| Koning Lear
king lear vertaling Jan Jonk | |
|---|---|
|
eerste tweede derde vierde vijfde bedrijf Vierde Bedrijf Eerste toneel - De heide. Edgar op EdgarMaar beter zo, veracht in openheid, dan dat men je steeds vleit, en toch veracht. Het laagste ding, dat het lot het meest verwerpt, blijft recht staan in de hoop, leeft niet in vrees. Als het beste anders wordt dan moet het treuren, het slechtste keert ten goede. Welkom, dan, onlijfelijke lucht die ik omhels: de arme die u naar het slechtst geblazen hebt, is uw vlaag niets verschuldigd. Wie komt hier? Gloucester op, geleid door een oude man Mijn vader, een bedelaar, geleid? Wereld, wereld, als uw wondere gang ons u niet haten deed, boog het leven niet voor ouderdom. | |
| Oude man | Mijn heer,
ik ben hier pachter al tachtig jaar lang, van u en van uw vader. |
| Gloucester | Weg, ga toch weg. Mijn goede vriend, ga weg.
jouw troost kan mij toch helemaal niets meer doen, je doet jezelf maar pijn. |
| Oude man | U kunt de weg niet zien. |
| Gloucester | Ik heb geen weg, en mis daarom geen ogen.
Ik struikelde toen ik nog kon zien. Hoe vaak maakt rijkdom slordig, en blijkt wat ontbreekt ons grote voordeel. Edgar, lieve zoon, - met wie de toorn van vader zich ooit voedde -, als ik het nog meemaak jou op de tast te zien, dan zou ik zeggen, ik heb weer ogen. |
| Oude man | Wie is daar?
Edgar[Terzijde] God, wie kan zeggen: 'Dit is mijn dieptepunt'. Ik ben erger dan ooit. |
| Oude man | Het is gekke Tom.
EdgarHet kan nog erger; het is niet het ergst, zolang wij kunnen zeggen 'Dit is het ergst'. |
| Oude man | Kerel, waarheen vandaag? |
| Gloucester | Een bedelaar? |
| Oude man | Ja, een bedelaar, maar ook nog gek. |
| Gloucester | Hij bedelt, dus heeft hij nog wat verstand.
Gisteren in de storm zag ik zo'n kerel ook, en ik dacht, de mens is maar een worm. Mijn zoon kwam mij toen in gedachten. Maar mijn geest was toen geen vriend. Sindsdien heb ik meer gehoord: Zoals vliegen voor kwajongens, zijn ons de Goden, zij moorden voor hun lol. Edgar[Terzijde] Hoe rijm ik dit? Een moeilijk vak dat nar speelt voor verdriet, zichzelf kwaad maakt en anderen. [Hardop] Gegroet, heer. |
| Gloucester | Is dat die naakte vent? |
| Oude man | Zeerzeker, heer. |
| Gloucester | Ga dan hier weg. Maar, als je mij wil helpen,
haal ons dan in over een mijl of twee, zo richting Dover - doe het om de oude band. En breng een dek mee voor de naakte ziel, die ik vraag om mij te leiden. |
| Oude man | Maar hij is gek. |
| Gloucester | De tijd is ziek, als gekken blinden leiden.
Doe wat ik zeg, of doe maar wat je wil, als je maar gaat. |
| Gloucester | Zeg, kerel, bloterik, -
EdgarTom heeft het koud. [Terzijde] Ik stop met doen alsof. |
| Gloucester | Kom eens hier, kerel.
Edgar[Terzijde] En toch moet ik. Je arme ogen bloeden. |
| Gloucester | Ken jij de weg naar Dover?
EdgarElke heg en steg, paardenweg en voetpad. Arme Tom heeft ze van schrik alle vijf niet meer. Pas op, goede mensenzoon, voor de vuile duivel. Vijf duivels heeft arme Tom tegelijk binnen gehad: hij van lust, Obidicut, Hoberdidans, de prins van stomheid, Mahu, van stelen, Modo, van moord, en Flibberdebibber, van smoelen en van bekken trekken, die nu kamermeisjes en hofdames bezeten houdt. Pas dus maar op, meneer. |
| Gloucester | Dit geld is voor jou, die elke slag door de hemelplagen
nederig aanvaardt. Dat ik ellendig ben, maakt jou gelukkiger. Hemel, ga zo door. Laat wie te veel heeft en verzadigd is, wie uw wet niet kent, haar slaaf maakt, niet wil zien daar hij niet voelt, uw macht onmiddellijk voelen. Verdeling maakte excessen onbestaand, en ieder had genoeg. Zeg, ken jij Dover? EdgarJa, meneer. |
| Gloucester | Er is daar een rots, wiens top hoog overhangt,
en angstig in de enge diepte duikt. Breng mij naar het randje van de afgrond daar, en ik zal de ellende die jij draagt herstellen. Vandaar af heb ik geen gids meer nodig. Edgar Kom, geef me je arm. Ik zal je er heen leiden.Allen af Tweede toneel - Voor het paleis van de Hertog van Albany. Goneril en Edmund op |
| Goneril | Welkom, mijn heer. Vreemd dat ik mijn lieve man
op weg hierheen gemist heb. Oswald op Waar is uw heer? |
| Oswald | Binnen, mevrouw, veranderd als geen ander.
Ik meldde hem, dat het leger was geland, - alleen een lachje -; dat u in aantocht was, - hij zei: 'Nog erger' -; en toen ik hem sprak van Gloucesters hoogverraad, en dat zijn zoon hem trouw gebleven was, noemde hij mij dwaas, en zei dat ik de zaak totaal verkeerd zag. Wat hij verkeerd moest vinden, vindt hij fijn. Wat goed is, ergert hem. |
| Goneril | [Tegen Edmund] Blijft u maar hier.
Lafheid terroriseert zijn koene geest, die nooit iets durft. Hij wil geen onrecht zien, dat hem verplicht tot daden. Die stille hoop van ons komt uit misschien. Vlug, Edmund, naar mijn broer. Hij moet snel monsteren en zijn troepen leiden. Ik verwissel hier de wapens: het spinnewiel geef ik aan mijn man. Die trouwe dienaar zal onze bode zijn. Vlug komt er een bevel - als u iets aandurft uit eigenbelang - van wie u dient. Draag dit, en zeg er niets van.Zij geeft hem een bewijs van haar gunst Buig nu uw hoofd. Als deze kus mocht spreken, dan groeide u machtig hoog tot in de lucht. Begrijp mij goed. Tot ziens. |
| Edmund | U trouw tot in de dood. |
| Goneril | O liefste Gloucester.Edmund af
Wat een verschil van man en man. Jou geeft een vrouw wel al haar gunsten; een dwaas misbruikt mijn bed. |
| Oswald | Mevrouw, uw heer.Af |
| Goneril | Vroeger was ik zijn fluitje waard. |
| Albany | O, Goneril.
U bent het stof niet waard, dat de wind in uw gezicht waait. Gaat het u wel goed? Een wezen dat zijn afkomst zo zwaar minacht, kan zich niet binnen vaste grenzen houden. Zij die zichzelf als tak losscheurt en het sap afsnijdt van eigen bron, moet vanzelfsprekend dor en dood hout worden, geschikt voor het vuur. |
| Goneril | Ophouden; dat is onzin. |
| Albany | Wat wijs en goed is, schijnt voor slechten slecht;
vuil lust slechts vuil. Hoe kwam je tot zo'n daad? Tijgers zijn jullie, geen dochters, hoe kon je? Een vader, en zo'n vriendelijke oude man, die een beer aan een touw nog vol respect zou likken, is door barbaarse monsters gek gemaakt! Hoe kan het dat mijn broeder jullie liet? Een man, een prins, zo rijk door hem bezocht. Als de hemel niet duidelijk zijn geesten omlaag stuurt en die wilde woestheid temt, dan gebeurt, dat de mensheid zichzelf verscheuren zal, als monsters uit de diepte. |
| Goneril | Laffe melkmuil;
jij met je wang voor slagen, hoofd voor smaad, jij zonder oog dat onderscheid kan zien tussen eervol en krenkend; die niet weet dat dwazen meelij hebben met de schurken als straf komt voor hun daad. Waar is je trom? Ons stille land staat al vol Frankrijks vaandels; langzaam bedreigt zijn pluimhelm heel jouw staat, en jij, dom moralistje, zit stil, schreeuwt: 'Ach jee, wat doet hij nou'. |
| Albany | Kijk naar jezelf, satan.
Bij duivels toont wanstaltigheid zich niet zo gruwelijk als bij vrouwen. |
| Goneril | IJdele gek. |
| Albany | Vervormd en duivels kreng, maak van je lijf
geen monster, bah. Lag het maar in mijn aard, dat mijn hand mijn driften volgt, - zij kan heel wel uiteen rukken en scheuren, jouw vlees en botten. Maar jij bent een duivel, dat je als vrouw vermomd bent, dat beschermt je. |
| Goneril | Is dat dan heel je mannelijkheid, mauw, mauw.
Een boodschapper op |
| Albany | Wat is er? |
| Boodschapper | Mijn waarde heer, de Hertog van Cornwall is dood,
vermoord door een dienaar, toen hij het andere oog van Gloucester uit ging rukken. |
| Albany | Gloucesters ogen! |
| Boodschapper | Een dienaar, uit zijn huis, kon het niet meer aanzien,
verzette zich ertegen, en trok zijn zwaard tegen zijn grote heer. Witheet van woede, vloog die op hem af, doorstak hem in het gevecht. Maar ook hij kreeg een dodelijke wond, die hem heeft weggevoerd. |
| Albany | Dit toont uw macht,
gij rechters boven, door uw snelle wraak op misdaad hier benee. Maar arme Gloucester. Ook zijn andere oog kwijt? |
| Boodschapper | Allebei, heer.
Deze brief, mevrouw, moet snel beantwoord. Hij is van uw zuster.Hij geeft haar een brief |
| Goneril | [Terzijde] Dit komt mij wel goed uit.
Nu dat mijn Gloucester bij die weduwe is, kunnen al mijn luchtkastelen neerstorten op mijn verfoeilijk leven. Van de andere kant is dit nieuws lang niet gek. [Hardop] Ik lees en antwoord. |
| Albany | Waar was zijn zoon, toen men zijn oog uitrukte? |
| Boodschapper | Hij was mee met mevrouw. |
| Albany | Maar hij is niet hier. |
| Boodschapper | Nee, nee, mijnheer, hij kwam weer teruggelopen. |
| Albany | Weet hij van deze gruweldaad? |
| Boodschapper | Ja zeker, heer: hij heeft hem aangegeven.
Daarna is hij met opzet weggegaan, dan kon men vrijer straffen. |
| Albany | Gloucester, ik leef,
om jou te danken voor jouw koningsliefde, en wraak te nemen voor jouw ogen. Vriend, kom mee, vertel me wat je verder weet.Allen af Derde toneel - Het Franse kamp bij Dover Kent en een edelman op |
| Kent | En u weet niet, waarom de Koning van Frankrijk zo plotseling is weggegaan? |
| Edelman | Iets dat hij in zijn staat nog niet had geregeld, waaraan pas na zijn vertrek gedacht was, veroorzaakte zo'n angst en vrees, dat zijn persoonlijke aanwezigheid gewenst en nodig was. |
| Kent | En wie liet hij als plaatsvervanger achter? |
| Edelman | De Franse maarschalk, een Monsieur La Far. |
| Kent | Heeft uw brief de Koningin nog bewogen tot uiterlijke tekenen van verdriet? |
| Edelman | Ja, heer, zij las die brief nog waar ik bij was.
En nu en dan rolde er een dikke traan over haar zachte wang. Zij leek vorstin van haar emotie, die, als een rebel, vorst wilde zijn van haar. |
| Kent | Dus diep bewogen! |
| Edelman | Niet tot toorn. Zelfbeheersing vocht met smart
wie haar het mooist kon maken. U kent dat wel: regen en zon tegelijk. Ja, zo, maar mooier, lachte en huilde ze. De blijde glimlach rond haar rijpe lippen speelde onwetend wie in haar oog te gast was, wie daar ging, als parels uit diamanten rollend. Smart, in kort, zou kostbaar zijn, een rariteit, als ze iedereen zo stond. |
| Kent | Maar zei ze nog iets? |
| Edelman | Tot tweemaal toe kreunde zij moeizaam 'vader',
en zuchtte zij, alsof het haar hart bedrukte; riep: 'Zusters, zusters. Schande, dames. Zusters. Kent. Vader. Zusters. Wat. In storm? In nacht? Laat meelij het niet geloven.' En zij stortte het heilig water uit haar hemelse ogen; dan, nat van het huilen, wilde zij haastig weg, alleen zijn met haar smart. |
| Kent | Het zijn de sterren,
de sterren ginds bepalen onze aard, anders kon nooit een zelfde ouderpaar zulk andere kinderen krijgen. Zei zij nog iets? |
| Edelman | Nee. |
| Kent | Was het voor de koning terugkwam? |
| Edelman | Nee, daarna. |
| Kent | Nu is Lear weer in de stad, arm en van streek;
als hij zich beter voelt, weet hij soms weer, wat wij hier komen doen. In geen geval wil hij zijn dochter zien. |
| Edelman | Waarom niet, heer? |
| Kent | Een schaamte die hem stopt. Zijn tegennatuurlijkheid,
die haar zijn zegen onthield, de onzekerheid instuurde van den vreemde, die haar rechten schonk aan honds-wrede dochters; dit alles steekt zijn geest met zulk venijn, dat brandende schaamte hem weghoudt van Cordelia. |
| Edelman | Ach, arme heer. |
| Kent | Nog iets gehoord van Albany's en Cornwalls legers? |
| Edelman | Zeker, ze trekken op. |
| Kent | Dan breng ik u nu naar onze leider, Lear.
U moet goed voor hem zorgen. Groot belang hult mij een tijd lang in het verborgen. Wanneer u hoort wie ik ben, heeft u geen spijt dat u me hebt leren kennen. Wel, kom mee, dan gaan we samen.Beiden af Vierde toneel - Dezelfde plaats Trommels, banieren. Cordelia, dokter en soldaten op |
| Cordelia | Helaas, hij is het. Men zag hem nog maar net,
dol als het schuim der zee. Hij zong hardop, gekroond met weelderig duivenkervel, vorenkruid, met knoopkruid, dolle kervel, koekoeksbloem, met dravik en met elk wild groen dat groeit in het koren dat ons voedt. Stuur honderd man uit, zoek elke meter af in het korenveld, en breng hem voor ons.Een officier af Wat kan de wetenschap voor het herstel van zijn verstoorde geest. Wie hem kan helpen krijgt mijn aards bezit. |
| Dokter | Ik weet wat helpt, mevrouw.
Wat ons verzorgt en voedt in de natuur is wat hij mist: de rust. En menig heelkruid kan hem dat geven, en dan het oog sluiten van al de angst. |
| Cordelia | Gezegende geheimen,
nog niet bekende krachten van de aarde, spring met mijn tranen op. Help en verzacht de ellende van die goede man. Zoek hem, voordat zijn blinde razernij het leven - stuurloos zonder verstand - beëindigt. Een boodschapper op |
| Boodschapper | Nieuws, mevrouw.
De Britse troepen rukken op naar hier. |
| Cordelia | Het was al bekend; ons leger staat al klaar
en wacht hen rustig af. O lieve vader. Ik zet mij hier in voor uw goede zaak. Daarom was Frankrijks vorst vol meelij om mijn rouw, mijn steeds maar huilen. Geen holle eerzucht drijft ons naar het gevecht, maar liefde, oprechte liefde, en vaders recht. Nog even en ik zal hem horen en hem zien.Allen af Vijfde toneel - Een vertrek in het kasteel van Gloucester Regan en Oswald op |
| Regan | Maar staat mijn zwagers leger klaar? |
| Oswald | Jawel, mevrouw. |
| Regan | En is hij zelf er ook? |
| Oswald | Uiteindelijk wel.
Uw zuster is de betere soldaat. |
| Regan | Heeft Edmund nog met uw heer thuis gesproken? |
| Oswald | Nee, mevrouw. |
| Regan | Wat zou mijn zusters brief aan hem behelzen? |
| Oswald | Dat weet ik niet, mevrouw. |
| Regan | Hij is vast om iets belangrijks weggegaan.
Het was heel erg dom om Gloucester zonder ogen levend te laten gaan. Waar hij ook komt, zet hij elk hart op tegen ons. Edmund is vast uit medelijden weg om hem zijn duister leven te beëinden, en ook om snel te zien hoe sterk de vijand is. |
| Oswald | Ik moet dringend naar hem toe met deze brief. |
| Regan | Wij trekken morgen op; blijf toch bij ons,
de wegen zijn gevaarlijk. |
| Oswald | Dat kan echt niet.
Mijn meesteres heeft mij dat strikt bevolen. |
| Regan | Waarom een brief aan Edmund? Kunt u niet
haar boodschap mondeling doorgeven? Wellicht, er zijn zo dingen - Och. Ik mag je graag, laat mij het zegel breken. |
| Oswald | Mevrouw, ik kan - |
| Regan | Uw meesteres houdt niet meer van haar man.
Dat weet ik zeker. Toen zij laatst hier was, hadden zij en Edmund steeds oogcontact, hun blikken spraken. U hoort ook tot haar kring. |
| Oswald | Ik, mevrouw. |
| Regan | Ik weet heel veel, ontken het dus maar niet.
Dus luister daarom naar wat ik u zeg: mijn heer is dood. Edmund en ik zijn het eens. En hij past zo veel beter bij mijn hand dan bij uw meesteres. Denk daar eens over. Als u hem ziet, geef hem dan dit van mij, en mocht uw meesteres van u wat horen, vraag dan of zij goed omgaat met die kennis. Nu dan, tot ziens. Als u van die verrader hoort, die blinde: wie hem van kant maakt zal promotie maken. |
| Oswald | Zou het zo zijn dat ik hem zag, mevrouw,
dan zou ik tonen aan welke kant ik stond. |
| Regan | Tot ziens.Beiden af
Zesde toneel - Op het land bij Dover Gloucester op en Edgar, als boer gekleed |
| Gloucester | Waar blijft de top nou van die hoge heuvel?
EdgarVoelt u de klim dan niet, het kost al moeite. |
| Gloucester | Het is hier gewoon vlak.
Edgar Vreselijk steil. Hoort u de zee dan niet. |
| Gloucester | Nee, echt niet.
EdgarDan lopen ook uw zintuigen wat terug, omdat uw ogen pijn doen. |
| Gloucester | Dat zal het zijn.
Je stem is ook veranderd, en je taal klinkt beter en verzorgder dan voorheen. EdgarU heeft het echt verkeerd. Er is niets veranderd dan mijn kleren. |
| Gloucester | U praat mooier, vind ik.
EdgarKom, heer, hier is de plek. Sta stil. De ogen duizelen angstig voor wie zo diep moet kijken. En halverwege zweven kraai en kauw, ze lijken groot als kevers. Op de helft hangt iemand die venkel plukt, - ijzig vak. Hij lijkt mij niet veel groter dan zijn hoofd. De vissers op het strand zijn zo te zien net muizen, het groot schip, ginds voor anker, klein als een jol, en die jol net een boei, haast niet te zien. Het ruisen van de branding, het schuren van ontelbare, loze kiezels, hoor je zo hoog niet. Ik wil niet meer kijken, straks tolt mijn hoofd, val ik met mijn draaiende ogen loodrecht omlaag. |
| Gloucester | Zet mij waar u nu staat.
EdgarGeef mij uw hand. Nu staat u een voet af van het laatste randje. Voor niets op aarde zou ik nu opspringen. |
| Gloucester | Laat mijn hand los.
Hier, vriend, is nog een beurs. Met een juweel die een arm man zeker nemen moet. Feeën en Goden mogen het in jou doen groeien. Ga verder weg; zeg mij vaarwel, ik wil horen dat je gaat. EdgarVaarwel nu, goede heer. |
| Gloucester | Van ganser harte.
Edgar[Terzijde] Dat ik zo met zijn wanhoop speel is enkel om hem te genezen. |
| Gloucester | [Knielt] Machtige Goden,
ik doe afstand van de wereld; voor uw ogen schud ik mijn grote leed ver van mij af. Kon ik het toch langer dragen, niet in opstand komen met uw onverzettelijke wil; mijn kaars en het slechtste deel van mijn natuur branden zichzelf wel op. Leeft Edgar, zegen hem. Nou, kerel, het ga je goed. Edgar Ik ben weg, vaarwel.Gloucester werpt zich voorover en valt Maar nee; hoe kan de fantasie iets roven, de schat van leven, als het leven zelf die diefstal goedkeurt. Was hij waar hij dacht, dan was dit dacht nu goed voorbij. Dood, levend? Hé, meneer. Vriend. Hoor eens. Zeg eens wat, heer. Zo vindt hij echt zijn dood, nee hij komt bij. Wat bent u, heer? |
| Gloucester | Weg, ik wil alleen maar dood.
EdgarWas jij alleen maar spinrag, veren of lucht, dan was jij zoveel vadem diep benee toch als een ei geplatst. Maar je ademt nog, je weegt nog, bloedt niet, spreekt, bent nog gezond. Tien masten op elkaar is minder hoog dan jij loodrecht omlaag gevallen bent. Dat jij leeft is een wonder. Zeg nog eens wat. |
| Gloucester | Ben ik gevallen of niet?
EdgarVan de gevreesde top van deze krijtgrens. Kijk maar omhoog: de schrille leeuwerik hoor je of zie je niet meer, zo ver zit hij. |
| Gloucester | Ach nee, ik heb geen ogen.
Wordt nood ook al die gunst ontzegd, zichzelf door dood te einden. Ooit was het een troost, als leed de woedende tiran bedroog, zijn trotse wil ontkrachtte. Edgar Geef me uw arm. Op; zo; hoe is 't? Voelt u uw been? U staat. |
| Gloucester | Te goed, te goed.
Edgar Hier zijn geen woorden voor. Daar boven op die rand, wat was dat ding dat van u wegging. |
| Gloucester | Een arme bedelaar.
EdgarVan hier beneden leken mij zijn ogen twee volle manen; hij had duizend neuzen, horens gedraaid en gegolfd als de zee. Het was een duivel; weet, gelukkige vader, de zuiverste Goden, die zich beroemen op wat de mens niet kan, hebben jou gered. |
| Gloucester | Ik weet het weer. Vanaf vandaag draag ik
de pijn totdat die zelf uitroept: 'Genoeg', en dan pas sterf ik. Dat waarvan jij spreekt zag ik voor een mens aan. Hij zei steeds weer: 'De duivel, duivel'. Hij bracht mij daarheen. EdgarDenk rustig wat je wil. Maar wie is dat? Lear op, vreemd uitgedost met wilde bloemen Gezond verstand zal nooit zo bij zijn meester weer binnen willen trekken. |
| Lear | Ze kunnen me niets maken, dat ik munten laat slaan, ik ben de koning zelf.
EdgarO, hartverscheurend om te zien. |
| Lear | Wat dat betreft staat de natuur boven de kunst. Hier is je handgeld, rekruten. Die kerel houdt zijn boog vast als een vogelverschrikker. Span mij er een op armlengte. Kijk, kijk, een muis. Stil, stil, daar kunnen we met dit stuk geroosterde kaas lekker bij muizen. Daar ligt mijn handschoen in de ring. Ik durf het op te nemen tegen een reus. Breng de bruine hellebaarden binnen. Goed gevlogen, valk, in de roos, in de roos. Tjioe. Het wachtwoord.
EdgarZoete marjolein. |
| Lear | In orde. |
| Gloucester | Maar ik ken die stem. |
| Lear | Ha, Goneril met een witte baard. Ze likten me als een hondje, ze zeiden dat ik al witte haren in mijn baard had voor de zwarte er waren. Om 'ja' en 'nee' te zeggen op alles wat ik zei. Dat 'ja' en 'nee' was geen goede godgeleerdheid. Toen, pas, de regen kwam - en ik kletsnat werd, en de wind - en ik ging beven, toen de donder niet stil wilde zijn toen ik het vroeg, toen leerde ik ze kennen, toen had ik ze door. Nou, nou, het zijn geen mensen die hun woord houden: ze zeiden dat ik alles was, maar da's een leugen, ik kan niet tegen koude rillingen. |
| Gloucester | Die stembuiging, die ken ik toch heel goed.
Is het de Koning? |
| Lear | Van top tot teen een koning.
Als ik boos kijk, dan rilt de onderdaan. Zijn leven spaar ik. Waarvoor aangeklaagd? Overspel? Jij zult niet sterven: dood voor vreemd gaan! Nee: de mussen doen het, en de kleine goudvlieg paart voor mijn ogen. Laat copuleren bloeien. Gloucesters bastaard was beter voor zijn vader dan mijn dochters, in het echtelijk bed verwekt. Hop, wellust, rollen maar. Ik moet vechters hebben. Kijk het onnozele wicht, haar opgekapt gezicht zegt koude sneeuw; ze doet heel braaf, maar schudt zacht met haar hoofd als ze het woord genot maar hoort. Geen bunzing, nee, geen hitsig paard doet het met minder wilde happerigheid. Vanaf hun middel zijn zij centauren, al is het daarboven ook vrouw. Tot aan de gordel regeren de goden, daaronder heerst de duivel, daar is hel, duisternis, daar is de zwavelpoel, het brandt, het schroeit, stank en verrotting; foei, foei, foei, ba, ba. Drogist, geef mij eens gauw een onsje civet, om mijn verbeelding op te frissen. Hier heb je wat geld. |
| Gloucester | Laat mij die hand kussen. |
| Lear | Laat mij hem eerst poetsen; hij stinkt naar sterfelijkheid. |
| Gloucester | Vervallen toonbeeld der natuur. Moet dit
dan zo tot niets vergaan? Ken je me nog? |
| Lear | Je ogen herinner ik me nog heel goed. Zit je soms naar me te lonken?
Nee, blinde Cupido, hoe slecht je ook bezig bent, ik kom niet binnen. Lees jij deze uitdaging eens; let vooral op het mooie penneschrift. |
| Gloucester | Was elke brief een zon, ik kon nog niet lezen.
Edgar[Terzijde] Ik zou het niet geloven als het een gerucht was. Maar het is echt waar, en het breekt mijn hart. |
| Lear | Lees. |
| Gloucester | Wat! Met oogkassen? |
| Lear | O, krijgen we dat ook weer? Geen ogen in zijn kop, en geen cent op zak. U tilt zwaar aan die kassen, en u bent niet goed bij kas. Toch ziet u hoe deze wereld gaat. |
| Gloucester | Ik zie hem op mijn gevoel. |
| Lear | Wat! Je bent toch niet gek? Iemand kan toch zonder ogen zien hoe deze wereld draait. Kijk met je oren: kijk hoe die rechter daarginds tegen die kruimeldief van lage komaf tekeer gaat. Luister, met je oor. Wissel van plaats, en, kiezen maar, wie is de rechter, wie is de dief? Heb jij wel eens een boerenhond naar een bedelaar zien blaffen? |
| Gloucester | Ja, heer. |
| Lear | En gezien hoe die persoon voor dat kreng wegrende? Dan zou je daaraan kunnen zien
het grote beeld van het gezag: de honden van gezag gehoorzaamt men. Schurk van een diender, houd je bloedhand bij je. Waarom die hoer geranseld? Je eigen rug! Jij geilt al op het idee met haar te doen waarvoor jij haar slaat. Woeker hangt een leugenaar. De kleine zonden zie je door lompen heen; bont, toga verhult. Hard zonde met plaatgoud, dan breekt de lans van het recht zonder veel schade; een dwergenstro gaat dwars door een lompenpantser. Niemand is fout, zeg ik, niemand; mijn woord. Geloof mij, vriend, ik kan de mond verzegelen die een aanklacht spreken wil. Haal glazen ogen, en doe als een bedrieger, net alsof je iets ziet wat je niet ziet. Nu, nu, nu, nu. Mijn laarzen uit; trek harder, zo. Edgar[Terzijde] Zin en onzinnigheid zo door elkaar; verstand in dwaasheid. |
| Lear | Als je om mijn lot wil wenen, neem mijn ogen.
Ik weet wel wie je bent, jouw naam is Gloucester. Geduld, jongen, wij kwamen huilend hier; wij brullen en wij krijsen toch, als wij voor het eerst lucht ruiken. Hoor, zo luidt mijn preek. |
| Gloucester | O, onheilsdag. |
| Lear | Wij huilen ons uit de moederschoot, bij het zien
van deze gekkentroep. Wat een goed blok. Het zou slim en handig zijn een paardentroep met vilt te gaan beslaan. Ik probeer het uit, en als ik die schoonzonen beslopen heb, dan, dood, dood, dood, dood, dood, dood. Een edelman op, met dienaren |
| Edelman | Hier is hij. Arresteer hem, mannen. Heer,
uw allerliefste dochter - |
| Lear | Geen redders? Wat, gevangen? Ik ben per slot
de aartslul van het lot. Voorzichtig, man; het losgeld komt. Breng mij wat chirurgijnen; er zit een steekje los. |
| Edelman | U krijgt al wat u wilt. |
| Lear | Geen helpers? Helemaal op mijzelf?
Nou, hiervan wordt een man een man van zout, en door zijn ogen spuit het water in de tuin en slaat het herfststof neer. Ik zal puik sterven, als knappe bruidegom. Ik straal als de zon. Kom, kom, ik ben koning, heren; weten jullie dat? |
| Edelman | U bent koninklijk, en wij gehoorzamen. |
| Lear | Dan is er nog leven hierin. Kom, als je het wil grijpen, dat lukt pas als jullie rennen. Sa, sa, sa, sa.
Rennend af, dienaren volgen |
| Edelman | Wat vreselijk, al was het de armste schooier;
onzegbaar bij een koning. Je hebt een dochter, die de natuur bevrijdt van de vervloeking die twee haar hebben afgeroepen. EdgarDag, nobele heer. |
| Edelman | God groet u. Wat is uw wens?
EdgarWeet u soms iets, heer, van een aanstaand treffen? |
| Edelman | Zeker, het is algemeen bekend; wie oren heeft,
kan het niet missen. Edgar Maar, met uw verlof, hoe dichtbij is het andere leger? |
| Edelman | Zeer, en komt snel naderbij. De hoofdmacht
kan ieder uur hier zijn. Edgar Dank u, dat is alles. |
| Edelman | mdat de Koningin hier toch te doen heeft,
is haar leger ook opgerukt. Edgar Bedankt, heer.Edelman af |
| Gloucester | Gij, altijd milde Goden, neem mijn leven.
Laat niet mijn kwade geest mij weer verleiden vóór het u behaagt te sterven. Edgar U bidt goed, vader. |
| Gloucester | Maar, heer, wat bent u?
EdgarEen zeer arm man, door het noodlot tam geslagen; ik heb geleerd van eigen, diepe smart, ik voel nu wat meelij is. Geef mij uw hand, dan leid ik u naar een onderdak. |
| Gloucester | Bedankt.
De rijkdom en de zegen van de hemel voor u daarbij. Oswald op |
| Oswald | De prijs verdiend! 't Is raak.
Die ogenloze kop van jou werd vlees om jou te spekken. Oud stuk verrader, bedenk je zonden snel, het zwaard is blank dat jou zal doden. |
| Gloucester | Geef nu die vriend, jouw hand,
voldoende kracht.Edgar springt tussen hen in |
| Oswald | Waarom, brutale boer,
durf jij een erkend verrader nog te helpen? Weg, of zijn zo besmettelijk lot sleept ook jou met zich mee. Los met die arm. EdgarDer mot nog heel wat beuren voor 'k loslaat, kerl. |
| Oswald | Laat los, slaaf, of je sterft.
EdgarGoeie meneer, adde nou us wegging, dan kost dat arme volk weer deurlopen. As ik an m'n end had kunnen komen door zo'n hoop gebluf, dan had het niet zo lang als nu hoeven te duren, wel veertien dagen. Hé, niet zo dicht bij die ouwe man komen. Hup, uit de buurt, zeker weten, of ik zal eens zien of jouw kale knikker harder is dan mijn knuppel. Ik zeg het u maar even. |
| Oswald | Weg, mesthoop.
EdgarIk ga uw tanden stoken, meneertje. Kom, das heel wat anders dan dat schermen van u. Ze vechten, en Edgar slaat hem neer |
| Oswald | Schurk, je hebt me vermoord. Slaaf, neem mijn beurs.
Wil je hogerop, begraaf mijn lichaam dan. En geef de brief, die ik ergens bij mij heb, aan Edmund, Graaf van Gloucester. Zoek hem op in 't Britse kamp. O, veel te vroeg! Dood. Dood.Hij sterft EdgarIk ken jou, overgedienstige schurk. Jij dient je meesteres in alle zonden die slechtheid maar verlangt. |
| Gloucester | Wat! Is hij dood?
EdgarGa zitten, vadertje; en rust wat uit. Eerst deze zak. De brief waar hij van sprak kan mijn vriend zijn. Hij is dood. Jammer alleen, dat hij geen andere beul had. Even kijken. Kom, zachte was. Fatsoen, praat niet van fout. Voor 's vijands plan ontrukken wij hem het hart. Dan mogen zijn papieren eerder. [Hij leest] Laten wij aan onze wederzijdse eden denken. U heeft gelegenheid te over om hem tedoden. Als uw wil u niet in de steek laat, dan is er plaats en tijd in ruime mate te vinden. Er is niets bereikt, als hij als overwinnaar terugkeert. Dan ben ik de gevangene, en zijn bed mijn kerker. Moge u mij bevrijden van de walgelijke warmte daarvan, en maak ruimte voor uw arbeid. Uw - vrouw, wou ik haast zeggen - Toegenegen dienares, GonerilOnpeilbare diepten van de vrouwenlust. Een samenzwering tegen haar brave man, en dan mijn broer als ruil. Hier, in het zand, begraaf ik je, jij goddeloos bericht van moord en wellust. En te rechter tijd tover ik 't vervloekt papier de graaf voor ogen, wiens dood werd voorbereid. Hij is uit de nood, als hij hoort van het complot en van jouw dood. |
| Gloucester | De Koning gek; hoe hard ben ik en gemeen,
dat ik nog recht loop, mijn enorme smart nog bij mij binnen voel. Was ik maar gek; dan scheidden zich gedachten van verdriet, verloor de pijn van waanvoorstellingen het besef dat zij bestond.Trommel in de verte Edgar Geef mij uw hand. Ik hoor, denk ik, daarginds de trommel slaan. Kom mee, vader, dan breng ik u bij een vriend.Allen af Zevende toneel - Een tent in het Franse kamp Cordelia, Kent, dokter en dienaren op |
| Cordelia | Mijn goede Kent, kan al wat ik ooit doe
jouw goedheid evenaren? Ik leef veel te kort, jouw maat is mij te groot. |
| Kent | Erkenning is al te veel loon, mevrouw.
Wat ik verteld heb is de simpele waarheid, niets meer, niets minder. |
| Cordelia | Doe iets beters aan:
die vodden doen mij denken aan slechter tijden; iets anders, alsjeblieft. |
| Kent | Neem mij niet kwalijk,
als men weet wie ik ben stoort dat mijn plan. Totdat de tijd daar is, is het in mijn voordeel, dat u mij nog niet kent. |
| Cordelia | Dan laat het maar. [Tegen de dokter] Hoe is het met de Koning? |
| Dokter | Hij slaapt nog steeds, mevrouw. |
| Cordelia | O, milde Goden,
herstel de breuk in zijn ontwrichte leven. Breng zijn ontstemde geest weer strak op toon - door kinderen tot kind gemaakt. |
| Dokter | Wilt u,
dat wij hem wekken? Hij slaapt al zo lang. |
| Cordelia | Doe wat u goeddunkt; laat u hierin leiden
door wat uw wil u zegt. Is hij gekleed? Lear wordt slapend op een rustbed binnengebracht |
| Edelman | Zeker, mevrouw, toen hij nog heel diep sliep,
hebben we hem goede kleren aangedaan. |
| Dokter | U moet erbij zijn, als we hem wakker maken.
Hij zal wel weer gewoon doen, denk ik. |
| Cordelia | Goed.Er klinkt muziek |
| Dokter | Kom dichterbij. Nog meer muziek. |
| Cordelia | Mijn lieve vader. Moge hier mijn lippen
genezing geven. Laat deze kus de heftige pijn goed maken, door mijn zusters u aangedaan. |
| Kent | Goede dochter, lieve Prinses. |
| Cordelia | Was u niet hun vader, dan zou uw wit haar
wel meelij afdwingen. Moest dit gezicht zich meten met de aanstormende wind? Stand houden in diepe, angstige donderknallen? In het flitsen van het vreselijk, grillig licht langs heel de horizon? Op wacht - och, arme -, met dit dun helmpje? Zelfs mijn vijands hond had ik in die nacht - al had hij mij gebeten - bij mij voor het vuur gezet. En, arme vader, moest jij bij varkens in een schuur en zwervers, in oud en stoffig stro? Helaas, helaas. Nog vreemd, dat met je zinnen ook je leven daar niet gelijk ophield. Hij is wakker; zeg wat. |
| Dokter | Doet u maar, mevrouw; dat is beter. |
| Cordelia | Hoe gaat het, Uwe Majesteit, mijn vorst. |
| Lear | U doet verkeerd, mij uit het graf te halen.
U bent een ziel in de hemel; ik zit vast aan het wiel van vuur, dat al mijn eigen tranen wegschroeit als smeltend lood. |
| Cordelia | Kent u mij, heer? |
| Lear | U bent een geest, ik weet het; waar gestorven? |
| Cordelia | Hij is nog heel ver weg. |
| Dokter | Nog nauwelijks wakker. Laat hem nog wat alleen. |
| Lear | Waar ben ik geweest? Waar ben ik nu? Licht, dag?
Eén groot bedrog. Ik zou van meelij sterven, als ik iemand zo zag. Wat moet ik zeggen. Dit zijn toch niet mijn handen. Laat eens kijken: ja, die speld prikt. Had ik maar zekerheid, hoe het met mij stond. |
| Cordelia | O heer, zie mij toch aan,
en houd uw hand in zegening boven mij. Nee, heer, kniel niet. |
| Lear | Houd mij niet voor de gek.
want deze stumper is een oude man, boven de tachtig, geen uur meer of minder. En - ik zeg het hier maar eens ronduit -, ik ben, geloof ik, niet goed bij mijn hoofd. Ik zou u moeten kennen, en die man, maar ik twijfel; want ik heb geen idee waar ik hier ben, en - met de beste wil - van deze kleren weet ik niets; ook weet ik niet waar ik vannacht geweest ben. Lach mij niet uit: zo waar ik leef, ik denk dat deze dame mijn dochter Cordelia is. |
| Cordelia | Ja, dat ben ik, dat ben ik. |
| Lear | Zijn uw tranen nat. Ja, werkelijk. Huil toch niet.
Heeft u vergif voor mij, dan zal ik het drinken. Ik weet dat u niet van mij houdt, want uw zusters hebben mij - dat weet ik nog - veel kwaad gedaan. U heeft er reden voor, zij niet. |
| Cordelia | Geen reden, geen reden. |
| Lear | Ben ik in Frankrijk? |
| Kent | In uw eigen rijk. |
| Lear | Bedrieg mij niet. |
| Dokter | Troost u, lieve mevrouw, zijn innerlijk
is uitgeraasd. Maar zeg hem liever niets over wat hij zich niet herinneren kan. Vraag of hij mee naar binnen gaat; wacht verder tot hij meer zichzelf geworden is. |
| Cordelia | Wilt uwe hoogheid meegaan? |
| Lear | Heb geduld met mij.
Ik smeek u: vergeet, vergeef; ik ben oud en kinds.Lear, Cordelia, Dokter en bedienden af |
| Edelman | Is het waar, heer, dat de Hertog van Cornwall zo werd gedood? |
| Kent | Vast en zeker, heer. |
| Edelman | Wie leidt zijn mensen nu? |
| Kent | Men zegt, de onechte zoon van Cornwall. |
| Edelman | Ik hoor, dat Edgar, zijn verbannen zoon, bij de Graaf van Kent, in Duitsland is. |
| Kent | Men zegt zo veel. Het wordt tijd, dat we om ons heen zien. De strijdmacht van het koninkrijk rukt op, en snel. |
| Edelman | De beslissende slag zal wel heel bloedig zijn. Tot ziens, heer.Af |
| Kent | Mijn plan nadert zijn eindpunt, goed of slecht,
al naar gelang de uitkomst van het gevecht.Af |