichten - overzien hoe de zaken staan, wat de plannen zijn, het eens zijn over betrouwbare grondslagen, beheerders vragen, eigen middelen kennen, of ze voldoende zijn voor zo’n groot werk, en tegenslagen kunnen hebben; anders versterken wij ons op papier, met cijfers, gebruiken wij slechts namen en geen mensen, als iemand die een huis ontworpen heeft boven zijn vermogen, en, halverwege opgeeft, en zijn halve uitgavenpost overgeleverd laat aan het huilend zwerk, speelbal van winter, de barre tiran. |
| Hastings | Stel dat de hoop die ons zoveel belooft toch doodgeboren blijkt, dat de laatste man die wij verwachten kunnen nu al hier is, dan vind ik onze macht toch sterk genoeg, om, alleen, zich te meten met de koning. |
| Lord Barpolph | Heeft hij maar vijfentwintigduizend man? |
| Hastings | Voor ons niet meer; niet eens zoveel, Lord Bardolph; de woelige tijden deden hem zijn macht in drieën delen: één tegen de Fransen; één tegen Glendower; en tegen ons een derde dus maar. Zo splitst zich de koning zwak en al, in drieën; zijn schatkist klinkt van bedelarmoe en van leegheid hol. |
| Aartsbisschop | Dat hij zijn drie machten weer samentrekt en zich met heel zijn macht dan op ons werpt, hoeft niet gevreesd. |
| Hastings | Als hij dat doet, laat hij zijn rug onbeschut, met Fransen en Welshmen blaffend aan zijn hielen: wees maar niet bang. |
| Lord Barpolph | Wie voert eigenlijk zijn legermacht hierheen? |
| Hastings | De Graaf van Lancaster, en Westmoreland; zelf rukt hij op naar Wales met Harry Monmouth; maar wie voor hem tegen de Fransen oprukt heb ik nog niet gehoord. |
| Aartsbisschop | Goed, dan op weg, en roep luid om wat ons ten strijde drijft. Reeds walgt de staat van wat hij zelf zich koos; zijn gulzige liefde is hem meer dan zat. Een wankel en onzeker huis heeft hij die op het hart bouwt van de menigte. O, dwaze massa, met welk luid applaus galmde jij ten hemel: ‘Heil, Bolingbroke’, voordat hij was wat jij wou dat hij werd. En nu hij helemaal straalt zoals je wenste, nu ben je, gulzig beest, zo vol van hem, dat je alles doet om hem weer uit te kotsen. Zo, lage hond, heb je uit het vraatzuchtig hart ooit koninklijke Richard opgegeven; en nu wou jij dat dode braaksel terug, huilt er zelfs om. Wat stelt trouw nu nog voor? Wie Richard, toen hij leefde, het liefste dood zag, is nu verliefd geworden op zijn graf. Jij die ooit stof wierp op zijn edel hoofd, toen hij door het fiere Londen zuchten moest achter de gevierde Bolingbroke aan, roept nu: ‘O, aard, geef ons die koning weer, neem deze weg!’ Vervloekte denkpatroon. Wat was, wat komt, lijkt goed; nu is nooit schoon. |
| Mowbray | Met onze macht de vijand tegemoet. |
| Hastings | Wij zijn tijds slaven: tijd zegt dat is goed. Allen af |