| Koning Lear
king lear vertaling Jan Jonk | |
|---|---|
|
eerste tweede derde vierde vijfde bedrijf Tweede Bedrijf Eerste toneel - Een binnenplaats binnen het kasteel van de Hertog van Gloucester Edmund en Curan op, die elkaar ontmoeten | |
| Edmund | Dag Curan, kerel. |
| Curan | Dag meneer. Ik kom net van uw vader af, en ik heb hem verteld dat de Hertog van Cornwall en zijn Hertogin Regan hier vanavond bij hem zullen zijn. |
| Edmund | Hoe dat zo? |
| Curan | Ja, dat weet ik niet. Heeft u het nieuws al gehoord dat rondgaat? Ik bedoel wat er gefluisterd wordt, want het zijn nog maar oor-kussende praatjes. |
| Edmund | Nee, nog niet. Waar gaan ze over? |
| Curan | Hebt u dan niet gehoord dat er misschien oorlog komt tussen de Hertogen van Cornwall en Albany? |
| Edmund | Met geen woord. |
| Curan | Dan hoort u dat vast nog wel gauw. Tot ziens, meneer.Af |
| Edmund | De Hertog hier vanavond. Komt dat goed uit!
Dat voegt zich keurig in mijn plannetje. Mijn vaders wacht wil straks mijn broeder grijpen. Mij wacht een taak die redelijk precair is, maar het moet. Voortvarendheid en Lot, aan het werk. Hoor eens even, broer, kom naar beneden, broer. Edgar opMijn vader loert op u. Vlucht hiervandaan. Men heeft gemeld, waar u verborgen zit. Nu heeft u het voordeel van de duistere nacht. U heeft niets kwaads gezegd toch over Cornwall? Hij is op weg hierheen, gehaast, in het duister, en met hem Regan. Heeft u niets gezegd dat hij partij koos, tegen Albany? Denk nog eens na. EdgarIk weet het zeker, met geen woord. |
| Edmund | Ik hoor mijn vaders voetstap; het spijt me zeer.
Uit list moet ik mijn zwaard tegen u trekken; trek ook: doe of u zich verdedigt, fel. Geef je over, hier is vader. Licht aan, hier. Vlucht, broer. Een fakkel, fakkel. Wel, tot ziens.Edgar af Wanneer mijn bloed vloeit, wekt dat vast de indrukHij verwondt zichzelf dat ik mij flink geweerd heb. 'k Heb dronken lui meer zien doen voor de grap. Vader! Vader! Halt, halt. Geen hulp? Gloucester op, met dienaren en fakkels |
| Gloucester | Wel, Edmund, waar is de schurk? |
| Edmund | Hij stond hier in het donker, met scherp zwaard,
iets mompelend van zwarte kunst, en maan die gunstig voor hem staan moest. |
| Gloucester | Waar is hij nou? |
| Edmund | Kijk, overal bloed. |
| Gloucester | Waar is die schurk dan, Edmund? |
| Edmund | Hij vluchtte hierheen, toen hij mij niet meer - |
| Gloucester | Er achteraan.Enkele dienaren af
'Toen hij je niet meer' wat? |
| Edmund | Mij overhalen kon u te vermoorden.
Ik zei hem nog, dat wrake van de Goden de bliksem stuurt tegen de vadermoord; zei met welk hechte en sterke band het kind gebonden is aan de vader; kortom, heer, toen hij zag hoe fel ik het oneens was met zijn tegennatuurlijk plan, viel hij, met al getrokken zwaard, fel naar mij uit, zonder dat ik beschermd was, trof mijn arm, en toen hij zag dat dat mij nieuwe kracht gaf dapper te vechten voor de goede zaak, of dat hij schrok van al 't lawaai dat ik maakte, maar plotseling was hij weg. |
| Gloucester | Hoe ver hij ook vlucht,
in dit land blijft hij nooit op vrije voeten. Gevonden - is zijn dood. Vanavond komt mijn Hertog hier, mijn nobele aartsgebieder. Op zijn gezag zal ik verkondigen, dat wie hem vindt, die laffe moordenaar, en naar de brandplaats brengt onze dank verwerft, dat wie hem verbergt, de dood. |
| Edmund | Toen ik hem zei wat ik vond van zijn plan,
maar hij halsstarrig bleef, dreigde ik hem bars hem aan te geven, maar zijn antwoord was: 'Jij, bastaard zonder iets, denk jij nou echt, dat, als ik tegen jou getuigen zou, men jou geloven zou, jouw woord, kracht, waarde, of alles wat jij zei? Als ik het ontkende - wat ik zeker doen zou, zelfs wanneer jij kwam met brieven in mijn handschrift -, ik zou het omkeren: 't was jouw plan, jouw idee, jouw vuile opzet. Hoe stom moet volgens jou de wereld zijn, als men niet zag hoe het voordeel van mijn dood niet juist een volle, krachtige prikkel vormt die jou die zoeken laat.' |
| Gloucester | Ontaarde schurk.
Zijn brief ontkennen, zei hij? Ik heb hem nooit verwekt. TrompetHoor, daar is de hertog. Waarom komt die hierheen? Ik sluit alle havens; die schurk mag niet weg. Dat moet de hertog mij toestaan; zijn beeld laat ik overal verspreiden, dat heel het rijk hem goed zal kennen. Wat mijn land betreft, trouwe en echte zoon, ik regel het zo, dat jij het erven kunt. Cornwall, Regan en dienaren op |
| Cornwall | Wel, wel, mijn nobele vriend. Sinds ik hier ben,
en dat is pas heel kort, hoor ik vreemd nieuws. |
| Regan | Als het waar is, dan schiet elke wraak tekort
die de schurk wil treffen. Hoe gaat het, Heer? |
| Gloucester | O, mevrouw, mijn oude hart is gebroken. |
| Regan | Wat! Stond mijn vaders peetzoon u naar het leven?
Hij die mijn vader de naam gaf, uw Edgar? |
| Gloucester | Mevrouw, mevrouw, kon schaamte het verbergen. |
| Regan | Ging hij niet om met al die ruige ridders
die mijn vader dienden? |
| Gloucester | Dat weet ik niet, mevrouw. Het is slecht, te slecht. |
| Edmund | Hij hoorde zeker bij die groep, mevrouw. |
| Regan | Geen wonder dan, dat hij zo ontrouw is.
Zij hebben hem aangezet die oude man te doden, ze wilden zijn geld verbrassen. Mijn zus heeft mij van alles bijgepraat over die lui, vanavond nog, en dus, als ze bij mij hun intrek komen nemen, ben ik niet thuis. |
| Cornwall | Ik ook niet, zeker weten.
Ik hoor, Edmund, dat jij je naar je vader een ware zoon getoond hebt. |
| Edmund | Mijn plicht, heer. |
| Gloucester | Hij heeft zijn snode plan ontdekt, en kreeg
die wond hier, toen hij Edgar grijpen wou. |
| Cornwall | Wordt hij vervolgd? |
| Gloucester | Zeker, heer. |
| Cornwall | Als hij gepakt is, zal men voor zijn kwaad
nooit bang meer hoeven zijn. Volg dus uw plan, ik machtig u tot alles. En u, Edmund, wiens moed en dienstbaarheid ons dit moment zozeer bevalt, zult altijd de onze zijn. Het ontbreekt ons veel te veel aan zulk trouw volk. U bent onze eerste man. |
| Edmund | Ik zal u dienen,
in alles steeds getrouw. |
| Gloucester | Ik dank u voor hem, hoogheid. |
| Cornwall | U kent de reden niet van ons bezoek - |
| Regan | Zo onverwachts, door het oog van duister en nacht,
om redenen, nobele Gloucester, van gewicht, waarover wij uw mening willen horen. De brief van vader, en van onze zuster, vol geschillen, meende ik maar ver van huis te moeten beantwoorden. Hun boden staan al klaar om te gaan. Mijn goede, oude vriend, vind rust en kalmte in uw hart; help ons met raad door ons gewenst in deze zaak die nu moet afgewerkt. |
| Gloucester | Mevrouw, uw dienaar.
Uwe hoogheden zijn welkom hier.Trompetgeschal. Allen af Tweede toneel - Voor het kasteel van Gloucester Kent en Oswald op, ieder aan een andere kant |
| Oswald | Goede ochtendgloren, vriend. Ben jij van dit huis? |
| Kent | Ja. |
| Oswald | Waar kunnen we onze paarden laten? |
| Kent | In de modder. |
| Oswald | Zeg het, alsjeblieft, als je me mag. |
| Kent | Ik mag jou niet. |
| Oswald | Och, dan voel ik ook niets voor jou. |
| Kent | Als ik jou binnen de omheining van mijn Lippenstad had, zou jij wel iets van mij voelen. |
| Oswald | Waarom zo lelijk tegen mij? Ik ken jou niet. |
| Kent | Ik jou wel, kereltje. |
| Oswald | En wie ben ik dan wel niet? |
| Kent | Een schurk, een losbol, een pannelikker; een vuile, opgeblazen, miezerige, bedelende, honderd-enzoveelste schurk met drie pakken en vuile gebreide sokken aan; een hazenhart, die alleen vecht voor het gerecht, een hoerenzoon, een pafferige dienstklopper, een kwast van een schurk; een armzalige schooier met maar één kist vol bezittingen; eentje die uit puur dienstbetoon de koppelaar uit wil hangen; niets meer dan een mengsel van schurk, bedelaar, lafaard, koppelaar, en de zoon en de erfgenaam van basterdteef; eentje die ik tot luid janken zou willen slaan, als je de minste titel die ik je gegeven heb ging ontkennen. |
| Oswald | Wat ben jij toch een monster van een kerel om iemand zo uit te schelden die jou niet kent en jij hem niet. |
| Kent | Ben jij zo'n kerel met een stalen smoel, die durft te beweren dat hij mij niet kent? Twee dagen geleden heb ik je beentje gelicht en je voor de Koning een pak slaag gegeven. Trek uw zwaard, schoft dat u bent. Want al is het nacht, toch schijnt de maan. Ik zal u prikken dat de maan door u heen op de grond kan schijnen.Trekt zijn zwaard
Hoerenzoon, vuile barbierklant, trek uw zwaard. |
| Oswald | Ik heb niets met jou te maken. |
| Kent | Uw zwaard, ellendeling. U komt met brieven tegen de koning en kiest partij voor Poppetje Verwaandheid tegen de koninklijkheid van haar vader. Uw zwaard, ellendeling, of ik hak uw billen tot mootjes; uw zwaard, kom maar op. |
| Oswald | Help, moord, help, ho! |
| Kent | Sla toe, slaaf; en garde, ploert, en garde; zuiver stuk verdriet, sla toe.Hij slaat hem |
| Oswald | Help, moord, moord.
Edmund op, met getrokken rapier. |
| Edmund | Wat is er? Waarom wordt hier gevochten? Uit elkaar. |
| Kent | Om u, mijn keurig manneke, met uw verlof. Kom, ik zal een man van u maken; kom mee, jonkie.
Cornwall, Regan, Gloucester en dienaren op. |
| Gloucester | Wapens, rapieren? Waar gaat dit om? |
| Cornwall | Ophouden, u waagt uw leven.
Wie nog eens toeslaat sterft. Waar gaat het om? |
| Regan | De boden van mijn zuster en de koning. |
| Cornwall | Waar vecht u om? Kom, spreek. |
| Oswald | Ik ben buiten adem, heer. |
| Kent | Geen wonder bij zo'n opgeklopte moed.
U, laffe schurk, de natuur erkent je niet meer - je bent er eentje van de kleermaker. |
| Cornwall | Jij bent een gekke vent; een kleermaker die een man maakt? |
| Kent | Een kleermaker, heer, een steenhouwer of een schilder hadden hem niet zo slecht kunnen maken, al waren ze maar twee jaar in het vak geweest. |
| Cornwall | Spreek op, hoe kwam die ruzie? |
| Oswald | Die ouwe boef, heer, wie ik het leven spaarde vanwege zijn grijze baard, - |
| Kent | Jij achterste hoerenzoon, jij onnodige laatste letter. Heer, met uw verlof, zal ik die ploert van een schurk tot mortel stampen en de muren van zijn plee ermee insmeren. Jij, mijn grijze baard sparen, kwikstaartje. |
| Cornwall | Rustig, man.
Zeg, beest van een schurk, kent u geen fatsoen? |
| Kent | Ja, meneer, maar de woede kent zijn rechten. |
| Cornwall | Waarom ben jij dan kwaad? |
| Kent | Dat schurken zoals deze, zonder eer,
wel een zwaard dragen. Dat grijnzend tuig als dit vaak als een rat het heilig koord stukbijt dat te strak zit om los te gaan, 't gevoel dat bij zijn meester opspeelt likt en vleit, olie op vuur, en sneeuw op kille drift legt; dat ja knikt, nee knikt, als een ijsvogel meedraait met alle grillen van zijn meester; hij weet van niks, maar volgt je als een hondje. Val dood, bleekscheetje met uw rilgezichtje. Lacht u om wat ik zeg, alsof ik een Nar ben? Gans, had ik u op Sarums vlakke land, dan joeg ik u kakelend naar Camelot. |
| Cornwall | Wat, ben je gek geworden, ouwe kerel? |
| Gloucester | Waarom bent u zo uitgevallen, vraag ik. |
| Kent | Geen uitersten staan ooit zo ver uiteen
als ik en zulk een schurk. |
| Cornwall | Waarom noemt u hem schurk? Wat is zijn fout? |
| Kent | Ik mag zijn gezicht niet. |
| Cornwall | 't Mijne soms wel, of dat van hem, van haar? |
| Kent | Ik ben altijd open, heer, dat is mijn vak.
Ik heb in mijn tijd veel betere gezien dan ik op dit moment voor mij zie staan op welke nek dan ook. |
| Cornwall | Dit is een kerel,
die, geprezen om zijn directheid, nu speelt alsof hij grof, brutaal is, in een stijl die zijn natuur verbergt. Hij kan niet vleien; rechtuit en open, moet hij waarheid spreken. Wie dat pakt - goed; wie niet - hij is wat ruw. Ik ken dat soort, wiens onbehouwenheid meer sluwheid, meer verdorven plannen huisvest dan twintig stomme, knipgrage bedienden, die overvormelijk hun plicht vervullen. |
| Kent | Heer, op mijn woord, en in oprechte ernst,
met goedkeuring van uw befaamd aspect, waarvan de invloed, als de stralenkrans op Phoebus' vlammend hoofd - |
| Cornwall | Waar wil je naar toe? |
| Kent | Uit mijn manier van spreken, die u niet zo ligt. Ik weet, heer, dat ik geen vleier ben. Hij die u in grove taal erin liet lopen was een regelrechte schurk. Ik voor mij wens dat niet te zijn, ook al zou uw genade, die mij niet genadig is, mij vriendelijker maken, zodat u, in plaats van u te ergeren, mij zou verzoeken een uitgesproken schurk te zijn. |
| Cornwall | Waarmee was het dat u hem beledigd heeft? |
| Oswald | Ik heb hem nooit beledigd.
Zo pas behaagde het zijn heer, de Koning, om mij te slaan, om foute redenen. Hij deed toen mee, en vleide zijn ontstemdheid, door mij te laten struikelen. Toen ik lag, bespotte hij mij triomfantelijk, werd als een held geprezen door de Koning, voor een aanval op hem die zichzelf inhield. Het succes van deze machtige daad in het hoofd, viel hij mij hier opnieuw aan. |
| Kent | Geen van die schurken en lafaards
of Ajax is hun nar. |
| Cornwall | Haal het voetblok hier.
U, koppige, oude schurk, bejaarde opschepper, u krijg een les. |
| Kent | Voor leren ben ik te oud.
Haal dat voetblok niet voor mij; ik dien de Koning; het was zijn opdracht dat ik naar u kwam. U toont niet veel respect, maar kwade trots, voor de persoon en voor mijn meesters kroon, door zijn gezant in 't blok te slaan. |
| Cornwall | Het blok!
Zo waar ik leef, erin met hem tot vanmiddag. |
| Regan | Vanmiddag? Vanavond, heer. De hele nacht. |
| Kent | Mevrouw, als ik uw vaders hondje was,
zou u mij dit niet aandoen. |
| Regan | Je bent mijn schurk, dus wel. |
| Cornwall | Dit is een kerel van hetzelfde slag,
waarvan uw zuster spreekt. Het blok hier.Men brengt het schandblok |
| Gloucester | Ik smeek u, hoogheid, om dit niet te doen.
Zijn fout drukt zwaar. Hem zal de goede Koning zeker berispen. De straf die u voorstelt is wat het laagste en meest gehate uitschot voor gappen en voor alledaags vergrijp ontvangt. De koning zal het u kwalijk nemen, dat hij zich, in zijn bode zwaar geminacht, zo zwaar gekrenkt voelt. |
| Cornwall | Dat is mijn keus. |
| Regan | Mijn zuster zal het vast veel erger vinden
haar dienaar zo beschimpt, misbruikt te zien: hij doet wat zij hem vraagt. Zijn benen in het blok.Kent wordt in het blok geslagen |
| Cornwall | Laat ons vlug gaan, heer. |
| Gloucester | Het spijt mij voor jou, vriend; de Hertog wil het,
en wat die in zijn hoofd heeft, dat weet men, kan niemand tegenhouden. Ik zal voor je pleiten. |
| Kent | Doe maar niet, heer. Ik ben verreisd, ik heb slaap.
Ik kom de tijd op bed goed door, wel fluitend. Het geluk loopt een goed man zijn hakken plat. Ik zie u morgenochtend wel. |
| Gloucester | De Hertog is de schuld; dat neemt men niet.Af |
| Kent | Goede koning, maak 't bekende spreekwoord waar:
uit de weldadige zegen van de hemel kom jij nu in de hete zon. Treed nader, baken voor dit ondermaanse, dan kan ik hier geholpen door uw stralen die brief lezen. In wanhoop ziet men vaak in hulp een wonder. Hij is van Cordelia, die, tot mijn groot geluk, al is verteld van mijn vermomming. En zij vindt vast tijd, om deze losgeslagen staat opnieuw op koers te krijgen. Ogen, moe en slapeloos, neem de gelegenheid om niet te zien hoe schaamteloos ik vastzit. Welterusten, Lot. Lach nog eens. Draai uw wiel.Hij valt in slaap Derde toneel - In een bos Edgar op EdgarIk was dus vogelvrij. Toevallig vond ik hier een holle boom, en kon ik ontsnappen. Geen haven is vrij. Geen wacht, geen post met meer dan scherpe waakzaamheid die mij niet grijpen wil. Zolang er hoop is, blijf ik op de been. Dus had ik het idee, mij in de laagste, armste vorm te hullen, waarmee armoe de mens, uit minachting, tot beest verlaagt. Het gezicht met vuil besmeurd, mijn schaamte slechts bedekt, mijn haar vol knopen, mijn schamele naaktheid uitgestald, trotseer ik de stormen en de slagen van de hemel. In deze streken ziet men nogal vaak bedelende gekken, die met luid geschreeuw hun armen, doof, zonder gevoel, vol slaan met pennen, splinters, spijkers, scherpe takjes. Zo'n vreselijk gezicht levert veel op, bij boerenstulp, gehucht, bij schaapskooi, molen. Soms vloeken ze als een gek, soms bidden ze, als het maar uitbetaalt. O Kierewier, O Tom. Dat heeft wel wat. Als Edgar hou ik mij dom.Af Vierde toneel - Voor het kasteel van Gloucester. Kent in het schandblok. Lear, Nar en edelman op |
| Lear | Hoe kunnen zij van huis vertrokken zijn
zonder mijn bode terug te sturen? |
| Edelman | Ik hoor,
dat men gisteravond nog geen plannen had om weg te gaan. |
| Kent | Ik groet u, nobele meester. |
| Lear | Nee!
Zit jij voor tijdverdrijf in 't schandblok? |
| Kent | Nee, heer. |
| Nar | Ha, ha! Die kousenbanden van hem zijn wel van heel stevig garen. Paarden bind je aan het hoofd, honden en beren aan de nek, aapjes om de lenden, en mannen aan de benen. Als iemand te veel stapt, krijgt hij houten sokken aan. |
| Lear | Wie is het die je plaats zo heeft onderschat,
dat hij je daar zette? |
| Kent | Het is hij, en zij,
uw zoon en dochter. |
| Lear | Nee. |
| Kent | Ja. |
| Lear | Nee, zeg ik. |
| Kent | Maar ik ja. |
| Lear | Nee, nee, dat doen ze niet. |
| Kent | Ja, ja, u ziet het toch. |
| Lear | Bij Jupiter, ik zweer het, nee. |
| Kent | Bij Juno, ik zweer het, ja. |
| Lear | Ze durfden niet,
konden niet, wilden niet; erger dan moord, weloverwogen zoiets schandelijks. Zeg mij, met rustige haast, hoe jij die smaad verdiende of hoe zij die konden opleggen aan wie van mij kwam. |
| Kent | Heer, toen ik bij hen thuis
Uwe hoogheids brief onder hun aandacht bracht, was ik nog niet opgestaan vanaf de plaats waar ik naar plicht geknield had, of daar stuift een dampende bode binnen, die, haast ademloos, de groeten hijgt van Goneril, zijn meesteres. Hij bracht een brief, die men, mij onderbrekend, gelijk begon te lezen. Om de inhoud riep men het dienstvolk, steeg meteen te paard, gaf mij bevel te volgen, en te wachten op hun antwoord. Men keek mij zeer koel aan. En toen ik dan die ander tegen kwam, wiens welkom ik het mijne had zien verzieken, - dezelfde kerel die uwe hoogheid pas zo vreselijk onbeschoft behandeld had -, trok ik mijn zwaard, met meer moed dan verstand; zijn laffe krijsen wekte het hele huis. Uw zoon en dochter vonden dit vergrijp de schande waard, die ik nu dragen moet. |
| Nar | De winter is nog niet voorbij, wanneer de wilde ganzen daarheen vliegen.
Vaders uitgekleed maken hun kinderen blind, maar vaders met zakken breed zien liefde in elk kind. Fortuna, hoer vol sjans, Geeft armen nooit een kans. Maar met dat al, geldt voor jou, dat je om je dochters veel meer pecuniaire penarie zult hebben, dan je in een jaar kunt vertellen. |
| Lear | Hoe zwelt mijn moederbuik naar hart en keel.
Hysterica passio. Lager, klimverdriet. Jij hoort beneden thuis. Waar is die dochter? |
| Kent | Bij de graaf, heer; hier binnen. |
| Lear | Volg mij niet; blijf hier.Af |
| Gloucester | U heeft niet meer misdaan dan wat u zei? |
| Kent | Niets meer.
Hoe komt de koning met zo'n klein gevolg? |
| Nar | Als jij voor zo'n vraag in het schandblok was gezet, had je het verdiend. |
| Kent | Waarom, nar? |
| Nar | We zullen je bij een mier op school doen, die je zal leren dat er 's winters niet gewerkt wordt. Wie zijn neus volgt wordt geleid door zijn ogen, behalve blinden. Er is altijd wel een neus onder twintig die ruikt wie er stinkt. Laat maar los als een groot wiel de heuvel af rolt, anders breek je je nek door mee te lopen. Laat de grote die naar boven gaat je meetrekken. Als een wijs man je betere raad geeft, geef dan die van mij terug. Ik zou niet willen dat anderen dan schurken mijn raad volgden, het is maar een Nar die hem geeft.
Wie dient maar eigenlijk voor het geld, wel volgt maar voor de vorm, vlucht als de eerste bui zich meldt, en laat jou in de storm. Maar ik blijf hier; de Nar blijf staan, al vlucht de wijze heen. De schurk wordt Nar als hij wil gaan De Nar nooit schurk, O neen. |
| Kent | Waar heb je dat geleerd, Nar. |
| Nar | Niet in het blok.
Lear weer op, met Gloucester |
| Lear | Willen niet met mij praten. Zijn ziek. Zijn moe.
De hele nacht gereisd. Uitvluchten, ja, beelden van opstand en desertie. Haal mij een beter antwoord. |
| Gloucester | Maar, mijn heer,
u weet hoe vurig van aard de Hertog is, hoe onverzettelijk en star, als het gaat om wat hij zelf bepaald heeft. |
| Lear | Vergelding! Pest! Dood! Ontreddering!
Vurig! Hoezo hij vurig? Gloucester, Gloucester, ik wil de Hertog spreken en zijn vrouw. |
| Gloucester | Mijn heer, dat heb ik hun al meegedeeld. |
| Lear | Hun meegedeeld? Begrijp je mij wel, man? |
| Gloucester | Zeker, goede heer. |
| Lear | De koning ontbiedt Cornwall; vaderlief
ontbiedt zijn dochter, beveelt voor zijn troon. Is dat hun meegedeeld? Mijn adem en mijn bloed! Vurig! De hertog vurig! Zeg de hete Hertog - Maar nee. Misschien voelt hij zich niet zo goed. Ziekte verwaarloost elke plicht waartoe gezondheid dwingt. Wij zijn onszelf niet meer, als de natuur in het nauw de geest beveelt te lijden met het lichaam. Ik houd mij nu in; ik ben onbesuisd geweest door deze vlaag van ziekte en van zwakheid aan te zien voor de gezonde man. Dood aan mijn macht.Hij ziet Kent Waarom zit hij hier? Hieruit blijkt voor mij, dat het wegblijven van Cornwall en van haar slechts sluw bedrog is. Geef mijn dienaar vrij. Vertel die twee dat ik hen spreken wil, meteen. Ze moeten hier komen en luisteren, of ik sla de trom vlak bij hun kamerdeur, tot die de slaap dood schreeuwt. |
| Gloucester | Was alles tussen jullie toch weer goed.Af |
| Lear | Wee mij! Mijn hart zwelt naar omhoog. Omlaag. |
| Nar | Schreeuw er maar naar, Nonkeltje, zoals de kokkin tegen de paling toen ze die levend in de pastei deed. Ze sloeg met een stok op hun kop, en riep: ‘Omlaag, wriemels, omlaag'. Haar broer was zo lief voor zijn paard, dat hij het hooi met vet insmeerde.
Gloucester weer op, met Cornwall, Regan en dienaren |
| Lear | Goedemorgen, allebei. |
| Cornwall | Goedemorgen, hoogheid.Kent krijgt zijn vrijheid terug |
| Regan | Ik ben blij Uwe Hoogheid te zien. |
| Lear | Dat neem ik aan, Regan, maar ik weet ook,
waarom ik dat aanneem. Als jij niet blij was, liet ik mijn scheiden van je moeders graf, de rustplaats van een echtbreekster. [Tegen Kent] Bent u vrij? Daarover een andere keer. [Kent af] Geliefde Regan, die zuster van je is slecht. Hier bond die gier scherp bijtende tegennatuurlijkheid.Wijst op zijn hart Ik kan nauwelijks met je praten. Je zou nooit geloven hoe verdorven zij - O, Regan. |
| Regan | Beheers u, alstublieft, meneer. Ik hoop,
dat u minder van haar plichtsbetrachting weet, dan zij te kort zou schieten. |
| Lear | Hoe bedoelt u? |
| Regan | Ik vind mijn zuster absoluut niet laks
in haar verplichtingen. Als zij misschien uw wild volk eens terecht gewezen heeft, dan is alleen al dat een goede grond om haar geheel vrij te pleiten. |
| Lear | Ik vervloek haar. |
| Regan | Meneer, u bent oud.
In u staat de natuur vlak aan de rand van haar grenzen. Laat u leiden door iemand met wat meer zicht op hoe het met u staat dan u zelf kunt. Daarom verzoek ik u, terug te gaan, weer naar mijn zuster toe. Zeg dat u onrecht deed. |
| Lear | Vergeving vragen?
Weet u wel, hoe dat dit past bij ons huis? 'Lieve dochter, ik beken het, ik ben oud. Oudjes zijn niet meer nodig. Op mijn knieënHij knielt smeek ik u nu om kleding, voedsel, bed.' |
| Regan | Meneertje, ophouden. Wat flauwe grappen.
Ga maar weer naar mijn zuster toe. |
| Lear | [Staat op] Nooit, Regan.
De helft van mijn gevolg heeft zij gekort, mij grimmig aangekeken, met haar tong als een serpent, mij in het hart geraakt. Laat alle opgekropte hemelwraak neer op haar ondankbaar hoofd. Sla haar jong lijf, gij, gore lucht, met lamheid. |
| Cornwall | Stil toch, heer. |
| Lear | Flitsende bliksems, tref met blindend vuur
haar zo brutale ogen. Smet haar schoonheid, moerasdamp, opgezogen door de zon, breng haar ten val, vernietig haar. |
| Regan | Genadige Goden, straks verwenst hij mij,
wanneer hij nog steeds in zo'n bui is. |
| Lear | Nee, Regan, jou zal ik niet vervloeken.
Jouw zachte inborst levert jou nooit over aan gruwelijkheid. Haar blik is fel, maar die van jou geeft troost en brandt niet. Het ligt niet in jouw aard plezier te ontzeggen, mij mijn volk te korten, terug te katten, op mijn geld te snoeien, met dan tot slot een grendel op de deur dat ik niet binnen kan. Jij weet veel beter, waartoe natuur verplicht, de kinderband, wat hoffelijk zijn is, en hoe dank moet spreken. Jouw halve rijk heb jij nog niet vergeten, dat ik je heb geschonken. |
| Regan | Mijn heer, ter zake. |
| Lear | Wie heeft mijn man in het blok gezet?Er klinkt een trompetsignaal |
| Cornwall | Wie meldt zich daar? |
| Regan | Dat zal mijn zuster zijn. Haar brief zei al,
dat zij vlug hier zou zijn. Oswald op Is dat uw meesteres? |
| Lear | Die slaaf, vol onbeschaamd vertoon,
woont in de wankele gunst van wie hij volgt. Uit mijn ogen, vlerk. |
| Cornwall | Wat bedoelt u, hoogheid? |
| Lear | Wie deed mijn dienaar in het blok? Regan, ik hoop echt,
dat jij daar niets van wist. Wie is dat? Goneril op O Hemel, als u van oud houdt, als uw macht eerbied op prijs stelt, als u zelf oud bent, vecht hier dan voor, daal af, en kies mijn kant. [Tegen Goneril] Schaam je je niet om naar mijn baard te kijken? Regan, leidt u haar zo maar bij haar hand? |
| Goneril | Waarom niet, heer? Heb ik soms iets misdaan?
Niet alles, wat verstandelijk onvermogen of kindsheid zo noemt, is fout. |
| Lear | O hals, te sterk,
houd je het nog uit? Hoe kwam hij in het blok? |
| Cornwall | Dat heb ik gedaan, heer. Zijn wangedrag
verdiende minder eerbetoon. |
| Lear | U, nee! |
| Regan | Kom, vader, u bent zwak, gedraag u zo.
Als u, totdat uw maand verstreken is, terugkeert naar mijn zuster en daar blijft, kom naar mij, maar wel met uw halve groep. Ik ben ver van huis, en mis hier alles wat ik nodig acht om u te onderhouden. |
| Lear | Naar haar terug? En vijftig mannen minder?
Dan liever elk dak afzweren, en vrij de strijd opnemen met de vijand lucht; liever de kameraad van wolf en uil, tot op de draad behoeftig. Terug naar haar! Het vurig bloed van Frankrijk, die mijn jongste zonder bruidsschat meenam - liever bij hem knielen voor zijn troon en hem als een knecht steun vragen om het bestaan. Terug naar haar! Dan liever nog pakpaard en slaaf van hem, van die vervloekte knecht.Hij wijst op Oswald |
| Goneril | U kiest maar, heer. |
| Lear | O, lieve dochter, maak mij toch niet gek.
Ik val je niet meer lastig, kind, vaarwel. Wij zien elkaar niet meer, ik kom niet meer langs. Maar toch ben jij mijn vlees, mijn bloed, mijn dochter, of beter nog een ziekte in mijn vlees, die wel van mij moet zijn: jij bent een zweer, een pestbuil, of een opgezwollen steenpuist, in mijn verdorven bloed. Nee, geen verwijten. Laat schande komen als zij wil; ik roep haar niet af; ik roep geen flitsen van de donderdrager, verklap je niet aan de hoogste rechter Jupiter. Kom, als je kunt, tot inkeer; neem je tijd. Ik kan geduldig zijn, bij Regan blijven, ik en mijn honderd ridders. |
| Regan | Geen sprake van.
Ik had u niet verwacht, ik ben niet klaar u goed te ontvangen. Luister naar mijn zuster. Wie uw pleidooi met koel verstand beschouwt moet inzien dat u oud bent, en daarom - Maar zij weet wat ze doet. |
| Lear | Is dit dan goed? |
| Regan | Daar sta ik voor in. Wat vijftig man gevolg?
Is dat niet juist? Waarom moet u er meer? Waarom zo veel? De last, met het gevaar, spreekt tegen zo veel man. Moet één huis in vrede leven, met zo'n grote troep, en twee aan het hoofd? Het is moeilijk, haast onmogelijk. |
| Goneril | Waarom kunt u niet, heer, worden verzorgd
door dienaren van haar, of die van mij? |
| Regan | Ja, waarom niet? Doen die u dan tekort,
dan zijn wij er. Als u naar mij toe komt - nu zie ik een gevaar -, dan vraag ik u dringend, houd het op vijfentwintig. Want veel meer kan ik niet plaatsen of verzorgen. |
| Lear | Ik gaf jullie alles. |
| Regan | En nog net op tijd. |
| Lear | Ik gaf jullie alle toezicht en beheer,
maar met één voorbehoud: dat mijn gevolg zo groot zou zijn. Moet ik dan bij u komen met vijfentwintig? Regan, zei u dat? |
| Regan | En weer opnieuw, mijn heer, niet meer bij mij. |
| Lear | Die boze wichten lijken nu wel aardig
bij meer boosaardigheid. Wat niet het slechtst is wordt al heel gauw geprezen. [Tegen Goneril] Ik ga met jou. Jouw vijftig is nog twee keer vijfentwintig, jouw liefde is dubbel die van haar. |
| Goneril | Luister, heer.
Wat wilt u er vijfentwintig, tien, of vijf, als er twee maal zo veel zijn in een huis die u ten dienste staan? |
| Regan | Is één wel nodig. |
| Lear | Maak nood geen punt. De armste bedelaar
heeft van het minste altijd nog wel iets. Geef de natuur waar de natuur om vraagt, dan leeft de mens als beest. Jij bent een dame: als het niet koud hebben al prachtig is, dan vraagt natuur niet om dat prachtgewaad, dat jou toch nauwelijks warm houdt. Echte nood, - hemelen, schenk mij geduld, geduld heb ik nodig - U ziet mij hier staan, Goden, een arm, oud man, door smart en ouderdom in diepste ellende. Als u het bent die dochterharten opzet tegen hun vader, maak mij dan niet gek om het tam te dragen. Wek in mij nobele toorn, en laat geen vrouwewapens, waterdruppels, mijn mannenoog bevlekken. Want ik neem, heksen vol tegennatuurlijkheid, wraak, die heel de wereld-; ik zal dingen doen, wat weet ik nog niet goed, maar het raakt de wereld met huivering. Ik ga huilen, denken jullie. Nee, ik ga niet huilen. Ik heb alle reden om te huilen, [Storm in de verte] maar dit hart spat eer uiteen in honderdduizend stukken, dan ik zal huilen. O Nar. Ik word nog gek.Lear, Gloucester, Edellieden en Nar af |
| Cornwall | Laat ons naar binnen gaan: het gaat stormen. |
| Regan | Het huis is klein. Die ouwe en zijn aanhang
kunnen er niet goed in. |
| Goneril | Zijn eigen schuld; wilde van rust niets weten,
moet nu zijn eigen dwaasheid proeven. |
| Regan | Wat hem betreft, hem liet ik graag naar binnen,
maar niemand van zijn volk. |
| Goneril | Dat vind ik ook.
Waar is mijn heer van Gloucester? |
| Cornwall | Liep met de oude mee. Hij komt net terug.
Gloucester weer op |
| Gloucester | De Koning raast en tiert. |
| Cornwall | Waar gaat hij heen? |
| Gloucester | Hij roept om paarden, maar ik weet niet waarheen. |
| Cornwall | Laat hem zijn gang maar gaan. Hij leidt zichzelf. |
| Goneril | Vraag hem vooral niet, heer, om hier te blijven. |
| Gloucester | Nee toch. De nacht valt snel, de gure wind
slaat ons om de oren. Mijlen in het rond vindt men niet eens een struik. |
| Regan | Voor eigenzinnigheid
zal pijn over zich zelve afgeroepen een harde leerschool zijn. Snel dicht, uw poort. Hij is omringd door zijn troep desperado's, en ik huiver, als ik bedenk, hoe zij hem alles kunnen aanpraten, die lichtgelovige. |
| Cornwall | Snel dicht, uw poort, heer. Het wordt een wilde nacht.
Mijn Regan heeft gelijk: kom uit die storm.Allen af |