| Koning Lear
king lear vertaling Jan Jonk | |
|---|---|
|
eerste tweede derde vierde vijfde bedrijf Eerste Bedrijf Eerste toneel - Een statievertrek in het paleis van Koning Lear. Kent en Gloucester op, en Edmund | |
| Kent | Ik meende, dat de koning meer voelde voor de Hertog van Albany dan voor Cornwall. |
| Gloucester | Dat hebben wij altijd gedacht. Maar nu het aankomt op de verdeling van het koninkrijk, is het niet duidelijk, wie van de hertogen hij het meest waardeert; want, hoe goed men de zaak ook bestudeerd heeft, geen van de twee hertogen heeft reden gezien het stuk van de ander te verkiezen boven dat van zichzelf. |
| Kent | Is dit niet uw zoon, heer? |
| Gloucester | Ik heb hem gemaakt, heer, dat moet op mijn rekening. Ik heb zo vaak gebloosd hem te erkennen, dat ik daar nu ongevoelig voor ben. |
| Kent | Wat moet ik daarvan maken? |
| Gloucester | De moeder van die jongeman wist dat wel. Ze kreeg een dikke buik, en, heus heer, ze had al een zoon in haar wieg voor ze een echtgenoot had in haar bed. Ruikt u het foutje? |
| Kent | Maar goed dat het foutje niet voorkomen was, met zo'n knap resultaat. |
| Gloucester | Maar ik heb ook een wettige zoon, heer, ruim een jaar ouder dan deze; toch beschouw ik die niet als iemand die mij dierbaarder is. Al kwam die boef wat vrijpostig in de wereld voor hij was besteld, zijn moeder was heel mooi. Ik vond het heerlijk om hem te maken, en de hoerenzoon moet erkend worden. Kent u deze edelman, Edmund? |
| Edmund | Nee, heer. |
| Gloucester | De Heer van Kent. Onthoud voortaan, dat hij mijn hooggeëerde vriend is. |
| Edmund | Altijd tot uw dienst, heer. |
| Kent | Ik moet u wel aardig vinden, en ik zal mijn best doen u beter te leren kennen. |
| Edmund | Ik zal zorgen dat ik het waard ben. |
| Gloucester | Hij is negen jaar in den vreemde geweest, en hij gaat wéér weg. Daar komt de koning.
Fanfare. Er wordt een kroon binnen gedragen. Koning Lear op, Cornwall, Albany, Goneril, Regan, Cordelia, en gevolg |
| Lear | Haal de Heren Frankrijk en Bourgondië,
Gloucester. |
| Gloucester | Zeker, mijn Vorst.Gloucester en Edmund af |
| Lear | Hoor ondertussen ons verborgen plan.
De kaart. Besloten hebben wij ons rijk in drieën te delen; oud als wij zijn, willen wij af van zorg en staatsbestel, het aan jongeren overdragen, terwijl wij, ontlast, voortkruipen naar de dood. Zoon Cornwall, en u, ons even lief, zoon Albany, nu komt het ogenblik dat u zult horen, wat elk van onze dochters krijgt aan bruidsschat - dan is er straks geen strijd. De prinsen van Bourgondië en Frankrijk zijn al zo lang onze jongste dochter het hof aan het maken. Thans horen zij ons antwoord. Zeg mij, dochters, - nu wij gaan afleggen het staatsbestuur, landeigendom en alle heerschappij -, wie kan ik zeggen houdt het meest van ons? Dan geven wij de gulste gave daar, waar vaderliefde die van kinderen recht doet. Goneril, onze oudste, spreek als eerste. |
| Goneril | Heer, meer houd ik van u dan een woord kan zeggen,
dan ogen kunnen zien, in ruimte en vrijheid, meer dan wat rijkdom heet en lang gezocht wordt, dan leven, gratie, eer, gezondheid, schoonheid. Geen kind gaf ooit een vader zoveel liefde; de adem stokt, de spraak verliest zijn kracht; mijn liefde voor u gaat al dit te boven. |
| Cordelia | [Terzijde] Wat moet Cordelia zeggen? Liefde is stil. |
| Lear | Van al dit land, hier deze lijn tot daar,
vol lommerrijke wouden, open vlakten, vol brede rivieren, wijdliggend grasland, zijn jij en jullie nazaten de heersers in eeuwigheid. Wat zegt de tweede dochter van ons, die lieve Regan, vrouw van Cornwall? |
| Regan | Ik ben uit hetzelfde hout als zij, mijn zuster;
schat mij in zoals haar. Diep in mijn hart, drukt zij het wezen van mijn liefde uit. Alleen schiet zij tekort, want ik verklaar, dat ik een vijand ben van elke vreugde die het zeer gevoelig hart mij wensen doet, en vind, dat ik alleen gelukkig ben in liefde met uwe hoogheid. |
| Cordelia | Arme Cordelia!
Maar nee, niet arm; ik weet toch, dat mijn liefde veel zwaarder weegt dan mijn tong. |
| Lear | Als eeuwig erfgoed krijg jij, met jouw kinderen,
een derde ruim van dit, ons prachtig rijk, minstens zo groots, en waard en vreugdevol als dat van Goneril. Nu, onze vreugde, de laatste, en kleinste; wier jonge liefde de wijn van Frankrijk, de melk van Bourgondië zich uitputten te winnen; spreek, en krijg een rijker deel dan al uw zusters. Spreek. |
| Cordelia | Niets, mijn heer. |
| Lear | Niets? |
| Cordelia | Niets. |
| Lear | Niets kan ontstaan uit niets. Probeer opnieuw. |
| Cordelia | Het is mijn ongeluk, dat ik mijn hart
niet op kan beuren naar mijn mond. Als kind, niet meer, niet minder, houd ik veel van u. |
| Lear | O nee, Cordelia! Spreek anders, beter,
want zo verspeelt u uw geluk. |
| Cordelia | U, heer,
hebt mij verwekt, bemind en opgevoed. Ik geef wat passend is daarvoor terug, zoals gehoorzaamheid en liefde en eer. Mijn zusters hebben mannen, en toch hoor ik, dat zij van u houden? Wanneer ik trouw, zal wie mijn woord van trouw krijgt met zich dragen mijn halve liefde, halve zorg en plicht. Nooit zal ik een huwelijk aangaan als mijn zusters, als ik mijn vader al mijn liefde geef. |
| Lear | Maar meent je hart dit ook? |
| Cordelia | Wel zeker, heer. |
| Lear | Zo jong, en al zo hard. |
| Cordelia | Zo jong, heer, en oprecht. |
| Lear | Goed dan. Oprechtheid zal je bruidsschat zijn.
Want, bij het heilig stralen van de zon, bij Hecates mysteriën, en de nacht, bij alle invloed van de hemelbollen die ons bestaan bepalen en ons einde, wijs ik hier af de zorg die ik heb als vader, de nauwe band, en engste bloedverwantschap, en zal jou, vreemde voor mijn hart, eeuwig hiervan weghouden. De Scythische barbaar, of hij die al zijn kroost tot voedsel maakt om zijn vraatzucht te stillen, die zal ik net zo ontvangen, opbeuren en troosten als jij die ooit mijn dochter was. |
| Kent | Goede vorst, - |
| Lear | Stil, Kent!
Kom niet tussen de draak staan en zijn toorn. Van haar hield ik het meest, ik had alles ingezet om lief voor haar te zorgen. Uit mijn ogen! Zo waar mijn graf mijn rust zij, geef ik aan anderen haar vaders hart. Roep die van Frankrijk. Nou? Die van Bourgondië. Cornwall en Albany, slok samen deze bruidsschat ook maar op. Laat trots, die zij oprechtheid noemt, haar trouwen. U beiden kleed ik hier met al mijn macht, mijn opperste gezag, de pracht en praal die majesteit omringt. Zelf zal ik, om de maand, met honderd ridders die ik aan zal houden - door u bekostigd - steeds mijn intrek nemen bij een van jullie. Maar wij wensen te behouden de naam en het ceremonieel van koning; aan u gezag, inkomsten, uitvoerend beleid, geliefde zonen. Bekrachtigd zij mijn woord met deze kroon, voor allebei. |
| Kent | Vorst Lear,
die ik als mijn koning altijd heb geëerd, als vader liefgehad, gevolgd als meester, als schutspatroon beschouwd heb in gebed, - |
| Lear | De boog kromt zich, staat strak; vlucht voor de pijl. |
| Kent | Laat hem maar komen, al doorboort de punt
mijn hart. Laat Kent zijn harde woorden, als Lear waanzinnig is. Wat wou jij, oude man? Denk jij dat plicht bang zijn moet om te spreken, als macht zich buigt voor strooptaal? Eer eist oprechtheid, als majesteit tot waanzin valt. Blijf waardig, en kom, na ampele overweging, terug op het vreselijk haastbesluit. Zo waar ik leef, jouw jongste houdt bepaald niet het minst van jou; niet harteloos zijn zij, wier zachte klanken geen leegheid laten galmen. |
| Lear | Kent, je waagt je leven. |
| Kent | Dat was voor mij altijd al een pion
tegen jouw vijand, en om jou te redden verlies ik het graag. |
| Lear | Ik wil je niet meer zien. |
| Kent | Kijk beter, Lear, en laat mij altijd blijven
het ware doelwit van jouw ogen. |
| Lear | Wel, bij Apollo, - |
| Kent | Wel, bij Apollo, koning,
jij roept vergeefs je goden aan. |
| Lear | Jij, knecht, jij ketter!Brengt zijn hand naar zijn zwaard |
| Alb, Cornw. | Beheers u, goede heer. |
| Kent | Dood je geneesheer, en besteed zijn loon
aan die ellendige kwaal. Herroep je gift; anders zal ik, zo lang mijn keel nog kracht heeft, jou zeggen dat je onrecht doet. |
| Lear | Luister, rebel.
Bij jouw woord van trouw, luister naar mij. Dus jij dacht ons tot eedbreuk aan te zetten - nog nooit vertoond. Waar haal je het lef vandaan: jij tussen ons besluit en onze macht. Noch onze aard, noch onze rang duldt dit. Wij heersen hier nog steeds: dit is jouw loon. Vijf dagen geven wij jou om te zorgen je tegen 's werelds ongemak te wapenen; wend op de zesde je gehate rug dan naar ons rijk; en vindt men op de tiende jouw uitgebannen romp in ons gebied, is dat jouw dood. Weg nou! Bij Jupiter, herroepen wordt dit niet. |
| Kent | Vaarwel, dan, koning; als het zo ligt, Lear,
leeft vrijheid elders, en verbanning hier. [Tegen Cordelia] Dat jou het godenheir met rust omgeeft, die zeer juist denkt en goed gesproken heeft. [Tegen Goneril en Regan] Als jullie doen wat jullie grootspraak zegt, komt er van liefdewoorden iets goeds terecht. Vorsten, vaarwel, hoor allen wat ik u zeg: in een nieuw land gaat Kent zijn oude weg.Af Trompetgeschal. Gloucester, Frankrijk en Bourgondië weer op, met gevolg |
| Gloucester | Hier zijn Bourgondië en Frankrijk, heer. |
| Lear | Heer van Bourgondië,
wij spreken eerst tot u, die met die koning naar onze dochter dong. Wat moet het zijn, dat u ten minste als bruidsschat had gedacht - of u ziet van uw aanzoek af? |
| Bourgondië | Majesteit,
ik verlang niet meer dan uwe Hoogheid aanbood - met minder komt u niet. |
| Lear | Edele Bourgondië,
toen zij ons dierbaar was, was ze ons veel waard, maar nu is haar prijs gedaald. Daar staat ze, kerel: als er in heel dat stuk oprechtheid iets, of alles, inclusief ons toornig brein, en verder niets, uw Edele nog iets lijkt, daar staat ze: ze is van u. |
| Bourgondië | Ik sta perplex. |
| Lear | Daar staat zij, zonder vrienden, zonder iets,
voor onze haat een nieuw-gekoesterd kind, als bruidsschat onze vloek, een vreemdeling. Wilt u ze zo, of niet? |
| Bourgondië | Vergeef mij, hoogheid,
bij zulke voorwaarden is er geen keus. |
| Lear | Laat haar dan, man. Bij de almacht die mij maakte,
dit is al haar bezit. [Tegen Frankrijk] Mijn grote koning. Hoe kan ik u koppelen aan wie ik haat, dat schaadt de vriendschap. Nu, volg mijn advies, en zet uw voorkeur op een waardiger koers dan de ellende waarvoor de natuur zich schaamt als maaksel. |
| Frankrijk | Dit bestaat toch niet,
dat zij die nog zojuist uw liefste was, de balsem van uw ouderdom, uw beste, uw oogappel, in zo een mum van tijd zo iets monsterlijks kon doen, dat zij het gewaad van gunst moest afleggen. Haar misdaad moet wel zwaar tegennatuurlijk zijn, monstrueus, of al uw woorden van genegenheid stellen niets voor. Dit over haar te horen kan het verstand mij zonder wonderen nooit doen geloven. |
| Cordelia | Toch smeek ik uwe majesteit
- als ik tekortschiet in die gladde kunst van mooie en lege woorden, omdat ik vóór ik spreek goed weet wat ik zal doen - , bekend te maken, dat het geen schandvlek is, geen moord of doodslag, geen daad die eer verliest of zedigheid, dat uw genadige gunst mij heeft verstoten, maar juist het gemis - wat mij zoveel te rijker maakt - van ogen van een gier en van een taal die ik - blij toe - niet heb, al kost het gemis mij uw genegenheid. |
| Lear | Beter niet verwekt,
dan niet beter gesproken naar mijn hart. |
| Frankrijk | Is het slechts dit? Is de natuur te traag,
dat zij wat binnen in haar zit zo vaak onuitgesproken laat? Heer van Bourgondië, wat gaat u zeggen? Liefde is geen liefde, als er motieven meespelen die niet het wezenlijke dienen. Wilt u haar? Zij is haar eigen bruidsschat. |
| Bourgondië | Majesteit.
Geef toch het deel dat u had voorgesteld, en ik neem hier Cordelia tot vrouw, tot Hertogin van het Bourgondisch rijk. |
| Lear | Niets; mijn eed ligt vast; ik bind niet in. |
| Bourgondië | Het spijt me dan. U bent een vader kwijt,
en dus een echtgenoot. |
| Cordelia | Ga heen, Bourgondië.
Zijn liefde kijkt alleen maar naar bezit; ik zal zijn vrouw niet zijn. |
| Frankrijk | Mooie Cordelia, arm, en toch zo rijk,
het allerhoogst het laagst, geliefd veracht. Hier neem ik jou en alles wat je bent. Ik mag oprapen wat verworpen is. Goden. Hoe vreemd, dat uit hun kilste hoon mijn liefde ontvlamt tot vurig eerbetoon. Zonder een bruidsschat valt zij mij in de hand, Landsvrouw van ons en ons mooi Frankenland. Geen hertogje in Bourgondië koopt haar uit, mijn laaggeprijsde, hoog geprezen bruid. Groet hen, met hun tegennatuurlijkheid; verlies hier, maar vind elders betere tijd. |
| Lear | Nu heb je haar, Frankrijk; ze is van jou, want wij
hebben zo'n dochter niet. Geen blik zal zij van ons ooit nog ontvangen. Dus, hop, voort, geen zegen, liefdeblijk of afscheidswoord. Kom, edele Bourgondië. Trompetgeschal. Lear af, met Bourgondië, Cornwall, Albany, Gloucester, en dienaren |
| Frankrijk | Zeg uw zusters ook vaarwel. |
| Cordelia | Vaders juwelen, met betraande ogen
verlaat ik jullie. Wat ken ik jullie goed. Als zusje doet het pijn om fout voor fout bij jullie op te noemen. Bemin vader. Ik laat hem over aan uw mooie woorden. En toch, helaas, was ik nog in zijn gunst, dan had ik hem een betere plaats gewenst. Het ga uw beiden goed. |
| Regan | Ook nog een wijze les! |
| Goneril | Doet u uw best
uw heer te behagen, die u ontvangen heeft als aalmoes van het Geluk. Ongehoorzaamheid heeft u terecht tot uw gemis geleid. |
| Cordelia | De tijd ontmaskert wat sluw spel verhult;
hij dekt nu, wat hij straks grijnzend onthult. Het ga u goed. |
| Kent | Kom, mooie Cordelia.Frankrijk en Cordelia af |
| Goneril | Zuster, waar ik u nog over spreken wil is niet onbelangrijk en gaat ons beiden aan. Ik denk dat vader vanavond nog weggaat. |
| Regan | Zeker, en met u; de volgende maand met ons. |
| Goneril | Nou ziet u toch maar weer, hoe grillig zijn oude dag is. Daar hebben we vandaag wel een heel duidelijk voorbeeld van gehad: zusje was altijd zijn liefste, en kijk nou toch eens op wat voor onzinnige gronden hij haar heeft verworpen. |
| Regan | Dat hoort bij de gebreken van de oude dag. Hij heeft zich trouwens altijd al moeilijk in de hand weten te houden. |
| Goneril | Ook in zijn beste en verstandigste jaren was hij onberekenbaar. Wat zullen we dan niet van zijn oude dag moeten verwachten, nu we bovenop zijn ingewortelde neiging tot onvolkomenheid ook nog een onberekenbare eigenzinnigheid zullen moeten zien, die de jaren van aftakeling met zich meebrengen. |
| Regan | We kunnen elk moment van die plotselinge uitbarstingen verwachten, zoals de verbanning van Kent. |
| Goneril | Er zijn nog wat afscheidsformaliteiten tussen hem en de Franse Koning. Laten we samen duidelijk stappen ondernemen. Als vader zijn gezag blijft uitoefenen zoals we net hebben gezien, dan zal die wilsbeschikking van zojuist ons zeer ongelegen komen. |
| Regan | We zullen er verder over nadenken. |
| Goneril | Wij moeten iets doen, nu het ijzer heet is.Af
Tweede toneel - Het kasteel van de Hertog van Gloucester Edmund op, met een brief |
| Edmund | Natuur, wees mijn godin; enkel uw wet
gehoorzaam ik. Moet ik afhankelijk zijn van die pestmoraal, krijg ik zomaar, door pietlutterige conventies, geen rechten, alleen omdat ik twaalf maanden later kwam, na een broer? Waarom bastaard? Waarom laag? Wanneer ik in al mijn maten even goed ben, galant van geest, een perfect evenbeeld als wie eerzaam geboren werd. Onecht brandmerkt men ons, bastaard, laag. Waarom laag? Wij, die de steelse wellust der natuur meer heftigheid en pit gegeven heeft dan ooit een uitgeblust, vermoeid, saai bed aan horden stommelingen heeft verwekt tussen slaap en wakker worden. Kortom. Mijn legitieme Edgar, ik wil uw land: uw en mijn vader houdt van bastaard Edmund, als hem die wettig kwam. Mooi woord, dat ‘wettig’. Wel, wettige, heeft deze brief succes, en lukt mijn plan, dan staat Edmund, de lage, boven de wettige. Ik groei, ik bloei. Goden, rechtop voor bastaarden. Gloucester op |
| Gloucester | Kent zo verbannen. Frankrijk woedend af.
De Koning weggegaan. Zijn macht beknot. Krijgt maar een toelage. Dat allemaal op stel en sprong! - Edmund, u hier? Nog nieuws? |
| Edmund | Vergeef me, heer, geen nieuws. |
| Gloucester | Waarom die brief zo haastig weggemoffeld? |
| Edmund | Ik heb echt geen nieuws, edele heer. |
| Gloucester | Wat was u dan aan het lezen? |
| Edmund | Niets, edele heer. |
| Gloucester | Wat ging er dan met vreselijke haast die zak van u in? Wat niets is hoeft zich niet zo te verbergen! Laat eens zien, kom; als het niets is, dan heb ik geen bril nodig. |
| Edmund | Alstublieft, heer, doe dat toch niet. Het is een brief van mijn broer, die ik nog niet helemaal uitgelezen heb. Maar voorzover ik gezien heb, is het niet juist, dat u er naar kijkt. |
| Gloucester | Geef me die brief, man. |
| Edmund | Ik zal altijd iemand boos maken, of ik hem nou geef, of niet. Voorzover ik de brief begrepen heb, ligt het aan de inhoud. |
| Gloucester | Laat maar kijken, laat maar kijken. |
| Edmund | Ik wil het opnemen voor mijn broer, en ik hoop dat hij dit geschreven heeft om mijn deugdzaamheid uit te proberen. |
| Gloucester | [Leest] Dat sluwe maniertje van ouderdom om voor zich te laten buigen maakt de wereld bitter in onze beste jaren; dat houdt ons weg van ons fortuin, totdat we te oud zijn om ervan te genieten. Ik voel mij langzaam als een slaaf, die dwaas en doelloos dient onder de druk van hoogbejaarde tirannie, die heersen kan, niet door zijn eigen macht, maar omdat wij hem dulden. Kom naar mij toe, dan zal ik er nog meer van zeggen. Als mijn vader eens slapen kon tot ik hem wakker maakte, dan zou u eeuwig van zijn halve vermogen kunnen genieten, en altijd geliefd zijn bij uw broer, Edgar. -
Ha! Een complot! ‘Slapen tot ik hem wakker maakte, - u zou zijn halve vermogen genieten.’ Mijn zoon Edgar. En heeft hij dat geschreven? En heeft hij een hart en hoofd om dat uit te broeden? Hoe komt u hieraan? Wie heeft u dat gegeven? |
| Edmund | Men heeft het me niet gegeven, heer; daar zit hem nu juist het geniepige: ik heb het gevonden bij het openslaand venster van mijn kamer. |
| Gloucester | Kent u het handschrift als dat van uw broer? |
| Edmund | Als het een goede zaak was, heer, zou ik er op durven zweren; maar, wat dat betreft, zou ik liever nee zeggen. |
| Gloucester | Het is van hem. |
| Edmund | Zijn handschrift, heer; maar qua inhoud hoop ik niet zijn hart. |
| Gloucester | En hij heeft u nooit gepeild in deze zaak? |
| Edmund | Nooit, heer. Maar ik heb hem vaak horen beweren, dat het goed is, dat, met zonen op de juiste leeftijd en met vaders afgeleefd, de vader onder voogdij van de zoon komt, en de zoon de inkomsten beheert. |
| Gloucester | Die schurk, die schurk. Zo staat het ook in de brief. Verachtelijke schurk. Ontaarde schurk, vervloekt, jij, beest. Nog erger dan een beest. Hup, kerel, zoek hem; ik zal hem te pakken krijgen. Afgrijselijke schurk. Waar kan hij zijn? |
| Edmund | Dat weet ik niet precies, heer. Als u zo goed wilt zijn, om de verontwaardiging jegens mijn broer op te schorten tot u van hem een betere verklaring krijgt van wat hij van plan is. Dan zou u een zekere koers kunnen varen. Terwijl, als u heftig tegen hem tekeer gaat, met wellicht een foute inschatting van zijn bedoelingen, dan zou dat uw eigen eer behoorlijk kunnen schaden, en het hart van zijn gehoorzaamheid in stukken kunnen slaan. Ik durf mijn eigen leven in te zetten, dat hij dit geschreven heeft, om te peilen hoeveel mij uw eer waard is, en niet om iets dat gevaarlijk zou kunnen zijn. |
| Gloucester | Denkt u dat echt? |
| Edmund | Als uw edele het goed acht, zal ik u een plaats aanwijzen waar u ons hierover kunt horen praten, en waar uw oren zekerheid kunnen geven zodat u tevreden bent; en dat eigenlijk onmiddellijk, nog vanavond. |
| Gloucester | Hij zal toch niet zo’n monster zijn - |
| Edmund | Dat is hij zeker niet. |
| Gloucester | - voor zijn vader, die hem zo teder en zo van ganser harte bemint. Hemel en aarde! Edmund, zoek hem op; wurm je, om mij, in zijn vertrouwen, alsjeblieft. Regel de zaak naar eigen inzicht. Ik gaf mijn rang en mijn fortuin, om zeker te weten, of hij onschuldig is of niet. |
| Edmund | Ik ga hem onmiddellijk zoeken, heer. Ik regel de zaken zo goed als ik kan, en ik houd u op de hoogte. |
| Gloucester | Die verduisteringen van de zon en de maan van de laatste tijd voorspellen niets goeds voor ons. Al kan de wetenschap ze zus of zo verklaren, toch wordt de natuurlijke wereld van de mens geteisterd door de rampen die volgen. Liefde bekoelt, vriendschap vervalt, broers gaan uiteen; in steden vindt men oproer, in landen tweedracht, in paleizen verraad, en de band tussen vader en zoon breekt stuk. Die schurk van mij valt onder die voorspelling: daar is die zoon tegen de vader; de Koning gaat in tegen zijn natuurlijke instinct: daar is die vader tegen zijn kind. Onze beste tijd ligt achter ons: intrige, valsheid, en verraad, ja, alles wat verderf en rampen brengt, zij volgen ons onrustig naar ons graf. Zie dat je die schurk te pakken krijgt, Edmund; je verliest er niets bij. En weet goed wat je doet. En die nobele, oprechte Kent nog verbannen ook! Zijn misdaad eerlijkheid! Het is ongehoord.Af |
| Edmund | Hoe kan de wereld toch zo buitengewoon stom zijn, dat wij, als het ons in geluk niet goed gaat - vaak het kwalijk gevolg van eigen daden -, de schuld van rampen geven aan de zon, de maan en de sterren. Alsof wij schurken zijn uit noodzaak, dwazen die de hemel dwingt, boeven, dieven en verraders door de dominantie van de sferen, dronkaards, leugenaars en echtbrekers die gedwongen zijn de invloed van de planeten te gehoorzamen, en alles waar we slecht door zijn door bovennatuurlijke dwang. Wat een geweldige uitvlucht voor die hoeren-knecht, de mens, om zijn geilheid aan een ster te wijten! Mijn vader kwam bij mijn moeder onder Ursa Major, en daarom ben ik rauw en geil. Puh, dat zou ik ook geweest zijn, als de kuiste ster aan het firmament had getwinkeld toen ik als bastaard werd ontvangen. Edgar -
Edgar open pats, daar is hij dan, als de ontknoping bij die oude blijspelen. Mijn wachtwoord is: gemene melancholie, met een zucht als die van Tom uit het gekkenhuis. O, al die verduisteringen voorspellen deze verandering van toon. Fa, sol, la, mi. EdgarHé, broertje Edmund. Waar loopt u zo ernstig over na te denken? |
| Edmund | Over een voorspelling, broertje, die ik pas geleden gelezen heb. Wat men zegt, dat gaat volgen op deze verduisteringen.
EdgarHoudt u zich daar mee bezig? |
| Edmund | Ik verzeker u, dat de effecten waar hij over schrijft, heel vervelend zullen blijken; zoals het tegennatuurlijke gedrag van kind en vader; zoals dood, schaarste, en het uiteenvallen van oude vriendschappen; politiek oproer; dreigementen, tegen koning en adel, en kwaadsprekerij; onnodige verdenking, verbanning van vrienden, uiteenvallen van cohorten; breuk in huwelijken, en wat nog allemaal meer.
EdgarHoe lang gelooft u al in astrologie? |
| Edmund | Wanneer hebt u mijn vader het laatst gezien?
EdgarGisteravond nog. |
| Edmund | En hebt u met hem gesproken?
EdgarZeker, twee uur lang. |
| Edmund | En zijn jullie als vrienden uit elkaar gegaan? Heeft u niet gemerkt dat hij geërgerd was, door zijn woorden of door hoe hij keek?
EdgarHelemaal niet. |
| Edmund | Denk dan toch maar eens goed na, hoe u hem misschien boos hebt gemaakt. En kom alstublieft niet in zijn buurt, tot er wat tijd is verlopen en de hitte van zijn ontstemdheid wat is bekoeld. Op dit moment gaat die zo fel in hem tekeer, dat die nauwelijks zou bedaren zelfs al zou hij u iets aandoen.
EdgarEen of andere schurk heeft mij belazerd. |
| Edmund | Daar ben ik ook bang voor. Houd toch uw gevoel in bedwang en blijf bij hem uit de buurt, tot het tempo van zijn woede wat terugloopt, en, o ja, kom met me mee naar mijn kamer, vanwaar ik het zo zal regelen, dat u kunt horen wat mijn vader zegt. Ga nou, alstublieft, hier is mijn sleutel. Als u toch naar buiten gaat, neem dan een wapen mee.
EdgarEen wapen, broer? |
| Edmund | Ja, broer, dat is de beste raad die ik u kan geven. Als u alleen maar goede dingen te wachten stonden, was het niet eerlijk wat ik zei. Maar ik heb u gezegd wat ik gehoord en gezien heb; en dan nog zwak, helemaal niet de vreselijke realiteit van het geheel! Ga toch, alstublieft.
EdgarKrijg ik snel bericht van u? |
| Edmund | U kunt in deze op mij rekenen.Edgar af
Een vader die het gelooft; een nobele broer, eentje die zo goudeerlijk is van aard, dat hij geen argwaan kent; hij gelooft mij echt; het werkt, mijn truc; dat zit wel goed. Niet afkomst geeft mij land, maar slimmigheid; alles is goed, als het maar naar het einddoel leidt.Af Derde toneel - Een kamer in het paleis van de Hertog van Albany Goneril op, en Oswald, haar hofmeester |
| Goneril | Heeft mijn vader iemand uit mijn gevolg geslagen, omdat die zijn nar op zijn nummer zette? |
| Oswald | Ja, mevrouw. |
| Goneril | Bij dag en nacht, hij ergert mij. Elk uur
barst hij weer in een nieuwe grofheid uit, die ons allen woedend maakt; het hoeft niet meer. Zijn ridders worden lastig, en hijzelf valt ons aan over niets. Straks, na de jacht, praat ik niet meer met hem; ik ben ziek, zeg maar. Als u hem minder goed dient dan voorheen, dan is het goed; het is mijn verantwoording. |
| Oswald | Hij komt er aan, mevrouw; ik hoor hem.Hoorngeschal in de verte |
| Goneril | Laat, samen met uw mannen, hem voortaan
links liggen: zo drijf ik het op de spits. Zint hem dat niet, dan kan hij naar mijn zuster. Wij zijn het samen roerend eens, weet ik, dat wij de baas zijn. Stomme, oude man, die steeds nog zijn gezag wil laten gelden dat hij heeft weggegeven. Nou, geloof me, het zijn baby’s, die oude gekken; dus geef ik geen schouderklopjes, maar een ferme tik. Onthoud goed wat ik zeg. |
| Oswald | Zeker, mevrouw. |
| Goneril | Laat iedereen van nu af koeltjes zijn
voor al zijn ridders. Wat er van komt, geeft niet. Ik zoek een gelegenheid, en krijg die ook, mij uit te spreken. Ik schrijf mijn zus een brief, dat zij moet doen als ik. Zorg voor de maaltijd.Beiden af Vierde toneel - Een zaal in hetzelfde paleis Kent, vermomd, op |
| Kent | Als ik daarbij ook nog heel anders praat,
mijn stem verdraai, dan is het goede doel waarvoor ik mijn uiterlijk zo fraai vermomd heb verzekerd van succes. Verbannen Kent, als jij kunt dienen waar je bent veroordeeld - moge het dat zijn -, dan zal je lieve meester veel van je kunnen vragen. Hoorngeschal. Lear op, met ridders en gevolg |
| Lear | Ik wil niet meer wachten op het eten. Maak het klaar.Een dienaar af
Wat is dat nu? Wat ben jij? |
| Kent | Een man, heer. |
| Lear | Wat doe je voor de kost? Wat wil je van ons? |
| Kent | Ik heb niet minder voor dan dat u voor u ziet: hem te dienen die vertrouwen in mij stelt; van hem te houden die eerlijk is; mij met hem te onderhouden die wijs is en weinig zegt; oordeel te vrezen; te vechten als ik moet; en geen vis te eten. |
| Lear | Wat ben jij? |
| Kent | Een kerel met een eerlijk hart; iemand die net zo arm is als de Koning. |
| Lear | Als jij net zo’n armzalige onderdaan bent als hij Koning, dan ben je arm genoeg. Wat wil je? |
| Kent | Dienen. |
| Lear | Wie zou je willen dienen? |
| Kent | U. |
| Lear | Weet je wie ik ben, man? |
| Kent | Nee, heer; maar u heeft iets in uw voorkomen, dat ik graag ‘meester’ noemen zou. |
| Lear | Wat is dat dan? |
| Kent | Gezag. |
| Lear | Wat voor diensten kun je doen? |
| Kent | Ik kan een belangrijk geheim bewaren, ik kan paardrijden, rennen, een prachtig verhaal klungelig navertellen, een duidelijke boodschap onbeholpen overbrengen. Waar gewone mensen geschikt voor zijn, kan ik ook, en mijn beste kant is ijver. |
| Lear | Hoe oud ben je? |
| Kent | Niet zo jong, heer, dat ik niet verliefd meer wordt op een vrouw omdat ze mooi zingt, en ook niet zo oud om niet mijn hart te verliezen. Ik draag achtenveertig jaren op mijn rug. |
| Lear | Volg me, je bent aangenomen. Als ik je na het eten niet minder mag, laat ik je nog niet gaan. Eten, zeg ik. Waar is mijn zottekop? Mijn Nar? Ga die Nar van me eens gauw roepen.
Oswald opEen dienaar af Zeg meneertje, waar is mijn dochter? |
| Oswald | Zo het u behaagt -Af |
| Lear | Wat zegt die kerel nou? Haal die lummel terug.Een ridder af
Waar is mijn Nar? De wereld slaapt, geloof ik. Ridder weer opNou, waar is die stomme hond? |
| Ridder | Hij zegt, heer, dat uw dochter zich niet goed voelt. |
| Lear | Maar waarom kwam die slaaf niet terug toen ik hem riep? |
| Ridder | Hij zei mij recht in het gezicht dat hij niet wilde. |
| Lear | Dat hij niet wilde! |
| Ridder | Ik weet niet, wat er aan de hand is, heer. Maar volgens mij wordt Uwe Hoogheid niet behandeld met de gebruikelijke ceremoniële minzaamheid. Het komt mij voor, dat de vriendelijkheid veel minder geworden is in de houding van de ondergeschikten in het algemeen, als in die van de Hertog zelf en van uw dochter. |
| Lear | Zo, zo. En wat vind je daarvan? |
| Ridder | Met uw verlof, heer, vergeef mij, als ik het fout heb; maar mijn plichtsgevoel kan niet zwijgen als ik zie dat men Uwe Hoogheid onrecht aandoet. |
| Lear | Jij maakt mij alleen attent op wat ik zelf al dacht. Ik heb de laatste dagen gemerkt dat men mij min of meer verwaarloost. Ik dacht er beter aan te doen dat te wijten aan mijn eigen overdreven achterdocht, dan aan bedoelde en weloverwogen onvriendelijkheid. Ik zal er eens meer op gaan letten. Maar waar is mijn Nar? Ik heb hem al in geen twee dagen gezien. |
| Ridder | Sinds mijn jonge prinses naar Frankrijk is vertrokken, is de nar zeer weemoedig geworden. |
| Lear | Daar wil ik niets meer over horen. Ik heb het wel gezien. Ga mijn dochter zeggen, dat ik haar spreken wil.Een dienaar af
Roep mijn Nar hierheen.Een dienaar af Oswald weer opZo heerschap, kom eens even hier. Wie ben ik? |
| Oswald | De vader van mijn meesteres. |
| Lear | ‘De vader van mijn meesteres’. Het knechtje van mijn heer. Hond, hoerenzoon. Slaaf. Stuk ellende. |
| Oswald | Met uw verlof, heer, ik ben niets van dat alles. |
| Lear | En durft u mij recht aan te kijken, schurk?Slaat hem |
| Oswald | Ik laat mij niet slaan, heer. |
| Kent | En ook niet pootje haken, gemene voetballer.Hij laat hem struikelen |
| Lear | Dank je, kerel. Je bent mijn dienaar, en ik mag je graag. |
| Kent | Hop, kerel, opstaan en wegwezen. Ik zal je leren, wie je voor je hebt. Als je weer wil meten hoe lang dat stomme lijf van je is, moet je even blijven. Wegwezen, schiet op. Snap je hem? [Oswald af] Zo, die is weg. |
| Lear | Mijn beste kerel, dank je wel. Hier is wat voor je dienst.Hij geeft Kent geld
Nar op |
| Nar | Ik wil ook, dat hij mij dient: hier is mijn zotskap.Biedt Kent zijn kap aan |
| Lear | Zo, beste kereltje, hoe gaat het met jou? |
| Nar | Vriend, ik zou mijn zotskap maar nemen. |
| Kent | Waarom, Nar? |
| Nar | Nou, omdat je partij trekt voor iemand die uit de gunst is. Als je niet mee lacht met hoe de wind staat, sta je buiten in de kou. Neem mijn zotskap toch aan. Deze vent heeft twee van zijn dochters verbannen, en de derde gezegend tegen zijn wil. Als je hem volgt, dan moet je ook mijn zotskolf dragen. Ja, Nonkeltje, had ik toch maar twee zotskolven en twee dochters. |
| Lear | Waarom dan, jongen? |
| Nar | Als ik alles gaf wat ik had, dan hield ik mijn zotskappen voor mezelf. Daar is die van mij, ga de andere maar bij je dochters vragen. |
| Lear | Pas op voor de zweep, kereltje. |
| Nar | De waarheid is een hond die het hok in moet, en met de zweep eruit. En Vrouwtje Teef mag bij het vuur staan stinken. |
| Lear | Ik word er hier onaangenaam en bitter doorgehaald. |
| Nar | Vriend, ik zal je een versje leren. |
| Lear | Ja. |
| Nar | Let op, Nonkeltje.
Zwijg van wat je spaart; weet veel, maar bewaar ‘t; leen niet van de waard; ga meer met je paard; geloof niet wat je ervaart; gok nooit op één kaart. Laat drank en hoertjes staan; ga niet van huis vandaan; dan heb je meer voortaan dan vijf maal vijf in een meier gaan. |
| Kent | Maar dat is niets, Nar. |
| Nar | Dan is het als de adem van een onbetaalde advocaat; u heeft me er niets voor gegeven. Kunt u niets gebruiken, Nonkeltje? |
| Lear | Maar jongetje, toch: van niets valt niets te maken. |
| Nar | [Tegen Kent] Kun je hem niet vertellen, dat dat de opbrengst van zijn land zal zijn. Hij gelooft een Nar toch niet. |
| Lear | Een bittere Nar. |
| Nar | Ken je het verschil, mijn jongen, tussen een bittere Nar en een zoete? |
| Lear | Nee, manneke, vertel. |
| Nar | Die heer met goede raad,
die jou ‘t land weg liet geven, zorg dat hij naast jou staat, of kom hier zelf maar even: de zoete en bittere Nar staan dan pal naast elkaar, de een in narrenpak, de andere staat daar. |
| Lear | Noem jij mij een nar, jongen? |
| Nar | Alle andere titels heb je weggegeven; die is je aangeboren. |
| Kent | Dat is niet helemaal narrenpraat, heer. |
| Nar | Nee, want dat mag ik niet van de Edelen en de Grote Heren. Had ik een monopolie, dan zouden ze er aan mee willen doen. En de dames ook, want die willen niet dat ik alle narrenpraat voor mezelf houd. Ze pikken het van me af. Nonkeltje, geef me een ei, dan geen ik jou twee kronen. |
| Lear | Want voor twee kronen zullen dat zijn? |
| Nar | Nou ja, als ik het ei doormidden heb gekapt en opgegeten, de twee doppen. Toen jij je kroon doormidden kapte, en de twee stukken weggaf, droeg je je ezel op je rug door de modder. Je had nog maar weinig verstand in die kale kroon van je, toen je die van goud weggaf. Als ik hier praat als een dwaze nar, dan mag degene die dat als eerste vindt de zweep krijgen.
Dit jaar staat geen Nar in gunst, de wijzen zelf zijn dwazen - al missen zij de woordspelkunst; ‘t zijn apen die wat razen. |
| Lear | Sinds wanneer zit jij zo vol liedjes, manneke? |
| Nar | Daar ben ik mee begonnen, toen jij je dochters je moeders maakte. Want toen jij ze het rietje gaf en je eigen broek afstroopte:
toen lachte hen de vreugde toe en huilde ik van verdriet. De koning speelde kiekeboe, speelde de nar - meer niet. Nonkeltje, neem alsjeblieft een schoolmeester in dienst die de nar kan leren liegen; ik zou zo graag leren liegen. |
| Lear | Als je liegt, manneke, dan krijg je met de zweep. |
| Nar | Wat is er toch voor verwantschap tussen jou en je dochters: zij willen me laten ranselen omdat ik de waarheid spreek, jij wil mij laten ranselen als ik lieg; en soms word ik geranseld omdat ik mijn mond houd. Ik zou alles, wat dan ook, liever willen zijn dan een nar. Maar liever niet jou, Nonkeltje: jij hebt je hersens aan beide kanten afgetopt, en in het midden niets overgelaten; hier komt een van die stukken.
Goneril op |
| Lear | Zo, zo, dochter. Waarom die hoofdband om? Je fronst de laatste tijd te veel. |
| Nar | Jij was een aardige kerel, toen je je niet druk hoefde te maken om haar frons. Nu ben je een grote nul. Ik ben beter dan jij nu: ik ben een Nar, jij bent niets. [Tegen Goneril] Ja, goed, ik zal mijn mond houden; ik lees het van uw gezicht af, al zegt u niets.
Stommetje, stom, wie korst noch kruim spaart is heel dom; straks zonder, vraagt hij: ‘O, waarom?’ Hier staat een lege peulenschil. |
| Goneril | Niet enkel deze Nar, die alles mag,
maar anderen van uw onbeschoft gevolg liggen ons elk uur dwars, en barsten uit in grof, ondraaglijk geruzie. Heer, ik had gedacht, door het heel duidelijk te stellen, dat ik dit niet meer zien zou. Maar ik ben bang, door wat ik laatstelijk van u hoor en zie, dat u die gang van zaken aanwakkert en goedkeurt. Want zo ja, dan zal die fout bestraffing vinden, zal herstel niet uitblijven, hetgeen voor een staat die ik gezond wil zien u in zijn werking pijnlijk treffen kan; het zou schande zijn, ware het niet dat iedereen de noodzaak ziet en het wijs beleid zal noemen. |
| Nar | Want u weet, Nonkeltje:
De mus gaf de koekoeken zo lang eten, dat de jong tot slot zijn hoofd eraf beten. En toen ging de kaars uit, en zaten we in het donker. |
| Lear | Bent u een dochter van ons? |
| Goneril | Ik wou dat u uw gezond verstand gebruikte
- dat in u zit, dat weet ik - , afstand deed van alle grillen die u de laatste tijd zo anders maken dan u werkelijk bent. |
| Nar | Zou een stomme ezel niet merken, dat de kar het paard trekt?
Hup, Marjanneke, ik hou van jou. |
| Lear | Kent mij hier iemand? Dit is niet Lear.
Loopt Lear zo? Praat hij zo? Waar zijn zijn ogen? Of zijn verstand zakt weg, of zijn vernuft ligt diep in slaap. - Hé, ben je wakker? Nee. Wie is het die mij zeggen kan wie ik ben? |
| Nar | De schim van Lear. |
| Lear | Dat zou ik graag willen weten. De tekenen van waardigheid, van kennis en verstand vertellen mij ten onrechte dat ik dochters had. |
| Nar | Die van jou een gehoorzame vader maken. |
| Lear | Uw naam, O schone jonkvrouw. |
| Goneril | Dit vreemd verbazen heeft dezelfde smaak
als al uw andere grillen. Ik vraag u dringend, nu goed te luisteren wat mijn plannen zijn. Wees, oud en eerbiedwaardig, dan toch wijs. U houdt zo’n honderd ridders hier met knechten, zo een wilde troep, losbandig en brutaal, dat heel ons hof, besmet met hun gedrag, een herberg vol met ruzie lijkt. Lust met genot maakt het meer tot een hoerentent of kroeg dan een eerbaar paleis. Die schande vraagt nu om herstel. Weet dan, wat zij van u verlangt - want anders pakt ze wat ze vraagt -: het aantal van uw ridders moet wat terug. Wat overblijft, en u ten dienste staat, moet volk zijn dat past bij uw ouderdom, dat u kent en zichzelf. |
| Lear | Duister en duivels.
Zadel mijn paarden. Roep mijn volk bijeen. Ontaarde bastaard! Ik val jou niet meer lastig, ik heb nog een andere dochter. |
| Goneril | U slaat mijn mensen, en uw grof gespuis
maakt van hun meerderen hun dienaars. Albany op |
| Lear | Wee, wie te laat berouwt. Bent u gekomen?
Is dat uw wens? Zeg op. Mijn paarden, snel. Ondankbaarheid, gij, marmeren duivelhart, afzichtelijker zijt gij in een kind dan in het zeemonster. |
| Albany | Beheers u, Lear. |
| Lear | [Tegen Goneril] Vervloekte gier, jij liegt.
Mijn mannen zijn de trots en het puik der natie, bekend met elk detail van plicht en dienst, die met een uiterste nauwkeurigheid hun naam hoog houden. Allerkleinste fout, hoe lelijk kwam je in Cordelia uit. Die hefboom trok de ziel van mijn natuur van haar ankers, alle liefde uit mijn hart, en gaf mij steeds meer gal. O, Lear, Lear, Lear! Beuk op die poort hier, hij liet onzin toeHij slaat op zijn hoofd en kostbaar inzicht buiten. Ga maar, volk.Kent en ridders af |
| Albany | Mijn heer, mij treft geen schuld, ik weet niet eens,
wat u bewogen heeft. |
| Lear | Dat zal wel, heer.
Luister, Natuur, luister, lieve godin. Schort al uw plannen op, indien zij waren dit schepsel vrucht te laten dragen. Giet in haar schoot enkel onvruchtbaarheid. Verdor in haar de voortplantingsorganen, dat haar verdorven lijf nooit kinderen krijgt om haar te eren. Maar moet zij zo nodig, schep dan een kind van wrok, dat leven mag als dwarse kwelling die haar haten zal. Laat dat haar jeugdig hoofd vol groeven prenten, en tranengeulen trekken in haar wang, laat dat haar moederzorg en vreugde omslaan tot spot en hoon, zodat zij voelen kan hoe scherper dan een slangentand het is een kind te hebben zonder dank. Weg, weg.Af |
| Albany | Goden die wij eren, hoe komt dit toch? |
| Goneril | Pijnig uw hersens niet dit te begrijpen.
Maar gun zijn innerlijke aard de vrije loop wat kindsheid ingeeft. Lear weer op |
| Lear | Wat. Vijftig van mijn volgers in één klap!
Binnen twee weken! |
| Albany | Wat is er toch, heer? |
| Lear | Luister, man. [Tegen Goneril] Leven en dood! Ik sta verstomd,
dat jij mijn wezen als man zo schokken kunt, dat jij de tranen, die naar buiten breken, zelfs nog waard bent. Storm en nevelen wens ik jou, de goorste wonden van een vadervloek diep in elk zintuig. Ogen, oud en dwaas, zo je dit weer beweent, ruk ik je uit, en gooi ik je weg, met het water dat je giet, om stof te binden. Tot zover moest het komen. Maar ja, het zij zo. Ik heb nog een dochter, die vast en zeker lief en hebbelijk is. Als zij dit van jou hoort. Dan gaan haar nagels jouw wolventronie villen. Jij zult zien, dat ik de vorm herneem waarvan jij denkt dat ik die voor altijd afgeworpen heb. |
| Goneril | Horen jullie dat? |
| Albany | Mijn grote liefde voor u, Goneril,
maakt mij bepaald partijdig. |
| Goneril | Zo is het wel genoeg. Hé, Oswald, Hortensio.
[Tegen de Nar] U daar, meer schurk dan Nar, achter uw meester aan. |
| Nar | Nonkeltje Lear. Nonkeltje Lear, even wachten, neem de Nar met je mee.
Een vos die is gevangen, een dochter, en zo’n wrange, die moeten snel gehangen, kon mijn kolf dat verlangen. Nu gaat de Nar zijn gangen.Af |
| Goneril | Wat ik hem zei, is goed. Want honderd ridders!
Wat een beleid, dat hij die honderd man bewapend houden mag. Bij elke gril en droom en klacht en inval en gerucht kan hij zijn kindsheid schutten met hun macht, ons leven in zijn hand. Oswald, kom hier. |
| Albany | Misschien denkt u te ver. |
| Goneril | Veiliger dan te ver vertrouwd.
Het onheil dat ik vrees neem ik liever weg, bang dat de angst mij grijpt. Ik ken zijn hart. Wat hij heeft uitgekraamd staat in die brief. Als zij hem en zijn honderd goed ontvangt, waar ik aantoon dat dat niet kan - Oswald weer op En Oswald? Is die brief aan mijn zuster eindelijk klaar? |
| Oswald | Ja, mevrouw. |
| Goneril | Neem mensen mee, en haast u weg, te paard.
Vertel haar alles van mijn eigen angst, en voeg daarbij al wat u zinnig vindt om het meer kracht te geven. Ga maar gauw, en blijf niet zo lang weg.Oswald af Nee, nee, mijn heer, die weke houding van u, als van room, keur ik niet af, maar, het moet gezegd, men looft u niet om zachtheid die ons schaadt, maar weegt u om gebrek aan oordeelskracht. |
| Albany | Hoe ver uw oog doordringt, dat weet ik niet;
goed blijkt vaak minder, als men het beter ziet. |
| Goneril | Ja, maar - |
| Albany | Wel, we zullen zien.Beiden af
Vijfde toneel - Een binnenplaats in het paleis van Albany Lear, Kent en Nar op |
| Lear | Ga met deze brief voor mij uit naar Gloucester. Breng mijn dochter niet verder op de hoogte van wat u weet, tenzij ze naar aanleiding van deze brief vragen heeft. Als u niet zorgt dat u opschiet, ben ik er nog eerder dan u. |
| Kent | Ik slaap niet, heer, voor ik uw brief heb afgeleverd.Af |
| Nar | Als je hersenen in je hielen zaten, zou je dan niet gauw blaren krijgen? |
| Lear | Ik denk van wel, jongen. |
| Nar | Wees dan maar blij, want jouw verstand zakt niet zo gauw in je schoenen. |
| Lear | Ha, ha, ha. |
| Nar | Je zult zien dat je andere dochter je zal behandelen zoals het hoort. Want al lijkt ze op deze als een wilde appel op een gewone, dan kan ik toch zeggen wat ik zeg. |
| Lear | Wat kan je dan zeggen, jongen? |
| Nar | Dat die allebei zullen smaken als twee zure appels. Weet jij waarom de neus midden in het gezicht staat? |
| Lear | Nee. |
| Nar | Nou, om je ogen aan beide kanten van je neus te houden. Dan kun je je neus ergens insteken waar je niet achter kunt komen. |
| Lear | Ik heb haar niet goed behandeld. |
| Nar | Weet jij, hoe een oester zijn schaal maakt? |
| Lear | Nee. |
| Nar | Ik ook niet. Maar ik weet wel, waarom een slak een huisje heeft. |
| Lear | Nou? |
| Nar | Om zijn kop erin te steken. Niet om het weg te geven aan zijn dochters, en zijn hoorns onbedekt te laten. |
| Lear | Ik wil vergeten wie ik ben. Zo’n echte vader. Staan mijn paarden klaar? |
| Nar | Die stomme ezels van jou zijn ze halen. De reden waarom de zeven sterren maar zeven zijn is niet moeilijk. |
| Lear | Omdat er geen acht zijn? |
| Nar | Prima. Jij zou een goede Nar kunnen zijn. |
| Lear | Om het met geweld weer terug te nemen. Monster Ondankbaarheid. |
| Nar | Als jij mijn Nar was, Nonkeltje, dan zou ik je de zweep geven, omdat je oud bent voor het je tijd is. |
| Lear | Hoe bedoel je? |
| Nar | Oud mag pas, als je ook wijs geworden was. |
| Lear | O, laat mij niet gek zijn, niet gek zijn, mijn hemel.
Houd mijn verstand normaal; nee, ik wil niet gek. Een ridder opEn, staan de paarden klaar? |
| Ridder | Zeker, mijn heer. |
| Lear | Kom, jongen. |
| Nar | Wie nog maagd is, en mijn gang als een grap beschouwt,
zal niet lang maagd meer zijn, als het stuk zijn lengte houdt.Beiden af |