| Het katje getemd
The taming of the shrew vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
| Voorspel |
eerste toneel tweede toneel |
eerste toneel | |
| Stoffel Sluw op, en de waardin | |
| Sluw | Ik zal u eens even, als u dat maar weet. |
| Waardin | U hoort in het blok, boef. |
| Sluw | Tang dat u er bent, de Sluws zijn geen boeven. Kijk maar in de Kronieken, wij zijn met Richard de Veroveraar meegekomen. Daarom, paucas pallabris, de wereld gaat haar gang maar. Hoppa! |
| Waardin | Dus u betaalt niet voor de glazen die u gebroken heeft? |
| Sluw | Nee, nog geen sou. Schei toch uit, Heilige Jeronimus, kruip in je bed en ga je warmen. |
| Waardin | Ik weet wel wat me te doen staat: ik sleep je voor de vierschaar. |
| Af | |
| Sluw | Vierschaar, vijfschaar, zesschaar, ik haal er wel weer een wetje bij. Ik geef geen streepje toe, ik niet. Laat hem maar komen, zonder meer. |
| Hij valt in slaap Hoorngeschal. Een Lord komt van de jacht terug, met zijn gevolg | |
| Lord | Ik zeg je, jager, zorg goed voor mijn honden.
Merriman schuimt, laat die op adem komen, en koppel Clowder met de diepe blaffer. Zag je ook, kerel, hoe Zilver bij de haag het koud geworden spoor weer oppakte? Die hond wil ik voor geen twintig pond nog kwijt. |
| 1e Jager | Belman is even goed als hij, mylord.
Hij blafte toen het spoor volledig weg was, en vond tweemaal vandaag een heel flauw spoor. Geloof me, dat is de allerbeste hond. |
| Lord | Nou, jij bent gek! Was Echo even snel,
dan was hij wel twaalf van zo'n honden waard. Maar voer ze en verzorg ze allemaal goed, want morgen wil ik eigenlijk weer op jacht. |
| 1e Jager | Zeker, mylord. |
| Lord | Wat is dit? Dood, of dronken? Ademt hij? |
| 2e Jager | Hij ademt nog. Had hij niet heet gedronken,
dan was het een koud bed voor zo'n diepe slaap. |
| Lord | Monsterbeest, wat ligt hij er bij als een zwijn!
Hoe walgelijk vies, dood, is uw evenbeeld! Ik ga die dronkaard eens flink beetnemen. Wat vinden jullie, als ik hem in bed stop, hem fijn aankleed, met ringen aan zijn vingers, allerhande lekkernijen aan zijn bed, bedienden rond hem als hij wakker wordt, wist deze schooier dan nog wie hij was? |
| 1e Jager | Geloof me, volgens mij, toch echt niet, heer. |
| 2e Jager | Hij zou raar opkijken als hij ontwaakt. |
| Lord | Als een zoete droom, of een loze fantasie.
Pak hem maar op, dan, en voort met de grap. Draag hem voorzichtig naar mijn pronksalon; en hang die vol met al mijn stoute platen. Sproei warm geurwater op die vieze kop, brand reukhout, dat de kamer lekker ruikt. Kom met muziek voor als hij wakker wordt, een en al hemelse en zoete klank. En zegt hij soms iets, wees er direct bij en vraag zachtjes, in volle dienstbaarheid: 'Wat is de wens van uwe Edelheid?' Houdt iemand hem een zilveren bekken voor, vol rozenwater en bestrooid met bloemen, een houdt een kan, een ander een handdoek klaar, en zegt: 'Wilt u uw handen opfrissen?'. Weer een staat met een schitterend kostuum, en vraagt hem wat voor kleren hij dragen wil. Of praat over zijn honden en zijn paarden, en dat mevrouw steeds om zijn ziekte treurt. Maak hem maar wijs dat hij krankzinnig was, en als hij dat beaamt, zeg dat hij droomt, hij is maar gewoon een machtig heer, zeg hem. Vooruit dan, en met overtuiging, heren, dit wordt een allerkostelijkste grap, indien het met beleid wordt uitgevoerd. |
| 1e Jager | Ik verzeker u, mylord, wij spelen het zo,
dat hij uit onze vlijt wel denken moet dat hij is die wij zeggen dat hij is. |
| Lord | Til hem zachtjes op, en leg hem op het bed,
en als hij wakker wordt, iedereen er bij! |
| Men draagt Sluw weg. Trompetsignaal | |
| Ga eens kijken, man, wat dat signaal voorstelt. | |
| Bediende af | |
| Misschien een edelman die op zijn tocht
hierheen wil komen om wat uit te rusten. | |
| Dienaar op | |
| Wel? Wie is het? | |
| Dienaar | Met uw verlof, toneelspelers,
die voor u willen spelen, heer. |
| Lord | Breng ze hierheen. |
| Spelers op | |
| Van harte welkom, heren. | |
| Spelers | Wij danken u. |
| Lord | Was u van plan vanavond hier te blijven? |
| 1e Speler | Als uwe hoogheid ons dat voorrecht schenkt. |
| Lord | Van ganser hart. Deze kerel ken ik nog,
ooit speelde hij een oudste boerenzoon. In het stuk waar u die edelvrouw zo minde. Uw naam ben ik even kwijt; maar die rol toen was u op het lijf geschreven, goed gespeeld. |
| 2e Speler | Bedoelt u soms niet Soto, edele heer? |
| Lord | Ja, die was het; jij speelde daar heel goed.
Wel, jullie komen op een goed moment, wat ik ben namelijk een grap van plan waarin jullie kunst mij zeer van dienst kan zijn. Er is hier een heer die jullie wil zien spelen; maar ik denk dat jullie je niet goed kunt houden - die heer heeft namelijk nog nooit toneel gezien - , dat je in lachen uitbarst, en hem zo beledigt; want ik zeg je, heren, als je gaat lachen, wordt hij zeker kwaad. |
| 1e Speler | Wees maar niet bang, heer, wij houden ons in,
al was hij ook de grootste gek ter wereld. |
| Lord | Leid hen dan naar de voorraadkamer, jongen,
en zorg dat ze een vriendelijk welkom krijgen. Al wat mijn huis kan geven, is van hen. |
| Iemand gaat met de spelers af | |
| Gaat u naar Bartholomeo mijn page, knaap:
laat die zich helemaal als dame kleden. Breng hem daarna naar de kamer van de dronkaard, en noem hem 'Mevrouw', en buig diep voor hem. Zeg hem van mij, - en dat wint hem mijn gunst -, dat hij moet doen of hij van adel is, op de manier zoals hij edele dames tegenover hun heren heeft zien doen. Zo moet hij ook de dronkaard nader treden en zachtjes en met diepe buiging spreken: 'Wat is het, dat uw edelheid beveelt, waarmee uw dame, uw nederige vrouw, haar plicht kan tonen en liefde jegens u?' Dan moet hij hem lief omarmen, heftig kussen, en met zijn hoofd verborgen aan zijn borst, in tranen uitbarsten, uit pure vreugd, dat hij haar nobele man weer beter ziet, die al zeven jaar geleefd heeft in de waan dat hij maar een arme, vieze bedelaar was. En kent de jongen niet de vrouwenkunst voor een stortbui tranen op commando, dan komt hem voor zo'n truc vast een ui goed uit, die, in een zakdoek meegesmokkeld, het water onherroepelijk uit de ogen zal persen. Zorg dat dit akelig snel wordt uitgevoerd, direct krijg je van mij nog meer te doen. | |
| Een dienaar af | |
| Mijn page kan de gratie van een vrouw
uitstekend nadoen, stem, en houding, gang. Ik hoor het hem de dronkaard al zeggen: 'Mijn man!'; wat zal mijn volk zich op de lippen bijten, als ze die simpele boer zo dienen gaan. Ik ga ze helpen. Mijn aanwezigheid helpt hen wellicht hun lachlust te beteugelen, die anders zeker door het lint zou gaan. | |
| Allen af | |
| Sluw op, boven, met bedienden; enkele met kledingstukken, bekken, lampetkan en nog meer toebehoren; en Lord | |
| Sluw | In Gods naam, een pot dun bier! |
| 1e Bediende | Zou uw lordschap wellicht een beker wijn believen? |
| 2e Bediende | Zou uw edelheid wellicht van deze confituren willen proeven? |
| 3e Bediende | Welke kleding wenst uw edelheid vandaag te dragen? |
| Sluw | Ik ben Christophero Sluw, noem mij geen 'edelheid' of 'lordschap'. Ik heb van mijn leven nog geen wijn gedronken. En als jullie me dan iets stevig geconfituurd willen geven, kom dan maar wat stevig gerookt rundvlees. Vraag me niet wat ik vandaag aan wil doen, want ik heb niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan benen, en niet meer schoenen dan voeten - ja, soms meer voeten dan schoenen, of van die schoenen waar mijn tenen door het bovenleer heen komen kijken. |
| Lord | Bevrijd, hemel, zijne hoogheid van die waan.
O, dat een man van zulk een afkomst, rang, met zoveel rijkdom, aanzien, roep en naam, door zulk een boze geest geteisterd wordt! |
| Sluw | Wat, willen jullie mij gek krijgen? Ben ik niet Christopher Sly, de zoon van de oude Sly van Burton-heath, geboren voor marskramer, opgeleid voor kaardemaker, omgeschoold tot berenleider en met als huidig beroep ketellapper? Vraag Marian Hacket, de dikke biervrouw van Wincot, of ze me niet kent. Als zij niet zegt dat ik wel voor veertien penny's op de lat heb staan alleen al voor bier, dan mag je me aanstrepen als de grootste leugenboef van de hele christenheid. [Een dienaar brengt hem een pot bier] Wat! Ik ben toch niet stapelgek! Hier heb ik - [Hij drinkt] |
| 3e Bediende | Dit is het wat uw vrouwe zo betreurt! |
| 2e Bediende | Dit is het wat uw dienaren bedroeft! |
| Lord | Daarom mijdt uw familie steeds uw huis,
alsof uw vreemde waanzin hen verdrijft. O, edele heer, denk aan je afkomst, toch, roep het vroeger denken terug uit ballingschap, en stuur dit duistere dromen daar weer heen. Zie al je dienaren staan om je heen, elk zal zijn taak doen als jij ook maar knikt. Wil je muziek? Apollo speelt, hoor, zang van twintig nachtegalen in een kooi. Of wil je slapen? Het rustbed staat al klaar, zachter en zoeter dan het zinlijk bed speciaal opgemaakt voor Semiramis. Wat wandelen? De grond wordt bont bestrooid. Een rijtoer? Het paardenspan is al bekleed, met goud en paarlenknoppen op hun tuig. Hou je van valken soms? Hoog klimt jouw valk 's morgens boven de leeuwerik. Wil je op jacht? Jouw honden roepen de hemel op ten antwoord, en wekken echo's uit de holle aard. |
| 1e Bediende | Op lange jacht soms, met de meute snel
als het hijgend hert, veel vlugger dan de ree. |
| 2e Bediende | Hou je van platen? Ik haal je gelijk
Adonis, afgebeeld bij een waterstroom, en Cytherea diep in het riet verscholen, die speels bewegend op haar adem wiegt zoals het wuivend riet speelt met de wind. |
| Lord | We laten je Io zien nog als maagd,
en hoe zij werd bedrogen en verschalkt, naar het leven uitgebeeld tot en met de daad. |
| 3e Bediende | Of Daphne, dolend door een doornenwoud,
die haar been ophaalt, men zou zweren dat het bloedt; als dat Apollo ziet, dan huilt hij droef, zo meesterlijk getekend, traan en bloed! |
| Lord | Jij bent een Lord, en helemaal een Lord.
Jij hebt een dame die veel schoner is dan wie ook in de aflopende tijd. |
| 1e Bediende | En eer de tranen die zij voor jou stortte
als een boze vloed haar lief gezicht overspoelde, was zij het schoonste schepsel van de wereld; en nog moet zij voor niemand onderdoen. |
| Sluw | Ben ik een Heer, en heb ik zo een dame?
Of slaap ik? En heb ik tot nu gedroomd? Ik slaap niet. Want ik zie, ik hoor, ik spreek. Ik ruik iets lekkers, en ik voel iets zachts. Zo waar ik leef, ik ben een echte Lord, geen ketellapper of Christophero Sluw. Wel, laat mij dan mijn dame maar eens zien, en nog maar eens zo'n potje lekker bier. |
| 2e Bediende | Wilt uw Lordschap de handen wassen soms?
O, hoe fijn, om u weer goed bij te zien. O, dat u weer inziet wie dat u bent. Al vijftien jaren hebt u weggedroomd, of, als u wakker was, alsof u sliep. |
| Sluw | Al vijftien jaar! Nou, dat is een flinke tuk.
En heb ik al die tijd geen woord gezegd? |
| 1e Bediende | O zeker, heer, maar hele domme praat,
al lag u in de beste kamer hier, u hield vol dat men u naar buiten smeet, u bleef maar schelden op de dorpswaardin, zei dat u haar voor het gerecht zou slepen, want zij gaf u potten bier buiten de maat. Soms riep u ook om Cicely Hacket. |
| Sluw | Ja, ja, de hulp van de mevrouw van het bierhuis. |
| 3e Bediende | Maar, meneer, u kent zo'n huis, zo'n meisje niet,
en ook de mensen niet die u toen noemde, zoals Stephen Sluw, John Naps uit het dorpje Greece, en Peter Turph, en Henry Pimpernell, en nog wel twintig namen zoals die, die nooit bestonden en die niemand kent. |
| Sluw | God zij gedankt dat ik weer beter ben. |
| Allen | Amen. |
| Page op, als dame, met bedienden. Een ervan geeft Sluw een pot bier. | |
| Sluw | Ik dank je; daar word jij niet slechter van. |
| Page | Hoe vaart mijn edele heer? |
| Sluw | Nou, aardig goed, geheel zonder gevaar.
Waar is mijn vrouw? |
| Page | Hier, edele heer, wilt u soms iets van haar? |
| Sluw | Bent u mijn vrouw, en noemt u mij niet 'man'?
Mijn dienaar noemt mij 'heer', ik ben uw man. |
| Page | Mijn man en ook mijn heer, mijn heer en man;
ik ben uw vrouw, in alles onderdanig. |
| Sluw | Dat weet ik. Maar hoe noem ik haar? |
| Lord | Madame. |
| Sluw | Alice madame, of Johanna madame? |
| Lord | Madame en verder niets, zoals heren dames. |
| Sluw | Madame mijn vrouw, men zegt dat ik heb gedroomd,
en meer dan vijftien jaar geslapen heb. |
| Page | Het lijken er voor mij wel dertig, zeg,
zo al die tijd gescheiden van uw bed. |
| Sluw | Lang, ja. Dienaars, laat mij met haar alleen. |
| Bedienden af | |
| Madame, uw kleren uit, en kom in bed. | |
| Page | Ik smeek u, mijn drievoud verheven heer,
oefen nog een, twee nachten wat geduld; zo niet, dan minstens tot zonsondergang. Uw artsen vroegen mij uitdrukkelijk, - want anders komt uw vroegere kwaal weer terug -, dat ik voorlopig nog uw bed moest mijden. Ik hoop dat ik daarmee bij u in mijn recht sta. |
| Sluw | Nou, recht staat hij al zo lang, dat ik nauwelijks nog kan wachten. Maar ik wil eigenlijk helemaal niet meer terugvallen in mijn dromen. Daarom wil ik wel wachten, ondanks het vlees en bloed. |
| Een bode op | |
| Bode | Uw spelers hoorden dat u was hersteld,
en willen een vrolijk blijspel brengen, heer; uw dokters achten dit een goed vermaak, want teveel droefheid heeft uw bloed verstijfd, waar somberheid te vaak de waanzin voedt. Dus vindt men het goed dat u een komedie ziet, en uw geest zet op lach en vrolijkheid, wat kwalen weert en het leven langer maakt. |
| Sluw | Ach, ja. Spelen maar. Is zo'n krommedie
een kerstspel of een acrobatentoer? |
| Page | Nee, edele heer, het is veel leukerder. |
| Sluw | Wat, keukendeur? |
| Page | Het is een soort verhaal. |
| Sluw | We zien wel. Kom, Madame mijn vrouw, hier naast me;
de wereld gaat voorbij, en onze jeugd. |