| Koning Jan
King John vertaling : Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste Bedrijf Eerste toneel - Het Hof van Engeland Koning Jan op, Koningin Eleanore, Pembroke, Essex, Salisbury, en gevolg, en verder Chatillon uit Frankrijk | |
| Koning Jan | En, Chatillon, wat wenst Frankrijk van ons? |
| Chatillon | Aldus spreekt, na begroeting, Frankrijks Koning
door mijn persoon tot deze majesteit, gestolen majesteit, van Engeland. |
| Eleanore | Een vreemd begin: ‘Gestolen majesteit’! |
| Koning Jan | Stil, lieve moeder, hoor de boodschap aan. |
| Chatillon | Filips van Frankrijk, handelend voor het recht
van wijlen uw broer Geoffreys zoon, Arthur Plantagenet, eist, volgens recht en wet, dit schone eiland op en al het gebied, Ierland, Poitiers, Anjou, Touraine en Maine; hij wenst dat u het zwaard terzijde legt, dat wederrechterlijk het bezit beheerst, en dat ter hand stelt aan de jonge Arthur, uw neef, uw vorst, uw enige soeverein. |
| Koning Jan | Wat volgt, als wij dit zomaar weigeren? |
| Chatillon | De dwang en het overwicht van heftige krijg,
dat het recht afdwingt zo met geweld onthouden. |
| Koning Jan | Krijg hebben wij voor krijg, en bloed voor bloed,
zo ook dwang voor dwang: geef dat Frankrijk als antwoord. |
| Chatillon | Mijn vorst verklaart dan door mijn mond de oorlog,
de verste grens tot waar mijn zending gaat. |
| Koning Jan | Breng hem mijn boodschap, en ga weer in vree.
Wees als een bliksemstraal in Frankrijks ogen, want ik ben daar, vóór u zich melden gaat: dan hoort men het donderen van mijn kanon. Dus, weg! Wees de trompet van onze toorn en het sombere voorspook van jullie eigen val. Geef hem een eervol uitgeleide nu: Pembroke, uw taak. Tot ziens, dus, Chatillon. Chatillon en Pembroke af |
| Eleanore | Zo zie je, zoon! Heb ik niet steeds gezegd:
de eerzuchtige Constance rust niet, voor zij Frankrijk en de hele wereld zal hebben opgehitst voor het recht en voor de zijde van haar zoon. Dit had voorkomen kunnen worden, ja, door vriendelijk overleg, waar nu het bestuur van beide koninkrijken deze zaak door vreselijk, bloedig handelen beslecht. |
| Koning Jan | Ons is de macht van het bezit, het recht. |
| Eleanore | De macht van uw bezit meer dan uw recht,
want anders gaat het vast fout met u en mij: dat fluistert mij het geweten in de oren, wat niemand, buiten God, u, ik, mag horen. Een Sheriff op |
| Essex | Mijn vorst, men brengt de allervreemdste zaak
van het platteland nu voor uw rechterstoel, die ik ooit gehoord heb: zal ik ze binnenleiden? |
| Koning Jan | Laat nader komen.
De kloosters en abdijen draaien op voor deze plotse kosten. Robert Faulconbridge op, en Philip zijn bastaardbroer En wie bent u? |
| Bastaard | Uw trouwe onderdaan, ja, ik, een heer,
hier uit Northamptonshire, en de oudste zoon, naar ik aanneem, van Robert Faulconbridge, een strijder, die de eer gevende hand van Leeuwenhart in het veld tot ridder sloeg. |
| Koning Jan | En wie ben jij? |
| Robert | De zoon en erfgenaam van deze Robert. |
| Koning Jan | Dan is dat de oudste, en jij de erfgenaam.
Dan dus niet van één moeder, naar het schijnt. |
| Bastaard | Beslist toch van één moeder, machtige vorst;
dat weet men wel; en naar ik meen, één vader: als u de ware feiten zeker wilt, verwijs ik u naar de hemel en mijn moeder: ik weet niets zeker, als elk mensenkind. |
| Eleanore | Foei, ruwe knaap; schande breng jij je moeder,
jij wondt haar eer met zulk een achterdocht. |
| Bastaard | Wie, ik, mevrouw? Daar heb ik geen reden voor;
mijn broer beweert zoiets; nee, ik toch niet; als hij het bewijzen kan, wipt hij mij eruit voor minimaal vijfhonderd pond per jaar: God bewaar mijn moeders eer, en mijn land. |
| Koning Jan | Een harde vent! Als hij de jongste is,
waarom eist hij dan toch jouw erfdeel op? |
| Bastaard | Ik weet niet waarom - misschien wel om het land -,
maar hij heeft me ooit voor ‘Bastaard’ uitgemaakt: en, of ik al dan niet in eer verwekt ben, daarvoor laat ik mijn moeder aan het woord; maar dat ik even goed verwekt ben, vorst - het beste, botten, die voor mij bevielen - vergelijk onze gezichten en oordeel zelf. Heeft de oude Robert ons beiden verwekt, en is de zoon hier als zijn evenbeeld, dan, vader, oude Robert, dank ik de hemel op mijn knieën dat ik niet lijk op u. |
| Koning Jan | Wat stuurt ons de hemel voor een dolkop daar. |
| Eleanore | Hij heeft de lijn van een Leeuwenhart-gezicht;
ook zijn manier van praten lijkt op hem. Vindt u ook geen gelijkenis met mijn zoon in de algemene bouw van deze man? |
| Koning Jan | Mijn oog heeft hem zorgvuldig opgenomen:
hij lijkt perfect op Richard. Kerel, zeg eens, wat drijft u om uw broers land op te eisen? |
| Bastaard | Omdat hij het profiel heeft van mijn vader.
Met zo’n gezicht toch al mijn land te claimen: zo’n halve cent vijf honderd pond per jaar! |
| Robert | Mijn beste vorst, toen mijn vader nog leefde,
gebruikte uw broer mijn vader vaak om hem - |
| Bastaard | Nou, man, daarmee krijgt u mijn land wel nooit:
vertel, hoe hij mijn moeder bezig hield. |
| Robert | - Ooit stuurde hij hem naar Duitsland als gezant,
om daar over een zaak van het hoogst belang die toen hing met de keizer te onderhandelen. De koning nam zijn afwezigheid te baat en woonde die tijd in mijn vaders huis; hoe hij aan zijn trekken kwam, daar schaam ik me voor, maar, waar is waar: zeeën en kusten lang lagen er tussen mijn vader en mijn moeder, toen dit lustrijk heerschap ontvangen werd. Op zijn doodsbed liet hij bij laatste wil zijn land aan mij, en hij zwoer op zijn dood, dat hij, mijn moeders zoon, niets van hem was; was hij dat toch, dan was hij op zijn minst veertien weken te vroeg geboren, heer. Daarom, vorst, geef mij nu wat van mij is, mijn vaders land, zoals vader het heeft gewild. |
| Koning Jan | Uw broer, heerschap, is een heel wettig kind;
uw vaders vrouw heeft hem in de echt gebaard, en als zij vals speelde, was het haar schuld; die schuld is het risico van iedere man die met een vrouw trouwt. Stel dat mijn broer, die, zoals u stelt, zijn best deed voor die zoon, die als eigen zoon bij uw vader had geclaimd? Mijn beste vriend, uw vader had dit kalf, van eigen koe, voor iedereen verborgen; en dat mocht; want, al was het van mijn broer, mijn broer mocht het niet claimen; en mijn vader, al was het niets van hem, het niet weigeren: dus, mijn moeders zoon kreeg de erfgenaam van uw vader; uw vader erfgenaam krijgt uw vaders land. |
| Robert | Dan heeft mijn vaders laatste wil geen kracht
het kind te onterven dat niet van hem is? |
| Bastaard | Niet meer kracht om mij te onterven, heer,
dan om mij te verwekken, dacht ik zo. |
| Eleanore | Wat wil jij liever zijn, een Faulconbridge,
en, als je broer, genieten van je land, of de geëerde zoon van Leeuwenhart, heer van jezelf, met helemaal geen land? |
| Bastaard | Mevrouw, al zag mijn broer eruit als ik,
en ik als hij, Sir Robert net als hij, mijn beide benen van die zweepstokken, mijn armen vette palingen, het gezicht zo dun dat ik geen roos kreeg in het oor - anders zag men er vast een daalder door - en ik heel dit land zou erven, met zijn vorm, als ik nooit weg zou gaan uit deze staat: het zou mij echt een zorg zijn, dat gelaat: Heer Rob als naam vind ik bepaald te kwaad. |
| Eleanore | Ik mag jou wel: wil jij je erfdeel afstaan,
jouw land aan hem vermaken en mij volgen? Ik ben soldaat, naar Frankrijk onderweg. |
| Bastaard | Broer, neem mijn land maar, die kans waag ik, zeg!
Vijf honderd pond per jaar vangt u hier licht, voor vijf stuivers verkoopt uw gezicht. Mevrouw, ik volg u in het uiterste. |
| Eleanore | Wilt u dan liever vóór mij daarheen gaan. |
| Bastaard | Op het land laten wij hogeren altijd voor. |
| Koning Jan | Hoe heet jij? |
| Bastaard | Philip, mijn vorst, zo heet deze persoon:
Philip, heer Roberts vrouw haar oudste zoon. |
| Koning Jan | Dan draag voortaan de naam wiens vorm jij lijkt:
kniel neer als Philip, sta op, hoog gezet: rijs als Heer Richard, en Plantagenet. |
| Bastaard | Broeder van moederskant, reik mij uw hand:
mijn vader gaf mij eer, uw vader land. Gezegend het uurtje, was het nacht of dag, dat mij, met Robert weg, verwekken zag. |
| Eleanore | De juiste geest van een Plantagenet.
Als jij mij eens als je grootmoeder beschouwt. |
| Bastaard | Niet wettig maar door toeval; maar wat zou het.
Niet volgens het boekje, dan maar links erom, door de onderdeur, als het door het raam niet kan: wie overdag niet durft, komt er ‘s nachts om, een vluggertje, ja, hebben is hebben, man. wie raakt, schiet goed, van ver of van dichtbij; en ik ben ik, wie ook mijn vader zij. |
| Koning Jan | Ga, Faulconbridge, voldaan en welgemoed:
een ridder zonder land geeft jou zijn goed. Kom, moeder, Richard, kom, de hoogste tijd: in Frankrijk, Frankrijk, wacht verbeten strijd. |
| Bastaard | Moge het je goed gaan, broer, tot ziens, vaarwel;
want jouw verwekken was bij wettig spel. Allen af, behalve de Bastaard Qua eer een stapje hoger dan ik was, maar menig voetbreed land nu slechter af. Nu kan ik elk Grietje tot een dame maken. ‘Goedenavond, heer Richard!’ - ‘Dank u zeer, kerel!’ - en als zijn naam George is, noem ik hem Peter; want nieuwe eer vergeet, hoe een mindere heet: onthouden zou veel te gemeenzaam zijn na uw ommezwaai. En dan zo’n reiziger, met zijn tandenstoker waar ik, hoog, aanzit, en als mijn riddermaag is volgestopt, zuig ik aan mijn tanden, en vraag ik de fat die zoveel heeft gereisd: ‘Mijn waarde heer,’ - en terwijl ik zo op mijn elleboog rust: ‘Zou ik u alstublieft,’ - en dat is dan Vraag; en dan komt het Antwoord als in het Leerboek: ‘O, meneer,’ zegt Antwoord, ‘Geheel tot uw dienst; tot uw beschikking; wat kan ik voor u doen.’ ‘Nee, meneer,’ zegt Vraag, ‘Ik, meneer, voor u.’ en zo, voor Antwoord weet wat Vraag graag wou, behalve het wisselen van complimenten, en pratend over de Alpen en Apennijnen, de Pyreneeën en de rivier de Po, wordt het weer langzaam tijd voor het souper. Maar dat is uiterst ridderlijk gezelschap, en het past bij een klimmend heerschap als ikzelf; want wie niet kruiperig doet wat mode eist, is geen waarachtig kind van eigen tijd; en dat ben ik, of ik het doorprik of niet. En niet alleen die houding of maniertjes, en de verschijning, en dat ridderpak, maar ook de sterke neiging om te vleien, dat zoet vergif voor de smaak van de tijd: al dat wil ik leren, niet om te bedriegen, maar ik wil het leren om bedrog te mijden; want daarmee wordt mijn opgaand pad bestrooid. Wie komt daar met zo’n haast in rijgewaad? Een vrouw, en renbode? Heeft zij geen man die vóór haar op de horen blazen wil? Lady Faulconbridge op en James Gurney O jee! Het is mijn moeder. Nog nieuws, Lady? Wat voert u hier naar het hof met zoveel haast? |
| Lady Faulconbridge | Waar is die schurk, jouw broer? Waar is die man,
die onophoudelijk jacht maakt op mijn eer? |
| Bastaard | Mijn broeder Robert? De oude Roberts zoon?
Colbrant de reus, die machtige, sterke man? Bent u aan het zoeken naar Sir Roberts zoon? |
| Lady Faulconbridge | Sir Roberts zoon! Ja, oneerbiedige knaap -
Sir Roberts zoon? - waarom bespot je Robert? Hij is Sir Roberts zoon, net zoals jij. |
| Bastaard | Laat ons hier eventjes alleen, James Gurney. |
| Gurney | Goed, beste Philip. |
| Bastaard | Philip? - Musje! - James,
het gerucht gaat: maar daarover zo meteen. Gurney af Mevrouw, ik was geen zoon van de oude Robert: Sir Robert kon snoepen op Goede Vrijdag al wat hij wou, hij brak zijn vasten niet: Sir Robert kon het doen - kon toch gaan trouwen - kon... mij krijgen? Dat kon Sir Robert niet. Wij kennen zijn handwerk: dus, goede moeder, wie ben ik dank verschuldigd voor mijn lichaam? Sir Robert hielp nooit om dit been te maken. |
| Lady Faulconbridge | Speel jij soms onder een hoedje met je broer,
jij, die om jezelf mij eer behoeden moest? Wat moet die spot, jij, onbehouwen knaap. |
| Bastaard | Ridder, ridder, moedertje, als Basilisco:
Ik heb de ridderslag! Pats op mijn schouder. Maar, moeder, ik ben niet Sir Roberts zoon: ik heb Robert afgezworen en mijn land; wettige geboorte, naam en zo zijn weg. Dus, moedertje, zeg wie mijn vader was; een knappe man, hoop ik; wie was het, moeder? |
| Lady Faulconbridge | Heb jij de naam van Faulconbridge verloochend? |
| Bastaard | Zoals ik de duivel afgezworen heb. |
| Lady Faulconbridge | Jouw vader was vorst Richard Leeuwenhart:
verleid door lang en heftig aandringen, liet ik hem in het echtelijke bed. Hemel, leg mij mijn misstap niet ten laste, jij, vrucht van het zwaar vergrijp onder mijn dak: hij drong zo sterk aan , dat mijn verzet brak. |
| Bastaard | Maar, bij dit licht, moest ik nog eens verwekt:
mevrouw, ik wenste mij geen betere vader. Er zijn zonde die op aarde zijn bevoorrecht, zoals die van u: uw fout was niet verdwaasdheid, u moest uw hart wel aan hem onderwerpen, als onderdanig aan zijn min gebod, tegen wiens furie en ongemene kracht zelfs de onversaagde leeuw niet vechten kon, of van zijn hart afhouden Richards hand. Wie met geweld leeuwen het hart ontrooft wint makkelijk dat van een vrouw. Ja, moedertje, uit heel mijn hart dank ik je voor mijn vader! Wie stelt dat jij in zonde en overspel mij liet verwekken, stuur ik naar de hel. Kom mee naar mijn familie; luister wat: hoe zondig was het geweest, zegt men, en fout, als jij Richard bij het spel geweigerd had; wie zegt van niet, die liegt: ik vond het stout. Allen af |