| Richard 3
richard 3 vertaling : Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste bedrijf Eerste toneel - Het kasteel van Windsor Koning Richard op, John van Gaunt, met andere edellieden en gevolg | |
| Richard | Oom John van Gaunt, onze oude Lancaster,
heb jij, je eed getrouw, je koene zoon, Hendrik van Herford, nu hierheen gebracht, om de beschuldiging concreet te maken, - die wij uit tijdgebrek niet konden horen -, tegen de Hertog Norfolk, Thomas Mowbray? |
| Gaunt | Zeker, mijn vorst. |
| Richard | Zeg mij dan ook, of u heeft onderzocht,
of hij uit oude wrok de hertog aanklaagt, of terecht, zoals een goed onderdaan, omdat hem verraad te bewijzen is? |
| Gaunt | Zo ver ik dat punt bij hem na kon gaan,
zag hij in hem een duidelijk gevaar, gericht op u, en niet uit oude wrok. |
| Richard | Dan roep hen vóór ons: en horen wij zelf
grauwend, blik op blik, gezicht op aangezicht, de aanklager en de beklaagde spreken, opvliegend, allebei, geraakt, verwoed, doof als de zee, fel als de vlammengloed. Bolingbroke op en Mowbray |
| Bolingbroke | Moge u zich in nog veel geluk verheugen,
mijn soeverein, mijn hoogst dierbare vorst. |
| Mowbray | Moge elke dag het geluk daarvoor vermeerderen
tot de hemel, afgunstig op de aarde, de naam onsterfelijk toevoegt aan uw kroon! |
| Richard | Heb beiden dank: maar één van u vleit ons,
wat uit de reden blijkt dat u hier komt: elkaar beschuldigt u van hoogverraad: neef Herford, spreek, wat is uw verwijt tegen de Hertog van Norfolk, tegen Thomas Mowbray? |
| Bolingbroke | Vooreerst - hemel, getuig wat ik hier zeg! -
toegewijd als liefhebbend onderdaan, die waakt over het kostbaar heil van mijn vorst, en vrij van alle mensonwaardige haat, verschijn ik hier als klager voor uw troon. Nu, Thomas Mowbray, wend ik mij tot jou; let goed op wat ik spreek, want wat ik zeg zal mijn lichaam hier staven op de aarde, of mijn onsterfelijke ziel in de hemel. Een aartsverrader ben jij, en een schurk, te goed daarvoor, te slecht om nog te leven, zoals in een heldere, strakblauwe lucht een wolk totaal misstaat die overvlucht; en om de schande zwaarder te doen wegen, werp ik je opnieuw ‘vuile verrader’ tegen: ik wil, voor ik ga, met juist getrokken zwaard bekrachtigen wat mijn tong hier heeft verklaard. |
| Mowbray | Laat ik door mijn koelheid niet maar futloos lijken.
Dit is geen zaak hier waar twee vrouwen vechten, geen bitter schelden van twee felle tongen beslist tussen ons twee hier deze zaak; het bloed is heet dat hier bekoelen moet. Toch kan ik niet prat gaan op wat mak geduld, dat ik stom word, en niets meer zeggen wil. Eerbied voor uw hoogheid weerhoudt me ervan dat ik vrijuit spreken teugel en spoor geef, dat er anders op af vloog, tot het dit verraad dubbel en dwars in zijn strot had geduwd. Als ik nou niet tel dat hij van adel is, als hij nou niet verwant was aan mijn koning, dan daag ik hem uit, dan spuw ik naar hem, noem ik hem een laster-lafbek en een schurk, dan krijgt hij iets vóór, als ik dit wil staven, en ik loop hem na, al moet ik wel te voet, zelfs tot op de ijzige Alpentoppen, of een andere onherbergzame plek waar Engelsen nooit een voet durfden zetten. Dat ondertussen dit mijn trouw bepleit: ‘Hij liegt, hij lastert, bij mijn zaligheid’. |
| Bolingbroke | Bleek-bibberende lafaard, hier ligt mijn pand;
ik verzaak hier mijn verwantschap met de vorst, de koningsadel van mijn bloed, die jij uit angst, niet uit ontzag, terzijde schuift. Als angst en schuld je nog zo krachtig laat, dat je mijn erepand opneemt, dan buk. Daarmee, en elk gebruik der ridderschap, bewijs ik jou als aanstichter van het kwaad waar ik van sprak, of jij mee komen kan. |
| Mowbray | Ik neem het op; en ik zweer bij het zwaard dat ooit
het ridderschap zacht op mijn schouder legde, ik ben je man, ik ben overal toe bereid, binnen de eisen van het ridderschap. Ik mag op mijn paard sterven, als ik inderdaad vecht voor een foute zaak, en vol verraad. |
| Richard | En wat legt onze neef Mowbray ten laste?
Het moet wel iets heel groots zijn, dat het ons nu het idee geeft dat hij iets verkeerd kan doen. Bolingbroke Wat ik ook zeg, mijn leven zal het staven: achtduizend nobels heeft Mowbray ontvangen als voorschot voor soldaten van uw hoogheid, die hij achtergehouden heeft voor een laag doel, als een verrader en een boze schurk; ook stel ik, en wil het staven in een strijd, hier, dan wel elders, op het verste punt waar ooit een Engels oog heeft rondgeschouwd, dat al het verraad dat achttien jaren lang in dit land is beraamd en uitgevoerd zijn oorsprong in de valse Mowbray had; daarbij verklaar ik ook nog, - en wat ik zeg zal ik vergelden op zijn slechte leven -, dat hij de dood van Gloucester heeft beraamd, diens lichtgelovige vijanden opstookte, en toen de onschuldige ziel, in stromen bloed, eruit sluisde, - de lafbek, vol verraad; dat bloed, als het bloed van offeraar Abel, schreeuwt zelfs uit de tongenloze aardholten mij om strenge wrake en gerechtigheid; en, bij de roem van mijn glorieus geslacht, mijn arm zal het doen, al is het dood die mij wacht. |
| Richard | Hoe hoog stijgt deze vastbeslotenheid!
Thomas van Norfolk, wat zeg jij daarop? |
| Mowbray | Laat mijn vorst even zijn gezicht afwenden,
zijn oren vragen even doof te zijn, tot ik die lasteraar van zijn bloed verteld heb, hoe God, en eerlijk volk, zo’n leugenaar haat. |
| Richard | Mowbray, mijn oog en oor zijn onpartijdig;
al was hij een broer, al erfde hij het rijk, en niet als nu mijn vaders broeders zoon, toch zweer ik, bij mijn scepters waardigheid, dat naverwantschap aan ons geheiligd bloed hem absoluut geen voorrecht schenken zal, noch mijn onbuigzaam hart partijdig maakt. Hij is onze onderdaan, Mowbray; zoals jij: ook jou staat openhartigheid hier vrij. |
| Mowbray | Dan, luister, Bolingbroke, tot op het diepste,
het allerdiepste lieg jij dat je barst. Driekwart van het geld dat ik voor Calais kreeg heb ik aan ‘s konings troepen uitbetaald; de rest hield ik zelf, let wel, met toestemming, omdat mijn vorst bij mij nog schulden had, het restant van een behoorlijke som, van dat ik zijn koningin uit Frankrijk halen moest: slik dus die leugen in. Dan, Gloucesters dood, ik heb hem niet omgebracht; maar, tot mijn schande, mijn heilige plicht in deze zwaar verzuimd. Wat u betreft, mijn edele Lancaster en eerbiedwaardige vader van mijn vijand, ooit stond ik u naar het leven, in het geheim, een misdrijf dat mijn droeve ziel zwaar drukt; maar, vóór ik pas het sacrament ontving, biechtte ik het u op, en vroeg, met zoveel woorden, u om genade; ik hoop dat ik die kreeg. Dit is mijn fout - en wat de rest betreft, het komt uit de rancune van een schurk, een afvallige, die met zijn afkomst spot, wat ik hier zelf als waar verdedigen wil, waarvoor ik mijn pand van de weeromstuit werp voor deze trotse voeten van verraad, om mij een trouwe edelman te tonen in het beste bloed dat in zijn boezem woont. Dat dit snel kan, vraag ik, of u ons zegt, wanneer de dag vastligt voor ons gevecht. |
| Richard | Driftige heren, luister nou eens goed:
verdrijf die galzucht zonder aderlaten - dat schrijven wij voor, al zijn wij geen arts; een diepe wrok maakt een te diepe krats. Vergeet, vergeef, beëindig, maak het goed: dit is, zegt ons de arts, geen maand voor bloed. Laat het eindigen waar het begon, mijn oom; wij sussen Norfolk, kalmeert u uw zoon. |
| Gaunt | Dat vredestichten past mijn leeftijd zeer.
Mijn zoon, werp Norfolks onderpand toch neer. |
| Richard | Norfolk, u dat van hem. |
| Gaunt | Harry, kom dan.
Ik hoor eigenlijk maar één keer te vragen, man. |
| Richard | Wij vragen u, Norfolk, werp neer: het moet. |
| Mowbray | Ik werp mijzelf, mijn vorst, hier aan uw voet;
eis slechts mijn leven, en vraag niet mijn blaam: mijn plicht geeft u het eerste, maar mijn naam, die dóór de dood zal leven op mijn graf, geef ik, voor duistere smaad, niet aan jou af. Ik ben aangeklaagd, onteerd voor het ridderschap, mijn ziel doorboord door gifspeer achterklap, geen zalfje heelt, dan het bloed van zijn hart, dat dit gif spuwde. |
| Richard | Woede dient getart:
de leeuw maakt panters tam: geef mij zijn pand. |
| Mowbray | Maar vlekken blijven. Neem, heer, slechts mijn schand,
en ik haal mijn inzet terug. De rijkste schat die mij dit leven ooit te bieden had is smetteloze eer - ontneem die mij, dan is de mens slechts goud-bestreken klei. Een koene geest in een trouwe borst, als huis, is een parel in een tienvoud veilige kluis. Eer is mij leven, onverbrekelijk één; neem mij eer weg, en het leven is mij heen. Laat mij daarom, mijn vorst, mijn eer niet derven, waardoor ik leef, en waarvoor ik wil sterven. |
| Richard | Werp dat pand hierheen, neef, begint u toch.
Bolingbroke God verhoede, dat ik zo zondig, vooralsnog! Moet ik lijken af te gaan voor vaders oog, schromend als een bedelaar, mijn naam, zo hoog, neerhalen voor een drieste lafaard? Eer, zo zwak, mijn tong mijn eer verwonden gaat, of van verzoening spreekt, scheur ik haar af met mijn tanden, dat slavenwerktuig, laf, en spuw haar bloedend, tot haar eigen smaad, waar schande zetelt, in Mowbrays gelaat. |
| Richard | Wij zijn hier niet voor smeken, maar bevel;
dus, daar u geen bevel verzoenen kan, sta klaar, als u het leven dierbaar is, op Sint-Lambertusdag, te Coventry. Daar wordt met zwaard en lans de felle twist van uw steeds oplopende haat beslist. Verzoening wenst u niet; dus wijst het recht wie wint aan in een ridderlijk gevecht. Maarschalk, geef die herauten van ons last te zorgen voor de tweekamp, zoals het past. Allen af |
Tweede toneel - Het huis van John van Gaunt John van Gaunt op, met de Hertogin van Gloucester. | |
| Gaunt | Ach, het aandeel dat ik had in Woodstocks bloed
spoort mij nog sterker aan dan uw geroep om aan te grijpen wie hem ombrachten; maar daar bestraffing in die handen rust die pleegden wat wij niet bestraffen kunnen, bevelen we onze zaak de hemel aan, die, als hij de tijd rijp ziet op de aarde, wraak heet zal regenen op der zondaars hoofden. |
| Hertogin | Spoort dat u broeders bent jou niet méér aan?
Heeft liefde in jouw oud bloed geen levend vuur? Jij bent toch één van Edwards zeven zonen, van zeven kruiken van zijn heilig bloed, of zeven takken spruitend uit één stam. Enkele der zeven heeft natuur verdord, en enkele takken heeft het Lot gekapt; maar Thomas, mijn gemaal, mijn leven, Gloucester, die éne kruik vol Edwards heilig bloed, één tak in bloei van zijn koninklijke stam, is stuk, en al het kostbaar vocht verspild, is omgehakt, zijn zomerblad vergeeld, door de hand afgunst, de aks van bloedige moord. Ah! Gaunt, jij had zijn bloed! Dat bed, die schoot, die moed, die vorm die jou gestalte gaf maakte hem tot man; al leef en adem jij: jij bent in hem gedood; je hebt meegewerkt, in ruime mate, aan jouw vaders dood, als jij je ellendige broeder sterven ziet, die het evenbeeld was van jouw vaders leven. Noem het geen berusting; het is wanhoop, Gaunt; en door uw broer zo af te laten slachten, heb jij de weg geopend naar je leven, en leer je grimme moord hoe jou te slachten. Wat bij het gewone volk berusting heet, is bleke lafheid in een edele borst. Verder? Als jij je leven redden wil, dan wreek je het beste op mijn Gloucesters dood. |
| Gaunt | Aan God de wrake - want Gods afgezant,
zijn stedehouder, voor Zijn oog gezalfd, liet Gloucester doden; als dat misdaad was, dan wreek dat, hemel; ik mag nooit in toorn mijn arm verheffen tegen Zijn gezant. |
| Hertogin | Bij wie moet ik dan mijn klachten uitspreken? |
| Gaunt | Bij God, die weduwen beschermt en wreekt. |
| Hertogin | Dat zal ik doen. Tot ziens, dan, oude Gaunt.
Jij gaat naar Coventry, om de strijd te zien tussen neef Herford en de woeste Mowbray. Moge Gloucesters doodslag zitten op Herfords speer, dat die zo slachter Mowbrays borst doorboort! Of, als de eerste aanvalsgolf hem net mist, laat dan zijn zonden zo zwaar zijn hart drukken, dat zij zijn schuimend ros de rug gaan breken en de ruiter ruggelings storten in het krijt, een eerloze ridder in Herfords hand! Vaarwel, oom Gaunt; van ooit jouw broer de vrouw kwijnt weg ter dood met naast zich haar vriend, rouw. |
| Gaunt | Ik moet naar Coventry; zuster, vaarwel;
zij goede moed uw en mijn metgezel. |
| Hertogin | Nog één woord: droefheid springt op waar het valt,
niet door haar hol zijn, maar door haar gewicht. Ik ben nauw begonnen, maar ik moet al gaan: leed eindigt nooit, al lijkt het ook gedaan. De groeten aan je broertje, Edmund York. Dit is het dan - nee, wacht nog even, zeg: al is dit alles, ga niet zomaar weg; ik wou vast nog wat. Zeg hem - wat was het toch - dat hij me in Plashy vlug bezoeken moet. Ach, waar wordt de oude York daar mee begroet dan lege kamers, tapijtloze wanden, zalen zonder volk, vloeren onbetrêen, wat welkom hoort hij er dan mijn steen en been? Breng hem mijn groet; nee, komen moet hij niet: hij vindt er droefheid die hij overal ziet. Ontroostbaar, wil ik daar nu sterven gaan; voorgoed ga ik huilend nu van jou vandaan. Allen af |
Derde toneel - Het strijdperk te Coventry De Lord Maarschalk op, en Hertog Aumerle | |
| Maarschalk | Mylord Aumerle, is Harry Herford klaar? |
| Aumerle | Geheel bewapend, hunkert naar het perk. |
| Maarschalk | De Hertog Norfolk, opgeruimd en koen,
wacht enkel op het strijdsein van de klager. Aumerle Dan zijn de strijders klaar, en wachten slechts tot zijne majesteit aanwezig is. Trompetgeschal; de Koning op, met zijn Edelen; als zij gezeten zijn, komt Mowbray, gewapend, op, de aangeklaagde. |
| Richard | Maarschalk, vraag van de strijder, die daar komt,
waarom hij zo gewapend hier verschijnt, vraag hem zijn naam, en neem hem, volgens de orde, de eed af naar de gerechtheid van zijn zaak. |
| Maarschalk | In naam van God en van de koning, spreek:
je naam, en waarom hier in ridderrusting, wie is je weerpartij, wat is je zaak. Spreek waarheid, bij je ridderschap en eed, opdat de hemel en je moed jou bijstaan. |
| Mowbray | Mijn naam is Thomas Mowbrays, Hertog Norfolk,
die hier verschijnt, gebonden door mijn eed (verhoede God, dat die een ridder breekt!), om uit te komen voor mijn woord van trouw aan God, mijn koning en mijn kinderen straks tegenover Hertog Herford, die mij aanklaagt, die ik, met Gods genade en deze arm, verraad bewijzen zal - mijzelf vrijpleitend - aan mijn God, aan mijn koning en aan mij - De trompetten klinken. Bolingbroke op, de aanklager, in volle wapenrusting |
| Richard | Maarschalk, vraag de gewapende ridder ginds
wie dat hij is en waarom hij aldus, in pantsering, krijgsuitrusting, hierheen komt; neem hem formeel, geheel naar onze wet, de eed af der gerechtigheid der zaak. |
| Maarschalk | Wat is jouw naam? En waarom kom jij hier
voor Koning Richard in zijn vorstelijk perk? Tegen wie verschijn jij? En ik welke zaak? Spreek als een waar ridder; zo help' jou de hemel! |
| Bolingbroke | Harry van Herford, Lancaster en Derby
ben ik, en ik sta gewapend hier bereid, met Gods genade en mijn kracht, in het perk hier Thomas Mowbray, Hertog van Norfolk, te staven als verrader vuig en vuil van God in de hemel, Richard, en van mij - Zo waar mijn strijd gerecht is, help’ mij de hemel! |
| Maarschalk | Op straf des doods zij niemand zo vermetel
of roekeloos, dat hij het perk betreedt, de maarschalk uitgezonderd en de mannen die dit grootse gebeuren regelen gaan. |
| Bolingbroke | Lord Maarschalk, laat mij knielen voor mijn vorst,
en zijne Majesteit de hand kussen; want Mowbray en ikzelf zijn als twee mannen, verplicht een lange pelgrimstocht te maken; laat ons daarom nu plechtig afscheid nemen, onze vrienden hartelijk omhelzen. |
| Maarschalk | Eerbiedig groet de klager uwe hoogheid,
en smeekt ten afscheid om uw hand te kussen. |
| Richard | Wij komen af, en willen hem omarmen.
Neef Herford, is jouw zaak hier zeer gerecht, dan veel geluk in dit vorstengevecht! Vaarwel, mijn bloed; als je het vandaag vergiet, dan treuren wij, maar wreken jouw dood niet. |
| Bolingbroke | Geen nobel oog misbruike om mij een traan,
als Mowbrays speren mij doorsteken gaan. Zoals de valk koen naar een vogel stoot, vecht ik met Mowbray en vrees ik geen dood. Mijn dierbare heer, ik groet u nu, vaarwel; ook u, mijn waarde neef, mylord Aumerle; niet ziek, al staat mijn leven op het spel, maar opgewekt en jong, gezond en wel. Zoals bij een Engels feestbanket, begroet ik het lekkerst het laatst, dat maakt het einde zoet. O, jij, de aardse schepper van mijn bloed, wiens jeugdig elan, herboren toch in mij, mij met een dubbele kracht de hoogte in tilt dat ik boven mijn hoofd de zege grijp, maak met gebed mijn rusting ondoordringbaar, staal met je zegen de punt van mijn lans, dat zij doordringt in Mowbrays wassen kolder, en als nieuw oppoetst de naam John van Gaunt, ja zeker wel, in zijn zoons dapperheid. |
| Gaunt | God geve je voorspoed in jouw goede zaak;
wees als de weerlicht bij de uitvoering, en laat je slagen, dubbel dubbele kracht, als verlammende donder met een klap op de helm van je schurkenvijand neer. Pep je jeugdig bloed op, wees dapper en leef! |
| Bolingbroke | Mijn onschuld en Sint George geven dat ik niet sneef! |
| Mowbray | Hoe God of het noodlot ook mijn teerling werpt,
hier leeft of sterft, aan Richards troon verpand, een trouw, oprecht en eerlijk edelman. Nooit wierp gevangene met blijder hart zijn ketenen der knechtschap af en groette zijn gulden, bandenloze, vrijheid meer dan dat mijn dansend hart nu vieren gaat dit feest van strijd met mijn gezworen vijand. Grootmachtig vorst, en u, mijn vriendenschaar, ik wens u nog geluk en menig jaar; zo blij en rustig als naar het ridderfeest ga ik naar de strijd: oprecht is kalm van geest. |
| Richard | Vaarwel dan nu, mylord; hoe goed lees ik
moed en mannelijkheid samen in jouw blik. Laat het gevecht beginnen, Maarschalk, nu. |
| Maarschalk | Harry van Herford, Lancaster en Derby,
ontvang je lans, en God bescherme het recht. |
| Bolingbroke | Sterk als een toren in hoop, roep ik Amen. |
| Maarschalk | Breng deze lans naar Thomas, Hertog Norfolk. |
| 1e Heraut | Harry van Herford, Lancaster en Derby,
staat hier, voor God, zijn koning en zichzelf, op straf van eerloos en ontrouw te blijken, om Norfolk, Thomas Mowbray, voor verraad te staven voor zijn God, zijn vorst, en hem, en daagt hem tot het tweegevecht hier uit. |
| 2e Heraut | Hier is de Hertog Norfolk, Thomas Mowbray,
op straf van eerloos en ontrouw te blijken, om zich te zuiveren, en Harry van Herford, Lancaster en Derby te doen kennen als trouweloos aan God, zijn vorst, en hem; hij wacht met fiere strijdlust, riddermoed, op het signaal dat er begonnen wordt. |
| Maarschalk | Trompetten, schal, en, strijders, nu vooruit. Trompetsignaal tot de aanval
Halt, wacht! De koning werpt zijn staf omlaag. |
| Richard | Laat hen nu helm en speer ter zijde leggen,
en beiden weer terug gaan naar hun zetel. Kom mee, ter zij; laat de trompetters schallen, tot wij deze hertogen het besluit meedelen. Langdurig trompetgeschal. Kom hier, hoor wat besloten is in onze raad. Dat de aarde van ons rijk niet wordt bevlekt met het dierbaar bloed dat zij heeft grootgebracht; en daar ons oog de gruwel van wonden haat door het zwaard van buren open getrokken, en daar wij menen, dat de adelaarsvlucht van hoogvliegen en eerzucht naar nog meer, met haat en nijd om rivalen, u dreef de vrede te wekken, die in Engelands wieg zoet ligt te slapen, als een lief baby’tje; die, opgeschrikt door heftig tromgeraas en vreselijk schril geschetter van trompetten, mèt het kletteren van grimmig wapenstaal vredige rust wegjaagt uit ons gebied en ons doet waden in het bloed van onze broers - daarom verbannen wij u uit ons rijk. Tot tweemaal toe vijf zomers het land verrijken, zult u, neef Herford, op straffe des doods, dit schoon gebied van ons niet meer begroeten, maar in den vreemde het pad verbanning treden. Bolingbroke Uw wens gebeurt; dat dit mij tot troost zij: de zon die u hier verwarmt, schijnt ook op mij, en al het goud waarmee zij u omgloort richt zich ook op mij, verguldt mijn ballingsoord. |
| Richard | Jou, Norfolk, wacht nog een veel zwaarder vonnis,
dat ik uitspreek met een zekere tegenzin. Geen traag, langzaam uur voltooit voor jou ooit de eindeloosheid van verbannen zijn; het hopeloze ‘kom hier nooit meer terug’ spreek ik uit tegen jou, op straf van leven. |
| Mowbray | Een heel zwaar vonnis, hoge vorst en heer,
en uit uw hoogheids mond geheel onverwacht; iets van meer waarde, en niet zo’n diepe wond dat u mij in de wijde wereld stoot, had ik onder uw hoogheids hand verdiend. Ik zal afstand van het Engels moeten doen, mijn moedertaal, al veertig jaren lang; nu is mijn tong en taal zo nutteloos als zonder snaren een gamba of een harp, een kunstig instrument in een foedraal - of, open, in de handen van een persoon die er geen harmonie aan kan ontlokken. U heeft mijn tong gekerkerd in mijn mond, met tanden en lippen als een dubbele valpoort, en afgestompte, barse onwetendheid is nu als mijn bewaker aangesteld. Ik ben te oud voor kindermeisjesknuffels, te rijp van jaren voor terug naar de klas: wat is jouw vonnis dan een stomme dood, waar het mijn tong mijn moedertaal verbood? |
| Richard | Zo zielig doen heeft hier geen enkele baat:
nu, na ons vonnis, komt beklag te laat. |
| Mowbray | Ik keer mij van het licht weg van mijn land; mij wacht
het droeve floers van eindeloze nacht. |
| Richard | Wacht even, jij, en ga weg met een eed.
Leg, beiden, uw hand, verbannen, op ons zwaard, zweer bij uw woord van trouw, aan God verschuldigd - ons recht op trouw verbannen wij met u -, dat u een eed zult houden die wij eisen: dat u, zo waar helpe u waarheid en God, elkaar, verbannen, nooit in liefde ontmoet, en nooit elkaars gezicht aanschouwen zult, en nooit zult schrijven, groeten, of de storm bezweren van de hier geboren wrok, en nooit met voorbedachten rade samen spannen in complot, vol van kwaad beraamd tegen ons, het land, de staat, onze onderdanen. Bolingbroke Dat zweer ik. |
| Mowbray | En ik, dat ik dit alles houd. |
| Bolingbroke | Norfolk, nog even voor mijn vijand dit:
had ons de koning het vergund, dan zwierf nu één van onze zielen door de lucht, verbannen uit dit broze graf, ons vlees, zoals ons vlees verbannen is uit dit land - biecht je verraad op, vóór je het rijk ontvlucht; je moet nog ver: dan sleep de loden last van schuld niet mee die jouw ziel zo bezwaart. |
| Mowbray | Nee, Bolingbroke, heb ik ooit verraad gepleegd,
dan schrap mijn naam gelijk uit het boek des levens, en ban mij uit de hemel, zoals van hier. Maar wat jij bent, weet God, jijzelf en ik, en weldra, vrees ik, krijgt de koning spijt. Vaarwel, mijn vorst. Ik weet waar mijn weg mij leidt: behalve terug naar Engeland, wereldwijd. Af |
| Richard | Juist in de spiegels van jouw ogen, oom,
zie ik je hart bezwaard. Jouw droeve blik heeft hem het aantal ballingsjaren al verminderd met vier. [Tot Bolingbroke] Zes winters vol ijs, en kom terug thuis van je verbanningsreis. |
| Bolingbroke | Hoe lang ligt er niet in één enkel woord!
Vier speelse lentes en vier winters traag verwaaid in de wind door een koningsvraag. |
| Gaunt | Ik dank mijn vorst, dat hij om mijnentwil
mijn zoons verbanning met vier jaar bekort, maar ik oogst daar maar weinig voordeel van: vóór de zes jaren die hij heeft te gaan rond zijn, en hun manen gewisseld hebben, is mijn lampolie droog, vreet tijd licht kracht, doof ik door ouderdom en eeuwige nacht; op zal het stompje kaars zijn, lang voordien, geblinddoekt laat Dood mij mijn zoon niet zien. |
| Richard | Maar, oom, je hebt nog menig jaar te leven. |
| Gaunt | Vorst, geen seconde, die jij mij kunt geven:
jij kunt mijn dagen korten met verdriet, mij een nacht roven, maar een ochtend schenken niet; door jou wordt ik straks nog rimpeliger en oud, hoewel jij geen tijdrimpels tegenhoudt; jouw woord voor mijn dood is tijd harde munt, hoewel jij mij, dood, niet terugkopen kunt. |
| Richard | Verbannen werd jouw zoon na rijp beraad,
met ook jouw stem in het oordeel van de groep: wat wil je je dan tegen ons vonnis keren? |
| Gaunt | Iets dat zoet smaakt blijkt bitter bij het verteren.
U wou per se mijn oordeel; had mij dan gevraagd: wat vind jij er als vader van? Was het een vreemde, niet mijn kind geweest, dan had ik gesproken met een mildere geest. Ik wou laster voor zijn van partijdigheid: zie hoe die raad mij naar mijn einde leidt. Ik verwachtte al dat iemand zeggen zou, dat ik een kind te streng verbannen wou; maar u liet toe, dat mijn onwillige tong tegen mijn wil mij tot zelfkwelling dwong. |
| Richard | Tot ziens, neef - oom, hij moet nu hier vandaan;
zes jaar is hij verbannen; laat hem gaan! Trompetgeschal. Koning Richard af en gevolg |
| Aumerle | Tot ziens; wat niet gezegd kan worden, hier,
vertrouw dat waar u bent toe aan papier. |
| Maarschalk | Mylord, ik neem geen afscheid; zo ver mij
het land het toelaat, rij ik aan uw zij. |
| Gaunt | Met welk doel spaart je al je woorden op,
dat jij je vrienden niet op jouw beurt groet? Bolingbroke Ik heb er te weinig om van u te scheiden, waarbij de tong zich uit zou moeten putten om lucht te geven aan het hartenleed. |
| Gaunt | Jouw smart is slechts even ver van hier te zijn. |
| Bolingbroke | Is vreugde ver, dan is dat even pijn. |
| Gaunt | Wat is zes winters nou? Toch zo voorbij - |
| Bolingbroke | Voor wie het leuk vindt; smart maakt één uur tien. |
| Gaunt | Noem het een reis, die men maakt voor het plezier. |
| Bolingbroke | Mijn hart zal zuchten, als ik het zo noem;
het vindt dit een verplichte pelgrimstocht. |
| Gaunt | De sombere voortgang, jouw vermoeide pas
zij jou een achtergrond, waarop jij ooit het kostbaar kleinood van jouw thuiskomst zet. |
| Bolingbroke | Ach, veeleer zal mij iedere trage stap
eraan herinneren hoever ik zwerf van de juwelen waar ik zo van hou. Moet ik geen lange leertijd doormaken in den vreemde, om dan, uiteindelijk, als ik klaar ben, mij erop voor te staan, dat ik het vak geleerd hem van het leed? |
| Gaunt | Geen plek die het oog des hemels steeds bezoekt
of ze is voor wijzen een haven van geluk. Leer uw nood toch om alles zo te zien - de grootste deugd in het leven is de nood. De koning heeft jou niet verbannen, maar jij de koning. Zwaarder drukt het leed, als het zwakheid merkt bij wie het dragen moet. Ga, zeg dat ik je stuurde om eer te behalen, en niet dat je verbannen bent; beeld je in, dat onze lucht vol pest hangt die verzwelgt, en jij wegvlucht naar een zuiverder klimaat. Al wat jouw ziel je lief is, denk maar, ligt daar waar jij heengaat, niet vanwaar jij komt. Beschouw de zangvogels als muzikanten, het gras waarop je loopt de biezen feestzaal, de bloemen schone dames, en je gang de rustige passen van een statige dans; want leed dat knaagt bijt eigenlijk zonder kracht voor wie niet klaagt maar er gewoon om lacht. |
| Bolingbroke | Wie houdt er in zijn handen hevig vuur,
door het denken aan de kille Kaukasus? Of wie verzadigt uitgehongerd zijn door enkel maar een feestmaal-fantasie? Wie wentelt zich naakt in decembersneeuw door zich de zomerhitte voor te stellen? O, nee, alleen al het denken aan het goede doet ons het ergere nog beter voelen. De scherpe tand van leed maakt wonden slecht als hij wel bijt maar niets diep open legt. |
| Gaunt | Kom mee, mijn zoon, ik breng je hier vandaan;
had ik jouw jeugd, dan was ik al lang gegaan. |
| Bolingbroke | Engeland, vaarwel; tot ziens, geliefde grond;
moeder en voedster die mij nu nog draagt. Hoe ver ook, het is met trots dat ik zeggen kan: verbannen, maar een waarlijk Engelsman. Allen af |
Vierde toneel - Het Hof De Koning op, met Bagot en Greene, aan de ene kant; de Lord Aumerle, aan de andere kant. | |
| Richard | Het is ons niet ontgaan. Mijn neef Aumerle,
hoe ver bracht u de grote Herford weg? |
| Aumerle | De grote Herford, als u hem zo noemt,
heb ik weggebracht tot aan de grote weg. |
| Richard | En hoeveel afscheidstranen rolden er? |
| Aumerle | Wat mij betreft geen, - de noordoosten wind,
die ons daar guur in het gezicht blies, maakte slapend vocht in ons wakker, en zo kwam het, dat het hol afscheid nog wat werd door een traan. |
| Richard | Wat zei onze neef toen u afscheid nam? |
| Aumerle | ‘Vaarwel’-
en omdat mijn hart niet wou, dat mijn tong dat woord ontwijden zou, leerde mij list bedruktheid voor te wenden door zo’n leed dat woorden mee in het graf leken van smart. Ja, als ‘Vaarwel’ zijn uren had gerekt, en jaren had toegevoegd aan zijn verbanning, dan had hij een boek gekregen vol Vaarwels; maar omdat het toch niet hielp, gaf ik er geen. |
| Richard | Hij is onze neef, neef, maar ik twijfel echt,
of, als de tijd hem uit verbanning thuis roept, die bloedverwant van ons zijn vrienden groet. Wijzelf en Bushy, wij zagen hoe hij het volk voor zich gewon, hoe het leek alsof hij in hun harten dook met nederige en vertrouwde minzaamheid; hoe hij aan knechten zijn verering schonk, arm werkvolk paaide met zijn liefste lach en het met geduld verduren van zijn lot, als wou hij hun liefde mee verbannen zien. Zijn muts gaat af voor een oestervrouw; een koppel voerlui roept: ‘God zij met u’, en buigzaam bracht hij hen hulde op zijn knie, met ‘Landgenoten, beste vrienden, dank’- als was ons Engeland zijn geboorterecht, en hij, na ons, de hoop van onze burgers. |
| Greene | Wel, hij is weg; en met hem dat probleem.
Nu de rebellen die in Ierland klaar staan. Dit dient zeer snel geregeld, soeverein, vóór nog meer tijd hun nog meer kansen geeft tot hun profijt en tot verlies van u. |
| Richard | Wij gaan die oorlog voeren in persoon;
daar onze schatkist, door ons grote hof en het groots onthaal, wat licht geworden is, zijn wij genoopt ons rijk in pacht te geven, zodat de opbrengst het ons mogelijk maakt te doen wat vóór ons ligt. Is er nog tekort, laat onze plaatsvervangers dan iedereen die ze als vermogend kennen voor veel goud inschrijven op de blanco volmachten, en ons nasturen wat er nog ontbreekt; want dadelijk trekken wij naar Ierland op. Bushy op Bushy, wat is het nieuws? |
| Bushy | De oude John van Gaunt is ernstig ziek,
ineens, zomaar, en vraagt per ijlbode, of uwe Majesteit hem komt bezoeken. |
| Richard | Waar ligt hij dan? |
| Bushy | In Ely-hof. |
| Richard | Brengt U, toch, God, zijn arts op het idee,
hem ogenblikkelijk naar zijn graf te helpen. De voering van zijn koffer maakt de jassen voor onze troepen in dit Iers conflict. Kom, heren, allemaal mee naar hem toe; bid God, dat wij snel zijn, maar toch te laat. |
| Allen | Amen! Allen af |