| Othello
othello vertaling : Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste Bedrijf Eerste toneel - Venetië. Een straat Iago en Roderigo op | |
| Roderigo | Ach kom, schei uit, het valt mij bitter tegen,
dat jij, Iago, die mijn beurs beheerd hebt alsof hij die van jou was, daarvan weet. |
| Iago | Verdomd, u luistert ook niet naar me.
Als ik ook maar ooit gedroomd heb van zoiets, dan vloek me stijf. |
| Roderigo | Je hebt me gezegd, hoezeer dat je hem haatte. |
| Iago | Veracht me als het niet waar is: drie grandes uit de stad
hebben hem vaak persoonlijk, hoed in de hand, verzocht mij tot zijn luitenant te maken; en, ja, ik ken mijn prijs, ik verdien die post. Maar hij, vol schuim en opgeblazenheid , ontwijkt hen, met omhaal van lege woorden, gigantisch opgevuld met stoere krijgstaal: en, ten slotte, passeert hij dat verzoek: ‘Weet’, zegt hij dan, ‘Ik heb mijn officier al zelf gekozen,’ En wie was dat? Voorwaar, een zeer bekwaam wiskundige, een Michael Cassio, een Florentijn, een knaap, haast tot een mooie vrouw verdoemd, die nooit een troepenmacht te velde voerde, en van de slag-opstelling minder weet dan oude wevers, boekentheorie, waarin raadgevers in toga’s net als hij meesters zijn: uit prietpraat en geen praktijk bestaat zijn krijgskunst: op hem viel de keus, en ik, die hem het bewijs had laten zien, op Rodos, Cyprus, en op andere grond, christelijk en ook heidens, word overrompeld door een boekhouder, een telraamspecialist: die wordt te zijner tijd zijn luitenant, en ik, God betere het, Zijne Hoogheids adjudant. |
| Roderigo | Bij God, dan was ik liever toch zijn beul. |
| Iago | Het is niet anders; het is de vloek van krijgsdienst;
bevordering gaat door kruiwagens en gunst, niet net als vroeger dienstjaren, waar men kon opklimmen: nu, vriend, oordeel toch zelf, of ik in enig opzicht gronden heb, te houden van de Moor. |
| Roderigo | Ik zou hem niet dienen. |
| Iago | Wees maar gerust, vriend.
Ik dien hem enkel, dat hij mijn doel dient. Niet elk kan meester zijn, niet elke meester wordt altijd trouw gediend. Hoe vaak zie je geen schurk, die, hielen likkend, plichtsgetrouw, verzot op eigen slaafse dienstbetoon, zijn tijd uitzit als de ezel van zijn heer, alleen om het voer, en, oud, wordt afgedankt: weg met die brave lui; maar anderen, ja, gekleed in vorm en schijn van dienstbaarheid, houden hun hart gericht op het eigen voordeel, spiegelen hun heer een schijnvertoning voor, gedijen daarbij goed, en, hun zak gevuld, doen zichzelf eer: dat zijn pas echte kerels, en zo eentje wil ik ook zijn, ... want, vriend, zo zeker als dat u Roderigo bent, was ik de Moor, ik wenste me geen Iago: door hem te dienen, dien ik slechts mezelf, de hemel oordeelt mij, geen liefde en plicht, maar doen alsof, tot voordeel van mijzelf. Want als mijn uiterlijk gedrag liet zien, hoe ik binnen werkelijk ben, mijn ware hart, naar buiten toe, dan duurde het echt niet lang, of ik droeg mijn hart hier op mijn tong, voor duiven om te pikken. Ik ben niet wat ik ben. |
| Roderigo | Wat valt die diklip aan fortuin ten deel,
als hij het voor elkaar krijgt. |
| Iago | Roep haar vader nou,
wek hem, er achteraan, vergal zijn lust, strooi roddels rond, maak haar verwanten kwaad, al leeft hij in een zeer gezond klimaat, plaag met vliegen: al is zijn vreugde vreugd, gooi er dan toch zoveel ellende op, dat het wat glans verliest. |
| Roderigo | Hier is haar vaders huis, ik zal hard roepen. |
| Iago | Ja, met zo’n angstschreeuw, en zo ijselijk,
als wanneer brand ‘s nachts door nalatigheid ontdekt wordt in een stad vol mensen. |
| Roderigo | Hela! Brabantio, Signor Brabantio, ho! |
| Iago | Word wakker, Brabantio, dieven, dieven!
Pas op uw huis, uw dochter, en uw goud. Dieven, dieven! Brabantio aan het raam Brabantio Waarom dit vreselijk roepen en alarm? Wat komt u hier doen? |
| Roderigo | Signor, is iedereen van uw gezin in huis? |
| Iago | Is elke deur op slot? |
| Brabantio | Waarom die vraag? |
| Iago | God, heer, u bent beroofd; kleed u toch aan,
uw hart is gebroken, half uw ziel is weg; juist nu bespringt een oude, zwarte ram uw sneeuwwit ooitje; kom, sta op, sta op, wek al het snurkend volk met klokgelui, want anders maakt de duivel u tot opa, sta op. |
| Brabantio | Zeg, zijn jullie nou helemaal? |
| Roderigo | Eerbiedwaardige heer, kent u mijn stem? |
| Brabantio | Nee; wie bent u dan? |
| Roderigo | Ik heet Roderigo. |
| Brabantio | Dan nog minder welkom.
Ik heb je verboden, om mijn huis te spoken; en ik heb je in klare taal gezegd, mijn dochter krijgt je niet; en nu kom jij, driest, volgebrast, en opgehitst door drank, nu kom jij hier, grof en vol overmoed, mijn rust verstoren. |
| Roderigo | Heer, heer, heer, - |
| Brabantio | Wees er vooral van overtuigd,
dat ik de macht en de positie heb, je dit te doen vergallen. |
| Roderigo | Geduld, heer. |
| Brabantio | Wat zei je daar van roof? Dit is Venetië,
mijn huis staat niet op het land. |
| Roderigo | Edele Brabantio,
in eenvoud sta ik hier en zuiverheid. |
| Iago | Alle donders, heer, u bent er zo eentje die God niet dienen zal als de duivel u er om vraagt. Omdat wij u een dienst komen bewijzen, denkt u dat wij vechtersbazen zijn, en laat u uw dochter dekken door een arabier; straks gaan uw kleinzonen naar u hinniken; straks heeft uw familie renpaarden- en arabierenbloed. |
| Brabantio | Wat voor stuk vreter ben jij, vuilbek? |
| Iago | Ik ben degene, heer, die u komt zeggen, dat uw dochter en de Moor nu het beest met de twee ruggen aan het maken zijn. |
| Brabantio | Je bent een schoft. |
| Iago | En u een senator. |
| Brabantio | Hier zul je nog voor boeten; ik ken jou, Roderigo. |
| Roderigo | Ik boet voor alles, heer. Maar ik vraag u echt,
behaagt het u, of weet u er al van, wat ik haast denk, dat die schoonheid van u, op dit onzalig uur na middernacht, wordt weggevoerd door een vent van laag allooi, een die men huren kan, een gondelier, de klauwen in van een wellustige Moor. Als u dat weet, en stemt u er mee in, dan zijn wij driest geweest en onbeschoft. Maar weet u het niet, dan zegt mijn ‘Hoe hoort het’, dat u ons onterecht berispt. Geloof niet, dat ik in strijd met elk fatsoensbegrip zo spotten zou met al uw waardigheid. Uw dochter (tja, tenzij zij van u mocht, nogmaals) heeft zich grof tegen u afgezet, haar plicht, schoonheid, verstand en haar fortuin verbonden aan een zwerver, een vreemde snuiter, van hier, en overal: ga zelf dan kijken. Als ze op haar kamer is, of in uw huis, laat alle staatswetten dan op mij los, voor dit bedrog. |
| Brabantio | Sla mij wat licht, daarginds.
Geef me een kaars, roep al mijn mensen op; wat hier gebeurt lijkt heel veel op mijn droom, als ik die geloof krijg ik het al benauwd; licht, kom, wat licht! Af, boven |
| Iago | Tot ziens, ik moet nu gaan:
voor mijn positie lijkt het ongezond om te getuigen - wat gebeurt als ik blijf - tegen de Moor, de staat zal hem, immers, al kan ze hem met een berisping kwetsen, niet zomaar kunnen ontslaan; met zo’n bijval heeft men hem ter krijg in Cyprus uitgestuurd, die nu in volle gang is, dat geen ander van zijn kaliber nu beschikbaar is om hun zaken te regelen; daarom, al haat ik hem net als het hellevuur, moet ik, omdat het ogenblik dat eist, een vlag voorhouden, een vriendschapssignaal, al is het maar een vlag. Om hem te vinden, leid deze opgezette speurtocht naar de Schutter; daar ben ik bij hem. Tot zo. Af Brabantio op, in zijn avondjas, en dienaren met toortsen. |
| Brabantio | Het kwaad is al te waar, ze is er niet;
wat er van mijn onteerde leven rest is enkel bitterheid. Nou, Roderigo, heb je haar gezien? (O, ongelukkig kind!) En met de Moor? - (Wie wou nog vader zijn?) Hoe wist je, dat zij het was? ( O, ongehoord bedrog!) Wat heeft ze u gezegd? Meer kaarsen, wek mijn verwanten; zijn ze getrouwd, denkt u? |
| Roderigo | Ik denk van wel. |
| Brabantio | Hoe kwam ze in gods naam buiten? O, bloedverraad!
Vaders, lees nooit af wat uw dochter wil aan wat u ze ziet doen; er is toch tover, dat de natuur van maagdheid en van jeugd verworden doet? Daar heeft u, Roderigo, van gelezen, toch? |
| Roderigo | Zeker, heer. |
| Brabantio | Roep mijn broer hier: had u haar maar gehad.
De helft hierheen, de andere daar; weet u, waar wij haar kunnen pakken, en de Moor? |
| Roderigo | Ik kan hem wel voor u vinden, als u zich
maar goed beschermd, en even met me meekomt. |
| Brabantio | Ga mij dan voor, ik roep bij ieder huis,
ik ben iemand van gezag, neem wapens mee! Ga wat speciale nachtpolitie halen: Kom, Roderigo, uw moeite wordt beloond. Beiden af |
Tweede toneel - Voor de Schutter Othello en Iago op, en dienaren met toortsen. | |
| Iago | Al heb ik in het oorlogsvak gedood,
toch gaat het opzettelijk plegen van een moord tegen mijn geweten in; het ontbreekt mij soms aan slechtheid tot eigen dienst: wel tien keer had ik hem haast hier gestoken, onder zijn ribben. |
| Othello | Het is beter zoals het is. |
| Iago | Hij zwetste maar,
wat hij insinueerde was zo vuil, zo tegen uw eer, dat ik hem, met het beetje vroomheid dat ik heb, ternauwernood verdroeg; maar zeg eens, heer, bent u nu echt getrouwd? Besef heel goed, dat de Magnifico in aanzien staat, dat hij in de praktijk een machtige stem heeft, wel als de Doge, twee; hij laat u scheiden, geeft heel veel last en zo veel ergernis, als hem de wet (versterkt door zijn gezag) aan ruimte geeft. |
| Othello | Hij mag van mij tekeer gaan;
wat ik de staat aan diensten heb bewezen spreekt luider dan zijn aanklacht; men hoort nog - ik zal het, als ik ooit denk dat grootspraak deugd is, het gewone volk verkonden - dat ik voortkom uit een vorstenstam, en dat mijn verdiensten zonder meer recht hebben op het groots fortuin dat ik nu bereikt heb; want weet, Iago, hield ik niet van de lieve Desdemona, dan zou ik mijn zwervend vrij bestaan nog niet voor wat de zee waard is grenzen opleggen en beperkingen. Wat komt daar voor licht? |
| Iago | De opgewonden vader en zijn vrienden.
Ga toch naar binnen. |
| Othello | Ik wil, dat men mij vind:
mijn rang, mijn staat van dienst, mijn reine ziel tonen mij net zoals ik ben; zijn ze het? |
| Iago | Bij Janus, ik geloof van niet.
Cassio op, officieren, met fakkels. |
| Othello | Mijn luitenant, en dienaars van de doge.
Moge de nacht u goeds brengen, mijn vrienden. Welk nieuws? |
| Cassio | De doge groet u, generaal,
en wens u bij zich, met de grootste spoed, en wel onmiddellijk. |
| Othello | Wat is er, denkt u? |
| Cassio | Iets vanuit Cyprus, als ik raden mag;
en er is zeker haast bij, want vannacht kwamen er achter elkaar wel zo’n twaalf boodschappen aan van de galeischepen, de een nog sneller dan de andere: de raad is opgeroepen; veel van hen zijn al bij de doge; u bent dringend gewenst, want toen u niet bij u thuis te vinden was, zond de senaat drie zoekpatrouilles uit om u te vinden. |
| Othello | Goed, dat u mij vond:
nog eventjes een woordje binnen zeggen, dan ga ik mee. Af |
| Cassio | Vaandrig, wat moet hij hier? |
| Iago | Hij heeft vannacht een landgaljoen geënterd:
bij wettige buit, is hij voor altijd binnen. |
| Cassio | Begrijp ik niet. |
| Iago | Hij is getrouwd. |
| Cassio | Met wie?
Othello op |
| Iago | Getrouwd met ..Kom, kapitein, gaat u mee? |
| Othello | Ja, ik kom. |
| Cassio | Daar komt nog een tweede groep die naar u zoekt.
Brabantio en Roderigo op, en anderen met licht en wapens |
| Iago | Het is Brabantio, generaal, pas op,
hij heeft iets kwaads in de zin. |
| Othello | Hé, blijf staan! |
| Roderigo | Het is de Moor, Signor. |
| Brabantio | Sla hem neer, die dief! Aan beide zijden worden wapens getrokken |
| Iago | U, Roderigo, kom, heer, ik sta aan uw kant. |
| Othello | Terug met dat blanke staal: de dauw zal het roesten;
beste Signor, uw leeftijd geeft gezag, meer dan uw wapens. |
| Brabantio | Smerige dief, waar heb je mijn dochter verstopt?
Je bent verdoemd, en hebt haar dus betoverd; ik beroep me op ieder met normaal verstand (wanneer zij niet in toverketens ligt), of een gelukkig meisje, teer en mooi, zo tegen het huwelijk, dat ze zelfs de rijke, blondlokkige hoop der natie steeds vermeed, ooit weg zou vluchten (en alom bespot) van haar natuurlijk toezicht naar de roetborst van zo’n ding als jij, dat angst, geen vreugd brengt. Oordeel, wereld: het is overduidelijk: je hebt haar bewerkt met zwarte hellekunst, en haar prilheid misbruikt, met drugs of gif, die haar loom maken: tot het hoogst gerecht! Zo is het gegaan, zo ligt het voor de hand. Dus arresteer ik u, en zet ik u vast, misbruiker van de wereld, beoefenaar van kunsten, ontoelaatbaar en verboden; kom, grijp hem vast, en als hij weerstand biedt, dan desnoods met geweld. |
| Othello | Uw handen thuis,
zowel mijn medestanders, als de rest: als ik nu moest vechten, had ik het heus geweten, zonder souffleurs; waar wilt u dat ik ga, om mij te rechtvaardigen? |
| Brabantio | Naar het gevang,
totdat de wet, en het normale recht u oproept. |
| Othello | Wat als ik ook gehoorzaam?
Zou dat de doge eigenlijk wel bevallen, wiens boodschappers hier aan mijn zijde staan, om mij voor dringend overleg van staat naar hem toe te brengen. Officieren Zo is het, edele heer, de doge houdt raad, en ook uw edele zelf is daar ontboden. |
| Brabantio | Wat? De doge houdt raad?
Op dit uur van de nacht? Breng hem maar weg; mijn zaak is niet gering; de doge zelf, of zeg maar welke broeder in de raad voelt dit beslist als iets hun aangedaan. Als men hier ongestraft blijft voor zo’n daad, O, heidenslaven, gij, mannen van staat. Allen af |
Derde toneel - Een raadkamer De Doge en senatoren op; ze zetten zich aan een tafel met licht; gevolg | |
| Doge | Er zit geen enkele lijn in al dit nieuws
dat het geloofwaardig maakt. |
| 1e Senator | Het klopt steeds niet;
galeien, honderdzeven, stelt mijn brief. |
| Doge | En hier staat honderd veertig. |
| 2e Senator | Hier tweehonderd:
al zijn ze het over het aantal niet geheel eens (zoals altijd, wanneer men schatten moet, er wel verschil is), toch spreekt elk bericht van een Turkse vloot, op koers naar het eiland Cyprus. |
| Doge | Tja, het hoeft niet altijd zo precies te zijn:
maar ook al kloppen de getallen niet, de hoofdzaak is me zeker duidelijk, en ik maak me zorgen. |
| Zeeman | [Achter] Ho! Hallo! Hallo! |
| Officier | Een bericht van de galeien.
Zeeman op |
| Doge | Wat voor nieuws? |
| Zeeman | De Turkse vloot stevent op Rodos af,
dat moest ik melden aan de staatsraad hier, van Signor Angelo. |
| Doge | Wat vindt u van die wending? |
| 1e Senator | Dit kan niet,
het is absoluut niet logisch....het is een show, bedoeld als een vals spoor: als men beschouwt, hoe groot belang de Turk aan Cyprus hecht; en laten we vooral voor ogen houden, dat hij daar meer op uit is als op Rodos: het is veel lichter te veroveren, want het is op oorlog minder voorbereid, en heeft lang niet al de versterkingen waar Rodos mee is uitgerust. Bedenk dit - en houd de Turk niet voor zo’n dom strateeg, dat hij voor het laatst laat wat hem het eerst belangt, een makkelijke aanval, met winst, laat voor iets riskants, gevaarlijks, zonder nut. |
| Doge | Nee, Rodos is het niet, daar ze we het eens.
Een bode op |
| Bode | De Ottomanen, Hooggeëerde Heren,
die recht naar het eiland Rodos zijn gekoerst, hebben zich daar bij een andere vloot gevoegd - |
| 1e Senator | Wat ik al dacht; met hoeveel zijn ze, schat u? |
| Bode | Wel dertig zeil, en nu wendt men de steven
terug op de oude koers, heel openlijk met Cyprus als hun doel: Signor Montano, uw trouwe en onversaagde dienaar, zendt u met meeste hoogachting aldus bericht, en bidt u hem te geloven. |
| Doge | Dan gaat het zeker op naar Cyprus.
Is Marcus Luccicos niet in de stad? |
| 1e Senator | Die is in Florence, heer. |
| Doge | Schrijf hem, dat hij in allerijl moet komen. |
| 1e Senator | Hier komt Brabantio en de dappere Moor.
Brabantio, Othello, Cassio, Iago en Roderigo op, met officieren. |
| Doge | Dappere Othello, u wordt gelijk ingezet
tegen ons aller vijand, de Ottomaan; [Tegen Brabantio] Ik had u niet gezien; welkom, Signor, we hebben uw raad en hulp vannacht gemist. |
| Brabantio | En ik de uwe: edele heer, vergeef me,
het was niet mijn ambt, noch dat ik hiervan hoorde, dat ik mijn bed uitkwam; geen staatswelzijn vult mij met zorg, maar een persoonlijk leed, zo alles overstelpend van natuur, dat het elk andere smart overspoelt en opslokt, en alleen overblijft. |
| Doge | Wat is er dan? |
| Brabantio | Mijn dochter, O, mijn dochter.
Allen Dood? |
| Brabantio | Ja, voor mij:
ze is misbruikt, me ontstolen, en verdorven, door tover en door gif, van kwakzalvers, want zonder hekserij kon de natuur (niet blind, gebrekkig, of verdwaasd van zin) niet zo onmogelijk dwalen. |
| Doge | Wie het ook is, die met zulk lage middelen
uw dochter zo beroofd heeft van zichzelf, en u van haar, lees het bloedig boek der wet tot op de bittere letter zelf maar door zoals het er staat, al werd mijn eigen zoon door u verdacht. |
| Brabantio | Ik dank u nederig;
daar staat hij, deze Moor, die naar het schijnt voor staatszaken, op uw speciaal bevel, hierheen gebracht is. |
| Allen | Dat doet ons innig leed. |
| Doge | [Tegen Othello] Wat heeft u uwerzijds hierop te zeggen? |
| Brabantio | Niets, dan dat het zo is. |
| Othello | Doorluchtige, machtige, gestrenge Signori,
mijn nobelste, goedgunstigste gebieders: dat ik die oude man zijn dochter meenam, is helemaal waar; het is waar, dat ik haar trouwde, de omvang en de ernst van dit vergrijp reikt tot zover, niet meer. Ik ben recht van tong, weinig gezegend met de vredestaal; van dat mijn armen kracht van zeven jaar hadden, tot voor zo’n negen maanden, deden zij hun arbeid het allerliefst in tent en veld; en wat ik van de grote wereld weet betreft slechts oorlogsdaad en strijdrumoer, dus kan ik mijn zaak slechts weinig opsmuk geven, als ik pleit voor mezelf; met uw verlof, zal ik toch ronduit, en onverbloemd hier spreken hoe mijn liefde verliep, welk gif, welk drankje, welke bezwering, met welk machtige kunst (van dat soort dingen word ik hier beticht) ik haar, zijn dochter, won. |
| Brabantio | Een schuchter meisje,
zo stil, zo rustig, als ze al bewoog, dan bloosde ze; en zij, ondanks haar aard, haar jaren, land, haar goede naam, haar alles, verliefd op dat wat huivering brengt bij aanblik? Slechts een verminkt en zeer beperkt verstand zal menen, dat volmaaktheid zo kan dwalen tegen alle regels der natuur; dit is beslist doortrapte duivelskunst, want niets kan dit verklaren; dus stel ik hier opnieuw, dat hij met mengsels machtig over het bloed, of met een drankje voor dit doel behekst haar heeft bewerkt. |
| Doge | Beweren is geen bewijs,
zonder omvattender getuigenis; dit is maar licht omkleed, en om de show te stelen zwak, wat u daar tegen hem inbrengt. |
| 1e Senator | Maar, Othello, spreek,
heeft u op slinkse wijze, met geweld dit meisjeshart bedwongen en vergiftigd, of was het aanzoek en dat zoet gevlei dat hart aan hart vergunt? |
| Othello | Ik smeek u allen,
haal deze dame uit de Schutter hierheen, dan kan ze hier, vóór haar vader, van mij spreken; als u uit wat zij zegt mij schuldig vindt, neem dan niet slechts het vertrouwen, het ambt mij af, dat ik u dank, maar laat uw oordeel zelfs mijn leven einden. |
| Doge | Haal Desdemona hierheen. Twee, drie dienaren gaan naar de deur |
| Othello | [Tegen Iago] Vaandrig, ga met hen mee; u weet waar het is: Dienaren en Iago af
totdat zij komt, zal ik trouw, zoals ik de hemel de fouten opbiecht van mijn heet gemoed, u, ernstige toehoorder, precies vertellen, hoe ik in liefde groeide bij mijn schone, en zij bij mij. |
| Doge | Spreek maar, Othello. |
| Othello | Haar vader mocht mij graag, nodigde mij
vaak uit, vroeg steeds maar naar mijn levensloop, van jaar tot jaar, naar slag, beleg en het lot dat ik had meegemaakt: ik liep het door, vanaf dat ik jongen was helemaal tot aan het moment dat hij het me vroeg. Daarbij sprak ik van de ergste lotgevallen, van aangrijpend engs op land en oceaan; van op een haar na ontsnapt bij het heetst van de bres; van grof gevangen door de vijand zijn; en van als slaaf verkocht, en dan bevrijd, en daarbij alles van mijn reizen; van reuzengrotten, en woestijnen, leeg, steengroeven, rotsen, heuvels, hemelhoog, daar sprak ik altijd van, en zo ging het door: van Kannibalen die elkaar opeten; van Antropofagen, en hen wier hoofd onder hun schouders groeit; als ze dit hoorde, zat Desdemona steeds geboeid te luisteren; steeds weer riep het werk in huis haar even weg, maar altijd deed ze vlug wat ze moest doen, en kwam dan terug, om met een gretig oor mijn woorden te verslinden; toen ik dat merkte, zocht ik een gunstig ogenblik, en wist uit het diepste van haar hart het verzoek te ontlokken, uitvoerig van mijn omzwervingen te spreken, waarvan ze hier en daar iets had gehoord, maar niet aan een stuk: en ik stemde toe, en vaak ontlokte ik een traan aan haar, als ik haar sprak hoe mij het noodlot trof, toen ik jong was: dan, mijn verhaal voorbij, schonk zij mij voor mijn smart een wereld zuchten, zwoer zij, bij God, hoe vreemd, hoe meer dan vreemd; hoe wonderlijk aangrijpend, wonderbaar; had ik het maar nooit gehoord, zei zij, maar ook, had God mij maar zo’n man gemaakt, en vroeg me, als ik een vriend had die veel van haar hield, hem mijn verhaal te leren te vertellen: dat zou haar winnen. En dat nam ik op: zij hield van mij om mijn doorstaan gevaar, en ik van haar omdat het haar zo aangreep. En dat is al waarmee ik haar heb behekst: daar komt de dame, die het getuigen zal. Desdemona op, Iago en gevolg |
| Doge | Wel, dit verhaal zou mijn dochter ook winnen.....
Waarde Brabantio, de zaak ligt moeilijk, maar leg u er bij neer; men vecht toch liever met gebroken wapen dan met de blote hand. |
| Brabantio | Hoor haar zelf aan.
Als zij ook haar aandeel in het spel bekent, dan treffe mij verderf, als ik hém nog verder tref met mijn vloek. Kom hier, mijn liefste vrouwtje: wie in het nobele gezelschap hier dient u het meest te gehoorzamen? |
| Desdemona | Ik zie,
mijn nobele vader, een verdeelde plicht: u dank ik het leven en mijn opvoeding, mijn leven en opvoeding, zij leren mij respect voor u, u bent heer van mijn plicht, tot dusver ben ik uw dochter: maar hier is mijn man: en net zo’n eerbied als mijn moeder toonde aan u, u voorrang gevend voor haar vader, zo veel beweer ik, en met stelligheid, ligt mijn plicht bij de Moor, mijn heer. |
| Brabantio | Klaar ben ik:
dan nu de staatszaken, mijn nobele heer; liever een aangenomen kind dan zelf een; kom hier, dan, Moor: ik schenk jou hier ‘met heel mijn hart’ wat ik, maar ja, je hebt het al, met heel mijn hart zou weigeren. Vanwege jou, juweel, wat bèn ik blij dat ik niet nog een kind heb, want door jouw vlucht werd ik vast een tiran, die ze een blok aan het been sloeg; ik heb gedaan, heer. |
| Doge | Dan spreek ik nu als u wat wijze woorden,
een opstapje voor de geliefden om weer in uw gunst te komen. Als niets meer helpt, zijn wij van smarten vrij, want, met de klap, gaat onze hoop voorbij. Treuren om leed dat men achter zich weet, dat is de snelste weg naar nog meer leed. Wat onherroepelijk toevalt aan het lot, daar maakt geduld dat men met zijn slag spot. Hij die, bestolen, lacht, berooft de dief; wie zinloos treurt rooft zich elk perspectief. |
| Brabantio | Laat dan de Turk ons Cyprus maar ontnemen:
zolang we kunnen lachen, geen problemen. Hem doet een uitspraak goed, die is getroost door het zielenheil dat hij daaruit steeds oogst; maar spreuk èn pijn torst hij die lenen moet van arm geduld, en zo smart schuld voldoet. Die spreuken zijn, in zoete of bittere zin, tweezijdig sterk, en ieder vindt gewin: maar ik heb nog nooit gehoord - een woord is een woord -, dat een gewond hart door het oor werd doorboord: Maar nu de staatszaken, vraag ik u beleefd. |
| Doge | De Turk zet met een gigantische oorlogsvloot koers naar Cyprus: Othello, u kent de defensieve kracht ter plekke het beste, en, al hebben wij daar een plaatsvervanger die op het allerhoogst niveau competent is, toch vindt men - de algemene opinie beslist uiteindelijk - , dat het veiliger is, als u de leiding krijgt: u dient er zich dus maar bij neer te leggen, de glans van uw nieuw geluk tijdelijk te laten bevlekken met deze ruwere en stormachtiger onderneming. |
| Othello | Tiran gewoonte, waarde senatoren,
maakte mijn oorlogsbed van steen, van staal het allerzachtste donsbed; ik erken mijn aangeboren lust en prompte scherpte als het gaat om krijg, en onderneem volgaarne de huidige oorlog tegen de Ottomanen. Ik verzoek u nederig, buigend voor uw staat, voor onderdak te zorgen voor mijn vrouw, een geschikte plaats, een passende ondersteuning, al wat aan opvang en voorzieningen past bij haar afkomst. |
| Doge | Wel, als u dat wenst,
kan ze bij haar vader. |
| Brabantio | Dat wil ik niet. |
| Othello | Ik ook niet. |
| Desdemona | Ik ook niet, daar wil ik niet wonen,
dan wordt hij bozig elke keer als hij mij tegen het lijf loopt; Hoogstedele Doge, leen mijn verzoek een toegenegen oor, en schenk mijn zo eenvoudige woordenstroom het gewicht van uw stem. |
| Doge | Wat wenst u..... spreek.
Desdemona Dat ik van de Moor houd, met hem leven wil, moge mijn roekeloosheid en lotsverachting overal rondbazuinen: mijn hart is verpand aan wat hem het allermeeste boeit, mijn heer: in zijn gemoed zag ik zijn aangezicht, en aan zijn eer en aan zijn heldenmoed heb ik mijn ziel en mijn fortuin gewijd, zodat mij, als ik, voor vrede nutteloos, hier blijven moet en hij ten oorlog trekt, het liefdesritueel onthouden wordt, als mijn lief weg is; laat mij met hem gaan. |
| Othello | Uw jawoord, heren: ik smeek u, laat haar wil
de vrije loop; maar ik vraag u er niet om, dat het zingenot van mijn lusten gestreeld wordt, of het vuur gevoed - de drift der jeugd is lang in mij reeds dood -, en een gerechte dorst, maar om haar geest in alles ruim te delen; en God behoede uw zielen voor de vrees, dat ik uw ernstige, grote zaak verpruts, omdat zij bij mij is; ........nee, als dartel spel, als Cupido met zwierige, speelse lust mijn geest en al mijn zinnen gaat verblinden, zodat mijn zingenot mijn opdracht schaadt, maak dan, huisvrouw, een kookpot van mijn helm, laat dan alle vernederende rampen opstormen tegen mijn reputatie! |
| Doge | Al goed; besluiten jullie onderling,
of zij hier blijft of gaat; de zaak eist spoed, en spoed is snel; u moet vannacht nog gaan. |
| Desdemona | Vannacht, heer? |
| Doge | Nog vannacht. |
| Desdemona | Van ganser hart. |
| Doge | Wij treffen ons om tien uur, morgen, hier.
Othello, laat een officier hier achter, om onze opdrachten aan mee te geven, met al het andere zoals positie en rang wat u aangaat. |
| Othello | Met uw verlof, mijn vaandrig,
een zeer rechtschapen en betrouwbaar man, zal ik opdragen mijn vrouw te escorteren, met wat uwe genade nog meer nodig vindt mij na te sturen. |
| Doge | Laat het zo dan zijn.
Welterusten, iedereen; nobele Signor, als stralend schoon zo een deugd is van het hart, dan is uw schoonzoon eerder blank dan zwart. |
| 1e Senator | Dag, dappere Moor, eer Desdemona zoet. |
| Brabantio | Houd haar in het oog, Moor, sluit geen oog te gauw:
bedroog ze haar vader, waarom dan niet jou? Doge, Senatoren, Officieren etc. af |
| Othello | Mijn leven op haar trouw: eerlijke Iago,
mijn Desdemona laat ik aan jouw zorg; vraag aan jouw vrouw of zij haar helpen wil, en breng haar na zo gauw dat even kan. Kom, Desdemona, ik heb maar een uur voor liefde, zaken en voor regelen met jou alleen; want ons gebiedt de tijd. Othello en Desdemona af |
| Roderigo | Iago! |
| Iago | Wat zeg je, nobel hart? |
| Roderigo | Wat moet ik doen, vind jij? |
| Iago | Nou, naar bed gaan en slapen. |
| Roderigo | Ik ga me gelijk verdrinken. |
| Iago | Nou, als je dat doet, zal ik je daarna nooit meer aardig vinden. Waarom, eigenlijk, stomme jonker? |
| Roderigo | Het leven is stom, als het leven me kwelt; en het voorschrift heet sterven, als de dood onze dokter is. |
| Iago | Schandalig, ik heb vier maal zeven jaren op de wereld rondgelopen, en vanaf dat ik een weldaad van een wandaad kon onderscheiden, ben ik nog nooit iemand tegengekomen die niet wist hoe hij van zichzelf moest houden; ik zou nog eerder mijn menselijkheid ruilen met een baviaan, dan ooit zeggen dat ik mezelf ging verdrinken uit liefde voor een parelhoentje. |
| Roderigo | Wat moet ik doen? Ik geef toe, dat het schandelijk is dat ik zo hevig verliefd ben, maar het ligt niet in mijn deugd om daar iets aan te doen. |
| Iago | Deugd? Klets! Het zit in ons zelf, dat we zo zijn, of zo; ons lichaam is een tuin, met onze wil als tuinman, zodat, als we brandnetels willen planten of sla willen zaaien, we hysop poten en tijm weg wieden, hem verzadigen met één soort kruiden of hem van de wijs brengen met heel veel andere; hem òf onvruchtbaar houden door niets te doen, òf met toewijding vetmesten; tja, de macht, en het gezag dat zo te regelen, ligt bij onze wil. Als de weegschaal van ons leven niet aan de ene kant het verstand had, dat als tegenwicht fungeert voor sensualiteit, dan zouden onze drift en onze liederlijkheid ons leiden tot de meest onzinnige daden. Maar wij hebben ons verstand om onze heftige hartstochten af te koelen, onze vleselijke driften, onze ongebreidelde lust; en daarom zie ik wat jij liefde noemt aan voor een loot of uitloper. |
| Roderigo | Het is niet mogelijk. |
| Iago | Het is maar een lust van het bloed, die de wil ons toestaat. Kom, wees een man; jezelf verdrinken? Verdrink katjes en blinde puppy’s: ik heb verklaard dat jij mijn vriend bent, en ik erken, dat ik aan jouw verdiensten vast ben geketend met kabels van eeuwige taaiheid; ik zou je nooit beter kunnen helpen dan nu. Doe geld in je zak; ga achter deze oorlog aan, maak je gezicht onherkenbaar met een valse baard; ik zeg je, stop geld in je zak. Het is onmogelijk dat Desdemona haar liefde voor de Moor nog lang volhoudt,.....stop geld in je zak,......noch hij voor haar; het begin was heftig, en je zult zien dat het even heftig zal eindigen; ......stop geld in je zak.....Dit soort Moren is wispelturig:.......vul je zak met geld. Het voedsel dat hem nu zoet is als johannesbrood, zal weldra bitter zijn als kolokwint. Als ze verzadigd is van zijn lichaam, zal ze inzien dat haar keuze verkeerd was; ze moet afwisseling hebben, ze moet. Stop daarom geld in je zak: als je je zo nodig wilt verdoemen, doe dat dan op een delicatere manier dan door verdrinken; grijp zoveel geld als je kunt. Als de plechtigheid, en een broze gelofte, tussen een zwervende barbaar en een over-fijngevoelige Venetiaanse voor mijn verstand en voor die hele helletroep niet te veel is, dan zul je haar genieten; doe dus geld in je zak,..........de boom in met dat verdrinken, geen sprake van; dan kun je maar beter gehangen worden met je vreugde in je armen, dan verdrinken en zonder haar sterven. |
| Roderigo | Zul je me niet in de steek laten als ik blijf hopen? |
| Iago | Jij kunt zeker van mij zijn......ga maar geld halen.......Hoe vaak heb ik je niet verteld, en ik zeg het je opnieuw, opnieuw, dat ik die Moor haat; mijn zaak staat sterk, en die van jou ook, laat ons daarom samenspannen in onze wraak op hem: als jij hem de hoorns op kunt zetten, dan doe je jezelf een pleziertje, en mij een meevaller. Er zijn veel zaken in de schoot der tijd, die aan het daglicht zullen komen. Ingerukt, mars , zorg dat je aan geld komt, morgen praten we er verder over; tot ziens. |
| Roderigo | Waar zien we elkaar morgenochtend? |
| Iago | Bij mij thuis. |
| Roderigo | Ik zal er op tijd zijn. |
| Iago | Ga nou maar; vaarwel:.......maar hoor eens, Roderigo. |
| Roderigo | Wat zegt u? |
| Iago | Geen woord meer over verdrinken, hè. |
| Roderigo | Ik heb me bedacht. |
| Iago | Ga nou maar; vaarwel! Doe genoeg geld in je zak. Roderigo af
Zo maak ik dwazen altijd tot mijn beurs. Want ik deed de kennis, zelf vergaard, tekort, als ik mijn tijd verspilde met zo’n lummel zonder lol en profijt. Ik haat die Moor, al denkt men overal, dat hij mijn werk tussen mijn lakens deed; ik weet niet of het waar is...... Alleen al om dat vermoeden, zal ik doen, alsof het waar is: de Moor vertrouwt mij, en des te beter werkt mijn plan op hem. Cassio is een knappe jongen, laat eens kijken, zijn plaats krijgen, en ook mijn wil door voeren, een dubbele schurkenstreek.....ja, hoe?.....eens kijken, na een tijdje, gif in Othello’s oor, dat hij àl te intiem is met zijn vrouw: charmant is hij, en vlot, wekt makkelijk argwaan, hij is gemaakt om vrouwen te verleiden: de Moor, frank, open van natuur, vindt iedereen eerlijk, ook al lijkt dat maar: die neemt men net zo zoetjes bij de neus als ezels. Ik heb het, in principe; door hel en nacht wordt deze wangeboorte in het licht gebracht. Af |