| Koning Hendrik 6 III
king henry 6 III vertaling Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste bedrijf Eerste toneel - Londen.Het parlementsgebouw Trompetsignaal ten strijde. De Hertog van York op, Edward, Richard, Norfolk Falconbridge, Warwick en soldaten, met witte rozen op hun hoeden gestoken | |
| Warwick | Hoe kan de koning ons toch zijn ontsnapt? |
| York | Toen wij ruiters uit het noorden achtervolgden,
liet hij zijn mannen achter en sloop stil weg: waarop de grote Lord Northumberland, wiens krijgsoren nooit tegen terugtocht konden, het matte leger opkrikte; hijzelf, Lord Clifford en Lord Stafford, op één lijn, stormden door onze eerste rij, en daar heeft het zwaard van gewoon krijgsvolk hen gedood. |
| Edward | Lord Staffords vader, de Hertog Buckingham,
is of gesneuveld, of ernstig gewond; ik spleet hem met een felle houw het vizier: en dat het waar is, vader: hier is zijn bloed. |
| Falconbridge | Dit is Graaf Wiltshires eigen bloed hier, broer,
met wie ik bij het treffen van de legers vocht. |
| Richard | Spreek jij voor mij, en meld hun wat ik deed.
Hij gooit het hoofd van de Hertog van Somerset op de grond |
| York | Richard verdient de prijs vóór al mijn zoons.
Maar, bent u dood, Mylord van Somerset? |
| Norfolk | Dat treft de hele lijn van John of Gaunt! |
| Richard | Zo hoop ik Koning Hendriks hoofd te schudden. |
| Warwick | En ik ook. Zegerijke Prins van York,
voordat ik jou op die troon zitten zie die het huis van Lancaster nu heeft geroofd, zal ik nooit, bij God, mijn ogen sluiten gaan. Dit is het paleis van de angstige vorst, en dit de koningsstoel: neem hem, mijn York; want hij is van jou, niet van Hendriks geslacht. |
| York | Dan help me, beste Warwick, en ik zal;
wij zijn hier ingebroken met geweld. |
| Norfolk | Wij helpen u daarbij; wie wegvlucht, sterft. |
| York | Dank, waarde Norfolk. Blijf bij mij, mijn lords;
soldaten, blijf, slaap hier rond mij vannacht. Men gaat verder het toneel op |
| Warwick | En als de Koning komt, dan niet terugslaan,
tenzij hij jullie met geweld verdrijft. |
| York | De koningin houdt Parlement vandaag,
maar weet niet dat wij mee vergaderen gaan: met woord of klappen winnen we hier ons recht. |
| Richard | Laat on, gewapend, dit huis gaan bezetten. |
| Warwick | Dan heet dit voortaan het bloedig Parlement,
tenzij Plantagenet koning wordt, York, dus, en bangerik Hendrik afgezet wordt, Wiens lafheid ons tot spot maakt bij de vijand. |
| York | Dan, vastberaden, Lords, en blijf bij mij;
ik wil bezit gaan nemen van mijn recht. |
| Warwick | Noch koning Hendrik, noch zijn beste vriend,
& steun van Lancaster, durft een veer bewegen, als Warwick zijn belletjes rinkelen laat. Ik plant Plantagenet: rooi hem wie durft! Neem een besluit, Richard; eis Engelands kroon. Trompetgeschal Koning Hendrik op, Clifford, Northumberland, Westmoreland, Exeter, en de rest, met rode rozen op hun hoed |
| Koning Hendrik | Zie die koppige oproerling nou eens,
hij zit op de troon van het rijk. Het lijkt of hij, met de steun van Warwick, die valse pair, naar de kroon streeft, als vorst regeren wil. Jouw vader doodde hij, Northumberland, en die van jouw, Clifford; jullie zwoeren wraak, op hem, zijn zonen, gunstelingen en vrienden. |
| Northumberland | Zo niet, dan wreek u maar op mij, hemel. |
| Clifford | Het is om die hoop, dat Clifford rouwt in staal. |
| Westmoreland | En moeten wij dit dulden? Haal hem neer:
mijn hart vlamt van woede; ik verdraag dit niet. |
| Koning Hendrik | Geduld, mijn beste Graaf van Westmoreland. |
| Clifford | Dat is iets voor luie lafaards, zoals hij:
hij zou het niet durven, leefde uw vader nog. Mylord, laat ons hier in het Parlement een aanval doen op het geslacht van York. |
| Northumberland | Heel goed gesproken, neef.- zo moet het zijn. |
| Koning Hendrik | Weet u niet dat de stad achter hen staat,
en dat er troepen op afroep klaar staan? |
| Exeter | Maar als de Hertog valt, dan vlucht men snel. |
| Koning Hendrik | Wel, ver van Hendriks hart blijft de gedachte,
een slachthuis te maken van het parlement. Neef Exeter, berisping, dreiging, woord, is de oorlog die Hendrik gebruiken wil. Oproerige Hertog York, van mijn troon af, kniel om genade en gunst hier aan mijn voet; ik ben jouw soeverein. |
| York | Ik die van jou. |
| Exeter | Er af- hij maakte jou Hertog van York. |
| York | Dat had ik geërfd, zoals het graafschap ooit. |
| Exeter | Jouw vader brak zijn woord jegens de kroon. |
| Warwick | Jij, Exeter, breekt woord jegens de kroon,
doordat je usurpator Hendrik volgt. |
| Clifford | Wie moet hij volgen dan zijn ware vorst? |
| Warwick | Juist, Clifford: dat is Richard, de Hertog York. |
| Koning Hendrik | En moet ik staan, met jou daar op mijn troon? |
| York | Zo moet en zal het: blijf dus maar wat kalm. |
| Warwick | Wees Hertog Lancaster; en hij de Koning. |
| Westmoreland | Hij is Koning, én Hertog Lancaster;
dat zal Heer Westmoreland bevestigen. |
| Warwick | En Warwick vast ontkennen. U vergeet,
dat wij het zijn die u van het slagveld jaagden, uw vaders doodden, en met vlaggen hoog door de stad trokken, richting het paleis. |
| Northumberland | Het doet nog pijn, Warwick, als ik daaraan denk;
en jij zult het berouwen, met jouw huis. |
| Westmoreland | Meer levens neem ik nog, Plantagenet,
van jou, je zonen, vrienden en verwanten, dan in mijn vaders aderen druppels bloed. |
| Clifford | Dring niet meer aan; of, Warwick, ik stuur je straks,
in plaats van woorden, een bode die zijn dood, nog voordat ik iets doen ga, wreken zal. |
| Warwick | Dat stomme dreigen, Clifford, doet mij niets. |
| York | Moeten we u ons troonrecht hier aantonen?
Of spreken onze zwaarden straks op het veld? |
| Koning Hendrik | Welke recht heb jij, verrader, op de kroon?
Jouw vader was, als jij, de Hertog van York. Zijn vader, Roger Mortimer, Graaf March. Ik ben de zoon van Hendrik de Vijfde, die de Dauphin en de Fransen deed buigen, hun steden en landen veroverd heeft. |
| Warwick | Spreek niet van Frankrijk, dat je hebt verloren. |
| Koning Hendrik | Dat was de Lord Protector, en niet ik:
ik was negen maanden toen ik werd gekroond. |
| Richard | U bent nu oud genoeg, en verliest toch.
Ontruk hem, vader, die geroofde kroon. |
| Edward | O, lieve vader, ja: zet die op uw hoofd. |
| Falconbridge | Broer, die de wapens eert en mag, laat ons
het uitvechten en niet zo blijven drammen. |
| Richard | Roer, trom, trompetten, schal, dan vlucht de vorst. |
| York | Stil, zonen!
Northumberland Jij, stil: en laat de koning aan het woord. |
| Warwick | Plantagenet spreekt eerst: dus, luister, lords;
goed opletten, en weest u allen stil, wie in de rede valt die leeft et meer. |
| Koning Hendrik | Plantagenet, waarom wil jij mij weg?
Zijn wij niet allebei Plantagenets, geboren uit twee broers, in rechte lijn? Al was jij koning volgens recht en wet, zou ik dan mijn koningstroon verlaten, denk je, waarop mijn grootvader, mijn vader zat? Nee: eer nog ontvolkt krijg dit rijk van mij; ja, zullen hun vaandels, hoog in Frankrijk, - en nu in Engeland, tot ons hartenleed, mijn lijdwade zijn. Wat schrikt u daar, lords? Mijn aanspraak is sterker dan die van hem. |
| Warwick | Bewijs dat dan, Hendrik, en koning ben je. |
| Koning Hendrik | Hendrik de Vierde heeft de kroon veroverd. |
| York | Maar wel door een opstand tegen zijn koning. |
| Koning Hendrik | [Terzijde] Wat moet ik zeggen: mijn aanspraak is zwak.
Een vorst mag toch een erfgenaam benoemen? |
| York | En dan? |
| Koning Hendrik | Als hij dat mag, dan ben ik een wettig vorst;
want Richard heeft, in het bijzijn van veel lords, aan Hendrik Vier zijn kroon ooit afgestaan; die liet hij aan mijn vader, deze aan mij. |
| York | Tegen zijn soeverein kwam hij in opstand:
die moest zijn kroon afgeven onder dwang. |
| Warwick | En stel, mylords, dat hij het vrijwillig deed,
werkt dat dan negatief uit op zijn kroon. |
| Exeter | Niet echt, want afstand doen betekent niet
dat niet de volgende in lijn regeert. |
| Koning Hendrik | Ben jij soms tegen ons, Graaf Exeter? |
| Exeter | Hij is in zijn recht, neem mij niet kwalijk, heer. |
| York | Wat fluistert u, mylords, en antwoordt niet? |
| Exeter | Hij is een wettig vorst, zegt mijn geweten. |
| Koning Hendrik | [Terzijde] Elk keert zich van mij, en wendt zich naar hem. |
| Northumberland | Plantagenet, wat je ook als gronden noemt,
denk niet dat Hendrik zo wordt afgezet. |
| Warwick | Maar afzetting zal volgen, hoe dan ook. |
| Northumberland | Je ziet het fout: zelfs niet jouw macht in het zuiden,
in Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent, die jou zo trots en overmoedig maakt, krijgt de Hertog op de troon als ik niet wil. |
| Clifford | Of je nu sterk staat, Koning, of heel zwak,
Lord Clifford zweert dat hij voor jou zal vechten: gapen mag de aarde en mij levend verslinden, waar ik kniel voor mijn vaders moordenaar. |
| Koning Hendrik | O, Clifford, jouw woorden sterken mijn hart. |
| York | Hendrik van Lancaster, leg neer jouw kroon.
Wat mompelt u, heren, wat heeft u voor? |
| Warwick | Stel vorst en hertog York nu in zijn recht,
of ik vul het huis hier met een legermacht, en boven deze praalstoel waar hij zit schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed. Hij stampvoet en er verschijnen soldaten |
| Koning Hendrik | Mylord van Warwick, nog één enkel woord:
laat mij het koningschap zolang ik leef. |
| York | Bekrachtig mij en mijn erven deze kroon,
en je regeert in rust zolang je leeft. |
| Koning Hendrik | Haal de soldaten weg, dan doe ik dat. |
| Warwick | Begeleid hen, kapitein, naar Tuthill Fields.Soldaten af |
| Koning Hendrik | Zo is het goed: Richard Plantagenet,
na mijn dood is het koninkrijk van jou. |
| Clifford | Hoe fout is dit jegens de Prins, uw zoon. |
| Warwick | Hoe goed is dit jegens hemzelf en Engeland. |
| Westmoreland | O moedeloze, bange en laffe Hendrik. |
| Clifford | Wat raak je daar jezelf in het hart, en ons. |
| Westmoreland | Ik blijf niet om de voorwaarden te horen, |
| Northumberland | Ik ook niet. |
| Clifford | Kom, neef, dit melden we de koningin. |
| Westmoreland | Vaarwel, zwakmoedige, ontaarde vorst,
wiens koud bloed niet één vonkje eer meer heeft.Af |
| Northumberland | Word maar een prooidier voor het huis van York,
en sterf in boeien voor die laffe daad.Af |
| Clifford | Word overwonnen in de bange krijg,
of leef in vree, verlaten en veracht.Af |
| Warwick | Wend u hierheen, Hendrik, let niet op hen. |
| Exeter | Zij zoeken wraak, en geven dus niet toe. |
| Koning Hendrik | Ach! Exeter. |
| Warwick | Waarom zo zuchten, heer? |
| Koning Hendrik | Niet om mijzelf, Lord Warwick, maar mijn zoon,
die ik tegen de natuur onterven moet. Maar het zij zoals het is: [Tot York] ik vermaak hierbij jou en je erven voor altijd de kroon; onder het beding, dat jij een eed hier spreekt de burgerkrijg te staken en mij steeds te eren als jouw soeverein en vorst; en niet door vijandschap of door verraad te streven naar mijn val, en zelf te heersen. |
| York | Die eed spreek ik graag en zal ik uitvoeren.Hij komt van de troon af |
| Warwick | Lang leve Koning Hendrik; Plantagenet, omhels hem. |
| Koning Hendrik | Lang leve ook jij en al jouw kloeke zonen. |
| York | Dan zijn nu York en Lancaster verzoend. |
| Exeter | Vervloekt wie hen tot vijanden wil maken!
Trompetsignaal voor het vertrek van een groep. Men komt van zijn zetel af |
| York | Vaarwel, genadig heer; ik groet u zeer,
want ik vertrek naar Wakefield, mijn kasteel.Af, met zijn zonen |
| Warwick | En ik ga Londen met mijn macht bezetten.Af, met zijn soldaten |
| Norfolk | En ik ga naar Norfolk terug met mijn volgers.Af, met zijn volgers |
| Falconbridge | En ik ga naar zee waar ik vandaan kwam.Af |
| Koning Hendrik | En ik met smart en leed terug naar het hof.Af
Koningin Margaret op, met de Prins van Wales |
| Exeter | Hier is de vorstin: haar blik verraadt haar toom:
ik ga maar stil weg. |
| Koning Hendrik | Maar ik ook, Exeter. |
| Koningin Margaret | Niet weg gaan, ho; ik kom achter je aan. |
| Koning Hendrik | Niet boos zijn, lieve Koningin, ik blijf al. |
| Koningin Margaret | Wie blijft er rustig bij zo'n heftig leed?
Jij, ongeluk, was ik maar als meisje dood, had ik jou maar nooit gezien, geen zoon gebaard, nu jij zo'n onnatuurlijk vader blijkt. Heeft hij het verdiend, zo het erfrecht te verliezen? Had hem maar half zoveel bemind als ik, de pijn gevoeld zoals ik één keer voor hem, of hem gevoed als ik ooit met mijn bloed, gelaten had jij daar jouw liefste eer dan deze woesteling jouw erfgenaam en je eigen, enige zoon onterfd te maken. |
| Kroonprins | U kunt mij toch niet zo onterven, vader?
Bent u koning, dan volg ik u toch op? |
| Koning Hendrik | Vergeef me, Margaret; vergeef me, zoon:
maar Warwick en de Hertog dwongen mij. |
| Koningin Margaret | Dwongen jou? Ben jij Koning, en dwingt men jou?
Ik schaam me als ik jou zo hoor. Jij, bange sul, je haalt jezelf zo neer, je zoon, en mij: je geeft het huis York zoveel teugel nu, dat jij regeren zult wat het jou laat. Hem en zijn erven de kroon te vermaken is zonder meer je eigen graf graven en daarin diep wegkruipen vóór je tijd. Warwick is hier baas, Salisbury van Calais; de bitse Falconbridge beheerst het kanaal; de Hertog wordt Protector van het rijk; en ben jij dan veilig? Zo'n veiligheid vindt het bevend lammetje, omringd door wolven. Was ik, een zwakke vrouw, erbij geweest, dan was ik eer opgespietst door de soldaten, dan dat ik met die wet had ingestemd; maar jij vindt leven meer waard dan jouw eer: nu ik dat merk, Hendrik, scheid ik hierbij van jou van tafel en van bed, totdat de wet van het parlement herroepen wordt die mijn zoon uit zijn erfdeel heeft ontzet. De Lords uit het noorden die jouw vlag verlieten volgen de mijne, als die is ontvouwd; en ontvouwd wordt die, tot jouw bittere smaad en totale neergang van het huis York. En zo verlaat ik je. Kom, zoon, we gaan; ons leger staat klaar; kom, er achteraan. |
| Koning Hendrik | Blijf, lieve Margaret, en hoor wat ik zeg. |
| Koningin Margaret | Je hebt al te veel gezegd: verdwijn nou maar. |
| Koning Hendrik | Mijn lieve Edward, wil jij bij mij blijven. |
| Koningin Margaret | Ja, dat zijn vijand hem vermoorden kan. |
| Kroonprins | Als ik zegevierend uit de oorlog kom,
dan kom ik naar u: tot zolang volg ik haar. |
| Koningin Margaret | Kom, zoon, en snel; nu geen getreuzel meer. Koningin Margaret af, en de Kroonprins |
| Koning Hendrik | Die arme vrouw! Hoe brak liefde voor mij
en haar zoon haar tot die uitzinnigheid, Moge zij zich wreken op die boze Hertog, wiens hoogmoed, bevleugeld door hebzucht, mij nog de kroon kost, - als een hongerig adelaar schrokkend mijn vlees weghakt en van mijn zoon. Het verlies van die drie heren raakt mijn hart: ik zal ze schrijven en hen goed behandelen. Kom, beste neef; u moet mijn bode zijn. |
| Exeter | En ik hoop, dat ik allen verzoenen kan.Trompetgeschal. Allen af
Tweede toneel - Het Slot Sandal Edward op, Richard en Montague |
| Richard | Al ben ik de jongste, laat mij even, broer. |
| Edward | Nee, nee, ik ben de beste redenaar. |
| Montague | Maar ik heb redenen van gewicht en kracht.
De Hertog van York op |
| York | Wat is er nu, zonen en broer! Aan het vechten?
Waar gaat het om? Wat was de aanleiding? |
| Edward | Nee, geen gevecht, maar een onenigheid. |
| York | Waarover dan? |
| Richard | Over iets dat u aangaat, vader, èn ons:
de kroon van Engeland, die u behoort. |
| York | Mij, jongen? Pas na Koning Hendriks dood. |
| Richard | Uw recht hangt niet af van zijn leven of dood. |
| Edward | Nu hebt u erfrecht, dus neem dat toch nu:
als u het Huis Lancaster bekomen laat, ontsnapt het u nog, vader, op het laatst. |
| York | Hij zou in rust regeren, was mijn eed. |
| Edward | Een eed mag men best breken voor een kroon:
voor één jaartje regeren brak ik er duizend. |
| Richard | Verhoede God dat u één eed maar breekt. |
| York | Dat ga ik doen, als ik naar de wapens grijp. |
| Richard | Ik bewijs het tegendeel als u wilt luisteren. |
| York | Dat kun je niet, zoon; dat is onmogelijk. |
| Richard | Een eed is zonder kracht, wanneer hij niet
voor een wettig magistraat is afgelegd die in gezag staat boven hem die zweert. Hendrik heeft al het gezag van hem geroofd; en waar hij het was die u de eed afnam is uw eed nietig, heer, en waardeloos. Daarom, te wapen! Vader, denk toch eens hoe zoet het is een kroon te mogen dragen, boe er in zijn omtrek een Elysium is en vreugd en heil waar de poëet van zingt. Wat treuzelen wij nog? Ik heb geen rust vóór ik de witte roos die ik draag rood kleur in het lauwe bloed van Koning Hendriks hart. |
| York | Genoeg, Richard; ik word koning, of sterf.
Ga jij onmiddellijk naar Londen, broer, maak Warwick warm voor deze onderneming. Breng jij, Richard, direct de Hertog Norfólk van onze plannen heimelijk op de hoogte. U, Edward, moet naar Edmund Brooke Lord Cobham, met wie het Kent-volk graag in opstand komt: dat zijn soldaten, ik vertrouw op ben, slim, hoffelijk, voorkomend, spits van geest. Terwijl jullie dat doen, moet ik toch echt een plan voor het oproer gaan bedenken, zo, dat de koning niets vermoedt van mijn plan, en niemand van het Huis van Lancaster. Een bode op Maar stil, - wat is er? En waarom zo'n haast? |
| Bode | De Koningin wil met haar Noorderlords
u hier belegeren in uw kasteel. Ze is vlakbij met twintigduizend man; versterk daarom uw vesting goed, mylord. |
| York | Ja, met mijn zwaard. Denk jij dat wij soms bang zijn?
Edward en Richard, jullie moet hier blijven; en mijn broer Montague moet snel naar Londen. Laat de edele Warwick, Cobham en de rest, die als protectors bij de koning bleven, zich sterk maken met krachtig staatsbeleid, en geen eed van stomme Hendrik vertrouwen. |
| Montague | Ik ga al, broer; ik haal ze over, echt:
dan ga ik, en neem dienstwillig afscheid, heer.Af Sir John op en Sir Hugh Mortimer |
| York | Mijn ooms, Sir John en Sir Hugh Mortimer,
u komt precies op tijd in Sandal aan; de Koningin wil ons belegeren. |
| Sir John | Dat hoeft ze niet; we zien haar op het slagveld. |
| York | Wat, met vijfduizend man! |
| Richard | Ja, vader, desnoods met vijfhonderd man.
Een vrouw als generaal: wij zijn niet bang.Een mars in de verte |
| Edward | Hun trom! Nu vlug ons volk in slagorde,
dan uitrukken en hun gevraagd ten strijd. |
| York | Vijf tegen twintig! Ondanks de overmacht,
halen wij vast de overwinning, ooms. In Frankrijk heb ik menige slag gewonnen, waarin de vijand tien was tegen één: waarom niet hier een even groot succes?Allen af Derde toneel - Het slagveld tussen het Slot Sandal en Wakefield Krijgsrumoer. Rutland op en zijn Leermeester |
| Rutland | Waarheen gevlucht dat ik hun uit handen blijf?
Daar komt, meester, de bloedige Clifford aan! Clifford op, en een soldaat |
| Clifford | Weg, kapelaan! Jouw stand redt jou je leven.
Dat knulletje van de vervloekte hertog, wiens vader die van mij doodde, moet sterven. |
| Leermeester | En ik, mylord, ga daarin met hem mee. |
| Clifford | Soldaten, weg met hem. |
| Leermeester | Clifford, vermoord het onschuldig kind toch niet,
en maak je niet gehaat bij God en mens.Af, weggesleurd door de soldaten |
| Clifford | Wat nu! Is hij al dood? Of is het angst,
dat hij de ogen sluit? Ik open ze. |
| Rutland | Zo kijkt de leeuw, eindelijk uit zijn kooi,
naar het arme beest dat beeft onder zijn grijpklauw; en zo loopt hij, triomfantelijk om zijn prooi, en zo komt hij en rukt die uit elkaar. O, lieve Clifford, dood mij met je zwaard, en niet met zulk een wrede blik vol dreiging. Mijn beste Clifford, luister, vóór ik sterf: ik ben nog veel te klein voor al jouw wraak; wreek je op mannen, en laat mij in leven. |
| Clifford | Je praat vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed
stopt de ingang waar je woorden binnen moesten. |
| Rutland | Laat hem weer openen door mijn vaders bloed:
hij is een man, Clifford, dus vecht met hem. |
| Clifford | Al had ik je broers, dan was hun leven erbij
voor mij nog absoluut geen wraak genoeg; nee, ook al groef ik je voorvaders op en hing hun rotte kisten op in ketens: dat kon mijn toorn niet stillen, mijn hart sussen. Het zien al van wie ook van het Huis York is als een furie die mijn ziel verscheurt; en tot ik het vervloekt geslacht heb uitgeroeid en geen nog levend laat, leef ik in de hel. Daarom -Hij heft zijn hand op |
| Rutland | O, laat mij bidden voor de dood mij treft.
Ik smeek je, Clifford lief, heb medelij. |
| Clifford | Net zoveel meelij als mijn zwaardpunt laat. |
| Rutland | Ik heb jou nooit iets gedaan? Wat dood je mij? |
| Clifford | Je vader wel. |
| Rutland | Lang voor ik geboren was.
Jij hebt één zoon; heb meelijden om hem, dat hij niet - want God is gerecht - uit wraak net zo ellendig wordt gedood als ik. 0, laat mij levenslang gevangen zijn, en geef ik ooit reden tot ergernis. dan mag ik sterven, nu heb je geen grond. |
| Clifford | Jouw vader doodde die van mij: dus, sterf. Hij doorsteekt hem |
| Rutland | Di Faciant laudis summa sit ista tuae! |
| Clifford | Plantagenet, ik kom, Plantagenet!
En dit, je zoons bloed, dat kleeft aan mijn kling, zal roesten op mijn wapen, tot jouw bloed, hier mee gestold, mij het samen wissen laat.Af Vierde toneel - Dezelfde plaats Krijgsrumoer. Richard, de Hertog van York, op |
| York | De slag is gewonnen door de Koningin
om mij te redden viel elk van mijn ooms; de felle vijand joeg mijn volgers terug, en die vluchtten, als schepen voor de wind, als lammeren voor de uitgehongerde wolf. Hoe het mijn zoons vergaan is, weet slechts God: dit weet ik wel: als mannen waren zij, tot roem geboren in leven of in dood. Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij, riep driemaal: 'Moed, vader! Doorvechten maar!' En even vaak kwam Edward aan mijn zij, met purperen kromzwaard, tot het gevest gekleurd in het bloed van wie zijn pad hadden gekruist: en als de hardste strijders terugweken, riep Richard steeds: 'Val aan! Geen stap terug!' en Edward: 'Een kroon, of een roemrijk graf! Een scepter, of begraven in de aard!' Toen vielen wij hen opnieuw aan. Maar, ach! We weken weer: zoals ik ooit een zwaan vergeefs tegen het tij in zwemmen zag, haar kracht verspillend tegen overmacht. Kort strijdrumoer achter Daar komt men met mijn noodlot achter me aan, ik kan niet vluchten voor hun toorn, ik ben zwak; was ik sterk, dan ging ik hun toorn niet uit de weg. Het zand is geteld, mijn leven loopt op het eind; hier moet ik blijven, hier is mijn leven uit. Koningin Margaret op, Clifford, Northumberland, de jonge Kroonprins, en soldaten Kom, bloed-Clifford, wrede Northumberland, jullie onlesbare toorn blaas ik aan tot meer: hier is jullie doelwit, ik wacht jullie schot. |
| Northumberland | Buig u voor onze genade, trotse York. |
| Clifford | Genade, ja, zoals ooit eens zijn arm
meedogenloos afrekende met mijn vader. Nu is Faëton uit zijn kar gestort, en maakte het avond op het middaguur. |
| York | Als Phoenix brengt mijn as een vogel voort
die zich ooit wreekt op jullie allemaal; en met die hoop sla ik mijn blik ten hemel, en lach om alles wat u mij kunt aandoen. Waar blijft u nou? Wat? Met zo velen, en angst? |
| Clifford | Zo vecht de lafaard, in een hoek gedreven;
zo pikt de duif de valk zijn scherpe klauw; zo scheldt de dief naar de gerechtsdienaar, met alle hoop op leven geheel voorbij. |
| York | O, Clifford, denk een ogenblik terug,
en haal mijn vroegere tijd eens voor de geest; en kijk mij aan, als jou de schaamte laat, en bijt je tong die hem als laf zwart maakt wiens dreigblik jou ooit sidderend vluchten deed. |
| Clifford | Ik ga met jou geen woorden wisselen,
maar klappen geef ik je tweemaal twee op een.Hij trekt zijn zwaard |
| Koningin Margaret | Stop, dappere Clifford; om wel duizend redenen
wil ik even het leven rekken van de schurk. Toorn maakt hem doof: spreek toch, Northumberland. |
| Northumberland | Stop, Clifford! Prik jij je vinger - al is het
voor zijn hart -, dan was hem dat teveel eer. Is het soms dapper, bij een hond die grauwt zijn hand zo tussen zijn tanden te steken, als je hem weg kunt schoppen met je voet? Het recht in krijg is, benut elke kans; tien tegen een is geen verwijt van moed. Men noemt York gevangen, die zich verzet |
| Clifford | Ja, ja, zo strijdt de houtsnip met de strik. |
| Northumberland | Zo trappelt het konijntje in het net. |
| York | Zo glimt de dief over zijn gewonnen buit;
zwicht de eerlijke voor roverovermacht. |
| Northumberland | Wat wenst uw Hoogheid dat wij met hem doen? |
| Koningin Margaret | Mijn strijders, Clifford en Northumberland,
laat hem nu staan op deze molshoop die met uitgestrekte arm naar bergen reikte, maar met zijn hand alleen de schaduw spleet. U was het toch, die Engelands vorst wou zijn? Die uw relschoppers het Parlement in bracht en van uw hoge afkomst preken ging? Waar zijn uw vier zoons nu om u te steunen -de speelse Edward en de aardige George? En waar is dat dappere, kromme wangedrocht, Dicky, uw zoon, die met zijn klaaggeluid zijn pa bij oproer altijd aanzette. Waar is uw lieveling Rutland met de rest? Kijk, York: ik doopte deze doek in het bloed dat dappere Clifford met zijn rapierpunt liet stromen uit uw lieve zoon zijn borst; als jij nog huilen kan nu om zijn dood, dan neem die en droog er je wangen mee. Ach, arme York! Het is dat ik je dodelijk haat, anders zou ik huilen om jouw vreselijk lot. Ach, huil eens wat, dat vind ik heel leuk, York. Heeft het vurig hart jouw binnenst zo verdroogd, dat er geen traan valt voor Rutland zijn dood? Waarom zo kalm nog? Jij moest razend zijn; en om je gek te maken spot ik zo. Stamp, raas en scheld, dat ik zinge en dans. O, om mij te vermaken, wil jij geld; York kan niets zeggen, voor hij een kroon heeft. Een kroon voor York! Heren, buig laag voor hem: Zijn handen vast, dan zet ik hem de kroon op.Ze zet hem een papieren kroon op het hoofd Nou, man, dat ziet er pas als koning uit! Hij was het die Koning Hendriks zetel nam. En hij is het die zijn erfgenaam zou zijn. Hoe kan deze grote Plantagenet gekroond zijn - hij zijn plechtige eed verbrak. U zou toch pas de koning zijn, dacht ik, als Hendrik de hand geschud had van de Dood. Wilt u uw hoofd in Hendriks glorie steken, zijn slapen de diadeem ontstelen, tegen uw heilige eed in, nu hij nog leeft. O, welk een zwaar, onvergeeflijk vergrijp! Die kroon eraf, en met die kroon, zijn hoofd; en, in één zucht, die nek van hem gekloofd. |
| Clifford | Vanwege mijn vader is dat mijn taak. |
| Koningin Margaret | Stop even: ‘ns horen wat hij bidden gaat. |
| York | Jij, Frans wolvin, slechter dan Franse wolven,
met meer gif in je tong dan een addertand! Hoe slecht staat het jouw sekse, schaamteloos te gniffelen als een Amazone strijdster over het leed van wie het Lot bevangt. Was je gezicht niet als een masker, vlak, gevoelloos door het voortdurende kwaad, dan zou ik jou graag doen blozen, trotse vrouw. Als ik van jouw afkomst sprak en waarvandaan, dan schaamde je je om die schande, als je schaam had. Jouw vader draagt als titel Vorst van Napels, van twee Siciliën en Jeruzalem, maar is armer dan een Engels vrije boer. Heeft die arme vorst jou minachten geleerd? Dat helpt niet, werkt niet, trotse koningin; Tenzij het gezegde hier moet waargemaakt: de schooier jaagt zijn paard altijd de dood in. Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak heel trots; maar hoe weinig je daarvan hebt, weet God. Het meest bewondert men hun deugdzaamheid; bij jou verbaast men zich om het tegendeel. Betamelijkheid maakt vrouwen goddelijk; dat mis jij, wat jou afschuwwekkend maakt. Jij bent zo het tegendeel van alle goeds als dat voor ons de Antipoden zijn, of als het zuiden voor de Grote Beer. O, tijgerhart, gehuld in vrouwenhuid! Hoe kon jij het levensbloed tappen van het kind, dat vader de ogen daarmee afveegde, en toch voor ons eruitzien als een vrouw? Vrouwen zijn zacht, week, plooibaar, vol gevoel; jij, stug, verstokt, ruw, hard, meedogenloos. Wou jij dat ik fel werd? Nou, je hebt je zin. Wou jij dat ik huilde? Nou, je hebt wat je wou. De wind die raast blaast steeds weer buien op, en als de storm luwt, vangt de regen aan. Mijn tranen dienen mijn Rutland tot rouw, elke druppel schreeuwt om wraak voor zijn dood, jij, felle Clifford, jij, valse Française. |
| Northumberland | Verdomd, zijn jammeren ontroert mij zo,
dat ik mijn ogen haast niet droog kan houden. |
| York | Geen hongerig kannibaal zou zijn gezicht
hebben aangeraakt, met bloed hebben besmeurd; maar jullie zijn meer onmens, onverbiddelijk - ja, tien keer meer - dan tijgers uit Hyrcania. Zie, harde vrouw, de trieste vadertranen. Jij doopte deze doek in mijn zoons bloed, en ik was met mijn tranen het bloed weg. Hou deze zakdoek maar, en pronk ermee; en als je het triest verhaal correct vertelt, bij God, wie het hoort zal vast dan tranen storten; ja, zelfs mijn haters zullen bitter wenen, en zeggen: ‘Wat een jammerlijke daad!’ Hier, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek; En vind, als jij in nood bent, net zo’n troost als ik nu uit jouw wrede hand verkrijg. Hardvochtige Clifford, neem mij weg van de aard: mijn ziel ten hemel, op jullie mijn bloed. |
| Northumberland | Al had hij heel mijn familie afgeslacht,
dan zou ik toch, bij mijn leven, meehuilen, nu ik zie hoe dat zijn ziel van binnen lijdt. |
| Koningin Margaret | Op het punt te huilen, Lord Northumberland?
Denk aan wat hij ons allen heeft aangedaan, dat zal jou, weke, jouw tranen snel drogen. |
| Clifford | Dit voor mijn eed, dit voor mijn vaders dood.Hij doorsteekt hem |
| Koningin Margaret | En dit voor het recht van onze zachte vorst.Zij doorsteekt hem |
| York | Ontsluit de erbarmen-poort, genadig God!
Mijn ziel vliegt door de wonden op zoek naar U.Hij sterft |
| Koningin Margaret | Zijn hoofd eraf! Steek het op de poort van York;
dan kan York kijken over de stad York.Trompetgeschal. Allen af |