| Koning Hendrik V
King Henry the fifth vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
|
| |
| Proloog | Had ik een Muze Vuur, die hoog opsteeg tot in de lichtste hemel scheppingskracht, vorsten als spelers, een rijk als toneel, en monarchen om het machtig stuk te zien, dan kwam held Harry op, met al zijn grootsheid, in Marsgestalte; aangelijnd als honden kropen honger, zwaard en vuur voor zijn voeten, gespitst op doen. Maar beste mensen, ja, vergeef wat ongeïnspireerde geesten dat ze op dit onwaardige plankier zoiets groots wagen: past in dit huis de uitgestrektheid van Frankrijk? Krijgen wij alle helmen dit houten rondsel in waarvoor de lucht sidderde bij Agincourt? O, vergeef ons! Want een klein rond getal wordt, ergens achteraan, tot een miljoen. Dan gaan wij, nieten in dit groots bestel, hier op de kracht van uw verbeelding werken. Denk in de gordel van de muren hier twee machtige monarchieën ingesloten, elkaar dreigend met opgeheven hoofd, die een zee-engte scheidt met veel gevaar: vul wat wij missen in gedachten aan; verdeel in duizend stukken elke man, vorm in verbeelding u een legermacht; denk, als men paarden noemt, dat u ze ziet, hun vurige voeten drukkend in de aarde; uw denken tooit in deze onze vorst, brengt hem nu hier, dan daar, springt over tijd, vat wat in vele jaren is gedaan in een uurglas samen; neem mij als Koor aan, om u in dit verhaal wat bij te staan; en als proloog vraag ik of u stil zijn wilt; kijk rustig naar ons stuk, en oordeel mild. Proloog af |
|
Eerste bedrijf Eerste toneel - Londen. Een voorkamer in het paleis van de koning. De Aartsbisschop van Canterbury op en de Bisschop van Ely | |
| Canterbury | Hoor toch eens, mylord; diezelfde wet ligt voor, die, in het elfde jaar van de laatste koning, haast, tegen onze wil, was doorgegaan, als niet de onrustige en wilde tijd nog verder overwegen had gestaakt. |
| Ely | Maar hoe, mylord, voorkomen wij haar nu? |
| Canterbury | Daar moeten we iets op vinden. Gaat dit door, dan verliezen we de helft van ons bezit; want al het land, door het vrome lekenvolk per testament ooit aan de Kerk vermaakt, wordt ons dan afgenomen; wat, naar geschat, tot eer van onze vorst zou onderhouden: ruim vijftien graven, vijftienhonderd ridders, zesduizend en tweehonderd baronets; en dan, tot steun van zwakken en leprozen, voor behoeftigen die niet meer kunnen werken, zo’n honderd armenhuizen, rijk voorzien - en daarnaast voor de schatkist van de koning nog duizend pond per jaar. Zo luidt het voorstel. |
| Ely | Een hele slok. |
| Canterbury | Dat slokt de beker mee. |
| Ely | Hoe zal men dit verhinderen? |
| Canterbury | De koning is heel billijk en genadig. |
| Ely | Een zeer waarachtig vriend der Heilige Kerk. |
| Canterbury | De wandel van zijn jeugd beloofde iets anders. Zodra zijn vaders lichaam was ontzield, scheen ook zijn wildheid aan haar eind te zijn, als stierf zij ook; ja, op dat ogenblik verscheen als engel de Bezonnenheid, zweepte de zondige Adam uit hem weg, en liet zijn lichaam als een Paradijs, dat hemelgeesten in zich op kon nemen. Zo plotseling werd niemand ooit geleerd; zo, als een vloed, kwam nooit bekering op, zo’n heftige golfstroom, fouten wegspoelend; nooit heeft zo’n hydra-koppig doordouwen zo snel zijn macht verzaakt - zo plotseling - als nu in deze vorst. |
| Ely | Voor ons een zegen. |
| Canterbury | Hoor hem met godgeleerden in gesprek, en vol bewondering zou men heel stil wensen dat deze koning nog prelaat zou worden; hoor zijn discussies over staatszaken, en men zou zweren dat het echt zijn vak is; als hij van oorlog spreekt, dan hoort u steeds gruwelijke krijg in prachtbewoordingen; zet hem op een zwaar politiek probleem, en hij ontwart de Gordiaanse knoop als was het zijn kousenband; ja, als hij spreekt, is zelfs de lucht, een vrije losbol, stil, en stom verbazen loert in ieders oor om daar zijn zoete uitspraken te roven; dus toont zich de ervaring van leven deze theoreticus leermeesteres: waar haalt zijne genade het vandaan, die ooit verslingerd was aan loze zaken; met makkers, ongeletterd, ruw en dom; zijn tijd gevuld met zwieren, slempen, lol; nooit zag men in hem ook maar iets van vlijt, nooit drang tot eenzaamheid, terughoudendheid tot menigten en openbaar gewoel. |
| Ely | De aardbei groeit onder de netel door, gezonde bessen doen het opperbest vlak naast vruchten van mindere kwaliteit: en zo verborg de prins zijn overtuiging onder de sluier wildheid; die beslist ‘s nachts het snelste groeide als zomergras, onopgemerkt, al kennen wij haar groeikracht. |
| Canterbury | Het moet wel; de tijd van wonderen is voorbij; dus moeten er wel middelen zijn waardoor iets tot volmaaktheid raakt. |
| Ely | Maar, waarde heer, wat kunnen wij nog doen aan het wetsvoorstel dat alle burgers eisen? Is de koning voor of tegen? |
| Canterbury | Hij heeft geen voorkeur, lijkt het; of neigt toch eerder naar ons dan naar hen die het wetsvoorstel indienden tegen ons; ik heb onze vorst het aanbod kunnen doen van de vergadering van de synode, waarbij ik zijne hoogheid zeer uitvoerig de stand van zaken nu heb toegelicht aangaande Frankrijk, - met een grotere som dan dat de geestelijkheid tot nu toe ooit aan vorsten vóór hem overhandigd heeft. |
| Ely | En hoe nam hij dat aanbod wel niet aan? |
| Canterbury | Het werd aanvaard door zijne majesteit; alleen had hij, jammer genoeg, geen tijd, om te aanhoren - hij had het graag gedaan - zijn vele onbetwistbare aanspraken die hij op enkele hertogdommen heeft, ja, algemeen, op Frankrijks kroon en troon, als afstammend van zijn grootvader Edward. |
| Ely | En wat kwam er dan tussen, dat het niet ging? |
| Canterbury | Op dat moment vroeg een Frans afgezant juist om gehoor; en, volgens mij, gaat hij hem nu ontvangen: is het niet vier uur? |
| Ely | Jawel. |
| Canterbury | Dan gaan wij horen wat hij melden komt; wat ik wel zonder moeite raden kan, voor dat de Fransman één woord heeft gezegd. |
| Ely | Ik ga met u mee; ik wil het ook horen, echt. |
| Beiden af | |
|
Tweede toneel - Dezelfde plaats. De Audiëntiezaal. Koning Hendrik op, Gloucester, Bedford, Clarence, Warwick, Westmoreland, Exeter en gevolg. | |
| Koning Hendrik | Waar is mijn edele lord van Canterbury. |
| Exeter | Niet hier aanwezig. |
| Koning Hendrik | Laat hem halen, oom. |
| Westmoreland | Zullen wij de afgezant roepen, mijn heer. |
| Koning Hendrik | Wacht even, neef: wij willen duidelijkheid, voor we hem horen, in zaken van gewicht onder onze aandacht, over ons en Frankrijk. |
|
De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely op | |
| Canterbury | God en zijn engelen schutte uw heilige troon; en moge u lang hem sieren. |
| Koning Hendrik | Zeker, dank u. Geleerde Lord, kom alstublieft naar voren, en wil ons juist en nauwgezet ontvouwen, of het Salisch recht dat men in Frankrijk heeft, al dan niet strookt met onze aanspraken. En God verhoede, waarde en trouwe heer, dat u uw lezing vormt of wringt of buigt, spitsvondig met veel schuld uw ziel belaadt - die heel goed weet dat waarheid anders ligt - met ongegronde eisen, met een claim die, juist omkleed, toch niet bij waarheid past. Want God weet hoevelen, nu nog gezond, hun bloed vergieten zullen, in hun steun aan dat waar u, eerwaarde, ons toe drijft. Pas daarom op, hoe u onze eer verpandt, hoe u ons slapend zwaard ten strijde wekt: wij manen u, in naam van God, pas op; nooit vochten zulke koninkrijken het uit, dan met veel bloed; en elke onschuldige drup valt pijnlijk als een aanklacht tegen hem wiens fout de zwaarden juist hun scherpte geeft, zo te verwoesten wat kort sterfelijk is. Dus, onder die bezwering, spreek, mylord; wij horen, leggen vast, geloven in het hart, dat wat u spreekt in uw geweten schoon gewassen is als erfzonde met doop. |
| Canterbury | Dan hoor, mijn soeverein, en u, mijn pairs, die uzelf, uw leven en uw diensten dankt aan deze vorstentroon. Er is echt niets dat wat u eist van Frankrijk kan blokkeren, tenzij wat men aan Pharamond toeschrijft: In terram Salicam mulieres ne succedant, ‘Geen vrouw zal opvolgen in Salisch land:’ hetgeen de Fransen tegen ieder recht als Frankrijk zagen, en die Pharamond als stichter van de wet, die vrouwen uitsluit. En toch verklaren zelfs hun eigen schrijvers dat het in Duitsland ligt, het Salisch land, tussen de Sala en de Elbestroom; toen Keizer Charles de Saksen daar versloeg, liet hij er Fransen achter om te wonen; die hebben, omdat zij de Duitse vrouw minachtten om onoorbare levenswijs, toen deze wet gemaakt, dat nooit een vrouw op Salisch land erfrecht bezitten zou; dat Salisch, zei ik al, - tussen Elbe en Sala -, dat is het Duitse Meissen tegenwoordig. Hieruit is het duidelijk, dat het Salisch recht nooit voor het Franse Rijk is uitgedacht; en het Salisch Land kwam pas in Frans bezit vierhonderd eenentwintig jaren na het overlijden van vorst Pharamond, aan wie die wet, verkeerd, werd toegeschreven; die stierf in het jaar vierhonderd zesentwintig van de verlossing; Keizer Charles versloeg de Saksen, en deed Fransen in het land voorbij de Sala wonen pas in het jaar achthonderd vijf. Ook liet, volgens hun schrijvers, Koning Pepin, die Childeric van de troon stootte, als enig erfgenaam en nazaat van Blithild, die Koning Clothairs dochter was, zijn rechten gelden op de Franse troon. Ook Hugh Capet, die Charles van Lorraine de kroon roofde - in mannelijke lijn de enige erfgenaam van Charles de Grote -, gaf wat hij deed nog enige schijn van recht, al was het echt niets en niet waar, door zich voor te doen als de wettige erfgenaam van Lady Lingare, van Charles’ dochter, zoon van Keizer Louis, zelf toch ook de zoon van Charles de Grote. En ook Louis Tien, die alles erfde van landroof Capet, vond qua geweten eindelijk pas rust bij het dragen van de Franse kroon, toen het bleek, dat vorstin Isabel, zijn grootmoeder, afstamde van de vrouwe Ermengare, dochter van de genoemde Charles Lorraine: door haar echt was de lijn van Charles de Grote opnieuw verbonden aan de kroon van Frankrijk. Zodat, zo helder als de zomerzon, het recht van Pepin, de aanspraak van Capet, en Louis’ rust zich gronden, alle drie, op het erfrecht en de aanspraak van de vrouw: dit doen de Franse vorsten tot op heden; al wensen zij, op grond van het Salisch recht, u uit te sluiten, als nazaat van een vrouw; liever zien zij zich gehuld in een net dan dat de wet hun kromme claim blokkeert op wat u is ontroofd is en het voorgeslacht. |
| Koning Hendrik | Kan ik dus naar recht en in geweten claimen? |
| Canterbury | De zonde kome op mijn hoofd, mijn vorst! Want in het boek Numeri staat geschreven: ‘Als de man sterft, moet het erfdeel overgaan op de dochter.’ Handhaaf daarop uw recht, genadig vorst; ontrol uw bloedbanier; blik terug naar uw zo machtig voorgeslacht: ga naar uw oudgrootvaders graf, op wie uw aanspraak steunt; roep aan zijn heldengeest, en die van uw oudoom, de zwarte prins, die daar op Franse grond een treurspel bracht, waar hij de gehele Franse krijgsmacht sloeg, terwijl zijn machtige vader op een hoogte glimlachend toekeek, hoe zijn leeuwenwelp aasde in het bloed van Franse edelen. O edele Engelsen, die met half hun macht de hele trotse troep Fransen het hoofd bood, en de andere helft stond er maar bij te lachen, was werkeloos, en koel, zonder iets te doen. |
| Ely | Roep al die dappere doden voor de geest, volg met uw machtige arm hun daden na: u bent hun erfgenaam, zit op hun troon, het bloed, de moed die hen befaamd maakt, stroomt in uw aderen; mijn drievoud-machtige vorst is in de vroege Mei-dag van zijn jeugd, rijp voor wapenroem en voor grootse daden. |
| Exeter | Uw medevorsten, heersers van de aard, verwachten allen, dat u zich verheft, als de oude leeuwen van uw voorgeslacht. |
| Westmoreland | U heeft, weet men, genoeg redenen, middelen, macht; en inderdaad: nooit had een Engels koning meer rijkere adel, trouwere onderdanen, wier hart het lichaam nog in Engeland liet, maar al gelegerd ligt op Frankrijks grond. |
| Canterbury | O, laat hun lichaam volgen, waarde vorst, met bloed en zwaard en vuur uw recht bevechtend; om u te helpen zal de geestelijkheid voor u zo’n grote som bijeenbrengen als onze kerk nog nimmer in het verleden voor voorgangers van u heeft opgebracht. |
| Koning Hendrik | Laat ons niet enkel Frankrijk aan gaan vallen, maar ook zien hoeveel manschappen het kost de Schotten af te slaan, die, met zo’n kans, vast tegen ons op gaan trekken. |
| Canterbury | Zij uit het grensland, mijn genadig vorst, zijn als een wal straks die ons binnenland voldoende tegen plunderend volk verdedigt. |
| Koning Hendrik | Wij zijn niet enkel bang voor dievenbendes, maar voor een vijandige houding van de Schot, altijd al ons een zeer onrustige buur; want u kunt lezen, dat mijn oudgrootvader nooit met zijn legermacht naar Frankrijk trok, of deze Schot stortte zich steeds op het rijk, nu onbeschermd, als het tij door een breuk, machtig en boordevol met al zijn kracht, het lege land met vurige aanval teisterend, steden, burchten omgordend in beleg, dat Engeland, ontdaan van weerbaarheid, beefde en trilde voor zo’n boze buur. |
| Canterbury | De schrik was groter dan de schade, heer; want neem als voorbeeld enkel Engeland zelf: want met haar hele ridderschap in Frankrijk, toen ze als een weduwe om haar edelen treurde, weerde zij zich niet alleen goed, maar greep en voerde hem naar de schutstal, het los stuk vee, de Schotse Koning; stuurde hem naar Frankrijk, tot Edwards roem om veel gevangen vorsten, dat zijn kroniek zo rijk zou zijn aan roem als slijk en bodem van de zee het zijn aan wrakken en rijkdom die onschatbaar is. |
| Ely | Toch is er de eeuwenoude, wijze spreuk: ‘Als u Frankrijk wil winnen, moet u met Schotland beginnen’: vliegt adelaar Engeland uit op prooi, dan sluipt wezel Schotland naar haar onbewaakt nest, en zuigt haar vorsteneieren daar uit, - speelt als de muis daar, met de kat van huis -, breekt en vernielt meer dan zij eten kan. |
| Exeter | Daaruit volgt dat de kat steeds thuis moet blijven; al is dit niet echt nodig, want er zijn sloten om goederen te beveiligen en sluwe vallen voor de slimme dief. Terwijl de hand gewapend buiten strijdt, verdedigt zich het wijze hoofd hier thuis. Bestuur, verdeeld in stemmen, hoog en laag, en het allerlaagst, zet alles op één lijn, leidt tot een vol en zeer rein eindakkoord, als bij muziek. |
| Canterbury | Daarom verdeelt de hemel de staat der mensen in verscheiden functies, en drijft hen voort tot nieuwe inspanning; als doel of richtsnoer heeft deze altijd gehoorzaamheid; zo werken bijen ook, diertjes die door hun instinctief bestel een staat met veel volk orde laten zien. Ze hebben een vorst en allerlei beambten; de een wijst thuis terecht, als magistraat; als koopman, handelt de ander buitenshuis; weer anderen, de krijgers, voeren een angel, en plunderen de fluwelen zomerbloem; in blijde optocht dragen zij hun buit de vorstelijke tent in van hun heer, die toeziet, in zijn taak als majesteit, hoe metselaars zingend gouden daken bouwen, hoe brave burgers naarstig honing kneden, hoe het pover arbeidsvolk met zware last zich voor zijn smalle ingang steeds verdringt, hoe een ernstige rechter met veel nors gebrom de luie slome dar streng uitlevert aan bleke beulen. Daaruit zie ik maar weer, dat vele zaken, die verbonden zijn tot één doel, heel verschillend kunnen werken; zoals vele pijlen van diverse kanten één doel treffen, veel wegen samenkomen in één stad, veel frisse beekjes in één zoute zee, veel lijnen in het centrum van de wijzerplaat, zo lopen duizend zaken, eenmaal op weg, in één doel samen, en blijven op koers, zonder mislukking. Dus, naar Frankrijk, vorst, deel ons gelukkig Engeland op in vieren; neemt u daarvan een vierde mee naar Frankrijk, en u zult Gallia zeker geheel doen trillen. Als wij, met driemaal die krijgsmacht nog thuis, de hond niet weren van onze eigen deur, dan hebben we een probleem, en mag ons volk de roep van moed en schranderheid verliezen. |
| Koning Hendrik | Roep de afgezanten van de Dauphin hier. |
| Enige bedienden af | |
|
Wij zijn besloten; en met de hulp van God en u, de kracht van onze legermacht, zal Frankrijk, nu van ons, buigen voor ons of barsten: op de soevereine troon zullen wij òf heersen over Frankrijk en haar bijna koninklijke hertogdommen, òf dit gebeente in een schamel graf leggen, zonder opschrift, en zonder steen: onze geschiedenis zal met luider stem van onze daden spreken, of ons graf zal als een Turkse stomme tongloos zijn, zelfs niet geëerd met een grafschrift van was. | |
|
De Franse gezanten op | |
|
Wij zijn bereid de boodschap te aanhoren van onze edele neef, Dauphin; wij horen, dat u ons groet van hem, niet van de Koning. | |
| Gezanten | Wenst uwe majesteit dat wij u nu direct ontvouwen wat ons werd gelast; of moeten wij met veel omhaal van woorden globaal aangeven wat de Dauphin wenst? |
| Koning Hendrik | Wij zijn geen dwingeland, maar een christenvorst; wiens gramschap zo beheerst wordt door genade als onze kerkers onze boeven kluisteren; spreek daarom vrij, zonder terughoudendheid, wat de Dauphin bedoelt. |
| Gezanten | In het kort dan, dit: uwe hoogheid heeft zopas aanspraak doen gelden op zekere Franse hertogdommen, krachtens uw grote voorganger, Edward de Derde. Op die eis antwoordt onze heer, de prins, dat u nog al te veel proeft naar uw jeugd, en, of u na wilt denken: niets in Frankrijk laat zich winnen door een vrolijke dans; geen hertogdom laat zich daar indrinken. Dus stuurt hij u, wat beter bij u past, dit vat vol schatten; en verlangt van u, dat de door u geëiste hertogdommen niets meer van u horen. Zo spreekt de Dauphin. |
| Koning Hendrik | Wat voor schatten, oom? |
| Exeter | Kaatsballen, mijn vorst. |
| Koning Hendrik | Wat zijn wij blij toch met zo’n leuke grap; dank voor uw moeite en voor zijn geschenk: als we die ballen slaan met ons palet, spelen we, als God wil, in Frankrijk een partij waarbij zijn vaders kroon te winnen valt. Hij heeft een tegenspeler uitgedaagd, die alle Franse banen zal doen dreunen met punten. En we begrijpen, dat hij ons onze wilde tijd in het gezicht gooit; maar het nut dat ik er uit trok meet hij niet. Die arme troon van Engeland zei ons niets; ik leefde er dus ver vandaan, en gaf mij over aan wilde woestheid; zo gaat het altijd, ver van zijn huis vermaakt men zich het best. Zeg de Dauphin, dat ik mijn staat bewaar, mijn majesteit, mijn machtige grootheid toon als ik mijn troon van Frankrijk straks bestijg: daarom legde ik mijn waardigheid ter zij en ploeterde als een werkman door de week. Maar daar zal ik opkomen met zoveel glans, dat ik elk Frans oog totaal verbijsteren zal ja zelfs de Dauphin, die ons ziet, verblind. Vertel die leuke kroonprins dat zijn spot zijn ballen stenen kogels heeft gemaakt; de niets ontziende wraak die met hen vliegt laadt zijn ziel zwaar met schuld; die spot van hem spot duizend weduwen van hun lieve man; spot moeders van hun zoon; spot burchten neer; menig onverwekte, ongeboren zoon vervloekt ooit eens de Dauphin met zijn hoon. Maar dit ligt helemaal in de hand van God, op wie ik mij beroep; zeg de Dauphin, dat ik, in Zijn naam, mij te wreken kom, zoals ik kan, en mijn gerechte hand te verheffen voor een heilige zaak. Ga maar in vrede; en zeg de Dauphin, dat zijn grap, als niemand lacht, flauw zal smaken, - als duizenden ervan aan het huilen raken. Geef hun een vrijgeleide. - Goede reis. |
| De gezanten af | |
| Exeter | Een fraaie boodschap, zeg. |
| Koning Hendrik | Te hopen, dat wie haar zendt flink blozen zal. Daarom, mylords, geen gunstig uur verzuimd, dat onze veldtocht helpen zal te slagen; denken doen wij alleen nog maar aan Frankrijk, en aan God, die voor onze zaken gaat. Laat dus de krijgsmacht voor die oorlog snel bijeenbrengen, en al het denkbare dat met wijze spoed nog meer veren toevoegt aan onze vleugels; bij God en kruis, wij doen die kroonprins boeten bij hem thuis. Laat iedereen daarom aan het denken slaan, hoe wij dit fraais het best uitvoeren gaan. |
|
Allen af. Trompetgeschal | |