| Koning Lear
king lear vertaling Jan Jonk | |
|---|---|
|
eerste tweede derde vierde vijfde bedrijf Vijfde Bedrijf Eerste toneel - Het Britse kamp bij Dover Edmund, Regan, officieren, soldaten en anderen op, met trom en vaandels | |
| Edmund | Hoor eens of de Hertog zijn aanvalsplan doorzet,
of dat er weer iets is dat hem beweegt een andere koers te gaan. Hij weifelt almaar, is vol zelfkritiek. Breng mij wat hij echt wil.Tegen een officier, die vertrekt |
| Regan | Mijn zusters bode is vast iets overkomen. |
| Edmund | Dat vrees ik ook, mevrouw. |
| Regan | Mijn lieve graaf,
u kent de gunst die ik u geven wil. Zeg mij eens eerlijk, maar dan echt naar waarheid, houdt u niet van mijn zuster? |
| Edmund | Met eerbare liefde. |
| Regan | Maar heeft u nooit mijn zwagers weg gevonden
naar de verboden plaats? |
| Edmund | U denkt verkeerd. |
| Regan | Bent u met haar echt niet intiem geweest,
en haar geknuffeld, in de diepste zin? |
| Edmund | Nee, op mijn erewoord, mevrouw. |
| Regan | Dat duld ik nooit van haar. O. lieve graaf,
word nooit haar minnaar. |
| Edmund | Vertrouw mij toch.
Daar is zij, en haar man, de hertog. Tromgeroffel en vaandels. Albany, Goneril en dienaren op |
| Goneril | [Terzijde] Ik verloor liever de slag dan dat mijn zuster
mij hem verliezen deed. |
| Albany | O, liefste zuster,
Lear is, zo hoor ik juist, heer, bij zijn dochter, met anderen die ons streng optreden dwong tot een protest. Als ik er niet in geloofde, zou ik nooit zo vechtlustig zijn. Wat dit aangaat, wij zijn betrokken door Frankrijks invasie, niet doordat hij de Koning steunt, met anderen, die zich, op goede gronden, nu verzetten. |
| Edmund | Nobel gesproken, heer. |
| Regan | Waarom zo'n verhaal? |
| Goneril | Trekken wij samen op tegen de vijand.
Het is geen persoonlijke onenigheid of huiselijke twist. |
| Albany | Laat ons een plan
opstellen nu met onze legeroudsten. |
| Edmund | Ik sta direct tot uw beschikking, heer. |
| Regan | Gaat u met ons mee, zuster? |
| Goneril | Nee. |
| Regan | Het zou heel goed uitkomen. Kom met ons mee. |
| Goneril | [Terzijde] Ik heb dat grapje door. Ik ga wel mee.
Terwijl zij vertrekken, komt Edgar in vermomming op EdgarAls Uwe Hoogheid ooit gesproken heeft met een arme als ik, luister. |
| Albany | Ik kom zo.
Edmund, Regan, Goneril, officieren, soldaten en dienaren af Spreek. EdgarLees deze brief, voor u ten strijde trekt. Is het uw zege, laat de trompet dan schallen voor wie haar bracht. Ik lijk dan wel een schooier, maar ik kan een vechter leveren die bewijst wat daar beweerd wordt. Maar, als u verliest, dan is daarmee uw wereldtaak voorbij, en eindigt het complot. Geluk met u. |
| Albany | Blijf hier tot ik het lees.
Edgar Dat mag ik niet. Laat de heraut, wanneer de tijd daar is, mij roepen, en ik kom. |
| Albany | Wel dan, tot ziens.
Ik zal je brief goed lezen.Edgar af Edmund op |
| Edmund | De vijand is in zicht. Sluit aan de linies.
Hier is de schatting van hun ware kracht, verkend met zeer veel zorg. Wilt u nu wel opschieten. |
| Albany | Als het uur komt, staan wij klaar.Af |
| Edmund | Ik heb beide zusters liefde en trouw gezworen.
De een wantrouwt de ander; de gebetene vreest de adder. Wie van die twee neem ik? Beiden? Een? Geen van twee? Geen geeft plezier, als beiden blijven leven. Neem ik de weduwe, dan tergt dat tot gekmakens toe zus Goneril. Ik haal mijn slagen ook beslist niet binnen, zolang haar man nog leeft. Daarom, nog even onder zijn bevel ten aanval; daarna moet zij die hem graag kwijt wil zelf maar zien hoe hij snel opgeruimd wordt. De genade, die hij van plan is voor Lear en Cordelia, als zij, na het gevecht, in onze macht zijn, die krijgen ze nooit. Ik moet mij nu weren om mijn positie, niet filosoferen.Af Tweede toneel - Een terrein tussen de twee kampen Strijdsignaal achter het toneel. Tromgeroffel en vaandels. Lear, Cordelia en hun strijdmacht op, en weer af Edgar en Gloucester op EdgarHier, vader, neem de schaduw van die boom als uw dak; moge het recht zegevieren. Als ik nog ooit bij u terugkom, zal ik u troost brengen. |
| Gloucester | God zegene u.Edgar af
Strijdsignaal; daarna een signaal voor de terugtocht. Edgar weer op EdgarVlug, oude man, geef me je hand: kom vlug. Lear heeft verloren, is met zijn dochter gepakt. Geef me je hand, kom mee. |
| Gloucester | Niet verder, heer; wegrotten kan ook hier.
EdgarWat, weer somber? Aanvaarden moet de mens net zo, dat hij moet gaan als dat hij komt. Rijpheid is alles. Kom mee. |
| Gloucester | Dat is ook waar.Beiden af
Derde toneel - Het Britse kamp bij Dover Een overwinningsstoet, met trommels en vaandels. Edmund, Lear en Cordelia als gevangenen op; officieren, soldaten, enz. |
| Edmund | Afvoeren. Bewaak ze goed, officieren,
tot wij van hogerhand iets naders weten over hun berechting. |
| Cordelia | Wij zijn niet de eersten,
die het beste wilden, maar het slechtste kregen. Gekrenkte Koning, jouw lot kan mij deren; zelf zou ik de valse grijns van het lot pareren. Zien wij die dochters en die zusters nog? |
| Lear | Nee, nee, nee, nee. Kom vlug naar onze cel.
Daar zingen wij als vogels in een kooi. Als jij mijn zegen vraagt, kniel ik en vraag jou om vergeving. Zo zullen wij leven, bidden, zingen, van sprookjes spreken, lachen om vergulde vlinders, van arme drommels het hofnieuws horen, en met hen bespreken wie wint en wie verliest, wie in, wie uit is. Daar schouwen wij het mysterie van ons zijn, als godeninformanten, in die kerker, verslijten wij de kliek van hoge heren, wier tij daalt en rijst met de maan. |
| Edmund | Voer ze af. |
| Lear | Op zulk een heilig offer, lieve Cordelia,
strooien de Goden wierook. Heb ik jou gestrikt? Alleen een hemelfakkel scheidt ons nog, en drijft ons weg als vossen. Droog je ogen. Laat de duivels ze vreten, huid en haar, wij huilen niet. Eerst komt hun hongerdood. Kom.Lear en Cordelia af |
| Edmund | Kom eens hier, kapitein; en luister.
Neem deze brief.Hij geeft hem een papier Volg hen naar de gevangenis. Ik heb je al bevorderd; als je doet wat dit je opdraagt, dan ben je op weg naar adeldom. Weet dan ook, dat de mens is als de tijd; dat zacht van aard te zijn niet past bij het zwaard; en dat jouw grootse taak geen vragen duldt: je zegt dat je het doet, of zoekt elders het geluk. |
| Officier | Ik doe het, heer. |
| Edmund | Dan aan de slag; en wees blij na de daad.
Let wel, ik zeg, gelijk, en doe precies wat ik heb opgeschreven. |
| Officier | Ik trek geen wagen en ik eet geen haver.
Wanneer dit mannenwerk is, ja, dan doe ik het.Af Trompetgeschal. Albany, Goneril, Regan, officieren en soldaten op |
| Albany | Vandaag zagen wij, heer, uw dappere kant.
Het lot was met u, want u heeft in uw macht de tegenstanders in de strijd vandaag. Ik eis ze op, dat ik met hen kan doen wat hun verdienste volgens ons vereist en onze veiligheid. |
| Edmund | Ik achtte het juist,
die oude, ellendige Koning weg te sturen naar 'n eenzame kerker, waar hij goed bewaakt wordt. Zijn leeftijd, maar nog meer zijn rang, betovert 't gewone volk om aan zijn kant te staan, en de soldaten onder ons commando zich tegen ons te keren. Met hem zond ik de Koningin, - dezelfde reden -. Morgen of ook wel later kunnen zij voorkomen daar waar u zitting houdt. Nu zitten wij vol zweet en bloed. Vriend heeft zijn vriend verloren, de beste strijd vervloekt men, nog verhit, als men nog voelt hoe scherp die was. De zaak tegen Cordelia en haar vader vereist een betere plaats. |
| Albany | Heer, met verlof,
u bent voor mij in deze oorlog onderdaan, geen broeder. |
| Regan | Zo wensen we hem te zien.
U had ook kunnen wachten op ons vragen, voor u iets zei. Hij leidde onze macht, hij handelde in mijn naam en persoon, en deze nauwe band plaatst hem zo hoog, dat hij uw broer kan heten. |
| Goneril | Niet zo boos.
Hij is al van zichzelf veel meer van aanzien dan door waar u hem mee eerde. |
| Regan | Met de rechten
die ik hem gaf, behoort hij tot de besten. |
| Albany | Werd hij uw echtgenoot, dan was het het hoogste. |
| Regan | Een grap komt heel vaak uit. |
| Goneril | Wel ja, wel ja.
Wie u dat heeft gezegd, die loenste flink. |
| Regan | Ik ben niet goed op dreef, mevrouw. Want anders,
kreeg u een gruwelijke kat. Generaal, neem mijn soldaten, erfdeel, en gevangenen. Beschik erover, over mij, mijn burcht. De wereld zij getuige: ik maak jou hier tot heer en meester. |
| Goneril | Wilt u hem zo graag? |
| Albany | Gij-zult-niet ligt hier niet binnen uw macht. |
| Edmund | Ook niet bij u, heer. |
| Albany | Toch wel, halve bastaard. |
| Regan | [Tegen Edmund] Sla nu de trom, en toon uw titel waardig. |
| Albany | Wacht, luister even. Edmund, ik arresteer u
om hoogverraad; en, met dezelfde aanklacht, dat opgemaakt serpent.Hij wijst naar Goneril Uw aanspraak, schone zuster, wijs ik hier af ter wille van mijn vrouw. Zij is heimelijk met deze heer verbonden, en ik, haar man, verbied jullie het ja-woord. Als je wilt trouwen, maak dan mij het hof, mijn vrouw is al bezet. |
| Goneril | Wat een toneel. |
| Albany | Jij bent gewapend, Gloucester; schal de trompet.
Meldt niemand zich om jou hier te belasten met gruwelijk, open en herhaald verraad, hier is mijn pand.Hij werpt een handschoen neer Ik bewijs het op je hart, voor ik weer brood eet: niets in jou is minder dan wat ik over jou verklaard heb. |
| Regan | Ik ben ziek. |
| Goneril | [Terzijde] Zo niet, geen middel dat ik nog vertrouw. |
| Edmund | Hier is mijn antwoord.Hij werpt een handschoen neer
Wie mij verrader noemt, hij liegt, de schurk. Laat die trompet schallen. Wie durft er komen, voor hem, voor u, wie niet? Ik zal mijn eer gestand doen en mijn trouw. |
| Albany | Een heraut, ho.
Vertrouw op eigen kracht; al jouw soldaten, geworven in mijn naam, zijn in mijn naam ontslagen. |
| Regan | O, mijn ziekte voelt steeds erger. |
| Albany | Zij voelt zich niet goed. Breng haar naar mijn tent.Regan wordt weggeleid
Een heraut op Kom hier, heraut - eerst een trompetsignaal - en lees dit voor. |
| Officier | Trompetsignaal!Er klinkt een trompet |
| Heraut | [Leest] Indien iemand, wie dan ook, van rang en aanzien in het rijen van het leger wil bevestigen, dat Edmund, zich noemende Graaf van Gloucester, veelvuldig verraad heeft gepleegd, laat hem dan te voorschijn komen bij het derde trompetsignaal. De beschuldigde zal zich verdedigen.
Signaal!Eerste signaal Nog eens.Tweede signaal Nog eens.Derde signaal Trompetsignaal achter Edgar op, bewapend, met voor zich uit een trompetter |
| Albany | Vraag naar zijn doel, waarom hij hier verschijnt
op het trompetsignaal. |
| Heraut | En wie bent u?
Uw naam? Uw rang? En waarom komt u hier, op het trompetsignaal? Edgar Mijn naam is op. Zij is weg geknaagd door wormen en verraad. Ik ben van adel als de tegenstander die ik hier treffen zal. |
| Albany | Wie is dat dan?
EdgarWie spreekt hier namens Edmund, Graaf van Gloucester? |
| Edmund | Hijzelf. Wat is jouw boodschap?
Edgar Trek je zwaard, dat, als mijn woord een nobel hart beledigt, je wapen recht kan spreken; hier is het mijne. Dit is het voorrecht van mijn eer, mijn eed, mijn ridderschap. Hiermee verklaar ik openlijk, ondanks je kracht, plaats, jeugd en hoge rang, je zwaard dat won en je gloednieuw fortuin, je moed en hart, dat je een verrader bent, - vals aan de Goden, broeder en je vader, die samenzweert tegen een doorluchtig vorst - van het allerhoogste topje van je hoofd tot het stof onder je voeten, tot je zool, een gif-gespikkelde verrader. Zeg ‘Nee', en al mijn moed, mijn arm, mijn zwaard, kent één doel slechts: op je eigen leven dit punt aan te tonen, dat je liegt. |
| Edmund | Het is wijs je naam te kennen.
Maar jij bent zo krijgshaftig, ademt stijl, je voorkomen bezit zo'n uitstraling, dat al wat ik volgens de ridderwet terzijde schuiven kan, ik lopen laat. Ik smijt al dat verraad terug naar jouw hoofd. Die helse leugen mag jouw hart beheersen, hij glijdt aan mij voorbij, hij schampt mij slechts. Mijn zwaard zal hem nu leren waar hij hoort, en eeuwig rusten moet. Trompetten, spreek. Oorlogsgeluiden. Zij vechten. Edmund wordt getroffen |
| Albany | Red hem, red hem. |
| Goneril | Dit is verraad, Gloucester.
De oorlogswet verplicht u niet te vechten met 'n onbekende. U bent bedrogen, niet zo maar overwonnen. |
| Albany | Mond dicht, mens,
of ik stop hem dicht met dit papier. Ho, heer. Jij, slechter dan wie ook, lees je eigen kwaad. Niet scheuren. Ik merk dat u het al weet. |
| Goneril | Nou èn, ik ben immers de wet, niet jij.
Wie kan mij aanklagen? |
| Albany | O, monster.
Weet jij van dit papier? |
| Goneril | Vraag mij niet wat ik al weet.Af |
| Albany | Achter haar aan. Zij is wild. Houd haar in toom.Een officier af |
| Edmund | Ik heb gedaan, waar u mij van beschuldigt,
en meer, veel meer; de tijd zal het onthullen. Het is voorbij; ik ook. Maar wie ben jij, die mij dit lot gebracht heeft? Ben je nobel, dan vergeef ik je. Edgar Die aalmoes geef ik terug. Niet minder ben ik van afkomst dan jij, Edmund. Mijn naam is Edgar. Ik ben jouw vaders zoon. Het gericht der Goden maakt de stoutste lusten tot werktuigen waarmee ze ons pesten: de duistere, onzuivere plaats waar hij jou won kostte hem zijn ogen. |
| Edmund | Je hebt gelijk, het is waar.
Het rad is helemaal rond. En hier sta ik. |
| Albany | Ik meende al aan jouw loop te zien, dat je
van adel was. Laat ik je hier omhelzen. Pijn, splijt mijn hart, als blijkt, dat ik ooit jou haatte of je vader. Edgar Dat weet ik, nobele prins. |
| Albany | Maar waar heeft u zich steeds verborgen?
Hoe hoorde u van de ellende van uw vader? EdgarDoor hem te helpen, heer. 't Verhaal is kort; en, is 't voorbij, dan laat mijn hart maar breken. Om aan het bloedig oordeel te ontsnappen, dat mij zo op de huid zat - O, levenslust, die liever uur na uur de doodsnood kiest dan nu gelijk te sterven -, verkleedde ik me in lompen van een gek; ik zag er niet uit, ja, zelfs de honden blaften. Zo gekleed, kwam ik mijn vader tegen, oogkassen vol bloed, de kostbare stenen kwijt. Ik werd zijn bedelaar, zijn gids, redde hem van wanhoop. Nooit - dit was fout - vertelde ik hem wie ik was, tot pas één uur geleden, toen ik ging strijden. Ik hoopte op succes, maar was onzeker; vroeg hem zijn zegen; maar hij, nu gebroken, te zwak, helaas, om die strijd aan te kunnen, tussen de uitersten van hartstocht, vreugde en smart, stierf met een glimlach. |
| Edmund | Wat raakt mij uw relaas.
Het doet wellicht nog goed. Maar spreekt u door, u ziet eruit of u nog meer wilt zeggen. |
| Albany | Is er nog meer, en erger, houd het in.
Ik ben al bijna bij het punt van tranen, nu ik dit hoor. Edgar Het zou een goed eindpunt schijnen voor wie niet houdt van smart. Maar nog meer leed, met elk detail, zou meer stapelen op meer, en alle grenzen overtreffen. Toen ik luid schreeuwend rondging, kwam er een man, die mij ontmoet had in mijn slechtste staat, en mijn ellende had geschuwd. Nu zag hij wie de rampzalige was; zijn sterke arm sloeg hij toen om mijn hals, en barstte los als moest de hemel scheuren; omhelsde vader, en kwam met het triest verhaal van Lear en hem, zo erg, zo ongehoord. Terwijl hij sprak, greep hem de smart aan, en de levensstrengen begonnen te breken. Tweemaal klonk de trompet, en ik liet hem zieltogen. |
| Albany | Maar wie was dat?
EdgarKent, heer, de verbannen Kent. Vermomd volgde hij zijn vijandige koning, en meer dan slaaf diende hij hem. Een edelman op met een mes dat onder het bloed zit |
| Edelman | Help, help, O, help.
Edgar Wat voor soort hulp? |
| Albany | Spreek, man.
EdgarWat moet dat bloedig mes? |
| Edelman | Het is heet, het dampt nog.
Het komt net uit het hart van - O, ze is dood. |
| Albany | Wie is dood? Spreek, man. |
| Edelman | Uw vrouwe, heer, uw vrouwe. En haar zuster
is door haar vergiftigd; ze heeft bekend. |
| Edmund | Aan beiden had ik mij beloofd; alle drie
zijn wij in dit moment vereend. Edgar Hier is Kent. Kent op |
| Albany | Breng de lichamen hier, dood dan wel levend.Edelman af
Het gericht der hemelen, dat ons doet huiveren, gunt ons geen medelij. [Tegen Kent] O, is hij dat! Het goed gebruik eist nu een ceremonie, maar ik heb geen tijd. |
| Kent | Graag wenste ik hier,
mijn meester en koning voor eeuwig goede nacht. Is hij niet hier? |
| Albany | Hoe konden we dat vergeten?
Spreek, Edmund, waar is de Koning, waar is Cordelia? Zie dit nou toch eens, Kent? De lichamen van Goneril en Regan worden binnengedragen |
| Kent | Helaas, waarom zo? |
| Edmund | Zij hielden toch van Edmund.
Om mij vergiftigde de een de ander, en doodde toen zichzelf. |
| Albany | Zo was het. Bedek hun gezichten. |
| Edmund | Ik snak naar leven. Dan nog maar wat goeds,
geheel tegen mijn natuur. Ga daarom vlug, en heel vlug, naar het kasteel. Want mijn bevel betreft het leven van Lear en Cordelia. Wees toch op tijd. |
| Albany | Schiet op, O, schiet op.
EdgarNaar wie, heer? Wie heeft dienst? En stuur een teken dat het bevel herroepen is. |
| Edmund | Dat is waar ook. Geef mijn zwaard
aan de kapitein. Edgar Schiet op, het kost je leven.Een officier af |
| Edmund | Hij heeft de opdracht van jouw vrouw en mij
Cordelia op te hangen in de kerker, en het dan doen voorkomen dat zij zichzelf doodde en het uit wanhoop deed. |
| Albany | Bescherm haar, Goden.
En draag hem weg.Edmund wordt weggedragen Lear weer op, met Cordelia dood in zijn armen; officier |
| Lear | Huil! Huil! Huil! O, jullie zijn van steen.
Met jullie tongen, jullie ogen, zou ik het hemeldak doen kraken. Voor altijd heen. Ik weet als iemand dood is, of nog leeft. Ze is dood als de aarde. Leen me eens een spiegel; als de steen beslaat van haar ademtocht, dan leeft ze nog. |
| Kent | Is dit de dag des oordeels,
of een beeld van al die gruwel? |
| Albany | Val en einde. |
| Lear | Het veertje beweegt; ze leeft. Als dat zo is,
verlost mij dat misschien van alle pijn die ik ooit heb gevoeld. |
| Kent | [Knielt] Mijn goede meester. |
| Lear | O, ga toch weg. |
| Kent | Het is Kent, uw nobele vriend. |
| Lear | De kelere, jullie moordenaars, verraders.
Had ik haar maar gered. Ze is weg, voor altijd. Cordelia, Cordelia, blijf nog even. Ja. Wat zeg je nou? Ze sprak altijd al zachtjes, lief en zacht, dat past een vrouw voortreffelijk. Ik heb de slaaf gedood, die jou gehangen heeft. |
| Officier | Dat klopt, heren, dat is juist. |
| Lear | Nietwaar, manneke.
Ik had ze vroeger met mijn bijtend kromzwaard allemaal laten dansen. Ik ben oud nu, en alle pijn sloopt mij. Maar wie bent u? Ik zie niet meer zo best. Ik zeg het zo. |
| Kent | Als het lot prat gaat op wie het mint en haat,
dan zien we een daarvan hier voor ons. |
| Lear | Ik zie niet meer zo scherp. Bent u niet Kent? |
| Kent | Uw dienaar Kent. Waar is uw dienaar Caius? |
| Lear | Een puike kerel, laat ik u dat zeggen.
Die slaat, en snel. Hij is dood, en al verrot. |
| Kent | Nee, goede heer: ik ben dezelfde man, - |
| Lear | Dat zie ik zo dan wel. |
| Kent | Die van uw eerste omslag en verval
uw droeve stap gevolgd heeft, - |
| Lear | Welkom hier. |
| Kent | en niemand anders. Het is al triest, doods, duister:
uw oudste dochters maakten zich tot niets, zijn dood van wanhoop. |
| Lear | Ja, dat denk ik ook. |
| Albany | Hij weet niet wat hij zegt. Het heeft geen zin,
dat wij nog met hem praten. EdgarAlles zonder nut. Een officier op |
| Officier | Edmund is dood, heer. |
| Albany | Dat is bijzaak hier.
Heren, en nobele vrienden, ken ons plan. Al wat dit zwaar vervallen land zal goed doen dat gebeurt. Wij doen afstand van de macht, zo lang de oude Majesteit nog leeft, hem is de absolute macht. [Tegen Edgar en Kent] Bij uw rechten krijgt u al wat u heeft verdiend aan eer en titels. Al uw vrienden zullen smaken het loon van inzet, al uw vijanden de beker die zij verdienden. Kijk, kijk. |
| Lear | Mijn zottepop gehangen. Nee, geen leven meer.
Wat moet een hond, een paard, een rat in leven, en jij geen adem? O, jij komt nooit weer, nee, nooit, nee, nooit, nee, nooit, nee, nooit, nee, nooit. Doe deze knoop wat los; dank u, meneer. Zien jullie dit, kijk naar haar, kijk, haar lippen, kijk nou, kijk nou.Hij sterft Edgar Bewusteloos. Mijn Heer! |
| Kent | Breek, hart, O, breek nu maar.
Edgar Kijk op, mijn heer. |
| Kent | Kwel hem niet, laat zijn ziel voorbij. Hij haat,
wie hem op de starre pijnbank van de wereld nog langer uitrekt. Edgar Hij is echt gegaan. |
| Kent | Het was al bijzonder dat hij het zo lang uithield.
Zijn hele leven was één groot gevecht. |
| Albany | Draag hen nu weg. Wat ons nu bezig houdt,
is algemene rouw. [Tegen Kent en Edgar] Vrienden, u allebei krijgt over een bloedbespat rijk de heerschappij. KentIk moet op reis, heer, ja, ik moet zo weg; mijn meester neemt het niet als ik nee zeg. EdgarOns drukt het gewicht van droeve tijden neer; spreek naar gevoel, niet naar wat hoort, dit keer. De oudste leed het meest; geen jongere kan ooit zo lang zo veel meemaken als die man.Allen af, met de treurmars |