| Leer om leer
measure for measure vertaling : Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste bedrijf Eerste toneel - In Wenen Hertog op, Escalus, hovelingen en gevolg | |
| Hertog | Escalus. |
| Escalus | Mijn vorst? |
| Hertog | Uiteen te zetten wat besturen is
zou in mij ijdele zucht tot praten lijken, want ik moet inzien dat u veel meer weet op dit terrein dan al wat mijn verstand aan raad u geven kan. Voeg enkel nog geweten bij uw weten, - wat u kunt -, en laat die werken. Met de aard van ons volk, de stadsgewoonten, en hoe dat de wet wordt toegepast, bent u zo goed vertrouwd als wie ook, die praktijk en theorie tot rijker mens maakten. Hier is onze volmacht, waar u zich aan te houden heeft. Kan men nu vragen of Angelo voor ons verschijnt. Dienaar af Hoe zal hij onze stoel bekleden, denkt u? U weet toch, dat wij hem na rijp beraad als plaatsvervanger hebben uitgekozen; hem onze vreze gaven, onze liefde, hem hebben aangesteld in alle macht waarmee wij zelf heersen. Wat denkt u daarvan? |
| Escalus | Als er in Wenen iemand het verdient,
die zoveel eer en gunst verdragen kan, dan is het Heer Angelo. Angelo op |
| Hertog | Daar is hij zelf. |
| Angelo | Gehoorzaam altijd aan Uwe Hoogheids wil,
kom ik uw wens vernemen. |
| Hertog | Angelo,
jouw leven heeft een soort kenmerkend iets, dat aan wie goed kijkt heel jouw levensloop ontvouwt. Jouw aard en al jouw deugden zijn niet zozeer op zichzelf gericht dat zij zich alleen maar uitputten in elkaar. De hemel doet met ons als wij met toortsen: die ontsteken wij niet voor henzelf; want als er niets van ons uitging, maakte het niet uit, dat wij geen deugden hadden. Het merk ‘groot keur’ krijgt de geest als hij uitgeeft; de natuur leent nooit één gram voortreffelijkheid zomaar; als een zuinige godin bedingt zij steeds, dat zij, de crediteur, aanspraak kan maken op dank en winst. Maar ik richt mijn woord tot wie mijn taken door zijn voorbeeld duidelijk maakt: blijf dat doen, Angelo. Wees helemaal ons, als wij afwezig zijn. Doodstraf, en genade hier in Wenen leve in jouw mond, en hart. De oude Escalus, aan wie ik het eerst dacht, zal jouw wensen volgen. Aanvaard je opdracht. |
| Angelo | Wel, mijn goede vorst,
toets het gehalte eerst nog van mijn goud, voor een zo grootste en nobele beeldenaar erin geslagen wordt. |
| Hertog | Geen uitvlucht meer.
Na lang en rijp beraad viel onze keuze op u; aanvaard daarom uw waardigheid. De haast die ons dringt vanhier weg te gaan gaat boven al, en laat onafgedaan zaken van groot gewicht. Wij schrijven u, hoe het ons vergaat, wanneer de tijd ons noopt en zaken die ons aangaan; en van u willen wij horen hoe het hier staat. Tot ziens. Ik hoop dat u uw opdracht nauwgezet zult uitvoeren. |
| Angelo | Sta ons wel toe, mijn vorst,
dat we u een eind weegs uitgeleide doen. |
| Hertog | Mijn haast laat dat niet toe;
en, op mijn eer, u hoeft beslist ook nooit te twijfelen. Uw macht is die van mij: verhard, verzacht de wetten, naargelang uw ziel het het beste vindt. Geef mij uw hand; ik ga in stilte heen. Ik hou van het volk, maar ik zet mij niet zo graag voor hen te kijk; hun luid gejubel, hun heftig Ave, hoe goed bedoeld ook, mag ik niet zo graag; en wie er door geraakt wordt, acht ik geen man van grote wijsheid. Nogmaals, tot ziens. |
| Angelo | De hemel helpe u op al uw wegen.
Escalus En brenge u behouden bij ons terug. |
| Hertog | Ik dank u allen; dan, tot ziens. Af |
| Escalus | Zou ik u, heer, in alle openheid
eens kunnen spreken; graag hoorde ik, wat mijn positie hier nu eigenlijk is. Ik heb wel macht tot handelen, maar aard en omvang bleef mij onbekend. |
| Angelo | Zo is het ook met mij. Dan gaan we samen,
en worden het over dit punt beslist eens met elkaar. |
| Escalus | Ik sta geheel tot uw dienst. Allen af |
Tweede toneel - Dezelfde plaats. Een straat. Lucio op en twee Edellieden | |
| Lucio | Als de hertog en de andere hertogen niet met de Koning van Hongarije tot een overeenkomst komen, dan vallen alle hertogen de koning op het lijf. |
| 1e Edelman | De hemel geve ons vrede, maar niet de koning van Hongarije. |
| 2e Edelman | Amen! |
| Lucio | Jij eindigt net als die vrome piraat, die naar zee ging met de Tien Geboden, maar er eentje van de tafel schrapte. |
| 2e Edelman | ‘U zult niet stelen’? |
| Lucio | Ja, die streepte hij door. |
| 1e Edelman | Ja, want dat was een gebod, dat de kapitein en de anderen gebood van al hun handwerk af te zien: zij kozen zee om te gaan stelen. Bij het tafelgebed voor de maaltijd is er wel niemand van ons soldaten, die nou echt blij is met de bede die om vrede smeekt. |
| 2e Edelman | Ik heb nog nooit een soldaat horen zeggen dat hem dat niet beviel. |
| Lucio | Jij hebt gelijk; en jij bent volgens mij nog nooit daar geweest waar er gebeden werd. |
| 2e Edelman | Nee? Nou, wel twaalf keer, minstens.
1e Edelman Hoe ging het dan, op de maat? |
| Lucio | In elk ritme, of in elke taal. |
| 1e Edelman | Of in elk geloof, volgens mij. |
| Lucio | Ach ja, waarom niet? Bidden is bidden, ondanks alle controverse; jij bent, bij voorbeeld, een slechte schurk, ondanks alle genade. |
| 1e Edelman | Nou, we zijn uit één stuk stof, dat alleen maar met een schaar doormidden is geknipt. |
| Lucio | Klopt: zoals het laken en de zelfkant. Jij bent de zelfkant. |
| 1e Edelman | En jij bent het laken, en nog wel fijn laken; van die driemaal hooggeschoren soort, dat geef ik je op een briefje: ik zou net zo lief de zelfkant van gewoon grof Engels laken zijn, als gescho-ren op de Franse manier, met allemaal kale plekken, zoals jij. Spreek ik duidelijk genoeg? |
| Lucio | Dat lijkt mij wel; en wat jij zegt doet ook duidelijk voelbaar pijn. Ik zal, volgens jouw eigen bekentenis, op jouw gezondheid gaan leren drinken en mijn leven lang niet meer na jou uit één beker drinken. |
| 1e Edelman | Ik geloof, dat ik er ingelopen ben, of niet? |
| 2e Edelman | Nou en of; of je nou besmet bent of niet.
Mevrouw Overgaar op |
| Lucio | Kijk, kijk, daar hebben we Mevrouw Kalmeringsmiddel! Onder haar dak heb ik heel wat kwaaltjes opgelopen, wel zo’n - |
| 2e Edelman | Ja, zeg maar, wel zo’n hoeveel? |
| Lucio | Raad eens. |
| 2e Edelman | Wel voor zo’n drieduizend kwalijke dollars. |
| 1e Edelman | Ja, en meer. |
| Lucio | En nog een Franse kroon. |
| 1e Edelman | Jij vindt altijd dat ik vol kwaaltjes ben; maar jij zit zelf vol fouten; ik voel mij redelijk goed. |
| Lucio | Maar dat wil nog niet zeggen gezond: goed zoals alles wat hol is; jouw botten zijn hol; goddeloosheid heeft zich bij jou uitgevreten. |
| 1e Edelman | Zo, en aan welke kant plaagt de heupjicht u het meest? |
| Mevr. Overgaar | Stil maar! Er is iemand ginds opgepakt en naar het gevang gebracht, die zoveel waard was als vijfduizend van jullie. |
| 2e Edelman | Zo, wie dan wel niet? |
| Mevr. Overgaar | Nou, meneer, Claudio; Signor Claudio. |
| 1e Edelman | Claudio in de gevangenis? Dat kan niet.
Mevr. Overgaar Maar het is toch echt zo. Ik heb gezien dat hij opgepakt werd; ik heb hem zien wegleiden: en, wat nog erger is, binnen drie dagen wordt zijn hoofd eraf gehakt. |
| Lucio | Maar, alle gekheid op een stokje, dat zou toch al te bar zijn. Weet je het zeker? |
| Mevr. Overgaar | Maar al te zeker: en het is omdat hij juffrouw Julietta zwanger heeft gemaakt. |
| Lucio | Geloof me, het kan waar zijn: hij had mij beloofd twee uur geleden bij mij te zijn, en hij is altijd precies op tijd met zijn afspraken. |
| 2e Edelman | En, zoals u weet, klopt het ook zo ongeveer met het gesprek dat wij hier pas over hadden. |
| 1e Edelman | Maar nog het meest met de afkondiging. |
| Lucio | Kom mee! Ik wil er het fijne van horen. Lucio en de 1e Edelman af |
| Mevr. Overgaar | Zo raak ik, met al die oorlogen, met al die hitte, met al die galgen, met al die armoede, steeds meer klanten kwijt.
Pompeius op Wel, wat heeft u voor nieuws? |
| Pompeius | Die man ginds wordt naar de gevangenis gebracht. |
| Mevr. Overgaar | Zo! Wat heeft hij op zijn kerfstok? |
| Pompeius | Een vrouw. |
| Mevr. Overgaar | Maar wat heeft hij bedreven? |
| Pompeius | Naar forellen gegraaid, in iemands eigen rivier. |
| Mevr. Overgaar | Wat? Is het maagdje nu zwanger van hem? |
| Pompeius | Nou, nee: er is een vrouwtje nu zwanger van hem. U heeft de afkondiging zeker niet gehoord, hè? |
| Mevr. Overgaar | Hoezo, afkondiging, man? |
| Pompeius | Alle huizen in de buitenwijken van Wenen moeten worden gesloopt. |
| Mevr. Overgaar | En hoe zit het met die in de stad? |
| Pompeius | Die blijven staan om het zaad; ze waren ook gesloopt, als er geen verstandige burger voor in de bres was gesprongen. |
| Mevr. Overgaar | Maar zullen al onze huizen van gerief in de buitenwijken worden gesloopt? |
| Pompeius | Tot op de grond, mevrouw. |
| Mevr. Overgaar | Nou, dat is me toch echt een verandering in de staat! Wat moet er van mij worden? |
| Pompeius | Kom, wees maar niet bang: voor goede raadgeefster zijn er altijd wel klanten: al moet ergens anders heen, u hoeft niet van business te veranderen: ik blijf gewoon uw tapper; verlies de moed niet, men zal medelijden met u hebben; men zal zeker rekening met u houden, u, die het licht in uw ogen bijna verloren hebt in het vak. |
| Mevr. Overgaar | Wat is daar te doen, Thomas Tapper? Laten we weg wezen! |
| Pompeius | Hier komt Signor Claudio, door de cipier naar het gevang wordt geleid: en daar is juffrouw Juliet. Allen af
Cipier en gerechtsdienaars op, met Claudio en Juliet; Lucio en de twee Edellieden op |
| Claudio | Man, waarom moet de hele stad mij zien?
Breng mij naar het gevang, waar ik heen moet. |
| Cipier | Dat doe ik niet, heer, uit kwaadwilligheid,
maar op speciaal bevel van Angelo. |
| Claudio | En zo kan die halfgod, Autoriteit,
ons zwaar doen boeten steeds voor ons vergrijp. Het hemels woord; het spaart wie het sparen wil, wie niet, die niet; rechtvaardig is het steeds. |
| Lucio | Maar Claudio, wat is er? Waarom zo vast? |
| Claudio | Van te veel vrijheid, Lucio. Want de vrijheid,
als overeten, brengt veel vasten voort; zo wordt vrij zijn door al te groot misbruik vaak tot een dwang. Onze natuur jaagt steeds, als ratten die hun eigen dood verslinden, kwaad na en dorst; en al wie drinkt, die sterft. |
| Lucio | Als ik onder arrest zo verstandig kon praten, zou ik gelijk een van mijn schuldeisers laten halen; maar, om u de waarheid te zeggen, had ik even graag de dwaasheid van de vrijheid als de morele les van gevangenschap. - Wat is je vergrijp, Claudio? |
| Claudio | Als ik dat zou noemen was het weer een vergrijp. |
| Lucio | Wat dan, moord? |
| Claudio | Nee. |
| Lucio | Ontucht? |
| Claudio | Noem het maar zo. |
| Cipier | Weg, heerschap; u moet gaan. |
| Claudio | Eén woord, mijn vriend: Lucio, een woord met u. |
| Lucio | Wel honderd - als dat u iets baten kan.
Wordt er dan zo gelet op ontucht? |
| Claudio | Het is zo met mij: wij waren al verloofd,
en ik nam bezit van mijn Julietta’s bed. U kent het meisje, zij is al mijn vrouw, behalve dan dat wij dit openbaar bekend gemaakt hebben; alleen omdat de bruidsschat nog niet opgeleverd is, die haar verwanten nog voor haar beheren, voor wie wij ons verbond wilden verbergen totdat de tijd hen voor ons won. Maar ja, het geheim van ons intieme samenspel staat al te groot geschreven op Juliet. |
| Lucio | Zwanger, wellicht? |
| Claudio | Zo is het, ja, helaas.
De nieuwe plaatsvervanger van de Hertog - door een kwalijke opleving van nieuwigheid, of dat hij het staatsbestel een strijdros vindt waarop de landvoogd rijden kan, laat het, pas net in het zadel, dat het weten zal dat hij kan heersen, gelijk het spoor voelen; of tirannie bij zijn positie hoort, of bij het hoge hart dat haar bekleedt, dat weet ik nog niet - maar de nieuwe heerser wekt alle vroege straffen weer tot leven, die, als wapens aan de wand, onopgepoetst, - de zodiak al negentien maal rond -, nooit meer gebruikt zijn; enkel om een naam legt hij die slapende, vergeten wet mij net weer op; het is enkel voor zijn naam. |
| Lucio | Ja, ongetwijfeld; en je hoofd staat zo op je schouders te wankelen, dat een melkmeisje, als ze verliefd is, het er zo af kan zuchten. Laat iemand naar de Hertog gaan, en beroep je op hem. |
| Claudio | Dat heb ik gedaan, maar hij is niet te vinden.
Maar, Lucio, doe mij een vriendendienst: mijn zuster gaat vandaag het klooster in, want daar begint zij haar noviciaat. Ga haar vertellen welk gevaar mij dreigt: smeek, namens mij, haar, om die strikte landvoogd te vriend te maken, met duizend verzoeken. Ik verwacht daar veel van. Ja, want al haar jeugd spreekt zonder woorden met gevoeligheid die mannen roert; zij heeft verleidingskunst, wanneer zij speelt met woord en redenen, en zij haalt mannen makkelijk over. |
| Lucio | Ik hoop, dat ze het kan: zowel tot bemoediging van alle anderen die anders een zware beschuldiging boven het hoofd hangt, als ook voor het behoud van jouw leven; want het zou mij vreselijk spijten, als dat op zo’n domme manier verloren gaat, enkel om een spelletje triktrak. - Ik ga naar haar toe. |
| Claudio | Ik dank u, beste vriend Lucio. |
| Lucio | Tot over twee uur. |
| Claudio | Kom, cipier, wegwezen. Allen af |
Derde toneel - Een kloostercel De Hertog op en pater Thomas | |
| Hertog | Nee. Heilige vader, weg met die gedachte;
geloof niet dat de wankele liefdepijl het volkomen hart doorboort. Waarom ik van jou een stille schuilplaats vraag hier, heeft een doel met meer ernst en bezadigder dan de drang van ontvlamde jeugd. |
| Pater | Kunt u er iets van zeggen? |
| Hertog | Mijn vrome vriend, geen weet zo goed als u,
hoezeer ik stilte en eenzaamheid verkies, geen stuiver gaf om drukbezochte feesten, vol jeugd, pronkzucht, stom uiterlijk vertoon. Heer Angelo - een zeer terughoudend man, die streng van zeden is - heb ik bekleed met al mijn absolute macht in Wenen, en hij denkt dat ik naar Polen ben gereisd; want dat heb ik rondgestrooid onder het volk, dat het grif geloofde. Nu zult u, eerwaarde, vast willen weten, waarom ik dit doe. |
| Pater | Eigenlijk heel graag, mijn heer. |
| Hertog | Wij hebben strikte wetten, bitter hard,
toom en bit nodig voor halsstarrige paarden, die vijftien jaren lang verwaarloosd zijn; net als een oude leeuw die in een grot blijft en niet meer jagen gaat; als een dwaze vader, die berkentwijgjes dreigend samenbindt, zijn kinderen dat voorhoudt, om hen bang te maken, niet om te gebruiken, en zo de roede een farce maakt, zijn onze wetten, - dood voor de straf, in zich zo goed als dood -, trekt Vrijheid Gerechtigheid bij de neus, slaat de baby de min, totaal verkeerd gaat alle decorum. |
| Pater | U had toch zelf
dit vastgebonden recht los kunnen maken; van u had dat veel meer ontzag gewekt als van Heer Angelo. |
| Hertog | Te veel, vrees ik.
Daar het mijn fout was, het volk zo vrij te laten, zou het tirannie van mij zijn, hen te treffen voor wat ik hen zelf liet doen: want dit was wat wij wensten, als kwaad zomaar zijn vrije loop kan gaan, en niet gestraft wordt. Juist daarom, mijn vader, heb ik Angelo dit ambt opgelegd; hij mag raak slaan, verschanst achter mijn naam, terwijl mijn eigen aard, ver van de strijd, onkreukbaar blijft. Om zijn bestuur te zien, zal ik, vermomd als Pater van uw orde, vorst en volk bezoeken. Ik vraag u dus, bezorg me een pij, en leer me hoe ik mij, naar buiten toe een geestelijke, gedraag als echte monnik. Nog meer redenen geef ik u mettertijd; nu enkel dit: Heer Angelo is heel strikt van moraal; staat pal tegen Laster; geeft nauwelijks toe, dat er bloed in zijn aderen stroomt; of dat hij liever brood dan stenen eet. Nu blijkt, of macht het doel verandert, of schijn gelijkt. Beiden af |
Vierde toneel - Een nonnenklooster Isabella op en Francisca, een non. | |
| Isabella | En hebt u, nonnen, dan geen verdere rechten? |
| Non | Zijn deze dan niet ruim genoeg? |
| Isabella | O, zeker; niet, dat ik er meer verlang,
maar ik dacht eigenlijk nog aan strengere tucht voor zusters, Sancta Clara toegewijd. |
| Lucius | [Achter] Hallo! Vreugde aan dit huis! |
| Isabella | Wie roept daar zo? |
| Non | Het is een mannenstem! Lieve Isabella,
doet u open, en vraag wat hij verlangt; u mag dat, ik niet; u bindt geen gelofte: want na uw eed, mag u niet met een man spreken tenzij in het bijzijn van de abdis; en, àls u spreekt, moet u gesluierd zijn; haalt u uw sluier weg, mag u niet spreken. Hij roept alweer: wilt u hem open doen. Zij trekt zich terug |
| Isabella | Vreugde en heil! Wie is het, die daar roept?
Lucio op |
| Lucio | Dag, lieve maagd - want dat bent u, gezien
de rozen op uw wangen - zou u mij naar jonkvrouw Isabella kunnen brengen, die hier novice is, de mooie zuster van haar ongelukkige broer Claudio? |
| Isabella | Hoezo ‘haar ongelukkige broer’, vraag ik,
vooral omdat ik u nu zeggen moet, dat ik zijn zuster Isabella ben. |
| Lucio | O, lieve schoonheid. Uw broer groet u zeer.
Maar ik wil kort zijn: hij is in het gevang. |
| Isabella | O jee! Waarom? |
| Lucio | Voor iets, waarvoor hij eerder dank dan straf
ontvangen zou, als ik zijn rechter was: hij heeft zijn vriendin zwanger gemaakt. |
| Isabella | Maar heer, drijf niet de spot met mij. |
| Lucio | Het is waar.
Al is het een oude kwaal van mij, dat ik meisjes lijk te bedriegen met een tong ver van mijn hart, zo doe ik met maagden nooit. Ik houd jullie voor een heilig, hemels iets dat de aarde heeft verzaakt, een eeuwige geest, tot wie men slechts de waarheid spreken kan, als tegen een heilige. |
| Isabella | U ontheiligt het goede door mij iets voor te liegen. |
| Lucio | Geloof het maar niet. Zo is het, kort en waar:
uw broer heeft zijn geliefde teer omhelsd; zoals wie eet rond wordt, zoals bloesemtijd die van gezaaid zijn het kale akkerland tot volle oogst brengt, drukt haar rijke schoot het akkerwerken van haar landman uit. |
| Isabella | Dus iemand zwanger van hem? Mijn nicht Juliet? |
| Lucio | Is zij uw nichtje? |
| Isabella | Uit vrije keus, zoals vriendinnen vaak
als grap hun naam veranderen. |
| Lucio | Zij is het. |
| Isabella | Laat hem haar toch trouwen. |
| Lucio | De zaak staat zo.
De Hertog is heel mysterieus vertrokken; hij heeft veel edelen - waaronder ik - een veldtocht door de neus geboord: wij horen van wie vertrouwd zijn met de politiek, dat wat hij voorgaf totaal anders was dan wat hij werkelijk wilde. In zijn plaats, en met zijn vol gezag en macht, regeert Heer Angelo, een man, met de aders vol met ijswater; die nooit de drang tot lust of van fysiek verlangen heeft gevoeld, maar die de prikkels van zijn zinnen afstompt met geestelijke arbeid, studie, vasten. Om ontucht en losbandigheid te ontmoedigen, die al zo lang, als muizen rond de leeuw, gewoon langs de strenge wet lopen, heeft hij een wet gepakt, die, gruwelijk, voor uw broer het eind betekent; op grond van die wet pakt hij hem op, en wil hem, naar het strenge woord, ten voorbeeld stellen. Alle hoop is weg, tenzij de genade van uw schoon gebed Angelo vermurwt. Daar komt de zaak op neer; dit moest ik u zeggen van uw arme broer. Isabella Zoekt hij zijn leven echt? |
| Lucio | Hij is al veroordeeld;
en, naar ik hoor, heeft de cipier bevel het vonnis uit te voeren. |
| Isabella | Helaas, ik ben zo zwak in mijn vermogen
hem goed te doen. |
| Lucio | Beproef de macht die u hebt. |
| Isabella | Mijn macht? Ik twijfel. |
| Lucio | Twijfels zijn verraders,
doen ons het goed missen dat wij konden winnen door niet te durven. Ga naar Heer Angelo, en leer hem, dat, als een meisje smeekt, de man geeft als een god; maar, als zij huilt en knielt, wordt alles waar ze om bedelt zo van haar, alsof het altijd haar had toebehoord. |
| Isabella | Ik zal zien wat ik kan doen. |
| Lucio | Maar voortmaken. |
| Isabella | Ik ga meteen;
ik moet alleen eerst Moeder gaan vertellen, wat ik ga doen. Ik dank u hartelijk. Mijn groeten aan mijn broer: vanavond vroeg hoort hij hoe dat het afgelopen is. |
| Lucio | Dan ga ik nu, juffrouw. |
| Isabella | Tot ziens, meneer. Beiden af, apart |