| Macbeth
vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
| Eerste bedrijf |
eerste toneel tweede toneel derde toneel vierde toneel vijfde toneel zesde toneel zevende toneel |
eerste toneel | |
| - Buiten | |
| Donder en bliksem; drie heksen op | |
| 1e Heks | Wanneer zien we ons weer vandaag? Wanneer gaan wij drie weer waren
Bij donder, bliksem, regenvlaag? |
| 2e Heks | Als de trom de aftocht slaat,
als het vaandel valt en staat. |
| 3e Heks | Vóór de zon dus ondergaat. |
| 1e Heks | Welke plek? |
| 2e Heks | Ginds op de hei. |
| 3e Heks | Daar is het dus: Macbeth en wij. |
| 1e Heks | Ik kom, Grimalkin! |
| 2e Heks | Padderik roept! |
| 3e Heks | Ja, zo! |
| Allen | Grauw is goud en goud is grauw;
zweef door damp en helledauw. |
| Allen af | |
- Een kamp. | |
| Trompetsignaal; Koning Duncan op, met Malcolm, Donalbain, Lenox, en dienaren; men ontmoet een kapitein onder het bloed | |
| Duncan | Wie is die man vol bloed? Hij weet beslist
- dat blijkt toch uit zijn toestand - hoe het staat met de opstand. |
| Malcolm | Dit is de sergeant
die als een goed en onversaagd soldaat voorkwam dat ik gevangen werd. Hulde! Vertel de koning van de krijgskansen bij je vertrek. |
| Kapitein | Het stond onzeker,
als zwemmers die elkaar uitgeput vastklampen en zo hun kracht verspelen. Macdonwald, de ware oproerling, door de natuur omzwermd met al wat zij ooit aan gespuis heeft voortgebracht, die bruut, dus, krijgt dan hulp van Kelten uit het Westen, voetvolk, ruiters. Toen lachte zij zijn helse strijd nog toe, rebellenhoer Fortuna. Maar vergeefs, want held Macbeth (hoe goed past hem dat 'held'), het noodlot tartend met getrokken staal, dat nawalmde van neerkomen in bloed, die gunsteling van het recht, hakte zijn weg tot oog in oog met deze hond. Geen hand gaf hij, geen woorden van vaarwel, maar open reet hij hem van buik tot baard, plantte zijn hoofd bij ons op de kantelen. |
| Duncan | O dappere neef! Voorbeeldig edelman! |
| Kapitein | Zoals gelijk na voorjaarszonnewende
orkaan en donderklappen schepen breken, zo, uit de bron die heil scheen te verkonden, zwelt onheil aan. Maar luister, vorst van Schotland: het recht, met moed gewapend, had nog niet die wankele Kelten tot de vlucht gedwongen, of daar zag toen de Noorse heer zijn kans, en trok, met verse troepen, schone wapens opnieuw ten aanval. |
| Duncan | Daar deinsden dan die kapiteins van ons
beslist voor terug, Macbeth en Banquo? |
| Kapitein | Ja,
als mussen adelaars of hazen leeuwen. Naar waarheid meld ik u van deze twee, kanonnen waren zij met dubbele lading. Dus sloegen zij de vijand dubbel terug met dubbele slagen. Zij wilden zich vast baden in gutsend bloed, het veld vereeuwigen tot een Golgotha, want anders weet ik niet - maar ik ben op, mijn bloed schreeuwt nu om hulp. |
| Duncan | Je woorden sieren je, zoals je wonden:
want beide brengen eer. - Laat hem verzorgen. |
| Men helpt de kapitein het toneel af
Rosse en Angus op | |
| Wie komt daar aan? | |
| Malcolm | De sterke Thaan van Rosse. |
| Lenox | Wat een gejaagdheid in zijn ogen! Zo kijkt
wie spreken wil van vreemde zaken. |
| Rosse | God hoede u, Koning. |
| Duncan | Vanwaar gereisd, mijn Thaan? |
| Rosse | Van Fife, mijn vorst,
alwaar de Noorse vaandels de hemel tarten, ons volk doen sidderen. Vorst Noorwegen zelf begon, met overmacht aan mannen, gesteund door die afvallige verrader, de Thaan van Cawdor, een nieuwe stormaanval. Hij vond zijn evenknie pas in Macbeth, Bellona's echtgenoot, die, zwaarbepantserd, zijn euvelmoed indamde, zwaard op zwaard, rebelse arm op arm. Om kort te gaan, de zege was ons deel. |
| Duncan | Wat een geluk! |
| Rosse | Nu vraagt
Sweno, de Noorse koning, een bestand. Wij laten hem zijn mannen niet begraven voor hij op Inchcomb Eiland heeft betaald, tienduizend dollar schatting aan het rijk. |
| Duncan | Nooit zal die Thaan van Cawdor onze kroon
nog kunnen schaden.- Zeg hem de dood nu aan, laat op Macbeth zijn titel overgaan. |
| Rosse | Het wordt gemeld. |
| Duncan | Wat hij verspeeld heeft, wint Macbeth, de held. |
| Allen af | |
- Op de heide. | |
| Donder; de drie heksen op | |
| 1e Heks | Waar ben jij geweest, Zus? |
| 2e Heks | Varkens pesten. |
| 3e Heks | Zusje, en jij? |
| 1e Heks | Vrouw Schipper had kastanjes in haar schoot,
en knab-, knab-, knabbelde: 'Geef mij', zei ik. - 'Rot op, jij heks!', roept me die schommelteef. Haar man is naar Aleppo toe, schipper van De Tijger. Maar in een zeef zeil ik er heen, als ratje zonder staartebeen. Dat doe ik, dat doe ik, ja, dat doe ik. |
| 2e Heks | Ik geef je een wind. |
| 1e Heks | O, jij lief kind. |
| 3e Heks | De mijne erbij. |
| 1e Heks | Al die andere zijn van mij.
En de havens waar zij waaien, alle streken waar zij draaien op het scheepskompas. Als kurk zal ik hem drogen. Nooit zal slaap zijn zware ogen dicht doen vallen, nacht noch dage; eeuwig moet hij die doem dragen. Negen maal negen weken lang zucht hij, uitgeteerd en bang. Daar zijn schip niet kan vergaan, zal ik hem met stormen slaan. Ik heb iets moois hier. |
| 2e Heks | 's Kijken, 's kijken. |
| 1e Heks | Van een loods het vingerkootje,
vlak bij thuis verging zijn bootje. |
| Trommen slaan | |
| 3e Heks | Een trom, een trom.
Macbeth die komt. |
| Allen | Witte Wieven, hand in hand,
vliegensvlug op zee en land, gaan zo in een kring, een kring. Drie maal jouw, en drie maal mijn, nog eens drie zal negen zijn. Stop!- De ban is rond. |
| Macbeth en Banquo op | |
| Macbeth | Zo'n grauwe en gouden dag was het nog nooit. |
| Banquo | Hoe ver is het nog naar Forres? - Wie zijn dit,
zo uitgeteerd en wild en haveloos; dit lijken mij geen aardbewoners toe, al zie ik ze voor me? Leeft u? Bent u soms geesten die men vragen moet. U reageert, want hun gebarsten vingers leggen zij op hun zo schrale lippen; volgens mij, nee, vrouwen hebben toch bepaald geen baarden, maar toch. Macbeth Spreek, als u kunt: - wie bent u wel? |
| 1e Heks | Gegroet, Macbeth! Gegroet, gij, Thaan van Glamis! |
| 2e Heks | Gegroet, Macbeth! Gegroet, gij, Thaan van Cawdor! |
| 3e Heks | Gegroet, Macbeth! Die spoedig koning zijt! |
| Banquo | Maar heer, wat schrikt u toch, en trekt grauw weg
bij een zo gouden woord? - In naam der waarheid, verbeelden wij ons iets, of bent u echt dat wat wij zien? Mijn nobele wapenbroeder begroet ge met zijn titel, met belofte van grootser eer, met uitzicht op de kroon, zodat hij duizelt: tegen mij geen woord. Als u de kiem des tijds doorschouwen kunt, weet welk zaad groeien zal, en welk zaad niet, spreek dan tot mij, die niets verwacht of vrees, geen gunst maar ook geen haat. |
| 1e Heks | Gegroet! |
| 2e Heks | Gegroet! |
| 3e Heks | Gegroet! |
| 1e Heks | Minder dan Macbeth, en grootser! |
| 2e Heks | Niet zo gelukkig, maar met meer geluk. |
| 3e Heks | Zelf geen koning, zult gij ze krijgen.
Daarom hulde, Macbeth en Banquo! |
| 1e Heks | Banquo en Macbeth, dus hulde! |
| Macbeth | Blijf, halve spreeksters, en zeg mij nog meer.
Bij Sinels dood, ja, ik ben Thaan van Glamis; maar hoe van Cawdor? De Thaan van Cawdor leeft, het gaat hem voor de wind; en Koning worden ligt zo geheel buiten al mijn verwachten; en trouwens, Cawdor ook. Waar haalt u, zeg mij, dit zo bizarre nieuws vandaan? Waarom begroet u ons op deze dorre heide met dit profetisch welkom? - Spreek, bezweer ik u. |
| De heksen verdwijnen | |
| Banquo | De aarde heeft luchtbellen, zoals het water,
dat zien we hier. - Waar zijn die drie naar toe? |
| Macbeth | De lucht in; en wat een lijf scheen loste op
als adem in de wind. Wat jammer dat ze weg zijn! |
| Banquo | Was dat waarvan wij spreken werkelijkheid,
of hebben wij die giftige plant gegeten die het verstand gevangen zet? |
| Macbeth | Uw kinderen worden koning. |
| Banquo | U wordt koning. |
| Macbeth | En ook nog Thaan van Cawdor, was het niet? |
| Banquo | Die woorden, ja, zo klonk het. Wie is dat? |
| Rosse en Angus op | |
| Rosse | De Koning heeft verheugd gehoord, Macbeth,
van je succes; bij het lezen van het verslag - hoe je persoonlijk ingreep in het gevecht -, strijdt zijn verbazing met bewondering voor jou, wie het sterkste is. Nog sprakeloos, leest hij dan wat diezelfde dag gebeurt: hij vindt jou in de starre Noorse linies, geenszins bevreesd voor wat je zelf daar zaaide: bizarre beelden van dood en verderf. Het hagelde berichten; en steeds weer werd Duncan overspoeld met lof op jou om het verdedigen van zijn koninkrijk. |
| Angus | Wij komen,
om je zijn koninklijke dank te brengen; alleen om je te leiden voor zijn troon, niet om je te belonen. |
| Rosse | En, als het onderpand van groter eer,
laat hij mij jou nu noemen Thaan van Cawdor. Hulde, met deze titel, waarde Thaan, want die is van jou. |
| Banquo | Wat, spreekt de duivel waarheid? |
| Macbeth | De Thaan van Cawdor leeft: wat trekt u mij
geleende kleding aan? |
| Angus | Wie Cawdor was,
rekt zich het leven dat hij kwijt zal raken, veroordeeld tot de dood. Sloot hij een verbond met die van Noorwegen, of steunde hij in het geheim de opstand, of zocht hij, met beiden, 's lands verderf, ik weet het niet; maar hoogverraad, bewezen en bekend, bracht hem ten val. |
| Macbeth | [Terzijde] En Glamis, èn Thaan van Cawdor:
het grootste wacht mij nog. [Tot Rosse en Angus] Dank voor uw moeite.- [Tot Banquo] Hoopt u niet, dat uw kinderen koning worden, nu wie mij 'Thaan van Cawdor' noemden hun minstens dat beloofden? |
| Banquo | Als dat zo is,
kunt u van hen ook hopen op de troon, nu dat u Thaan van Cawdor bent. 't Is raar, maar vaak, om ons tot ons verderf te paaien, geven die dienaren der Duisternis ons brokjes waarheid, om uiteindelijk ons ten diepste te bedriegen.- Mag ik nog even, mannen. |
| Macbeth | [Terzijde] Twee maal de waarheid,
proloog tot het majestueus bedrijf van absoluut monarch. - Bedankt, mijne heren. - [Terzijde] Dit sturend spreken steeds van het buitenaardse kan niet verkeerd zijn, kan niet goed zijn. Verkeerd? Beloofd succes werd ingelost; het begin is waar, want ik ben Thaan van Cawdor. En goed? Maar wat volg ik dan die suggestie, dat gruwelijk, ijzingwekkend visioen, zodat mijn rustig hart mijn ribben beukt, zo tegen de natuur? Concrete angst is minder erg dan gruwelen der verbeelding. Alleen al de gedachte aan zo'n moord schokt heel mijn wezen nu zozeer, dat denken smoort in waanvoorstelling, dat niets is, buiten wat niet is. |
| Banquo | Wat grijpt het hem toch aan. |
| Macbeth | [Terzijde] Als het Lot mij Koning wil, laat het mij kronen,
ik zal niet helpen. |
| Banquo | Het nieuwe eerbetoon
zit hem, als vreemde kleding, niet gegoten; 't moet langzaam wennen. |
| Macbeth | [Terzijde] Wat moet, kome over mij,
de tijd tikt zelfs de zwaarste dag voorbij. |
| Banquo | Waarde Macbeth, wat wenst u nog van ons. |
| Macbeth | Neem mij niet kwalijk: mijn troebel brein schoot vol
vergeten dingen. Heren, uw inspanning staat vast hier in mijn geest, en iedere dag lees ik het blad opnieuw. - Kom, naar de Koning.- [Tegen Banquo] Denk over het gebeurde rustig na, en laat ons, als dit alles is bezonken, er later openhartig over spreken. |
| Banquo | Maar al te graag. |
| Macbeth | Dan nu niet meer.- Kom, vrienden. |
| Allen af | |
- Forres. Een zaal in het paleis. | |
| Klaroenstoten; Duncan op, met Malcolm, Donalbain, Lenox en dienaren | |
| Duncan | Is Cawdors vonnis uitgevoerd, of zijn
wie dat doen moesten nog niet terug? |
| Malcolm | Mijn vorst, |
| Malcolm | ze zijn er nog steeds niet. Maar ik sprak iemand
die hem heeft zien sterven. Die vertelde mij, dat Cawdor eerlijk zijn verraad bekende, uwe hoogheid smeekte om vergiffenis, uiterst berouwvol was. Niets in zijn leven sierde hem meer dan zijn afscheid: hij stierf als iemand die zijn sterven had geoefend, zo gooide hij zijn dierbaarste bezit weg alsof het niets was. |
| Duncan | Wie leest er ooit
de toestand van het gemoed in het gelaat: hij was een man aan wie ik absoluut vertrouwen schonk - |
| Macbeth op, met Banquo, Rosse en Angus | |
| O waarde neef!
De zonde van mijn ondank drukt op mij, een zware last. Jij bent zo ver vooruit, dat zelfs de snelste vleugel van beloning je niet inhalen kan. Had je beperkt, dan had ik naar proportie loon en dank je kunnen schenken. Dit rest als eerbetoon: meer is mijn schuld dan meer dan alle loon. | |
| Macbeth | Mijn trouw aan u en mijn loyaliteit
belonen in zichzelf. Uwe hoogheids taak is diensten te ontvangen; onze diensten zijn kind en dienaar van uw troon en staat, zij doen gewoon hun plicht, hun doen beoogt enkel uw liefde en eer. |
| Duncan | Wees welkom hier:
Ik heb je geplant, en zal er ook voor zorgen dat je tot wasdom komt. - Nobele Banquo, die evenveel verdiensten kent, en dus daar net zo om geroemd moet zijn, kom hier, ik druk je aan mijn hart. |
| Banquo | Als ik al bloei,
dan is het uw eigen oogst. |
| Duncan | Vreugde om zo veel
overvloeit mijn hart, en wil zich verbergen in druppels leed. - Zonen, neven, Thanen, en u, die ons zo na aan het hart ligt, luister: wij dragen onze troonopvolging over op onze oudste, Malcolm; geven hem de titel `Prins van Cumberland'. Die eer betekent niet, dat anderen zonder blijven, maar eretekens zullen als sterren afstralen op ieder die het verdient.- Op nu naar Inverness. Moge onze band steeds hechter zijn. |
| Macbeth | De rust die u niet dienen kan is mij een last.
Ik zal zelf mijn huis op uw komst voorbereiden; wat zal mijn vrouw verheugd zijn dat u komt. Dus, heer, met uw verlof. |
| Duncan | Mijn waarde Cawdor! |
| Macbeth | [Terzijde] De Prins van Cumberland! Dat is een ding,
waar ik zeker over val, of nee, ik spring, want het blokkeert mijn weg. Doof, sterrenvuur! Laat licht niet zien mijn diepzwarte natuur; laat het oog de hand niet zien. Maar laat begaan waar het oog van gruwt wanneer het is gedaan. |
| Af | |
| Duncan | Ja, waarde Banquo, hij is een echte held.
Het is heerlijk hem zo veel te kunnen prijzen; het is mij een feestbanket. Laat ons hem volgen, wiens zorg vooruitging om ons goed te ontvangen. Hij is een weergaloze bloedverwant. |
| Trompetgeschal; allen af | |
- Inverness. Een kamer in het kasteel van Macbeth. | |
| Lady Macbeth op; ze leest een brief | |
| Lady Macbeth | 'Ze verschenen mij op de dag van mijn succes; en naar men mij ten stelligste verzekert, beschikken zij over meer dan menselijk weten. Toen ik brandde van verlangen om meer vragen te stellen, veranderden ze zich in lucht en verdwenen daarin. Terwijl ik daar nog verbijsterd stond, kwamen er boodschappers van de Koning, die mij begroetten met `Thaan van Cawdor', de titel waarmee de Witte Wieven mij kort daarvoor hadden begroet, en mij naar de toekomst hadden gewezen, met hun `Gegroet, gij, die spoedig koning zijt'. Dit moest ik je laten weten, jij, mijn liefste deelgenoot in grootheid, opdat je niet zou missen wat je is toegewezen aan blijdschap door onbekend te blijven met de grootheid die jou is beloofd. Sluit dit in je hart. Het ga je goed.'
Glamis ben je, en Cawdor; en worden zal je wat jou beloofd is. - Maar ik vrees dat je natuur, te vol met melk van menselijke zachtheid, niet pakt wat grijpbaar is. Jij wilt toch groot zijn, bent niet zonder ambitie, maar mist daarbij gewetenloosheid: wat jij zo graag wilt, dat wil jij eerlijk; jij wilt niet vals spelen, maar wilt onrechte winst; graag zag je, grote Glamis, dat, als je het had, het toeriep: `Dit moet nu', en dat je deze daad niet hoefde doen, dat hij werd teruggedraaid. Kom vlug hierheen, dat ik mijn wil kan gieten in je oor, en met mijn felle tong kan tuchtigen al wat jou afhoudt van de gouden krans, waar je door 't lot en buitenaardse machten al mee gekroond schijnt. |
| Een bode op | |
| Wat is uw nieuws? | |
| Bode | Vanavond komt de Koning hier. |
| Lady Macbeth | Maar jij bent gek.
En komt je meester mee? Want dan had hij bericht gestuurd voor al het voorbereiden. |
| Bode | Ja, onze Thaan is werkelijk onderweg.
Een van de mannen reed hem ver vooruit en had bij aankomst nauwelijks adem nog voor wat hij zeggen kwam. |
| Lady Macbeth | Verzorg hem goed:
hij brengt groot nieuws. |
| Bode af | |
| De raaf is zelf al schor,
die de fatale intocht krast van Duncan onder mijn torens. Kom nu maar, Geesten, die moordgedachten steunen, ontvrouw mij hier, en vul me, van de kruin tot de teen, top vol, met grimmige wreedheid; maak mijn bloed dik, versper de doortocht tot mijn hart, dat geen boetvaardig menselijk gevoel mijn brute plan verijdelt, doen en denken verzoenend loskoppelt! Kom aan mijn borsten, besmet mijn melk met gal, gij, moorddemonen, waar gij ook loert, onzichtbare substanties, op kwaad in de Natuur. Kom, dichte Nacht, en hul u in de goorste helledamp, dat mijn scherp mes de wond die het maakt niet ziet, en door het duister dek geen hemel gluurt, die schreeuwt `Halt, halt!'. | |
| Macbeth op | |
| Mijn Glamis, roemruchte Cawdor!
Nog groter door de groet die volgen zal! Je brief heeft mij heel ver vervoerd voorbij het heden dat geen morgen kent, en ik voorvoel in dit moment de toekomst. | |
| Macbeth | Liefste,
Duncan komt vanavond hier. |
| Lady Macbeth | Wanneer gaat hij? |
| Macbeth | Pas morgen, volgens plan. |
| Lady Macbeth | Dan mag de zon
die morgen nooit meer zien! Zie, uw gezicht, mijn Thaan, is als een boek, vol vreemde zaken. Misleid hen die u zien door net te doen als zij: straal welkom uit, in oog, hand, tong; lijk op de open bloem, maar wees de slang eronder. Hij die komt moet goed verzorgd worden; vertrouw mijn hand bij wat vannacht aan groots op stapel staat; dat geeft ons beiden voortaan dag en nacht de absolute heerschappij en macht. |
| Macbeth | We zullen zien. |
| Lady Macbeth | Maar kijk wat opgewekt;
benauwde blikken werken zeer suspect. En laat de rest aan mij. |
| Allen af | |
- Dezelfde plaats. Voor het kasteel. | |
| Pommers en fakkels; Duncan op, met Malcolm, Donalbain, Banquo, Lenox, Macduff, Rosse, Angus, en dienaren | |
| Duncan | Hoe prachtig ligt hier dit kasteel. Er waait
een frisse wind, die zoet en aangenaam de kalme zinnen streelt. |
| Banquo | De zomergast,
de zwaluw, die aan tempels huist, bewijst door hier zo graag te bouwen, dat de atmosfeer tot liefde noodt. Geen uitsteeksel of fries, geen beer of hoeksteen, waar die vogel niet zijn bed gehangen heeft en wieg voor het broed. Waar deze vogel nestelt is de lucht het aller zachtst. |
| Duncan | Kijk, onze geëerde gastvrouw. -
De liefde die ons volgt is soms een last, maar dan wel aangenaam. Leer dus hieruit, hoe u God bidden mag om mij te lonen voor al uw inspanning. |
| Lady Macbeth | Hoe arm en zwak,
al was zij dubbel sterk en dubbel uitgevoerd, ware onze dienstbaarheid, als zij het moest opnemen met het groots eerbetoon waarmee uwe Majesteit ons overlaadt; voor de oude waardigheden en welke u daarbovenop nu hebt geschonken bidden wij God altijd. |
| Duncan | Waar is de Thaan van Cawdor?
Wij volgden hem op de voet, en hoopten zelfs zijn aankomst hier te regelen; maar hij rijdt goed; en zijn liefde, scherp als zijn spoor, bracht hem toch vóór ons thuis. Mijn edele en schone gastvrouw, wij zijn uw gast vanavond. |
| Lady Macbeth | Uw dienaren
hebben zichzelf en wat zij zijn in leen, en geven u, op uwe Hoogheids wens, slechts wat zij schuldig zijn. |
| Duncan | Geef mij uw hand;
geleid mij naar mijn gastheer: wij mogen hem, en onze gunst zal blijvend naar hem uitgaan. Sta mij toe, gastvrouwe. |
| Allen af | |
- Eveneens te Inverness. Een zaal in het kasteel. | |
| Pommers en fakkels; een hoofdserveerder komt op en loopt over het toneel, gevolgd door verschillende dienaren met schalen en bestek; daarna komt Macbeth op | |
| Macbeth | Als het, met de daad, gedaan was, dan moest het
maar snel gedaan. Als dit strotsnijden de consequenties strikken kon, en grijpen met zijn versterf succes, als deze slag de kern en kroon was van al het zijn, hier, hier, op deze bank en wadplaat van de tijd, dan was ons het leven straks een zorg. - Maar nu worden wij hier berecht: wie moorden leert hem zal de weerslag van dat bloedig onderricht blijvend vervolgen. Het onpartijdig recht dringt de inhoud van de gifkelk op aan ons, aan eigen lippen. Hij is hier dubbel veilig: ik ben, ten eerste - en dat stoort de daad -, zijn neef en zijn vazal; en als zijn gastheer zou ik de moordenaar buiten moeten houden, en niet zelf het mes hanteren. Daarnaast is Duncan een mild vorst, zo vlekkeloos in zijn verheven ambt, dat al zijn deugd met engelenstem wraak zal bazuinen tegen de diepe helledaad van zijn vermoorden; en Meelij, als een naakte boreling, bestijgt de golf, de hemelkerub, rijdt op de onzichtbare dravers van de lucht, en smijt die gruweldaad zo in ieder oog dat wind verdrinkt in tranen.- Het spoor om mijn intentie aan te zetten is enkel hoogpoter eerzucht, die te kort aanspringt en valt aan de andere - |
| Lady Macbeth op | |
| Wat nu? Nog nieuws? | |
| Lady Macbeth | Hij is klaar met eten. Wat was jij vlug weg? |
| Macbeth | Heeft hij naar mij gevraagd? |
| Lady Macbeth | Wat dacht u dan? |
| Macbeth | Wij willen deze zaak niet verder voortzetten:
hij heeft mij eer betoond; van alle kanten krijg ik waardering voor dat wat ik deed; die gulden luister wil gedragen zijn, en niet vlug afgelegd. |
| Lady Macbeth | Was de hoop dronken,
waar u gekleed in ging? Heeft zij geslapen, ontwaakt zij nu en merkt wat katterig wat zij, nog nuchter, deed. Van nu af weet ik hoeveel jouw liefde waard is. Ben je bang, in durf en daad dezelfde man te zijn als in diepst verlangen? Of wou jij wél wat jij beschouwt als sieraad voor het leven, en toch als lafaard door het leven gaan, doordat `Ik durf niet' steeds volgt op `Ik wil', zoals de arme kat in het spreekwoord. |
| Macbeth | Hou op,
ik durf wel alles wat een man kan sieren; wie meer durft is geen man. |
| Lady Macbeth | Wat voor beest dan
heeft u dit alles aan mij doen vertellen? Toen u het durfde, ja, toen was u een man; en, om nog meer te zijn dan toen, wilde u nog veel meer man zijn. Toen kwam tijd en plaats niet gunstig uit; u zou ze passend maken. Dat is vanzelf gegaan, en nu het zover is, ontmantelt dat uw moed. Ik heb gezoogd, ik ken de tedere liefde tot een zuigeling: en toch zou ik, al lachte hij tegen mij, mijn tepel uit die kaakjes hebben weggerukt, de hersenen ingeslagen, als ik gezworen had als u. |
| Macbeth | Maar als wij falen? |
| Lady Macbeth | Wij falen?
U moet alleen uw moed op het scherpste spannen, en falen doen wij niet. Als Duncan slaapt (dat zal hem vast wel lukken na een dag die zo verreisd is), heb ik zijn lijfwacht met wijn zo vol gegoten en met bier, dat hun de wachter van de geest, het geheugen, een witte wolk zal zijn, en het vat der rede één bubbelend retort. En liggen zij, die twee stomdronken varkens, als voor dood, wat kunnen u en ik dan toch niet doen met Duncan onbewaakt; wat niet afschuiven op die slempers, die schuldig zullen staan aan ons groots moorden? |
| Macbeth | Baar enkel nog maar zonen!
Een onverschrokken geest als jij moet niets dan mannen voortbrengen. Zal men niet denken - als wij die beide slapers op zijn kamer met bloed besmeuren, en hun dolken pakken -, dat zij het gedaan hebben? |
| Lady Macbeth | Wie durft anders,
te meer waar wij verdriet zullen uitschreeuwen over zijn dood? |
| Macbeth | Ik ben overtuigd, en span
elk lichaamsvezeltje tot deze wandaad. Kom, en bespeel het volk met schone schijn: vals spel bedekt waar mijn hart vals zal zijn. |
| Allen af | |