| Koning Hendrik 8
king henry 8 vertaling Jan Jonk | |
|---|---|
|
De Proloog Ik speel hier niet meer op de lach; nee, nu zijn het zaken van gewicht, ernstig voor u, serieus, verheven, triest, vol waardigheid; ja, het soort scènes dat tot tranen leidt, dat krijgt u nu. Wie het zielig vindt: laat gaan (als u wellicht daar zin in krijgt) die traan, het onderwerp verdient het. En wie zijn geld het liefst voor iets heel aannemelijks neertelt, vindt hier vast waarheid. Ieder die het spel maar even aanziet en het daarna wel voor gezien houdt, die geef ik voor zijn shilling, mits stil, tot aan het eind spanning en rilling. Rijkelijk, in twee korte uurtjes. Slechts hij die voor een klucht komt, met veel lol erbij, vol klappen op schilden, met een pias in een groene, geel-gebiesde pandjesjas, die komt bedrogen uit: want, mensen, weet, ons spel van waarheid als een narrenkleed of schijngevecht te zien, bagatelliseert ons eigen denkwerk, dat wij gefundeerd als iets echts willen brengen verstomt elk begrip van wie hier luisteren komt. Waar men u daarom in de stad kent als chic, als het beste en als het prettigste publiek, wees serieus, dat willen wij graag. Neem aan, dat de karakters hier echt voor u staan, alsof ze leefden: zie ze eerst als groot, omstuwd door mensenmassa's en vergood door duizend vrienden; zie, in één moment, hoe snel dan grootsheid valt, ellende kent: lacht u dan nog, dan zeg ik dat een man zelfs op zijn bruiloftsdag nog huilen kan. Eerste bedrijf Eerste toneel - Londen. Een zaal aan het hof. De Hertog van Norfolk op door de ene deur. Door de andere, de Hertog van Buckingham en Lord Abergavenny. | |
| Buckingham | Ha, goedemorgen. Hoe gaat het sinds we
elkaar zagen in Frankrijk? |
| Norfolk | Dank u, hoogheid,
gezond, en onvermoeid bewonder ik wat ik daar zag. |
| Buckingham | Een ongelegen koorts
hield mij gevangen in mijn kamer, toen die zonnen van roem, lichtbakens der mensheid, elkaar ontmoetten in het dal van Andren. NorfolkTussen Guynes en Arde; ik zag hoe ze elkaar te paard begroetten, afstegen, en innig in hun omhelzing bijna samengroeiden: was dat gebeurd, hoe wogen vier gekroonden dan op tegen zo'n samengaan? |
| Buckingham | Al die tijd
zat ik vast op mijn kamer. |
| Norfolk | Dan miste u wel
de aanblik van aardse pracht: men kon zeggen: praal, vrijgezel, is nu getrouwd met een veel hoger. Elke dag onderwees steeds die kwam, tot de laatste elk eerder wonder het zijne maakte. Vandaag overstraalden de Fransen, als heidengoden in gouden glans, de Engelsen; en morgen maakten zij Brittannië tot India: iedereen praalde als goud. Hun kleine pages waren gulden cherubijntjes: voorname dames, niet gewend aan werk, zweetten haast onder hun prachtkleding, en zo was hun inspanning als wat rouge. Dit vertoon werd geroemd als weergaloos; maar ja, de nacht daarop maakte het armzalig. De twee koningen, gelijk in luister, waren het best, of het minst, naargelang ze zichtbaar waren: wie men zag, die prees men ook; waren ze er met zijn twee, dan heette het 'als één', en geen die hen zag kwam met wat hij echt vond. Toen het zonnenpaar (want zo noemt men hen) de adel uitdaagde tot het steekspel, zag men daden die men nooit had kunnen denken zodat het oud verhaal nu best mogelijk leek, en er werd geloofd wat Bevis had gedaan. |
| Buckingham | U gaat wel ver! |
| Norfolk | Zo waar ik eerlijk ben, en waarheid min
naar mijn morele plicht: hoe alles liep, raakte, al werd het goed verteld, wat leven kwijt: maar de actie zelf sprak. Alles was loyaal; niets stond op tegen schittering van het geheel, door orde was alles duidelijk daar, ambtenaren werkten correct. |
| Buckingham | Wie stuurde er,
ik bedoel, wie voegde lijf en leden daar van dat groots vermaak tezamen, meent u? |
| Norfolk | Vast iemand die het moet doen zonder ervaring
in dit soort zaken. |
| Buckingham | Maar, wie dan, mylord? |
| Norfolk | Dit alles was geregeld door de zorgen
van de eerwaarde Kardinaal van York. |
| Buckingham | De duivel hale hem: geen mens zijn pan
of hij haalt er zijn heb-vingers door. Wat gaat hem zo'n wild partijtje aan? Waarom moet zo'n vetrol met zijn omvang het licht van de heilzame zon totaal blokkeren en weghouden van de aarde? |
| Norfolk | Nou, vriend,
hij heeft de kwaliteiten voor zoiets; niet met de steun van een voorgeslacht, wier kracht opvolgers de weg toont, ook niet geroepen tot grootse daden voor de kroon, niet verwant aan zeer machtige helpers, maar als een spin, uit zijn zelf-gesponnen web, hoor toch eens, komt al de kracht van zijn verdienste voort, een gave die de hemel hem schenkt, die hem een plaats koopt naast de koning. |
| Abergavenny | Ik weet niet,
wat de hemel hem gegeven heeft, dat moet een serieuzer oog bezien, maar zijn trots zie ik uit heel zijn lijf: waar komt die vandaan? Niet van de hel? Dan is de duivel maar een vrek, of gaf hem alles al, en hij begint in zich een nieuwe hel. |
| Buckingham | Hoe, verduiveld,
vond hij het, bij de Franse veldtocht, zijn taak (zonder medeweten van onze vorst), zijn gevolg te benoemen? Hij maakt zelf een lijst van adel; grotendeels hen die hij een grote som gelds, en weinig eer op wil gaan leggen: en zijn eigen brief, waarbij hij de hoge staatsraad passeert, dwingt de ontvanger tot meedoen. |
| Abergavenny | Ik ken al
minstens drie neven van mij, die daardoor hun vermogen zozeer hebben verzwakt dat het nooit weer wordt als vroeger. |
| Buckingham | Velen, ja,
hebben hun rug gebroken door hun bezit erop te stapelen voor deze reis. Waarom die praal, dan voor een samenkomst die weinig voortbracht? |
| Norfolk | Het doet pijn als ik bedenk,
dat de vrede tussen Frankrijk en ons niet waard is wat hij heeft gekost. |
| Buckingham | En toen
dat noodweer nog volgde, toen kwam de geest over elk, en, zonder enig overleg, profeteerde iedereen dat die storm het kleed van deze vrede scheuren zou, en er een klap voor zou zijn. |
| Norfolk | Wat ook klopte:
Frankrijk brak het verdrag, en legde beslag op alle Engels bezit in Bordeaux. |
| Abergavenny | Kreeg onze gezant daarom huisarrest? |
| Norfolk | Zeker! |
| Abergavenny | Nou, een fraaie vrede, zeg, en gekocht
voor een overdreven prijs. |
| Buckingham | Alles het werk
van onze eerwaarde Kardinaal. |
| Norfolk | De staat,
als ik zo vrij mag zijn, weet van de strijd tussen u en de hem. En ik raad u aan (als u advies wilt van wie u enkel heil en eer toewenst), dat u tegelijkertijd de Kardinaals boosaardigheid beschouwt èn zijn macht; en realiseer u ook, dat wat zijn felle haat bewerken wil, zijn macht echt voor elkaar krijgt. U kent zijn aard, hij is wraakzuchtig, en zijn zwaard, weet ik, is heel scherp - èn lang, en het reikt ook ver, zou men kunnen zeggen: haalt het het niet, dan gooit hij erheen. Hou mijn raad geheim, dat zal u goed bekomen. Daar is de klip die ik u aanraad te omzeilen. Kardinaal Wolsey op; de tas met het rijkszegel draagt men voor hem uit; enkele lijfwachten, twee secretarissen met papieren. De kardinaal kijkt in het voorbijgaan misprijzend naar Buckingham, en Buckingham naar hem. |
| Wolsey | De Hertog Buckinghams rentmeester, niet!?
Waar is zijn verklaring? |
| 1e secretaris | Alstublieft, heer. |
| Wolsey | En is hij ook hier in persoon? |
| 2e secretaris Ja, hoogheid. | |
| Wolsey | Dan horen we wel meer; en Buckingham
zal dan wel een toontje lager kijken.De kardinaal af, met zijn gevolg |
| Buckingham | Die slagershond heeft een gif-muil, en ik
heb de macht hem te korven, dus maar het best hem te laten slapen. Een bedelaarsbuik is meer waard dan nobel bloed. |
| Norfolk | Wat, soms boos?
Vraag God om kalmte, het enige medicijn die uw ziekte nodig heeft. |
| Buckingham | Ik zie in zijn blik
iets tegen mij, en zijn oog wenst mij het liefst verlaagd tot een stuk vuil; nu zet hij mij voor paal; ja, hij is naar de koning toe: ik ga hem aankijken tot hij inbindt. |
| Norfolk | Blijf, heer,
en laat uw rede eerst vragen aan uw toorn waar u aan begint: wie een steile berg opgaat, die moet langzaam beginnen. Woede is als een fel paard, dat als men het lopen laat, eigen kracht uitput: niemand in Engeland geeft zo'n goede raad als u; wees voor uzelf wat u voor uw vriend zou zijn. |
| Buckingham | Naar de koning
ga ik, en met een mond van eer schreeuw ik omlaag die trots van die Ipswich vent; of ik verklaar, dat er geen rangverschil bestaat. |
| Norfolk | Kalm, toch;
stook uw vijand de oven niet zo heet dat die uzelf flink schroeit. Onstuimigheid rent soms heel hard ons eerder doel voorbij, wie schiet, schiet soms wel dóór: als het vuur een vloeistof omhoog brengt en overkookt, verspilt het wat het meer deed lijken. Kom, nogmaals: er is niemand in Engeland die u sterker leiden kan dan uzelf, als u uw vurigheid wilt doven met het sap van het verstand, of slechts wat temperen. |
| Buckingham | Vriend,
ik dank u, en uw voorschrift volg ik graag; maar die super opschepper van een vent (dat zeg ik niet omdat mijn gal overloopt, maar ik meen het ook echt) ken ik als corrupt, en vol verraad, uit een geheime bron en bewijzen klaar als water in juni, met elk steentje zichtbaar. |
| Norfolk | Zeg niet: verraad. |
| Buckingham | Dat zeg ik de koning, en maak dat zo sterk
als een hoge rots: wacht maar. Die vrome vos, of wolf, of allebei (net zo vraatzuchtig als sluw is hij, even geneigd tot kwaad als dat hij het doet), praat - met zijn geest en ambt die elkaar aansteken, ja, echt, wederzijds - de koning, alleen maar dat Frankrijk ziet hoe groots hij is, en wij natuurlijk ook, dit dure verdrag aan; de ceremonie die zulke schatten verslond, en als glas dat brak bij het draaien. |
| Norfolk | Zo was het, heer. |
| Buckingham | Mag ik even, heer: die sluwe kardinaal
stelde de artikelen van het verdrag op zoals hij wou; alles werd bekrachtigd, als hij riep: 'Zo zij het', wat hielp als krukken voor een dode. Onze hof-kardinaal deed het zo, en het is goed; want (de onfeilbare) grote Wolsey deed het. En nu komt dit - wat, zoals ik het zie, een soort puppy is voor de oude teef verraad, -: Keizer Karel komt zogenaamd bij zijn tante op bezoek, de koningin, - een smoesje, want hij wil Wolsey iets toefluisteren; hij is bang dat de ontmoeting tussen Engeland en Frankrijk hem schade berokkenen kan, door hun vriendschap, want er loerde voor hem onheil uit dat verbond: in het geheim maakt hij een deal met de kardinaal, en ik meen (nou, ik wéét het; want de keizer heeft vast betaald vóór hij toezegde, en zijn wens is ingewilligd vóór het verzoek), dat, toen de weg goud-gebaand was, de keizer vroeg, of 's konings pad niet omgebogen kon, en het genoemd verbond verbroken. De vorst moet weten (en dat gauw door mij) dat zo de kardinaal zijn eer koopt en verkoopt, en tot eigen voordeel. |
| Norfolk | Wat spijt het me zeer,
dat van hem te horen; ik zou willen dat het enigszins anders was. |
| Buckingham | Nee, geen letter:
ik beschrijf hem echt zoals hij zal zijn als we het nagaan. Brandon op, voorafgegaan door een wachtmeester en een paar wachten. |
| Brandon | Wachtmeester, ga uw gang, doe uw plicht. |
| Wachtmeester | Heer,
mylord Hertog van Buckingham, en Graaf van Hereford, Stafford en Northampton, ik arresteer je voor hoogverraad, in naam van onze vorst de koning. |
| Buckingham | Kijk, mylord,
het net valt op mij; ik kom zeker om door list en bedrog. |
| Brandon | Wat spijt het mij, heer,
u beroofd te zien van uw vrijheid; ach, dat ik dit moet zien. Zijne hoogheid wil, dat u de Tower in moet. |
| Buckingham | Dan helpt het niets,
dat ik mij onschuldig noem, want ik ben besmeurd, mijn witste deel is zwart. De wil des Hemels geschiede hier, als altijd. Ik gehoorzaam. O mylord Abergavenny, het ga u goed. |
| Brandon | Maar hij gaat met u mee. [Tot Abergavenny] De koning wenst
u mee in de Tower, totdat u weet wat hij verder besluit. |
| Abergavenny | Zoals de Hertog al zei:
's Hemels wil geschiede, en die van de koning dient door mij gehoorzaamd. |
| Brandon | Hier is de volmacht
om Lord Montacute te pakken, en de lijken van de Hertogs biechtvader, John de la Car, en Gilbert Perk, zijn kanselier - |
| Buckingham | Zo, zo;
de leden van het complot: niet méér, hoop ik. |
| Brandon | Nog een Karthuizer. |
| Buckingham | Nicholas Hopkins, soms? |
| Brandon | Ja. |
| Buckingham | Ontrouwe rentmeester! De kardinaal
heeft hem goud getoond; mijn leven is op: ik ben de arme schaduw van Buckingham, wiens vorm nu wolken omhullen, waar ik mijn zonlicht heb verduisterd. Vaarwel, heer.Allen af Tweede toneel - Eveneens Londen. Een raadzaal. Kornetten. Koning Hendrik op, leunend op de schouder van de Kardinaal, de Edelen, en Heer Thomas Lovell; de Kardinaal gaat rechts zitten, aan de voeten van de koning. Een secretaris van de kardinaal staat klaar. |
| Koning | Mijn leven zelf, en het kostbaarste ervan,
dankt u voor deze grote zorg; het doel was ik van scherp geladen samenzweren, en dank u die dat stopte. Roep nu hier die hoofddienaar Buckingham; ik wil zelf hem zijn bekentenissen horen staven, en punt voor punt moet hij hier elk verraad van zijn meester herhalen. Achter het toneel wordt geroepen: 'Plaats voor de Koningin', die binnengebracht wordt door de Hertog van Norfolk. De Koning op, Norfolk en Suffolk; zij knielt. De Koning staat op van zijn troon, doet haar opstaan, kust haar en geeft haar een plaats naast hem. |
| Katherine | Wij moeten langer knielen: ik kom smeken. |
| Koning | Sta op, neem naast ons plaats; half uw verzoek
mag u verzwijgen; onze halve macht hoort u; de andere geef ik vóór u vraagt; zeg wat u wenst, en neem. |
| Katherine | Dank, majesteit;
dat u uzelf liefheeft, en daarin nooit uw eer veronachtzaamt of de waardigheid van uw hoog ambt, dat is waar mijn verzoek op neerkomt. |
| Koning | O, vrouwe mijn, spreek door. |
| Katherine | Nogal wat mensen - en de kwaadsten niet -
wijzen mij erop, dat al uw onderdanen ernstig lijden: belastingaanslagen krijgen zij gestuurd, die hun loyaliteit diep schokken; en, hoewel, heer kardinaal, zij u de bitterste verwijten maken, als degene die deze heffingen heeft opgelegd, ontkomt toch onze heer en vorst - wiens eer de hemel hoede - niet aan hun ruwe taal, zo fel dat die trouw de ribben kraakt, en haast in rebellie lijkt uit te breken. |
| Norfolk | Nee, niet bijna lijkt,
maar het lijkt echt; want na die heffingen kon het lakengilde zijn werkvolk echt niet meer goed onderhouden en moest ze ontslaan, de spinsters, kaarders, vollers, wevers, die, niets anders kunnend, gedreven door honger, zonder ander werk, dat wanhopig nu openlijk aanvechten, in opstand zijn, - met onrust in hun midden. |
| Koning | Heffingen?
Hoe? Wat voor heffingen? Lord Kardinaal, die samen met ons daar de schuld van krijgt, weet u van deze heffingen? |
| Wolsey | Mijn vorst,
ik weet maar van één aandeel in dat wat de hele staat betreft, in lijn vooraan, waar anderen de pas geven. |
| Katherine | Nee, mylord,
u weet niet meer dan anderen; maar u komt wel met dingen die ieder weet, en die, voor wie ze heel verkeerd en onaanvaardbaar zijn, toch moeten worden geaccepteerd. Die lasten (waar hier mijn vorst naar vraagt) zijn al bij het horen verschrikkelijk, wat zal onder die last de rug dan breken bij het dragen; men zegt, dat u ze ooit bedacht hebt, en zo niet, dan treft u teveel smaad. |
| Koning | Almaar lasten:
wat voor dan, laat ons horen wat voor soort belastingen. |
| Katherine | Ik waag teveel, wanneer
ik uw geduld beproef, maar ik durf het toch waar u mij vergeven zult. De klacht van het volk komt door de aanslagen, die van iedereen één zesde opeisen van zijn rijkdommen, en direct; als redenen voert men aan uw oorlogen met Frankrijk; en dit maakt monden vrij, zij spuwen hun plichten uit, in kille harten vriest hun trouw; waar ooit het gebed woonde, leeft nu hun vloek; nu is bereidheid tot gehoorzamen de slaaf van ieders boosheid. Uwe hoogheid moet hier direct iets aan doen; want er is geen kwaad dat meer dient teruggedrongen. |
| Koning | Bij mijn leven,
dit heb ik niet gewild. |
| Wolsey | Wat mij betreft,
al wat ik in deze heb gedaan is slechts er volledig achter staan, en dat alleen met wijze instemming van rechters; maar als de boze tong mij afbreekt die niets weet van mij of mijn macht, en toch de kroniek wil zijn van al wat ik doe, dan, zeg ik, is dat het lot van grootheid en het doornbos waar deugd doorheen moet: breken wij nooit af wat wij vinden dat moet, bang voor lieden met kwaadwillige kritiek, die, als steeds vraatgierige vissen achter een schip aangaan dat pas is uitgerust, met niet meer baat dan hoop zonder hap. Wat wij vaak het best doen, is het werk van anderen, of verkeerd, zegt wie ooit fout was, nu jaloers is; en het slechtste prijst men waar het de grove zinnen streelt als ons grootste werk. Als wij roerloos staan, bang dat er wordt gevit op wat wij doen, dan gaan we ter plekke wel wortel schieten, of zitten als standbeeld. |
| Koning | Wat men goed doet
en met toewijding, ontslaat zich van angst; iets zonder precedenten vreest men hier om wat volgen kan. Heeft u voor die heffing precedenten? Nou, ik geloof, niet één. Scheuren wij ons volk niet los van onze wet, dat wij het daarna binden aan onze wil. Eén zesde! Een verschrikkelijke eis; zo ontnemen we elke boom kruin, schors, het klein hout: de wortel die over is geeft, afgeknot, zijn sappen aan de lucht. Stuur ieder graafschap waar men tegen was een brief van ons, met vrijspraak voor elk die zich tegen de juistheid van deze aanslag verzet heeft: zorg daarvoor; dit vertrouw ik u toe. |
| Wolsey | [Tot de secretaris] Een woord met u.
Zorg dus, dat ieder graafschap een brief krijgt met des konings vrijspraak. Het boze volk gaat tegen mij tekeer: verspreid het gerucht, dat deze herroeping en vrijspraak komt door onze tussenkomst: en u hoort zo, wat er verder nog moet gedaan.De Secretaris af Rentmeester op |
| Katherine | Ik vind het niet leuk dat de Hertog Buckingham
uw ongenoegen heeft gewekt. |
| Koning | Velen ook:
het is een geleerd man, een voortreffelijk spreker, geen dankt natuur zoveel; zo opgevoed, dat hij de grootste leraren kan leiden, nooit voor zichzelf hulp zoeken moet; maar zie, als men die nobele gaven aanwendt ooit voor het boze, door een diep verdorven geest, dan worden zij slecht, tien maal lelijker dan zij ooit mooi waren. Een zo begaafd, die wij een wonder vonden (en die ons, verrukt van het luisteren, één uur spreken nog geen minuut deed lijken), hij, mevrouw, hulde de gaven die hij eertijds had in een monsterlijk gewaad, en is nu zwart als in de hel besmeurd. Kom naast ons, en hoor (dit was zijn vertrouweling) dingen van hem die eer met droefheid slaan. Vraag hem, om ons te spreken van eerder bedrog, waar wij nooit te weinig van voelen, te veel horen. |
| Wolsey | Kom hier, en spreek in alle openheid
van wat u als een waakzaam onderdaan van de Hertog Buckingham hoorde. |
| Koning | Spreek vrijuit. |
| Rentmeester | Allereerst zei hij elke dag opnieuw
- het werd echt vervelend -, dat als de vorst stierf zonder kinderen, hij het zo regelen zou, dat hij de scepter kreeg. Dat hoorde ik hem met zoveel woorden zeggen tot zijn schoonzoon, Lord Aberga= nny, die hij ook wraak zwoer op de kardinaal. |
| Wolsey | Merk, hoogheid, toch op,
wat voor gevaar deze houding inhoudt, wat hij jegens u wil, dat kwam niet uit, en nu is zijn houding uiterst boos, en raakt, voorbij u, ook uw vrienden. |
| Katherine | Kardinaal,
vertel het zonder rancune. |
| Koning | Spreek door;
waarop stoelde hij de aanspraak op de kroon na mijn dood? Heeft u hem op dit punt ooit iets horen zeggen? |
| Rentmeester | Hij kwam erop,
door een ijdele voorspelling van Nicholas Henton. |
| Koning | Wie was die Henton? |
| Rentmeester | Een Karthuizer, heer,
zijn biechtvader, die hem constant het idee voorhield van het koningschap. |
| Koning | Hoe weet je dit? |
| Rentmeester | Kort nadat uwe hoogheid naar Frankrijk vertrok,
vroeg de hertog mij - het was in De Roos, in de parochie van St Lawrence Poultney, wat er in Londen zoal werd gezegd over die reis naar Frankrijk. En ik zei, dat men er, om Frankrijk, voor ontrouw vreesde, tot gevaar voor onze vorst; en gelijk zei de hertog dat het klopte, en dat hij bang was dat dit juist een uitspraak waar maken zou van een heilige monnik, die mij, zegt hij, vaak iemand liet vragen, mijn kapelaan, John de la Car, op een geschikt moment te sturen, die hij iets belangrijks moest zeggen: en dat, toen hij die onder het biecht-zegel plechtig had doen zweren, om wat hij zei met geen levende ziel ooit te bespreken tenzij met mij, er toen hortend en aarzelend de verzekering volgde: koning noch erven (zeg dat de hertog) zal het goed gaan; zeg hem naar de gunst van het volk te streven; de hertog zal Engeland regeren. |
| Katherine | Ik ken u wel,
u was zijn rentmeester, en verloor uw baan door klachten van de pachters; pas maar op, dat u geen edelman uit wrok beticht, en uw edeler ziel vergooit; pas op, vraag ik u dringend. |
| Koning | Laat hem doorspreken;
ga verder. |
| Rentmeester | Echt, ik spreek de waarheid hier.
Die monnik, zei ik toen mijn hertog nog, wordt vast door een duivelslist misleid: en het is gevaarlijk voor hem dit alles tot aan een plan door te denken, wat gemakkelijk kon, als hij het geloofde; maar hij zei: 'Kom, kom, mij doet het geen kwaad', waarbij hij nog opmerkte, dat was de vorst laatst aan zijn kwaal gestorven, het hoofd van de kardinaal eraf was gegaan, en dat van Thomas Lovell. |
| Koning | Zo corrupt!
Wat een kwaad steekt er in die man! Nog meer? |
| Rentmeester | Ja, mijn vorst. |
| Koning | Ga door. |
| Rentmeester | Hij was in Greenwich,
toen uw hoogheid de hertog had berispt omtrent Sir William Bulmer - |
| Koning | Dat weet ik nog, als mìjn gezworen dienaar,
nam de hértog hem in dienst. Maar wat toen? |
| Rentmeester | 'Als ik,' zei hij, 'hiervoor, zoals ik dacht,
in de Tower was beland, had ik het stuk gespeeld zoals mijn vader ooit van plan was voor Richard, de tiran, toen hij in Salisbury om gehoor verzocht; was dat toegestaan, dan had hij hem, als hij deed alsof hij knielde, met zijn mes doorboord.' |
| Koning | Een super-verrader! |
| Wolsey | Kan zijne hoogheid vrij leven, mevrouw,
met hem buiten het gevang. |
| Katherine | God sta ons bij. |
| Koning | Je wou toch nog wat zeggen; wat dan wel? |
| Rentmeester | Na dat 'zijn vader, de hertog', met het 'mes',
maakte hij zich groot, bracht één hand aan zijn borst, de andere aan zijn dolk, keek trots omhoog, en zwoer een vreselijke eed, die luidde, dat hij, indien slecht behandeld, zijn vader zoveel overtreffen zou, als de daad een weifelend streven. |
| Koning | Zijn doel is dus,
zijn mes in ons te steken: hij zit vast, roep hem nu voor de rechter; vindt hij daar voor de wet genade, goed; en zo niet, dan ook geen bij ons. Dag en dageraad, hij is een verrader in de hoogste graad.Allen af Derde toneel - Een kamer aan het hof Lord Chamberlain op en Lord Sands. |
| Chamberlain | Hoe kan Frankrijks stoken ons toch verlokken
tot zulk bizar gedrag. |
| Sands | Nieuwe gewoonten,
al zijn ze nog zo belachelijk (ja al zijn ze zelfs verwijfd), die volgt men toch op. |
| Chamberlain | Wat mij betreft, is al het goeds dat de Engelsen
pas van overzee hebben meegebracht, wat grimassen; maar ze zijn wel heel sluw, want wie ze op heeft, zal ons direct doen zweren dat zijn neus ooit minister is geweest bij Pepijn of Clotharius, zo statig is hij. |
| Sands | Men loopt nieuw, en men buigt nieuw; voor wie hen
nog nooit zag gaan, lijkt het wel of er nu een vorm van hanetred heerst, |
| Chamberlain | Juist, mylord,
en dan zo'n heidense snit van hun kleren, dat die het Christendom al hebben versleten! Wat nu? Soms nieuws, Thomas Lovell? Sir Thomas Lovell op |
| Lovell | Mylord,
men praat slechts van de nieuwe proclamatie die aan de Hofpoort hangt. |
| Chamberlain | Wat houdt die in? |
| Lovell | Het berispt de reizende cavaliers
die het hof vullen met praatjes, ruzie, en mode. |
| Chamberlain | Goed zo! Laat onze messieurs maar eens denken,
dat ook een Engels hoveling wijs kan zijn, als heeft hij het Louvre nooit gezien. |
| Lovell | Zij moeten
(zo luiden de voorschriften), òf de resten van Franse opsmuk en veren afleggen, met al de nobele onzinnigheid die daarbij hoort, als vechten en vurig werk, en het bespotten van beteren dan zij met hun uitheemse grillen, en het geloof afzweren in tennis en lange kousen, en het soort reisaandenken als een korte pofbroek, en elkaar weer zien als rechtschapen mensen, òf wegwezen naar hun makkers, om daar rustig zonder problemen weg te 'oui'-en in hun wellust, tot spot van iedereen. |
| Sands | Het wordt tijd nu voor een middel, want hun kwaal
wordt steeds aanstekelijker. |
| Chamberlain | Wat zal ons vrouwvolk
die grote onzin missen! |
| Lovell | Inderdaad,
wat zal men jammeren; hoe handig zijn die sluwe deugnieten voor een vluggertje. Het Frans gevedel kent zijn weerga niet. |
| Sands | De duivel mag ze vedelen: blij dat ze gaan,
je krijgt ze toch niet van hun stuk; nu kan een eerbaar vedelaar als ik, zo lang door hen overstemd, eindelijk één uur lang oorbaar muziek maken, recht-toe-recht-aan, en daar houden ze ook van. |
| Chamberlain | Goed gezegd, Sands,
uw hengstentand zit er dus nog. |
| Sands | Zeker, heer,
zolang ik nog een stompje heb. |
| Chamberlain | Sir Thomas,
waar was u naar op weg? |
| Lovell | De kardinaal;
u bent toch ook zijn gast? |
| Chamberlain | O, ja, dat is waar;
vanavond geeft hij een feestje, en groots ook, voor veel lords en ladies; de fine fleur zal er zijn van het rijk, als u dat maar weet. |
| Lovell | Die kerkvoogd heeft toch echt een gulle geest,
een hand zo rijk als de aarde die ons voedt; zijn dauw valt overal. |
| Chamberlain | Voorwaar, heel edel;
wie anders spreekt die heeft een zwarte mond. |
| Sands | Hij kan het, hij heeft de middelen: in hem
was spaarzaamheid erger dan ketterij; wie zo leeft moet uiterst vrijgevig zijn, als goede voorbeelden. |
| Chamberlain | Zo is het, ja;
maar weinigen doen het zo goed. Mijn boot ligt klaar; komt nou toch echt mee, beste Thomas, of we zijn te laat, en liever niet, want ik ben, met Henry Guilford, vanavond gevraagd, het feest te regelen. |
| Sands | Tot uw dienst, heer.Beiden af
Vierde toneel - Het St. James' Paleis (York plein) Pommers. Een kleine tafel onder een baldakijn voor de Kardinaal, een langere tafel voor de gasten. Dan op: Anne Bullen, en verscheidene andere dames en heren, de gasten, door de ene deur; door de andere Sir Henry Guilford. |
| Guilford | Dames, zijne genade heet u allen
welkom; en hij wijdt deze avond toe aan zoete vreugde, en u: niemand, hoopt hij, in dit edel gezelschap, heeft hierheen zorgen meegenomen: hij wenst u vrolijk, zoals goede vrienden, goede wijn, goed welkom steeds goede mensen maken. Lord Chamberlain op, Lord Sands en Lovell Wat laat, mylord! Alleen het denken aan dit schoon gezelschap gaf mij al vleugels. |
| Chamberlain | U bent jong, Harry Guilford. |
| Sands | Sir Thomas Lovell, als de kardinaal
maar half zo werelds dacht als ik, dan zou men iets zoets krijgen vóór het slapen gaan dat men veel lekkerder zou vinden; mens, wat een lieve schoonheden bij elkaar. |
| Lovell | Kon het voor het heil van een of twee van hen
dat u biechtvader was! |
| Sands | Kon ik dat ooit,
dan was hun penitentie licht. |
| Lovell | Hoe licht? |
| Sands | Zo lekker als het op dons dekken ligt. |
| Chamberlain | Gaat u zitten, lieve dames. Sir Harry
verdeelt u die kant, ik regel het hier: zijne hoogheid komt. Maar u mag niet bevriezen, twee vrouwen naast elkaar, dat geeft koud weer; Lord Sands, u wilt ze vast wel warm houden; gaat u tussen hen in zitten. |
| Sands | O, graag,
bedankt, hoogheid: als ik misschien wat wild ben, lieve dametjes, vergeef mij dan; dat heb ik van mijn vader. |
| Anne | Was die dol, heer? |
| Sands | O, dol, ook in de liefde, vreselijk dol,
maar bijten niet; op één adem kon hij u allemaal kussen, zoals ik. |
| Chamberlain | Heel goed, heer.
Zo, zit nu iedereen: dan, heren, weet, dat u de schuld krijgt, als de dames straks bij het weggaan somber zijn. |
| Sands | Laat mij maar begaan,
ik zorg goed voor mijn zieltjes. Pommers. Kardinaal Wolsey op; hij gaat op zijn plaats zitten. |
| Wolsey | Welkom, mijn schone gasten; de edele heer
of dame die niet helemaal vrolijk is is geen vriend van mij. En als welkomsgroet drink ik op u allen.Hij drinkt |
| Sands | Hoe nobel, heer;
had ik maar een beker met al mijn dank, dat spaarde mij veel woorden. |
| Wolsey | Mylord Sands,
die krijgt u terug! Houd uw buren bezig: dames, wat opgewekter! Heren toch, wiens schuld is dat? |
| Sands | De rode wijn moet eerst
hun mooie wangen in, dan praten zij ons vast wel stil. |
| Anne | Altijd weer grapjes, hè,
Mylord Sands. |
| Sands | Als ik eenmaal bezig ben:
ik drink op u, mevrouw, en op een dingetje zo groots - |
| Anne | Dat u het mij niet kunt laten zien.
Trom en trompet; er weerklinkt een salvo van een saluutkanon |
| Sands | Ik zei u al dat ze zouden praten. |
| Wolsey | Wat is dat? |
| Chamberlain | Ga eens kijken, jij daar.Een dienaar af |
| Wolsey | Wat een oorlogsstem,
en waarom dan? Ach, dames, wees niet bang; naar alle krijgswetten bent u beschermd. De dienaar weer op |
| Chamberlain | En, wat is het nou? |
| Dienaar | Edelen, lijkt mij,
uit het buitenland; ze zijn van boord gegaan, en komen hierheen als afgezanten van vreemde vorsten. |
| Wolsey | Mylord Chamberlain,
wilt u hen verwelkomen; want u spreekt Frans; ontvang hen hoffelijk en leid hen dan vóór ons, waar de hemel van schoonheid hen met luister zal beschijnen. Neem gevolg mee.Chamberlain af, met gevolg Allen staan op, en de tafels worden weggehaald Uw feest is stuk, maar wij herstellen het zo. Moge het u goed bekomen; en opnieuw heet ik u welkom: welkom, allemaal. Pommers. De Koning op, en anderen, als spelers in een maskerspel, als herders verkleed, en binnengeleid door de Lord Chamberlain. Ze gaan naar de kardinaal, en begroeten hem gracieus. Een edel gezelschap: wat willen zij? |
| Chamberlain | Omdat men geen Engels spreekt, vraagt men mij
u te zeggen, dat men vernomen had dat al dit edele en schone volk vanavond hier bijeen was, dus moest men (vanwege hun grote achting voor de schoonheid) hun kudden wel verlaten, om te smeken met uw verlof de dames te gaan zien, en feest met hen te vieren. |
| Wolsey | Antwoord hun,
dat men mijn schamel huis een dienst bewijst; duizendmaal dank; vermaak u allen zeer. De heren kiezen een dame; de Koning en Anne Bullen. |
| Koning | De mooiste hand, ooit aangeraakt: O, schoonheid,
u heb ik nooit gekend.Muziek; dans |
| Wolsey | Mylord. |
| Chamberlain | Ja, heer? |
| Wolsey | Zeg hun nog dit van mij:
er moet iemand onder die heren zijn, die de ereplaats meer waard is dan ik; hem (als ik wist wie het was) zou ik heel graag mijn zitplaats afstaan. |
| Chamberlain | Ik zal het zeggen, heer.Hij fluistert met hen |
| Wolsey | Wat zegt men? |
| Chamberlain | Men zegt inderdaad dat er
zo iemand is, die u er best uit mag halen, en hij neemt de plaats aan. |
| Wolsey | Laat dan eens kijken,
heren, met uw verlof; dan maak ik hier mijn koningskeus. |
| Koning | [Doet zijn masker af] Gevonden, Kardinaal;
een schoon gezelschap hebt u; goed voor u dat u van de Kerk bent, anders zou ik nog iets verkeerds van u denken. |
| Wolsey | Blij dat u
zo opgewekt bent. |
| Koning | Mylord Chamberlain,
kom toch eens hier: wie is die schoonheid daar? |
| Chamberlain | Zo het u behaagt, Sir Thomas Bullens dochter,
de Burggraaf van Rochford, een hofdame. |
| Koning | Dat is een lekker ding, zeg. Lieve meid,
het zou geen manieren zijn, als ik met u dansen en u niet kussen zou. Ja, heren, proost, en laat het rondgaan. |
| Wolsey | Sir Thomas Lovell, staat het feestmaal klaar
in het kabinet? |
| Lovell | Ja, heer. |
| Wolsey | Uwe hoogheid is,
vrees ik, door het dansen iets verhit. |
| Koning | Te erg, vrees ik. |
| Wolsey | Hiernaast, mijn heer, is er
wat frissere lucht. |
| Koning | Leid elk zijn dame binnen: lieve partner,
ik laat u nog niet los. En nu, plezier, mijn beste kardinaal: dan menige toast op deze schone dames, en een dans, en leiden we hen opnieuw; dromen wij dan, wie hun het meest bevalt. Begin, muziek.Allen af; trompetgeschal |