| Romeo en Juliet
Romeo and Juliet vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
| Proloog | |
| Rei op Rei op Twee huizen die gelijk in aanzien staan - in het mooi Verona, waar dit spelen moet - zetten hun oud geschil tot strijd weer aan, met burgerhanden rood van burgerbloed. Het stel dat uit die beide kampen sproot, wier liefde onder slecht gesternte staat, begraaft hun ouders' vete met de dood, als het zo jammerlijk ten onder gaat. De trieste loop van hun gedoemde min, het voortslepen van ouderlijke nijd, die slechts in hùn eind vond een nieuw begin: daaraan wordt hier twee uur toneel gewijd. Luister geduldig, en geef ons een kans: ons spel geeft wat verkeerd gaat toch nog glans. Rei af | |
|
eerste toneel | |
|
Sampson en Gregorius - Capuletten - op, met zwaard en schild gewapend. | |
| Sampson | Zeg, Gregor, we laten niet met ons sollen. |
| Gregorius | Nee, we zijn toch geen sullen. |
| Sampson | We zullen ons zwaard trekken, als we boos zijn. |
| Gregorius | Trek uw hoofd maar terug, als u leven wilt. |
| Sampson | Als ik een keer aan de gang ben, sla ik er op los. |
| Gregorius | Maar voor dat jij eens aan de gang bent! |
| Sampson | Een hond uit het Huis van Montague is genoeg om mij aan de gang te krijgen. |
| Gregorius | Aan de gang gaan is bewegen, wie dapper is blijft staan: dus als jij beweegt dan ren je weg. |
| Sampson | Een hond uit dat Huis brengt mij tot stand. Mannetje of vrouwtje, dat hele zwikje Montagues kan me de rug op. |
| Gregorius | Dus ben je maar een zwakke slaaf, want de zwakken vallen het eerst. |
| Sampson | Ja, en daarom vallen die vrouwtje ook zo gauw; ik stoot die mannen opzij, en gooi mijn hele zwikje op de vrouwtjes. |
| Gregorius | De onenigheid is tussen onze meesters en tussen ons, hun knechten. |
| Sampson | Maakt niet uit. Ik zal laten zien dat ik een tiran ben: als ik met de mannen gevochten heb, zal ik lief zijn voor het meisje: het hoofdje gaat eraf. |
| Gregorius | Verliest ze 't hoofd? |
| Sampson | Het hoofdje of 't vlies, neem het maar zoals je wilt. |
| Gregorius | Ze moeten het goed opnemen om het te voelen. |
| Sampson | Nou, die van mij zullen ze voelen zo lang ik kan staan, en je weet dat is een flink stukje vlees. |
| Gregorius | Maar goed dat je geen vis bent; je zou een slappe kabeljauw geweest zijn. Trek je geval - daar komen er twee van de Montagues. |
| Er komen twee dienaren op [Abraham en Balthasar] | |
| Sampson | Mijn wapen is ontbloot. Zoek maar ruzie, ik sta achter je. |
| Gregorius | Zeker achter mijn rug weglopen, hè? |
| Sampson | Niet bang zijn. |
| Gregorius | Nou nog mooier. Ik bang voor jou! |
| Sampson | Laten we de wet aan onze kant houden. Laten zij maar beginnen. |
| Gregorius | Ik zal woedend kijken als ik voorbij ga, dan kunnen ze reageren zoals ze willen. |
| Sampson | Nee, zoals ze durven. Ik zal mijn duim bijten; als ze dat pakken zijn ze niets waard. |
| Abraham | Bijt u uw duim tegen ons, meneer? |
| Sampson | Ik bijt mijn duim, meneer. |
| Abraham | Bijt u uw duim tegen ons, meneer? |
| Sampson | Is de wet aan onze kant als ik ja zeg? |
| Gregorius | Nee. |
| Sampson | Nee, meneer, ik bijt mijn duim niet tegen u, heer, maar ik bijt mijn tong, meneer. |
| Gregorius | Zoekt u ruzie, meneer? |
| Abraham | Ruzie, meneer? Nee, meneer. |
| Sampson | Als u ruzie zoekt, meneer, ben ik uw man. Ik dien een even goede heer als u. |
| Abraham | Geen betere. |
| Sampson | Nou, meneer. |
| Benvolio op | |
| Gregorius | Zeg maar 'een betere', daar komt een neef van mijn meester. |
| Sampson | Ja, een betere, meneer. |
| Abraham | U liegt. |
| Sampson | Trek uw zwaard, als jullie mannen bent. Gregorius, denk aan je machtige klap. |
| Ze vechten | |
| Benvolio | Uit elkaar, gekken, stop die zwaarden terug, jullie weten niet wat je doet. |
| Tybalt op | |
| Tybalt | Wat! Vecht jij tussen al dat laffe volk?
Draai je om, Benvolio, oog in oog met dood. |
| Benvolio | Ik wil slechts vrede stichten; weg daarmee,
Of help, dat volk moet uit elkaar, en gauw. |
| Tybalt | Trek jij je zwaard en wil jij dan toch vree?
Ik haat dat woord, de Montagues en jou: Kom op, lafaard. |
|
Ze vechten
Drie of vier inwoners van de stad op met knuppels en lansen | |
| Burgers | Knuppels, hellebaarden, lansen! Erop! Sla ze neer! Weg met de Capulets! Weg met de Montagues! |
| De oude Capulet op in zijn lange kamerjas, en Gravin Capulet. | |
| Capulet | Wat is dit voor lawaai? Geef me mijn zwaard!
Gravin Capulet Een kruk, een kruk! Wat roept u om een zwaard? |
| De oude Montague op, en Gravin Montague | |
| Capulet | Mijn zwaard, zeg ik. Hier is de oude Montague,
hij heft zijn kling omhoog en spot met mij. |
| Montague | Vervloekte Capulet. Los, laat me, zeg. |
| Gravin Montague | Geen stap verder; blijf van je vijand weg. |
| Vorst Escalus op, met zijn gevolg | |
| Vorst | Opstandig volk, dat onze vrede breekt,
dat het staal met buurmans bloed ontheiligt; stop - Waarom luistert men niet. Beesten, houd op, die het vuur van uw verderfelijke toorn blust met het purper gutsen van uw bloed; op straffe van tortuur, werp uit uw hand en op de grond uw wapens zo misbruikt, en hoor het vonnis van uw toornig vorst. Jij, oude Capulet, jij, Montague, driemaal heeft jullie twist ertoe geleid dat oproer onze rustige stad verstoort, dat in Verona het bezadigd volk het stemmig-statig kleed heeft afgelegd, in de oude hand neemt de oude partizaan, - doorleefde vree tegen doortrapte haat. Als jullie ooit de straten weer verstoort, betaalt u met uw dood die vredebreuk. Ga deze keer nu allemaal uws weegs; u, Capulet, moet even met mij mee; komt u stràks, Montague, naar het prinsenhof - daar nemen wij gewoonlijk een besluit - , dan hoort u hoe ons woord in deze luidt. Nogmaals, op straf des doods, ga allen heen. |
| Allen af, behalve Montague, Gravin Montague en Benvolio | |
| Montague | Wie gaf die oude vete weer nieuw vuur?
Spreek, neef, was u erbij toen het begon? |
| Benvolio | Al voor ik kwam, was er een fel gevecht
tussen uw eigen en uw vijands volk. Ik trok mijn zwaard om ze te scheiden; toen verscheen vuurvreter Tybalt, zijn zwaard hoog, dat hij, mij tartend met zijn bol gepraat, rondzwaaide, snijdend door de lucht heen sloeg, die hem fluitend hoonde, hierdoor ongedeerd. Terwijl we samen streden, klap op stoot, kwam er meer volk dat streed aan beider zijde totdat de vorst die beide zijden scheidde. |
| Gravin Montague | Waar is Romeo, ik heb hem vandaag gemist?
Maar goed dat hij er niet was hier bij die twist. |
| Benvolio | Mevrouw, een uur voordat de aangebeden zon
door het gouden venster gluurde daar in de oost, dreef mij mijn onrust even in het veld, en bij een bosje, bij de moerbeiboom, dat hout ten westen van de stad, zag ik, toen ik daar zo vroeg wandelde, uw zoon. Ik liep naar hem toe, maar ja, hij merkte dat, en trok zich haastig terug in het donkere bos. Ik, die zijn stemming aan de mijne mat, - 't liefst daar te zijn waar niemand zoeken zou, zelfs het eigen ik is dan nog veel te veel -, gaf me aan mijn stemming over, hem aan zijn, liet hem graag gaan die mij niet graag wou zien. |
| Montague | Daar ziet men hem 's ochtends vaak de laatste tijd
zijn tranen voegend bij de ochtenddauw en wolk op wolk stapelend met diep gezucht. Maar nauwelijks heeft de vreugdebrenger zon het zwaar voorhang rond Aurora's bed beroerd, of zwaarmoedig ontvlucht hij het licht, mijn zoon, en trekt zich eenzaam op zijn kamer terug; met luiken sluit hij zich voor daglicht af, en hult zich in een zelfgemaakte nacht. Zo'n zwarte stemming doet hem vast veel kwaad, tenzij hij zich in deze raden laat. |
| Benvolio | Maar weet u, nobele oom, dan wat er is? |
| Montague | Ik weet het niet, en hij vertelt ook niets. |
| Benvolio | Heeft u wel doorgevraagd, dat hij iets zegt? |
| Montague | Niet alleen ik, maar andere vrienden ook.
Hij is in eigen hartstocht eigen gids, is voor zichzelf - ja, eerlijk is het woord niet - eerder, gesloten en ondoorgrondelijk, je weet vaak niet goed wat je aan hem hebt zoals het knopje met een kwade worm voor het zijn geurige blaadjes spreiden gaat of al zijn schoonheid toewijdt aan de zon. Als wij de oorzaak kenden van zijn smart, dan haalden wij de pijn zo uit zijn hart. |
| Romeo op | |
| Benvolio | Daar komt hij net. Gaan jullie alstublieft.
Hij zegt mij vast wel wat hem zozeer grieft. |
| Montague | Vraag door, dan krijg je hopelijk gedaan,
dat hij jou alles opbiecht. Kom, we gaan. |
| Montague en Gravin Montague af | |
| Benvolio | Goede morgen, neef. |
| Romeo | Is het nog maar zo vroeg? |
| Benvolio | Het slaat net negen. |
| Romeo | Smart duurt lang genoeg.
Was dat mijn vader, die zo snel verdween? |
| Benvolio | Ja, Romeo. Welk leed rekt jouw uren zo? |
| Romeo | Dat ik niet heb wat ze verkorten zou. |
| Benvolio | Verliefd? |
| Romeo | Verre van. |
| Benvolio | Verre van verliefd? |
| Romeo | Ver van de gunst van haar die ik bemin. |
| Benvolio | Ach, dat de liefdegod, zo zacht in schijn,
in de praktijk zo hard en wreed moet zijn! |
| Romeo | Ach, dat de liefdegod, blind, naar men zegt,
toch wegen ziet en ons zijn wil oplegt! Waar eten wij? Wat was hier voor 'n gevecht? Zeg toch maar niets, ik heb alles al gehoord. Veel meer dan haat, schudt liefde ons door elkaar. Waarom, twistzieke liefde, en liefste haat, O, chaos uit het eerst geschapen niets. Gewichtige lichtheid, zware ledigheid, wanstaltige chaos van schoonschijne vorm. Een veer van lood, lichtrook, koud vuur, kracht krank, steeds wakkere slaap, die niet is wat hij is, onwezenlijke slaap, rust vol gewoel. Die liefde voel ik, maar ik baal van dat gevoel. Lach je nou niet? |
| Benvolio | Het zijn eerder tranen, neef. |
| Romeo | Maar man, waarom? |
| Benvolio | Om jouw gevoel van smart. |
| Romeo | De liefde is nu eenmaal hard.
Mijn eigen leed drukt zwaar op mijn gemoed, met meer van jouw erbij wordt het gevoed, vermeert het zich. Jij toont je een echte vriend, wat mijn groots leed slechts tot vermeerdering dient. Liefde is een nevel door de min verzucht; gezuiverd, het fonkelen dat het oog ontvlucht; gekweld, een zee met minnetraan gevuld; En wat nog meer? Verdwazing bij verstand, verstikkend bitter, heilend zoet verband. Vaarwel nu, neef. |
| Benvolio | Maar ik laat u zo niet gaan.
Het is onterecht, als u mij hier laat staan. |
| Romeo | Ik ben mijzelf kwijt, wat je voor je ziet
is ergens anders, ik ben Romeo niet. |
| Benvolio | Zeg me eens echt, wie is het die jij bemint? |
| Romeo | Moet ik dan zuchten en het je vertellen? |
| Benvolio | Je hoeft niet te kreunen; gewoon, eerlijk. |
| Romeo | Vraagt men een zieke naar zijn testament?
Hij schrikt zich werkelijk dood, de arme vent. In ernst, nu, neef, ik heb een meisje lief. |
| Benvolio | Ik schoot wel raak, toen ik aan verliefdheid dacht. |
| Romeo | Een goede schutter; en mijn lief is mooi. |
| Benvolio | Een prachtig doelwit is zo'n mooi figuur. |
| Romeo | Nou schiet je toch echt mis; Cupido's vuur
en pijl raakt haar niet, met Diaans natuur; een sterk kuisheidskuras beschut haar pracht, en geeft dat kinderboogje op haar geen macht. Ze onttrekt zich aan het beleg van lange min, aan het heftig treffen van de ogenstrijd, zij sluit haar schoot voor goud dat heiligen won. O, zij is rijk in schoonheid; maar hoe arm wanneer zij sterft: dan sterft haar schoon om niet. |
| Benvolio | Zweert zij soms dat ze eeuwig kuis zal zijn? |
| Romeo | Zo sparend houdt ze haar grootste middel klein.
Want schoonheid streng door haar nu omgebracht ontrooft de schoonheid aan het nageslacht. Zij is schoon en te verstandig, dat ze denkt, dat mijn wanhopen haar de hemel brengt. Zij zwoer de liefde af, en in die eed ben ik levend dood, en spreek ik van mijn leed. |
| Benvolio | Dan luister: denk niet meer aan haar. |
| Romeo | Leer mij hoe dat ik niet meer aan haar denk. |
| Benvolio | Geef toch je ogen weer de vrijheid terug:
dan zoeken ze ander schoon. |
| Romeo | Juist dan roep ik
haar uitgelezen schoon weer voor de geest; Het gelukkig masker kust een blanke huid, en ik weet hoe het zwart het schoon verbergt. Wie plotseling is verblind vergeet toch nooit de kostbare schat van het licht dat hij verloor. Toon mij een schoonheid die haar overtreft; waartoe dient dat schoon anders dan een schrift waar ik lees hoe zij de uitgelezenste is. Mij leer je niet hoe ik ooit vergeten moet. |
| Benvolio | Ik blijf het proberen, desnoods tot mijn dood. |
|
Af
| |
Tweede toneel | |
Capulet, Paris en een dienaar op | |
| Capulet | Hetzelfde als ik heeft Montague gehoord;
hetzelfde dreigt; voor ouderen zoals wij is vrede te bewaren toch geen punt. |
| Paris | U beiden staat bekend om waardigheid,
jammer dat u al zo lang in onmin leeft. Wat vindt u, echter, van mijn aanzoek, heer? |
| Capulet | Ik zeg nog steeds wat ik al eerder zei.
Dat kind van mij is nog wat wereldvreemd. Ze is de veertien jaar nog niet voorbij, laat nog twee zomers sterven in hun pracht, tot ik haar rijper voor het huwelijk acht. |
| Paris | Er zijn veel jongere moeders met een kind. |
| Capulet | Zo vroeg getrouwd maakt vaak een treurend kind.
Verzwolgen heeft de aarde al mijn hoop: In haar ligt al mijn hoop op rijpe vrucht. Maak haar het hof, vriend Paris, win haar hart, mijn wens is bij haar ja-woord slechts een part; als zij toestemt, dan ligt in zekere zin ook mijn 'ja' vast en stem ik gaarne in. Naar oud gebruik is er straks een festijn, waar heel wat gasten uitgenodigd zijn die mij zeer dierbaar zijn. U evenzeer. Wees welkom, want u maakt van velen meer. En u ziet in mijn huisje straks wellicht door aardse sterren het hemelduister licht. Het genot van het jongvolk, dat maar danst en host, wanneer April zo schitterend uitgedost de kreupele winter wegjaagt, zulk een vreugd bij bloempjes pas ontluikend en bij jeugd is straks uw deel. Luister en kijk, mijn vriend, en min haar het meest, die het meest uw min verdient. Bij zoveel schoons valt u wellicht voor een, mijn dochter, ook al telt die nog voor geen. Kom met mij mee. [Tot een dienaar] Zeg, man, neem dit papier, haast je door de stad, haal de mensen hier, wier namen staan vermeld, en zeg dat zij van harte welkom zijn op het feest bij mij. |
| Capulet en Paris af | |
| Dienaar | Zo, dus ik moet me haasten naar die mensen die hier opgeschreven staan. Er staat geschreven, dat de schoenmaker bezig moet zijn met zijn el, de kleermaker met zijn leest, de visser met zijn potlood, en de schilder met zijn netten, maar ik moet zonodig de mensen vinden die hier opstaan, maar ik moet toch eerst uitvinden welke namen hier opgeschreven staan. Daar moet ik geleerde lui voor hebben. God, dat treft.
Benvolio Kom, vriend, het ene vuur kan het andere doven, de ene pijn neemt af door een anders smarten; een tegendraai komt duizeling te boven. Een anders lijden heelt wanhopige harten; Besmet je ogen met een nieuwe pijn, en het bijtend vroeger zeer zal over zijn. |
| Romeo | Dat weegbreeblad van u is daar goed voor. |
| Benvolio | Waarvoor? |
| Romeo | Voor een scheenbeen dat gebroken is. |
| Benvolio | Maar, Romeo, ben jij soms gek? |
| Romeo | Niet gek, maar meer gebonden dan een gek:
gekerkerd, uitgehongerd en gekweld, gegeseld en - goedenavond, jongeman. |
| Dienaar | Ook zo, meneer. Kunt u lezen, meneer? |
| Romeo | In mijn ellende lees ik heel mijn lot. |
| Dienaar | Dan heeft u het misschien zonder boek geleerd. Maar, alstublieft, kunt u ook lezen wat u geschreven ziet? |
| Romeo | Als ik de letters ken, ja, en de taal. |
| Dienaar | Dat heeft u goed gezegd; tot ziens, meneer. |
| Romeo | Wacht even, kerel, ik kan wel lezen. |
| Hij leest het dubbelgevouwen papier | |
| De heer Martino en zijn vrouw en dochters;
Graaf Anselm en zijn wonderschone zusters; Mevrouw de weduwe Otrivio; de heer Placentio en zijn lieve nichtjes; Mercutio en zijn broeder Valentijn; mijn oom, met vrouw en dochters, Capulet; mijn nichtje Rosaline, en Livia; de heer Valentio en zijn neefje Tybalt; Lucio, de schitterende Helena. Een schoon gezelschap. Waar gaat dat naar toe? | |
| Dienaar | Naar boven. |
| Romeo | Waar gaan ze eten? |
| Dienaar | In ons huis. |
| Romeo | Wie zijn huis? |
| Dienaar | Van mijn meester. |
| Romeo | Dat is waar, zoiets vraagt men het eerst. |
| Dienaar | Ik zal het u zeggen, zonder dat u vraagt: mijn meester is de grote, rijke Capulet, en als u nou maar niet van het huis Montague bent, dan mag u gerust komen om een glaasje wijn achterover te slaan. Heren, tot ziens. |
| Af | |
| Benvolio | Op het feestmaal van de Capulets komt ook
de mooie Rosaline, die u zo mint, met al Verona's hoog geroemde schoon. Ga toch, en vergelijk met helder oog haar met anderen; ik wijs ze wel aan. Dan denk je vast, het is maar een kraai, mijn zwaan. |
| Romeo | Wanneer mijn oog, zo vol van heilige plicht,
zo ketters blijkt, dan, tranen, word tot vuur, dan, vaak verzwolgen, nooit gedood, te licht bevonden afvallige, brand uw laatste uur. Een, mooier dan mijn min! Alziener zon zag nooit iets mooiers sinds de aard begon. |
| Benvolio | U ziet alleen maar haar, en dus, allicht,
vormt zij zelf in uw oog haar tegenwicht. Maar leg in de andere kristallen schaal tegen uw allerliefste eens ditmaal een schoonheid die ik u straks bewonderen laat, dan zakt wie het hoogst schijnt nu tot middelmaat. |
| Romeo | Ik kom al mee, niet om jouw droom te zien,
maar de verrukking van mijn Rosaline. |
| Af | |
Derde toneel | |
Gravin Capulet en Voedster op Gravin Capulet Voedster, waar is mijn dochter? Roep haar hier. | |
| Voedster | Zo waar ik nog maagd was op mijn twaalfde jaar,
ik heb al geroepen. Kom, lammetje lief. God bewaar me. Waar zit je? Julia! |
| Julia op | |
| Julia | Wat is er toch? Wie roept mij? |
| Voedster | Uw moeder. |
| Julia | Hier ben ik, Mevrouw. Wat is er van uw dienst?
Gravin Capulet Het gaat hierom. Min, een ogenblikje graag, dit is tussen ons twee. Nee, ga toch niet, ik heb me bedacht, luister maar even mee. Jij weet toch dat mijn kind de leeftijd heeft. |
| Voedster | Ik weet tot op het uur hoe oud ze is.
Gravin Capulet Bijna veertien. |
| Voedster | Ik wed veertien tanden, dat -
O jee, het spijt me, ik heb er maar vier - dat ze geen veertien is. Hoe lang is het nog van 1 augustus af? |
| Gravin Capulet | Twee weken, of zo. |
| Voedster | Dan ongeveer, 't maakt ook niet zoveel uit:
ze is veertien 's avonds voor het Sint Pietersfeest. Suzan en zij - God geve de Christenen rust - die waren even oud. Suzan is bij God; ze was te goed voor mij. Maar zoals ik al zei, ze is veertien 's avonds voor het Sint Pietersfeest. Dat wordt ze, ja; ik weet het nog heel goed. Vanaf de aardbeving is het nou elf jaar, ze kreeg de borst - ja, ik vergeet het nooit - juist op die dag van het jaar, diezelfde dag. Ik had wat alsem op mijn borst gelegd, ik zat in het zonnetje bij het duivenhok. Mijn Heer en u waren naar Mantua - of ik het nog wel goed weet. Zoals ik zei, toen ze de alsem proefde op mijn borst, en het bitter vond, wat was me dat klein ding toch tegendraads, en woedend op mijn borst. Krak! zei de duiventil. Toen hoefden ze mij niet te vragen weg te wezen. En van die tijd af is het al elf jaar. Ze kon al goed alleen staan; bij het kruis, ze waggelde en rende overal heen. De dag ervoor viel ze nog op haar hoofd; mijn man raapte haar op - God hebbe zijn ziel, hij was een grappenmaker - en hij zei: 'Ach, nee, kind, val je nu op je gezicht? Als je straks groot bent, val je op je rug, of niet, mijn Juultje?' Bij mijn scapulier, het kind hield op met huilen en zei: 'Ja'. En dat dat grapje uit komt, ziet u nu. Ik verzeker u, al word ik duizend jaar, Ik vergeet het nooit. Hij zei: 'Of niet soms, Juul?=, en het schaapje dat hield op, en zei toen: 'Ja'. Gravin Capulet Genoeg hierover, zwijg toch, alsjeblieft. |
| Voedster | Ja, maar ik moet nog steeds lachen, als ik bedenk,
hoe ze toen 'Ja' zei en ophield met geschrei. En toch, en ik lieg niet, had ze op haar hoofd een buil zo groot als het balletje van de haan, echt vreselijk, ze huilde en huilde maar. 'Ach,' zei mijn man, 'nu val je op je gezicht: Als je straks groot bent, val je op je rug, of niet, Juultje?' Ze hield op, en zei 'Ja'. |
| Julia | Houd jij ook maar op, Min; zo kan die wel. |
| Voedster | O, ik ben al klaar. God geve je zijn gena,
jij, liefste baby die ik ooit heb gezoogd. Als ik het nog meemaak jou getrouwd te zien, is alles wat ik wens vervuld. Gravin Capulet Trouwens, dat trouwen is nou net datgeen waarvoor ik kwam. Zeg eens, dochter Julia, hebt u al eens aan het huwelijk gedacht? |
| Julia | Ach, zulk een eer daarover droom ik nooit. |
| Voedster | Een eer. O, was ik niet je enige min,
dan had je, zei ik, die wijsheid van de borst. Gravin Capulet Wel, denk daar nu eens aan. Jongere dan u, en in Verona, vrouwen die men acht, die zijn al moeder. En als ik goed tel, was ik uw moeder ongeveer zo oud als u nou meisje bent. Om kort te gaan: de dappere Paris dingt nu naar uw hand. |
| Voedster | Een man, me jonkvrouw. Vrouwe, zo een man
vind men in heel de wereld - 't is een beeld. Gravin Capulet Verona's zomer kent nooit zulk een bloem. |
| Voedster | Ja, hij is een bloem, hij is werkelijk een bloem.
Gravin Capulet Vindt u, dat u zo'n heer beminnen kunt? Vanavond ziet u hem op ons groot feest. Lees dan het boek van Paris' jong gelaat waar vreugd geschreven staat met schoonheids pen. studeer de lijnen vol van harmonie, hoe elk een ander kracht geeft, sympathie. Zie, hoe wat zijn mooi boek verborgen laat, in het randschift van zijn blik geschreven staat. Dit ongebonden werk, lief om te lezen, mist slechts een band, om waarlijk mooi te wezen. Vis leeft in zee; en zalig hij die vindt, dat innerlijke schoonheid zijn schoon bindt. Zo'n boek wordt door veel ogen het meest genoten: een goud verhaal door goud beslag gesloten. Zo hebt u deel aan alles wat hij heeft, en wint uw min, als u zich aan hem geeft. |
| Voedster | De min maakt meer. De vrouw groeit van de man.
Gravin Capulet Kortom, ziet u zich wel als Paris' vrouw? |
| Julia | Wel zin te zien, of het zien zin maken zou.
Geen pijl schiet mijn oog feller door de lucht dan dat uw wil hem kracht geeft op zijn vlucht. |
| Een dienaar op | |
| Dienaar | Mevrouw, de gasten zijn er, het eten wordt opgediend, u geroepen, de jonkvrouw gevraagd in de zaal, de Min uitgescholden in de keuken, en alles staat op zijn kop. Ik moet onmiddellijk weg om te bedienen, wilt u alstublieft gelijk komen. |
|
Af
Gravin Capulet Kom mee, nu, Julia; de Graaf, die wacht. | |
| Voedster | Na een mooie dag wens ik je een mooiere nacht. |
| Allen af | |
|
Vierde toneel | |
Romeo, Mercutio en Benvolio op, met vijf tot zes anderen, gemaskerden en fakkeldragers. | |
| Romeo | Zal die toespraak onze introductie zijn,
of gaan we zo naar binnen, zonder iets? |
| Benvolio | Al dat soort poeha is maar ouderwets.
Geen Cupido geblinddoekt met een das, met een tartarenboog van bordpapier, de dames vliegen voor zo'n vogelschrik; ook geen proloog, zo half maar uit het hoofd, half nagezegd, als binnenkomertje. Laat die maten ons meten, het is wel goed; we nemen een paar maten mee, en gaan. |
| Romeo | Geef mij een toorts, ik houd niet van gespring.
Ik ben zwaar bedrukt, en draag het liefst het licht. |
| Mercutio | Maar u moet dansen, beste Romeo. |
| Romeo | Nee echt. Die dansschoentjes van jullie zijn
zo lichtbezoold; ik heb een ziel van lood, die mij zo lam legt, ik kom niet van de grond. |
| Mercutio | U bent verliefd, leen Cupido zijn wiek,
ontstijg hoog alle grenzen van gewoon. |
| Romeo | Te zeer heeft zijn schacht mij in het hart geraakt,
dat ik met zijn veren vloog; zo bindt hij mij, dat ik niet op kan tegen mijn zwaar leed; want liefdes zware last drukt mij terneer. |
| Mercutio | Ja, als u doordrukt, bent u liefde een last -
zo'n zacht, klein ding, en dat zo onder druk. |
| Romeo | Is liefde een zacht, klein ding? Zij is te ruw,
te grof, te wild, en, o, ze pikt als doorns. |
| Mercutio | Is liefde ruw met u, wees ruw met haar;
pik, als zij pikt, dan krijgt u liefde klein. Geef me eens een mombakkes voor mijn gezicht, een masker voor een masker. Het maakt me niets, al ziet een scheel oog mijn wanstaltigheid, de zware wenkbrauwen, de rode blos. |
| Benvolio | Nou, kloppen en naar binnen, en daarna
van iedereen het betere benenwerk. |
| Romeo | Geef mij maar een toorts. Laat zotten, licht van hart,
de dode biezen kietelen op de vloer; het is, zoals je ouwe opa zegt: ik ben de kandelaar, die het wel bekijkt. Nog nooit zo goed gespeeld, maar ik ben op. |
| Mercutio | Hop zei de muis, zoals de nachtwacht zei.
Als jij het moe bent, trekken we je uit het slijk, - pardon - liefde, waar je tot over je oren te diep inzit. Schiet op, het licht brandt zomaar! |
| Romeo | Dat is niet waar. |
| Mercutio | Wie treuzelt, niets vermag,
verspilt licht licht, steekt licht aan overdag. Wij menen het goed, neem het in de juiste zin; veel meer dan in vijf zinnen zit erin. |
| Romeo | Wij menen het goed met heel dit maskerspel,
maar heeft 't wel zin? |
| Mercutio | Waarom niet? Ik meen van wel. |
| Romeo | Ik heb gedroomd. |
| Mercutio | Ik ook, met de ogen dicht. |
| Romeo | En wat hebt u gedroomd? |
| Mercutio | Wie droomt liegt licht. |
| Romeo | Allicht, in bed droomt men de waarheid het meest. |
| Mercutio | Dan is Vrouw Mab vast bij u langs geweest,
de vroedvrouw onder feeën, en zij is van vorm niet groter dan een zeeagaat die een schepen altijd aan zijn vinger draagt; getrokken door een minuscuul gespan rijdt ze over mensenneuzen in hun slaap. Haar rijtuig is een lege hazelnoot, - gemaakt door Meester Eekhoorn of Baas Worm, de feeënwagenmakers van oudsher - ; haar spaken poten van de langpootmug, van sprinkhaanvleugels is haar huif gemaakt, haar strengen van het dunste spinnenweb, haar haam van waterbleke manestraal, haar zweep van krekelbot, een herfstdraadkoord, haar voerman is een grijsgejaste mug, niet half zo groot als het wormpje rond, dat zich in luie meisjesvingers heeft gewurmd; en met die staatsie zoekt zij nacht na nacht het brein van minnaars, dat dan droomt van min; een knie aan het hof, die dan droomt van veel gunst, de arm van het recht, die dan droomt van gewin, de mond van een meisje, dat dan droomt van kus, die de boze Mab dan met blaren plaagt, omdat haar slechte adem snoep verraadt. Soms draaft ze over een hovelingenneus, die dan denkt dat hij een verzoekschrift ruikt; soms heeft ze het staartje van een tiende-big, en kietelt dan de dominee in zijn slaap; die droomt dan dadelijk van een rijkere kerk. Soms draaft ze op de hals van een soldaat, die droomt dan dat hij een vreemde keel doorsnijdt, van bressen, hinderlagen, een Spaans zwaard, van drinken, vijf vaam diep; en dan gelijk van trommels in zijn oor: hij is wakker, schrikt, en, bang, vloekt hij een schietgebed of twee en slaapt weer in. Dit is diezelfde Mab, die 's nachts het paardenhaar tot vlechten strikt en het haar van vuile slonzen aaneen koekt, en dat brengt, als het ontward is, ongeluk. Dit is de heks, die het meisje, op haar rug, naar onder drukt, en haar het torsen leert, zodat ze later, welgeschapen, draagt. Zij is het die - |
| Romeo | Stil, stil, Mercutio, stil.
Jij praat van niets. |
| Mercutio | Ik praat van dromen, ja,
de kinderen van een speels en ledig brein, verwekt door niets dan ijdele fantasie, die in wezen net zo dun is als de lucht en wispelturiger dan wind, die soms de ijzige boezem van het noorden streelt en dan weer daarvandaan met kwaaie kop wegstormt naar 't zuiden en naar druppels dauw. |
| Benvolio | Die wind van u blaast ons flink uit de koers:
het eten is voorbij; we zijn te laat. |
| Romeo | Ik ben bang, te vroeg; ik heb zo'n voorgevoel:
een onheil dat nog in de sterren zweeft begint vanavond met dit grote feest aan zijn termijn, en daarmee is bepaald dat dit, het waardeloos leven in mijn borst, met mijn vroegtijdige dood vervallen zal. Dat Hij die het stuurrad vasthoudt van mijn koers mijn zeilen richt. Kom, vrienden van de lol. |
| Benvolio | Sla op de trom. |
| Allen af | |
Vijfde toneel | |
Ze marcheren over het toneel en er komen bedienden op met afdroogdoeken. | |
| 1e Bediende | Waar zit Braadpan toch, dat hij niet helpt met afruimen? Hij een bord afruimen! Hij een bord poetsen! |
| 2e Bediende | Als goede manieren helemaal in de handen zijn van een of twee personen, en dan nog ongewassen ook, dan wordt het een vuile boel. |
| e Bediende | Weg met die krukken, opzij met die kast, let op het zilver. Hé, jij daar, bewaar een stukje marsepein voor me, en als je me een plezier wilt doen, vraag de portier dan of hij Suzie Slijpsteen en Nelleke binnenlaat - Teuntje en Braadpan! |
| 3e Bediende | Ja, jongen, daar ben ik al. |
| 1e Bediende | Jullie worden gezocht en geroepen, er wordt naar jullie uitgekeken en gevraagd, in de grote zaal. |
| 4e Bediende | We kunnen niet hier, en ook nog eens daar zijn. Opschieten, jongens! Even doorwerken, en wie het langst leeft neemt ze allemaal. |
| Bedienden af
Capulet op, en Gravin Capulet, Julia, Tybalt, Voedster en alle gasten en hofdames; zo ook de gemaskerden. | |
| Capulet | Wees welkom, heren; de dames zonder pijn
van likdoorns willen nu een rondedans. Wel, schone dames, slaat nu iedereen een dansje af? Wie te terughoudend is heeft likdoorns. Heb ik jullie niet goed door? Wees welkom, heren. Ik weet nog als vandaag, dat ik ooit een masker droeg, en in het oor van dames fluisterend woordjes sprak, wat hen beviel. Voorbij, voorbij, voorbij. Jullie zijn welkom, heren. Muziek, speel. Maak plaats, maak plaats! En dansen, meisjes, dans.De muziek speelt en zij dansen Meer licht, jongens, en klap de tafels op. Maak het vuur maar uit, de kamer is te heet. Ha, onverwacht vermaak, dat komt goed uit. Ja, ga maar zitten, beste Capulet, Wij dansen niet meer zo de laatste tijd. Hoe lang is het geleden, dat wij twee een masker droegen. |
| Neef Capulet | Nou, wel dertig jaar. |
| Capulet | Nee, man, toch niet zoveel, toch niet zoveel.
't Was bij het trouwen van Lucentio, Als het Pinksteren is, dan zal het wel zo'n vijfentwintig jaar zijn, en niet meer. |
| Neef Capulet | 't Is meer, het is meer, zijn zoon is ouder, heer:
zijn zoon is dertig. |
| Capulet | Nee, dat is niet waar.
Hij was nog minderjarig voor twee jaar. |
| Romeo | Wie is die jonkvrouw die de hand verrijkt
van die ridder daar? |
| Dienaar | Heer, ik weet het niet. |
| Romeo | O, zij leent toortsen feller gloed en pracht.
Zij ligt net op de wangen van de nacht als aan een Morenoor een rijk juweel - schoonheid te rijk voor ons, voor de aard te veel. Zo straalt een duif die tussen kraaien dwaalt als die jonkvrouw tussen gelijken straalt. Na deze dans kijk ik waar zij gaat staan; verzaligd raakt mijn hand dan de hare aan. Was ik ooit verliefd? Nee, ogen, 'nee' gezegd. Het schoon dat ik tot nu zag was nooit echt. |
| Tybalt | Zo aan zijn stem is dat een Montague.
Haal me mijn degen, knaap. [Jongen af] Hoe waagt die schurk het hier te komen, met zo'n mombakkes, en grijnzend af te geven op ons feest? Nou, bij mijn nobele afkomst en mijn eer, het is geen zonde, nee, ik steek hem neer. |
| Capulet | Wel, waarde neef, waar raast de storm naartoe? |
| Tybalt | Dit is een vijand, oom, een Montague,
een schurk, een wilde gast, die enkel maar het feest verzieken komt met veel misbaar. |
| Capulet | Is het Romeo? |
| Tybalt | Ja, rotzak Romeo. |
| Capulet | Nou, kalm maar, lieve neef, laat hem met rust,
dat jong gedraagt zich als een echte heer; en, tja, met recht noemt heel Verona hem een zeer bescheiden, brave jongeman. Nog niet voor alle rijkdom van de stad zou ik willen dat men hem onhoffelijk is. Daarom, geduld, en let maar niet op hem, ik wil het, en als jij dat respecteert, dan stop dat fronsen en kijk vriendelijk, zoiets is op een feest zwaar ongepast. |
| Tybalt | Waar zo een schurk te gast is, past het wel:
ik duld hem niet. |
| Capulet | En dulden zal men hem.
En u ook, manneke, en daarmee uit. Ben ik de baas, of u? En daarmee uit. U hem niet dulden. Wel, bij mijn zaligheid, wou u hier onrust stoken op mijn feest, wou u de baas zijn, alles op zijn kop? |
| Tybalt | Maar oom, het is schande. |
| Capulet | Wel, kom kom, ho ho,
en nog brutaal ook, kindje. Inderdaad? U zult het nog berouwen. Ik weet wat ik doe. U mij steeds tegenspreken. Nou is het tijd - Goed zo, mijn vrienden - Wel, verwaande vlerk, stil nu, want anders - Meer licht, meer licht - Ja, ik zal het u wel afleren. - Mooi, vrienden, mooi. |
| Tybalt | Van het treffen van dwangwoede en geduld,
die tegenpolen, nu bevend vervuld, trek ik mij terug; maar dit opleggen zal van schijnbaar zoet worden tot bittere gal. |
| Af | |
| Romeo | Als mijn onwaardige hand dit heilige schrijn
nu zoet onteert, dan zoetere zonde aldus: blozend, zullen mijn lippen pelgrims zijn, die dat verzachten in een lieve kus. |
| Julia | Uw handen, lieve pelgrim, niet gewraakt:
uw innige toewijding, die blijkt aldus; een beeldenhand die pelgrimshanden raakt, - en palm aan palm is palmendragerskus. |
| Romeo | Een beeld heeft lippen; pelgrims evenzeer. |
| Julia | Maar heiligenlippen die zijn voor gebed. |
| Romeo | Laat lippen handen nadoen keer op keer:
geef hun wanhopig bidden geen belet. |
| Julia | Een beeld staat stil, maar het luistert naar een woord. |
| Romeo | Beweeg dan niet, mijn bidden is verhoord. |
| Hij kust haar | |
| Door jouw mond is mijn mond van zonde vrij. | |
| Julia | Dan heeft mijn mond de zonde door jouw gunst. |
| Romeo | Mijn lippen zondig? Maar dat zoet erbij.
Geef terug die zonde. |
| Hij kust haar | |
| Julia | O, uw kus is kunst. |
| Voedster | Jonkvrouw, uw moeder vraagt, waar u toch blijft. |
| Romeo | Wie is haar moeder? |
| Voedster | Wel, mijn jonkertje,
haar moeder is de vrouwe van dit huis, en wat voor vrouwe, wijs is zij, en vroom. Haar dochter, die u sprak, heb ik gevoed. Ik zeg u, wie haar aan de haak slaat, och, die zit wel goed. |
| Romeo | Is zij een Capulet?
Dan heb ik mijn leven op het spel gezet. |
| Benvolio | Kom op, ga mee; het feest is haast voorbij. |
| Romeo | Dat vrees ik ook, en onrust wacht op mij. |
| Capulet | Nee, heren, gaat u nou toch nog niet weg,
direct worden er hapjes opgediend. |
| Men fluistert hem iets in het oor | |
| U weet het zeker? - Dan tot ziens, bedankt.
Bedankt, mijne heren. En slaapt u goed. Licht hier eens bij! Kom mee, dan gaan wij ook. Wel wis en zeker man, het is al laat, ik ga naar bed. | |
| Capulet af, en Gravin Capulet, gasten, hofdames en gemaskerden | |
| Julia | Kom eens hier, Min. Wie is die heer daarginds? |
| Voedster | Tiberio's zoon, die alles van hem erft. |
| Julia | En wie is dat die nu de deur uitgaat? |
| Voedster | Die jongen is Petruchio, denk ik. |
| Julia | En wie volgt hem, die maar niet dansen wou. |
| Voedster | Dat weet ik niet. |
| Julia | Ga vragen hoe hij heet. Is hij al bezet,
dan is mijn graf vast ook mijn huwelijksbed. |
| Voedster | Zijn naam is Romeo, hij is een Montague,
de enige zoon van die vijand van u. |
| Julia | Mijn enige liefde komt uit enige haat:
onwetend zag ik te vroeg, en ik wist te laat. Welk wonder baart de liefde, in die zin, dat ik een vijand die ik minacht min. |
| Voedster | Wat is dat? Wat is dat? |
| Julia | Een rijmpje, net geleerd
van iemand waar ik mee danste. |
| Achter het toneel roept iemand: 'Julia' | |
| Voedster | Ja ja, O, jee.
De gasten zijn al weg. Schiet op, ga mee. |
| Beiden af | |
Tweede Bedrijf Proloog | |
| Rei op | |
| Rei | Oud minvuur voelt zijn sterven naderen gauw,
en prille Amor aast op zijn bezit; de vlam, waar min voor steunde en sterven zou, brandt, bij die Julia, maar met kleine pit. Opnieuw mint Romeo, en wordt bemind, - als zij, door liefdes toverblik geprest: hij zucht, zijn vijand is zijn liefste kind, - hoe krijgt zij haar liefste uit dat wespennest. Als huisvijand, kan hij niet weg, om haar zijn liefde te betuigen, zoals dat hoort. En nergens ook kan zij, al even zwaar verliefd, haar vriendje zien, vrij, ongestoord. Maar hartstocht schept gelegenheid, geeft kracht; de hoogste pijn wordt hogelijk zoet verzacht. |
| Af | |
| Eerste toneel | |
Romeo op, alleen | |
| Romeo | Hoe kan ik verder, als mijn hart hier is?
Terug, trage aarde, en zoek uw middelpunt. |
|
Verbergt zich
Benvolio en Mercutio op | |
| Benvolio | Romeo! Neefje Romeo! Romeo! |
| Mercutio | Hij is vast wijs,
is stilletjes thuis naar zijn bed gegaan. |
| Benvolio | Hij liep hierlangs en sprong over de muur.
Roep eens, Mercutio. |
| Mercutio | Ja, ik roep hem op.
Romeo! Verliefdheid! Dwaas! Hartstocht! Minnaar! Verschijn in de gedaante van een zucht; ik ben tevreden als ik één rijm hoor. Roep dan: 'O, mij'! Zeg dan: 'Mijn lief, mijn dief', één minnewoord voor Venus mijn vriendin, één koosnaam voor haar stekeblinde zoon, Brammetje Cupido, die raak schoot, toen Cophetua het bedelmeisje minde. Hij hoort het niet, hij roert, beweegt zich niet. De aap is dood, één toverwoord, en: hop! Bij Rosalines mooie ogen, kom, bij haar hoog voorhoofd, en dieprode mond, haar korte hielen, wiegkont, tuimelbeen, en heel het park en bos daar rond omheen, kom uit je schuilplaats, en verschijn voor ons. |
| Benvolio | Hij zal wel kwaad zijn, als hij jou zo hoort. |
| Mercutio | Hij daarom kwaad? Hij werd pas kwaad als ik
een spriet optoverde in zijn meisjes ring met wonderbare inhoud, die daar stond tot zij zijn krachten klein getoverd had. Wat zou dat jammer zijn. Mijn duivelskunst is eerlijk en oprecht; want in haar naam betover ik hem enkel maar omhoog. |
| Benvolio | Kom mee, hij houdt zich vast schuil in dit bos,
en troost zich met een nachtje uit vol nat. |
| Mercutio | Als liefde blind is, schiet hij naast zijn doel.
Nu zit hij vast onder een mispelboom en droomt dat hij zijn liefste vruchtje plukt, - bij meisjes heet dat giebelend 'proef de pruim'. O Romeo! O was zij, was zij maar zo'n sappig kroosje en jij een lekkere peer. Welterusten, Romeo. Ik ga naar bed. Zo'n veldbed is mij toch wat al te fris. Zullen we gaan? |
| Benvolio | Ja, goed; het heeft geen zin,
wie zich niet vinden laat, zal er nooit zijn. |
| Benvolio en Mercutio af | |
Tweede toneel | |
Romeo komt te voorschijn | |
| Romeo | Wie nooit een wonde voelde, lacht om pijn. |
| Julia op, boven | |
|
Maar stil, welk licht breekt door dat venster ginds? Het is het oosten en Julia is de zon. Kom, zonnestraal, dood de jaloerse maan, al bleek en ziek van afgunst omdat jij, haar meisje, zoveel mooier bent dan zij. Wees niet haar maagd, nu zij afgunstig is, want haar Vestaals gewaad is ziek en groen, zo'n kleur dragen de narren. Werp het af. Het is mijn vrouwe, O het is mijn lief! O, als zij dat eens wist! Zij spreekt, maar zegt toch niets. Hoe moet dat nu? Haar ogen spreken; ik zeg iets terug. Maar ik durf niet. Zij spreekt niet tegen mij. Twee sterren, de helderste aan het firmament, smeken haar ogen om, tot zij terug zijn, voor hen te schitteren, elk in een sfeer. Haar ogen daar, dan staken die daar hier in haar hoofd maar bleek af bij haar gelaat, zoals overdag een lamp. Haar ogen ginds doorvloeiden heel de lucht met zulk een schijn, de vogels zongen dat 't geen nacht kon zijn. Hoe zij haar wang doet rusten op haar hand. O, was ik toch de zijde aan haar hand, dat ik haar wang mocht raken. | |
| Julia | O. |
| Romeo | Zij spreekt.
Nog eens, lichtende engel, want jij straalt zo heerlijk in de nacht, boven mijn hoofd, zoals een gewiekte hemelbode glanst voor de verbaasde ogen - open wijd - van stervelingen van schrik op hun rug, als hij de trage zwelwolkjes bestijgt en voort zeilt op de boezem van de lucht. |
| Julia | O Romeo, Romeo, waarom ben jij Romeo?
Verwerp je vader, en verzaak je naam. Wil je dat niet, zweer dat je van mij houdt, dan heet ik hierna nooit meer Capulet. |
| Romeo | Luister ik verder, of zeg ik nu iets. |
| Julia | Het is jouw naam maar, die mijn vijand is.
Jij bent jezelf, en dus geen Montague. Wat is Montague? Dat is geen hand, geen voet, geen arm, gezicht of enig ander deel dat bij een man hoort. Noem je anders dan. Wat zegt een naam. Een roos blijft zoet van geur, al geven wij haar nog zo'n vreemde naam. Zo ook Romeo; zonder dat Romeo zou hij even volmaakt blijven als nu, mij even lief. Romeo, weg, die naam, hij hoort niet bij jou, werp hem af, en neem mij in de plaats. |
| Romeo | Ik neem je op je woord.
Geef mij dan 'Lief' als nieuwe doopnaam mee. Vanaf vandaag heet ik geen Romeo. |
| Julia | Wie ben jij, die verborgen in de nacht
komt afluisteren wat ik hier zeg. |
| Romeo | Een naam,
ik weet niet hoe ik zeggen moet hoe ik heet; een naam, mijn engel, die ik zelf zo haat, omdat hij voor jou als een vijand is. Was hij geschreven, ik scheurde het woord in twee. |
| Julia | Geen honderd woorden hoor ik van jou tong,
en toch weet ik al wie die klanken uit. Ben jij niet Romeo, een Montague? |
| Romeo | Als je het niet wilt, meisje, dan geen van twee. |
| Julia | Hoe ben jij hier gekomen, en waarom?
De muur is hoog, en klimmen valt niet mee, en, wetend wie je bent, is het je dood, als een van mijn verwanten je hier vindt. |
| Romeo | Met liefdes lichte vleugels vloog ik hier,
geen stenen grens die ooit mijn liefde stopt; en al wat liefde kan, dat zet zij door. Daarom vrees ik ook je verwanten niet. |
| Julia | Als zij je zien, dan wordt je hier vermoord. |
| Romeo | Helaas, jouw ogen bergen meer gevaar
dan twintig van hun zwaarden. Als jij straalt, ben ik onkwetsbaar voor vijandigheid. |
| Julia | Ik hoop bij God, dat ze je hier niet zien. |
| Romeo | Het kleed der nacht onttrekt mij aan hun oog.
Laat ze me vinden hier, als jij nee zegt. Mijn leven eindigt beter met hun haat dan dat ik langzaam wegkwijn zonder jou. |
| Julia | Wie heeft verteld hoe je hier komen kon. |
| Romeo | De liefde, die mij steeds tot zoeken dwong.
Ik gaf haar ogen, en zij gaf mij raad. Ik ben geen zeeman, maar, al woonde jij aan brede stranden bij de verste zee, dan waagde ik toch een reis voor zulk een buit. |
| Julia | 't Is goed dat nacht nu mijn gezicht verbergt,
een meisjesblos kleurde anders vast mijn wang om dat wat jij gehoord heb wat ik zei. Het liefst bleef ik formeel; ontkende het liefst wat ik net zei. Vaarwel 'Zoals het hoort'. Hou jij van mij? Ik weet, je zegt vast 'Ja', en ik neem je op je woord. Maar, als je zweert, en je blijkt ontrouw, later? Zeus, die lacht om meineden van minnaars. Romeo, zeg het me eerlijk, als je van mij houdt. Of, als ik me te snel laat winnen, soms, dan kijk ik stuurs, verstoord, en zeg ik 'Nee', dat jij mij het hof kunt maken. Nee, toch niet, mijn Montague, mijn liefde is te groot, je denkt vast dat ik te lichtzinnig ben, maar geloof me, ridder, ik blijk veel meer trouw dan allen die zo knap terughoudend zijn. Ik had natuurlijk ook zo moeten zijn, maar voor ik het wist, hoorde jij wat ik zei, hoe diep ik je bemin. Vergeef het mij, en noem dit niet een al te lichte val, wat duistere nacht zo aan jou heeft onthuld. |
| Romeo | Vrouwe, Ik zweer bij de heilige maan daarginds,
die alle bomentoppen zilver kleurt - |
| Julia | O, zweer niet bij de maan, die wisselt zo,
verandert maandelijks langs haar cirkelbol; straks heeft jouw liefde net zo'n grilligheid. |
| Romeo | Waar moet ik dan bij zweren? |
| Julia | Helemaal niet.
of, als je al zweert, dan bij je lieve zelf, - jij die ik verafgood als mijn hoogste goed -, en ik zal je geloven. |
| Romeo | Als mijn liefde - |
| Julia | Zweer toch maar niet. Jij maakt mij eeuwig blij,
maar niet met eden nu al deze nacht: dit is te snel, te schielijk, plotseling, te veel als bliksem, die weer donker is, voor men kan zeggen: 'Het flitst'. Welterusten, lief. Dit knopje liefde rijpt op zomerwind, en bloeit vast prachtig als we elkaar weer zien. Welterusten, nu. Moge met vrede en rust jouw hart, zoals het mijne, zijn gekust. |
| Romeo | Laat jij mij nu zonder voldoening gaan? |
| Julia | Wat wil je dan? Wat laat je onvoldaan? |
| Romeo | Jouw woord van trouw in ruil voor dat van mij. |
| Julia | Ik gaf het mijne voor je er om vroeg,
maar had ik dat toch maar nog niet gedaan. |
| Romeo | Zou je het weigeren? Waarom dan, lief? |
| Julia | Ik zou het je geven, en met heel mijn hart.
En toch had ik zo graag dat wat ik heb. Mijn geven kent geen einde, als de zee, mijn liefde is even diep; hoe meer ik je geef, hoe meer ik over heb: 't is eindeloos. |
| Voedster roept haar | |
| Men roept mij binnen. O, tot ziens, mijn lief.
Ja, zo, voedster. Blijf eventjes nog hier; ik kom gelijk. | |
| Julia af | |
| Romeo | O zalige, zalige nacht. Het is vast niet waar;
het is nacht, dit alles is gewoon een droom, en veel te fijn om echt te zijn. |
| Julia op | |
| Julia | Drie woordjes, Romeo, en dan naar bed.
Wanneer jouw liefdeblijken eerzaam zijn, mèt huwelijksplannen, stuur mij morgen dan bericht door iemand die ik komen laat, waar en wanneer je de echt voltrekken wilt, en al wat ik bezit schenk ik aan jou, en ik zal je overal volgen als mijn heer. |
| Voedster | [Achter] Mevrouw. |
| Julia | Ik kom, gelijk- Maar als je het anders meent,
dan smeek ik je - |
| Voedster | [Achter]Mevrouw. |
| Julia | Ja, even nog -
dring dan niet aan, en laat mij aan mijn smart. Dan stuur ik haar morgen. |
| Romeo | Bij mijn zaligheid. |
| Julia | Wel duizend maal slaap zacht. |
| Af | |
| Romeo | Zonder jouw licht, duizend maal slechte nacht.
Liefde zoekt lief, zoals schooljeugd 't vrije uur. Liefde laat lief, naar school zonder veel vuur. |
| Julia, boven, weer op | |
| Julia | Tjuit! Romeo! O was mijn stem toch zacht
zoals de valkenier zijn vogel roept. Ik ben gebonden tot een zachte roep, anders scheurde ik de grot waar Echo ligt en maakte haar stem heser dan die van mij van 't steeds maar roepen van mijn Romeo. |
| Romeo | Het is mijn ziel die ik mij roepen hoor.
Hoe zilverzoet klinkt 's nachts de minnaarstong, als voor het oplettend oor zachte muziek. |
| Julia | Romeo. |
| Romeo | Jonge valk. |
| Julia | Hoe laat zal ik
je morgen iemand sturen? |
| Romeo | Negen uur. |
| Julia | Het zal gebeuren. Twintig jaar, tot dan.
Ik ben vergeten, waarom ik je riep. |
| Romeo | Dan blijf ik hier, totdat je het weer weet. |
| Julia | Ik zal het weer vergeten, dat je steeds hier blijft,
want zo graag wil ik dat je bij mij bent. |
| Romeo | En ik blijf steeds, tot jij het steeds vergeet,
en ik vergeet elk ander thuis dan dit. |
| Julia | 't Is bijna ochtend, je moet echt nu gaan;
maar net als het musje van zo'n pesterig jong dat even uit zijn hand weghippen mag - maar als een arm gevangene aan kluisters vast - maar met een zijden draad wordt teruggeplukt, bang dat het gretig toch zijn vrijheid kiest. |
| Romeo | Was ik je musje toch. |
| Julia | O, lief, ik ook.
Maar al mijn strelen drukte je nog dood. Slaap zacht, slaap zacht. Scheiden brengt zo'n zoete pijn, dat ik 'Slaap zacht' zeg tot de ochtendschijn. Julia af |
| Romeo | Dat slaap je oog, vrede je hart nu kust.
Vond ik, als slaap en vree, zo'n zoete rust. De nacht fronst, als het koude ochtendlicht het oostelijk zwerk doorsnijdt met zilveren schicht. Als dronken zwalkt het vlekkerig duister af van het pad, dat Helios met zijn wielen gaf. Nu spoed ik mij naar mijn biechtvaders cel. Die helpt mij, als ik hem mijn geluk vertel. |
| Af | |
|
Derde toneel | |
Een pater op (Laurens), alleen, met een mandje | |
| Pater Laurens | Voordat de zon haar brandend hoofd verheft,
het nachtvocht droogt, en de dag welkom zegt, moet dit pitrieten mandje helemaal vol saprijke bloemen, kruid en kervel dol. De aarde geeft natuur leven en dood; waar zij begraaft, is ook haar moederschoot. En elke soort die deze schoot ooit baarde voedt zich steeds aan de boezem van de aarde. Veel kruiden werken breed, en magnifiek; soms is de kracht beperkt, maar specifiek. Het vermogen en de kracht is wijd vermaard van plant, kruid, steen, en heel hun ware aard. Want al - hoe klein ook - dat op de aarde leeft, heeft iets speciaals dat het die aarde geeft. Iets goeds, dat zich niet goed gebruiken laat, breekt met zijn afkomst, en vervalt tot kwaad. Deugd wordt ondeugd wanneer fout aangewend; een daad maakt ondeugd soms alweer erkend. |
| Romeo op | |
| De jonge schil van deze bloem, zo zacht,
omsluit vergif, maar ook heilzame kracht. De geur zal lichaam, geest verkwikken gaan, maar ervan eten brengt het hart tot staan. Zo is mens, èn kruid belegerd altijd weer door een goedgezinde en een kwade heer: en krijgt de slechterik de overhand, dan vreet de kanker dood aan deze plant. | |
| Romeo | Goede morgen, vader. |
| Pater Laurens | Benedicite.
Een lieve, zoete groet. Wie komt daar mee? Mijn zoon, 't is vast verwarring in je brein, dat jij zo gauw je bedje uit moest zijn. Piekeren houdt het oog van ouderen bang; waar zorg zich nestelt, ligt de slaap nooit lang. Doch waar een nog niet murw gebeukte knaap zijn leden strekt, regeert de gulden slaap. Het is een verhit gemoed, dat jou nu plaagt; dat heeft je vast zo vroeg uit bed gejaagd. Zo niet, dan is het zeker wat ik dacht: jij hebt je bedje niet gezien vannacht. |
| Romeo | Dat laatste is waar. Maar zoeter was mijn rust. |
| Pater Laurens | Vergeving, God! Je Rosalien gekust? |
| Romeo | Mijn Rosaline? Nee, eerwaarde heer,
die smarten en die naam ken ik niet meer. |
| Pater Laurens | Goed zo, mijn zoon. Waar ben je dan geweest? |
| Romeo | Ik was bij mijn vijand op een heel groot feest
- nee, stil, je hoort gelijk hoe ik het vond -, en plotseling werd ik daar diep doorwond, maar sloeg zelf terug. Ons beider hartenpijn vindt in jouw heilige kunst de medicijn. Weet, dat ik die ander, vader, niet vervloek; ook wie mij trof vindt baat bij mijn verzoek. |
| Pater Laurens | Wees duidelijk, niet onbesuisd, mijn zoon:
wie raadsels biecht krijgt raadselen als loon. |
| Romeo | Wie is het die mij het hart in vlammen zet:
de dochter van de rijke Capulet. Zij is mijn hart, Ik ben zonder haar ontheemd; wij twee zijn één, mits jij ons maar vereent in het heilig huwelijk. Wanneer, hoe, waar we ontmoetten, minden, trouw beloofden elkaar dat hoor je straks van mij. Dit is mijn vraag, dat jij ons trouwen zult, en nog vandaag. |
| Pater Laurens | Heilige Franciscus! Wat een ommekeer!
Is het met Rosalien, die jij zo teer beminde, uit? Wat zijn de jongens hard: hun liefde ligt in ogen, niet in hart. Jesu Maria! Wat een pekelzout waste om haar jouw bleke wangen koud; om liefde, die niet smaken zal, verspild het nutloos kruidend vocht van tranenzilt! Nog heeft de zon jouw zucht niet weggevaagd, nog gonst mijn oude oor van jouw geklaag. Zie ik niet op je wang een vlekkenlijn, waar tranen nog niet weggewassen zijn? Zo jij ooit liefdes pijn kende in je hart, dan was 't om Rosaline, al jouw smart. En jij een ander? Zeg het spreekwoord dan: de vrouw mag vallen, bij zo'n zwakke man. |
| Romeo | Vaak keurde jij mijn liefde voor haar af. |
| Pater Laurens | Je overdreef, niet dat je om haar gaf. |
| Romeo | Ik moest liefde maar wegstoppen. |
| Pater Laurens | Niet in een graf,
dat jou onmiddellijk een ander gaf. |
| Romeo | Wees nou niet boos, mijn liefste van vandaag
schenkt hart voor hart, geeft liefde op liefdes vraag. Die ander deed dat niet. |
| Pater Laurens | Voor kleutermin terecht,
die liefdes leesplank uit het hoofd opzegt. Maar, jonge fladderaar, kom met me mee, om één reden zeg ik toch maar geen nee: misschien brengt dit gelukkige huwelijkswoord voor beider huizen zuivere liefde voort. |
| Romeo | Dan opschieten, geen tijd verdaan; kom nou. |
| Pater Laurens | O, rustig maar, wie hard loopt struikelt gauw. |
| Allen af | |
Vierde toneel | |
Benvolio en Mercutio op | |
| Mercutio | Waar voor den duivel zou die Romeo toch zitten? Is hij vannacht niet thuis geweest? |
| Benvolio | Niet bij zijn vader; ik heb zijn dienaar nog gesproken. |
| Mercutio | Dat bleke, hardvochtige meidje van hem, die Rosaline, kwelt hem zo, dat hij er vast gek van wordt. |
| Benvolio | Tybalt, de neef van de oude Capulet, heeft een brief gestuurd naar zijn vaders huis. |
| Mercutio | Ik wed, dat hij hem heeft uitgedaagd. |
| Benvolio | En daar zal Romeo vast op antwoorden. |
| Mercutio | Iedereen die kan schrijven kan een brief beantwoorden. |
| Benvolio | Ja, maar hij zal de afzender schrijven, dat hij het duel aandurft, elke dag dat hij wordt uitgedaagd. |
| Mercutio | Arme Romeo, hij is al dood, doorboord door het zwarte oog van een blonde del, in het oor geschoten door een liefdeslied, zijn hart gespleten door de pijl van dat blinde boogschuttertje. En is dat dan de man, die het met Tybalt moet opnemen? |
| Benvolio | Och, wat is nou Tybalt? |
| Mercutio | Meer dan de Prins van de Katten. Hij is een dapper, volleerd meester van de schone kunst; hij schermt zoals jullie contrapunt zingen: hij volgt ritme, afstand en harmonie. Tak, tak, twee superkorte schijnaanvallen, en dan de derde in uw borst. Hij slaat een zijden knoop zo in twee stukken. Hij is een duellist, en wat voor een, lid van de allermodernste Academia de Eschima, een edelman doorgrond in alle regels voor een duel. Ah, die onsterfelijke passado, die punto reverso, die touché. |
| Benvolio | Die wat? |
| Mercutio | Naar de hel met zulke stomme, lispelende, aanstellerigere fantasten, met die modieuze stembuigingen. Jesu, wat een prachtige kling, wat een knaap van een kerel, wat een heerlijk hoertje. Is het niet om te huilen, grootvadertje, dat dit soort vreemde vliegen ons lastig valt, deze modegekken, deze 'pardonnez-moi's', die zo weglopen met al wat nieuw is, dat ze geen rust meer vinden bij het oude. O, dat ge-'bon-bon' van hen. |
| Romeo op | |
| Benvolio | Daar is Romeo, daar is Romeo. |
| Mercutio | Zonder zijn room, een uitgedroogde haring. O, visgeworden vlees. Nu is hij in de stemming gedichten te schrijven, zoals Petrarca dat zo vloeiend deed. Vergeleken bij zijn dame, was Laura een keukenmeid - al had die een minnaar die haar beter kon berijmen-, was Dido een del, Cleopatra een zigeunerin, Helena en Hero hoertjes en hollewaaien, en Thisbie zo'n juf met aardige, blauwe oogjes, maar verder niet veel snoeps. Signor Romeo, bonjour. Een Franse groet, die past bij uw Franse pofbroek. U heeft ons gisteren wel goed gepakt. |
| Romeo | Morgen, heren. Hoezo heb ik jullie gepakt. |
| Mercutio | Bij de neus, bij de neus, jongeman. Begrijpt u dat niet? |
| Romeo | Neem me niet kwalijk, vriend Mercutio, ik had belangrijke zaken te doen, en dan moet je een kleine onbeleefdheid maar door de vingers zien. |
| Mercutio | Zeker het soort zaken, waar u de bilspieren voor moest buigen. |
| Romeo | Maar het was een buiging uit hoffelijkheid. |
| Mercutio | Je hebt de hof vast heel goed geraakt. |
| Romeo | Dat heb je zeer hoffelijk uiteengezet. |
| Mercutio | Maar ik ben de leermeester der hoffelijkheid. |
| Romeo | De bloem, zogezegd. |
| Mercutio | Juist. |
| Romeo | Dan zit het meeste leer van mijn schoenen vol bloemen. |
| Mercutio | Dat is een goeie. Die grap moet je even volgen, tot je schoenen kapot zijn, want als de dunne zool ervan is versleten, dan blijft die grap over als die zo licht verloopt. |
| Romeo | Zo'n flauwe grap hoor je alleen maar omdat hij zo stom is. |
| Mercutio | Secondant, vriend Benvolio, dit kan ik niet meer bijhouden. |
| Romeo | Zweep je geest op, spoor hem aan, anders roep ik mijzelf tot winnaar uit. |
| Mercutio | Ja, als onze twee geesten een wilde hengstenren gaan houden, dan ben ik verloren. Want jouw éne zin is altijd meer dan mijn alle vijf - zeker weten. Nou, staan we daarmee weer gelijk? |
| Romeo | Wij hebben samen nog nooit gelijk voor een geval gestaan, want jij staat altijd voor paal. |
| Mercutio | Voor die grap zou ik je moeten knuffelen. Wat ben je toch een lieverdje. |
| Romeo | Niet bijten, ganzerikje, niet bijten. |
| Mercutio | Die grappen van jou zijn wrange appels, zij zijn als scherpgekruide moes. |
| Romeo | En past dat dan niet bij een zoet gansje? |
| Mercutio | Nou wordt het een grap van zeemleer, die rekken kan van een duim tot een el breed. |
| Romeo | Als ik zo'n stuk bij het gansje zet, bewijs ik daarmee dat jij de el van een lellebel bent. |
| Mercutio | Is dat dan niet beter dan kreunen van liefde? Nou ken ik je weer als een van ons, nou ken ik je weer als Romeo, nou ben je weer je natuur, je kent je kunstjes goed. Want die kwijlende liefde is net een grote loeris van een idioot die op en neer leutert om zijn zotstok in een gaatje te stoppen. |
| Benvolio | Stoppen maar, stoppen maar. |
| Mercutio | Wil je dan dat ik tegen mijn zin niet aan mijn eindje kom? |
| Benvolio | Je zou er een gigantisch eind van hebben gemaakt. |
| Mercutio | Dat heb je mooi mis. Ik zou het kort hebben gemaakt; ik was al klaar, mijn eind zat al helemaal op diepte, ik hoefde niet langer. |
| Romeo | Wat krijgen we nou voor fraais! |
| Voedster op en haar dienaar, Pieter | |
| Schip ahoi, schip ahoi. | |
| Mercutio | Twee hemden; van een man en een vrouw. |
| Voedster | Pieter. |
| Pieter | Mevrouw? |
| Voedster | Mijn waaier, Pieter. |
| Mercutio | Pietertje, om haar gezicht te bedekken, want haar waaier is veel fraaier. |
| Voedster | Goede morgen, mijne heren. |
| Mercutio | Goede middag, schone dame. |
| Voedster | Is het dan al middag? |
| Mercutio | Zeker weten, mevrouw, want de wijzer staat al lekker recht boven de schijf. |
| Voedster | Zeker uw wijzer. Wat bent u voor iemand? |
| Romeo | Iemand, Mevrouw, die God gemaakt heeft, om zichzelf te verminken. |
| Voedster | Dat is echt nu eens goed gezegd: 'Om zichzelf te verminken', zegt hij toch? Heren, kan iemand van jullie mij zeggen, waar ik die jonge Romeo kan vinden? |
| Romeo | Ik, Mevrouw. Maar als u jonge Romeo vindt, is hij ouder dan wanneer u hem zoekt. Ik ben de jongste met die naam, bij gebrek aan slechter. |
| Voedster | Dat heeft u goed gezegd. |
| Mercutio | Hoe dat nou, is slechter goed? Echt, aardig bedacht, zeer wijs, zeer wijs. |
| Voedster | Als u het bent, heer, ik had u graag even onder vier ogen gesproken. |
| Benvolio | Ze gaat hem nog ompraten voor een etentje. |
| Mercutio | Een koppelaarster; een koppelaarster. Geraakt, geraakt! |
| Romeo | Wat heb je gevangen? |
| Mercutio | Niet eens een konijntje; misschien alleen maar zo'n wijfjesdier waar je in de vasten af en toe van snoept, en dat dan behoorlijk afgelebberd is voor je klaar bent. |
| Hij loopt langs hen, en zingt | |
|
Een wipstaarthaas, een oude wipstaarthaas is goed vastenvlees, als 't nie waar is. Geen mens geeft een meier voor een ouwe temeie, die verlept is lang voor hij klaar is. Ga je mee Romeo, naar het huis van je vader? Dan gaan we daar samen eten. | |
| Romeo | Ik ga zo met jullie mee. |
| Mercutio | Tot ziens, waarde Madam, tot ziens, jonkvrouw, jonkvrouw. |
| Mercutio en Benvolio af | |
| Voedster | Maar, heer, toch, wat was dat een onbeschaamde kerel. Er kwam alleen maar schuine taal uit. |
| Romeo | Ach, mevrouw, gewoon een heer, die zichzelf graag hoort praten, en die binnen een minuut meer zegt dan hij in een maand recht kan doen. |
| Voedster | Als hij toch iets tegen mij zegt, krijg ik hem klein, al was hij nog lolliger dan hij al is, ja, wel twintig van die knapen. En als het mij niet lukt, heb ik zo anderen gevonden. Wat een vieze kerel. Ik ben toch niet een van z'n kriele kipjes of messentrekkers. [Ze wendt zich tot haar dienaar Pieter] En jij stond er maar bij te kijken, hoe elke kerel met me deed wat hij wilde. |
| Pieter | Ik heb niemand iets met u zien willen, anders was mijn wapen gauw genoeg getrokken. U kunt ervan op aan, dat ik net zo snel trek als een ander, als er lekker gevochten wordt en we het bij het rechte eind hebben. |
| Voedster | Nou, bij God, ik ben zo boos, dat alles aan mijn lijf trilt. Vieze kerel. O, meneer, mag ik u nog even spreken. Zoals ik u al zei, vraagt mijn jonge meesteres u op te zoeken. Wat ik moest zeggen, zal ik maar voor mij houden. Maar laat ik u eerst zeggen, dat als u haar - zoals dat heet - wil leiden tot liefdes dwaze tuin, dat dat dan - zoals dat heet - heel onbehoorlijk van u zou zijn. Want de jonkvrouwe is nog zo jong. En, als u daarom dubbel spel met haar wilt spelen, dat dat dan heel stout zou zijn, voor iedere jonkvrouw, trouwens, en heel min van u. |
| Romeo | Mevrouw, breng nou maar de groeten aan haar over. Ik verklaar hierbij mijn liefde - |
| Voedster | O beste heer, dat zal ik zeker vertellen. Here, Here, wat zal ze dat heerlijk vinden. |
| Romeo | Wat ga je haar vertellen, Voedster. Je laat me niet uitspreken. |
| Voedster | Ik zal haar zeggen, dat u uw liefde verklaart. En dat is - volgens mij - het aanbod van een edelman. |
| Romeo | Vraag haar dan maar,
of zij vanmiddag nog ter biechte komt om dan, in Pater Laurens' cel, daarna getrouwd te worden. Hier, dit is voor jou. |
| Voedster | Waarachtig niet, heer, nee, geen geld. |
| Romeo | Vooruit, dat moet u hebben, hier. |
| Voedster | Vanmiddag nog, heer? Nou, ze zal er zijn. |
| Romeo | Blijf nu nog even bij de kloostermuur.
Want binnen één uur zal mijn knecht daar zijn, en brengt je touw als want hoog op een schip, het middel dat tot de hoogste bramsteng brengt mijn vreugde in het duister van de nacht. Tot ziens, geloof me, je wordt er voor beloond. Tot ziens. En breng je meesteres mijn groet. |
| Voedster | God in de hemel zegene u, heer. Maar, hoe - |
| Romeo | Pardon, mijn lieve Voedster? |
| Voedster | Uw dienaar,
is die wel te vertrouwen? Want u weet: geheim voor twee, komt uit door nummer drie. |
| Romeo | Mijn dienaar is net zo eerlijk als goud. |
| Voedster | Nou, man, mijn meesteres is de liefste jonkvrouw die er is. Here, Here, toen ze nog een lekker kletsding was - O, er is een edelman in de stad, een zekere Paris, die zich graag een plaats aan tafel wil verzekeren. Maar het brave kind zag nog liever een pad, ja een pad, dan hem. Ze wordt soms wel eens boos als ik zeg dat Paris een mooiere man is, maar ik kan u verzekeren, als ik dat zeg ziet ze zo bleek als welk tafellaken uit de godganse wereld dan ook. Beginnen 'rosmarijn' en 'Romeo' niet met dezelfde letter? |
| Romeo | Zeker, Voedster, nou en? Allebei met een 'r'. |
| Voedster | Ja, gekkerd. Want je weet, met R begint ook -. Jammer dat het niet met een andere letter begint, want zij maakt van die heerlijke woordgrapjes op 'u' en 'rosmarijn'; u zou ze eens moeten horen. |
| Romeo | Doe je meesteres de groeten. |
| Romeo af | |
| Voedster | Ja, duizend keren. Pieter! |
| Pieter | Ja, mevrouw. |
| Voedster | Voor me uit, en doorstappen. |
| Beiden af | |
Vijfde toneel | |
Julia op | |
| Julia | Om negen uur is mijn voedster weggegaan,
ze zou om half tien terug zijn zei ze toen. Misschien kan ze hem niet vinden. Nee, niet waar. Ze is kreupel. Was denken liefdes heraut, dan dreef zij sneller dan de zonnestraal schaduwen uit lage heuvels terug. Dus trekt lichtwiekige duif aan Venus' kar, heeft Cupido vleugels, snel als de wind. Nu staat de zon op de hoogste heuveltop van zijn dagreis, en van negen tot twaalf is drie uur lang, en nog is zij niet hier. Had zij gevoel en warm bloed als de jeugd, O, dan bewoog zij snel, net als een bal: mijn woorden kaatsten haar naar mijn zoet lief, en die van hem naar mij. Maar ouwetjes, die lijken soms wel dood - log, langzaam, zwaar, en wel zo dof als lood. |
| Voedster op, en Pieter | |
| O God, het is haar. O lieve Min, nog nieuws?
Heb je hem gezien? Stuur toch dat knechtje weg. | |
| Voedster | Pieter, bij de deur wachten. |
| Pieter af | |
| Julia | Nou, lieve Voedster - God, wat kijk je droef?
Al is nieuws droef, vertel het opgewekt. Is het nieuws goed, speel dan toch die muziek van het zoete nieuws niet met zo'n zuur gezicht. |
| Voedster | Ik ben doodop, een ogenblik geduld.
Wat doen mijn botten van dat lopen pijn. |
| Julia | Had jij mijn botten en had ik jouw nieuws.
Kom op, zeg nou toch iets, O min, zeg op. |
| Voedster | God, wat een haast; nog eventjes geduld.
Ziet u niet, dat ik buiten adem ben? |
| Julia | Hoe buiten adem, als je adem hebt
te zeggen dat je buiten adem bent. De smoes waarmee je zegt dat 't zo lang duurt duurt langer dan het verhaal waarvoor hij geldt. Is het goed of slecht nieuws? Geef daar antwoord op. Een van de twee. Details hoor ik later wel. Ik moet het weten: is het goed of slecht? |
| Voedster | Wel, hoe kunt u nu toch zo stom kiezen. U weet niet hoe u een man moet kiezen. Romeo? Nee, die toch niet. Al is zijn gezicht beter dan dat van een ander, toch overtreft zijn been dat van alle mannen, en al valt er niets te zeggen over zijn hand, over zijn voet, over zijn lijf, toch zijn ze zonder weerga. Hij is niet het puik der hoffelijkheid, maar -als ik dat zeggen mag - hij is zo zacht als een lammetje. Ga maar gauw, meisje, het is Gods wil. En, heeft u al thuis gegeten? |
| Julia | Nog niet. Wat u zegt, wist ik toch allang.
Wat zegt hij van ons trouwen. Nou, kom op. |
| Voedster | God, wat heb ik toch een hoofdpijn. O, mijn hoofd.
Het klopt, of het straks in twintig stukken valt. En dan ook nog mijn rug - mijn rug, mijn rug. En daarvoor moest ik van u over straat, dat op en neer draven kost mij mijn dood. |
| Julia | Het spijt mij echt, dat u zich niet goed voelt.
Maar, lieve, lieve Min, wat zegt mijn lief? |
| Voedster | Uw lief praat als een eerlijk edelman,
zo'n hoffelijk iemand, knap en vriendelijk, en eerbaar, zeker weten. - Waar is uw moeder? |
| Julia | Waar is mijn moeder? Nou, binnen, gewoon.
Waar anders? Maar waarom praat u zo gek? 'Uw lief praat als een eerlijk edelman', 'Waar is uw moeder'. |
| Voedster | O, Gods moeder lief,
Wilt u zo graag? Wel, kijk nou toch eens aan. Is dit de balsem voor mijn bottenpijn? Doe voortaan al uw boodschappen maar zelf. |
| Julia | Wat een gedoe. Wat zegt mijn Romeo? |
| Voedster | Heeft u verlof, vandaag ter biecht te gaan? |
| Julia | Ja, ja. |
| Voedster | Dan wegwezen naar Pater Laurens' cel.
Daar wacht een man om u tot vrouw te maken. Nou schiet uw wangetje vol vuurrood bloed. U bloost geloof ik bij elk beetje nieuws. Vlug, naar de kerk. Ik kan niet met u mee, want ik moet een ladder halen, die uw lief naar het vogelnestje brengt, als het donker is. Voor uw plezier ben ik het werkpaard vast, maar straks als het donker is draagt u de last. Weg. Ik moet eten. Vlug nu, naar de cel. |
| Julia | Ik vlieg al naar het geluk. O, Min, vaarwel. |
| Beiden af | |
Zesde toneel | |
Pater Laurens en Romeo op | |
| Pater Laurens | De hemel zegene dit heilig verbond,
dat later wij gevrijwaard zijn van leed. |
| Romeo | Amen, amen. Laat komen al die smart,
want die weegt toch niet op tegen de vreugd' die één minuut mij schenkt als ik haar zie. Vereen de handen met uw heilig woord, en minverslinder dood is nergens meer; als ik haar maar de mijne noemen mag. |
| Pater Laurens | Heftig genot komt heftig aan zijn eind,
sterft op zijn hoogtepunt, als vuur en kruit, die in hun kus opgaan. En honingzoet is walgelijk in zijn eigen heerlijkheid, het doodt de lust tot proeven door de smaak. Wie lang wil minnen, mint daarom met maat. Want haast en kalmte komen even laat. |
| Julia komt gehaast op, en omhelst Romeo. | |
| Daar is de jonkvrouwe. O, zo'n lichte tred
slijt nooit een eeuwig-hard gesteente uit. Wie mint kan lopen langs een spinselweb dat vrij hangt in de dartele zomerlucht en toch niet vallen; licht is 's werelds vreugd. | |
| Julia | Ik groet ook u, gij, vader van mijn geest. |
| Pater Laurens | Neem Romeo's dank aan, dochter, ook van mij. |
| Julia | Nog wat extra voor hem; hij gaf te veel. |
| Romeo | Ah, Julia, als jij net als ik zo
gelukkig bent, en waar jij zoveel meer en zoeter woorden vinden kunt, spreek het uit aan de nabije lucht, en zing in het rond van het geluk waarvan wij enkel droomden dat elk van ons ten deel valt in elkaar. |
| Julia | Een fantasie die beelden ziet, geen woorden,
valt meer op inhoud dan op fraaie tekst. Een bedelaar telt graag hoeveel hij heeft, maar mijn liefde is zo onmeetbaar groot, dat zelfs half mijn bezit ontelbaar is. |
| Pater Laurens | Kom met me mee, dan is het zo gebeurd.
Met jullie ja-woord blijf je niet alleen: de heilige Kerk maakt twee lichamen een. |
| Allen af | |
Derde Bedrijf Eerste toneel | |
Mercutio en Benvolio op, met anderen. | |
| Benvolio | Kom mee, Mercutio, we gaan naar huis;
het is warm vandaag, er zijn geen Capuletten, en als ze komen wordt het vast weer vechten; bij heet weer kookt het bloed van vechters gauw. |
| Mercutio | Jij bent net een van die kerels die een kroeg binnenkomt, zijn zwaard op de tafel smijt en zegt: 'God geve dat ik dit niet nodig heb', en die - al aangeschoten na het tweede glaasje -zijn zwaard onnodig trekt tegen de waard. |
| Benvolio | Ben ik dan net zo'n felle kerel? |
| Mercutio | Kom nou, zo'n driftkikker als jij vind je in heel Italië niet. Niemand hapt er zo vlug als hij gevoerd wordt, niemand wordt zo gauw op stang gejaagd als jij. |
| Benvolio | En wat nog meer? |
| Mercutio | Ja, als er nog meer waren, zou er gauw niemand meer zijn: ze zouden elkaar dood slaan. Jij, wel, jij krijgt het al met iemand aan de stok omdat die één haar meer of minder in z'n baard heeft dan jij. Jij vecht al als er iemand kastanjes pelt, omdat jij kastanjebruine ogen hebt. Juist dat soort felle ogen is vlug door strijd bevlogen. Jouw hoofd zit net zo vol met mot als een ei met wit; al die klappen heeft jouw hoofd zo rot gemaakt als een eitje. Jij kreeg het met iemand aan de stok, omdat hij op straat liep te hoesten, en zo je hondje wakker maakte dat in de zon lag te slapen. En dan die klappen met de kleermaker, omdat hij de nieuwe hemdmode droeg nog voor het Pasen was! En met de ander die oude veters in zijn nieuwe schoenen droeg! En dan moet jij nog zeggen dat ik te veel ruzie zoek? |
| Benvolio | Als ik zo opvliegend was als jij, zou niemand mijn leven vijf kwartier willen verzekeren. |
| Mercutio | Jou verzekeren? O, zeker niet. |
| Tybalt, Petruchio en anderen op. | |
| Benvolio | Hola, daar komen de Capuletten. |
| Mercutio | Ammehoela, nou en. |
| Tybalt | Volg me, heren; even een babbeltje.
Goede middag; een woord met een van jullie. |
| Mercutio | Maar een woord met een van ons? Doe er wat bij, een woord en een klap. |
| Tybalt | U zult zien dat ik daar best voor te vinden ben, als jullie daar aanleiding toe geven. |
| Mercutio | Geven is niet nodig, u pakt die wel. |
| Tybalt | Mercutio, jij speelt samen met Romeo. |
| Mercutio | Speel ik samen? Denk jij, dat wij muzikanten zijn? Als jij vindt dat wij muzikanten zijn, dan zul je van ons alleen maar wanklanken horen. Hier is mijn strijkstok, dit zal je leren dansen. Gaddamme, wij muzikanten. |
| Benvolio | Wij praten hier gewoon in het openbaar.
Gaan we niet beter naar een rustige plek, waar koud staal ons geschil beslechten kan, of uit elkaar. Hier ziet ons iedereen. |
| Mercutio | Het oog moet kijken, laat het ons maar zien.
Voor niemand z'n plezier ga ik hier weg. |
| Romeo op | |
| Tybalt | Ik wenst u rust, heer, want hier is mijn man. |
| Mercutio | Ik hang mij, heer, als hij uw dienaar is.
Maar, als u vechten wilt, staat hij zijn man; zo mag u hem uw man noemen, mijn heer. |
| Tybalt | De liefde, Romeo, die ik voor u voel,
gunt mij geen beter woord dan 'grote schurk'. |
| Romeo | Tybalt, de reden dat ik u graag mag
weerhoudt mij van een passend antwoord nu op zo'n begroeting. Nee, ik ben geen schurk, daarom, tot ziens, ik merk dat je mij niet kent. |
| Tybalt | Dit praat de pijn niet goed, mijn jongetje,
die jij me hebt aangedaan; kom met je zwaard. |
| Romeo | Ik zweer dat ik je nooit iets heb misdaan;
ik mag je graag, maar dat kun je pas weten, als je de drijfveer voor mijn liefde kent. Hiermee, mijn Capulet, - een naam, die ik acht zoals de mijne, - moet je het hier maar doen. |
| Mercutio | O laffe, eerloze vernedering.
Alleen 'Alla staccato' redt de eer. Tybalt, rattenvanger, kom met me mee. |
| Tybalt | Wat wil je dan zo graag met mij. |
| Mercutio | Beste Rattenkoning, alleen maar een van uw negen levens. Dat ene wil ik van u nemen, en dan, naargelang u mij goed of slecht behandelt, zal ik de acht andere sparen of u ervan langs geven tot u ze allemaal kwijt bent. Trek uw degen nu maar vlug, toe maar, anders komt hij nooit uit zijn huis. Opschieten, anders schiet die van mij langs uw oren voor hij er uit is. |
| Tybalt | Tot uw dienst. |
| Trekt zijn degen | |
| Romeo | Beste Mercutio, steek je wapen terug. |
| Mercutio | Kom, heer, waar blijft uw uitval. |
| Ze schermen | |
| Romeo | Trek, Benvolio, sla hun wapens neer.
Heren, schaam u, stop die onzin toch. Tybalt, Mercutio. Uitdrukkelijk heeft de vorst het vechten verboden op Verona's straten. Stop. Tybalt! Beste Mercutio! |
| Tybalt raakt Mercutio onder Romeo's arm door | |
| Een volger | Wegwezen, Tybalt!
Tybalt en zijn volgers af |
| Mercutio | Ik ben geraakt.
De pest met jullie huizen. Het is voorbij. Is hij weg, heeft hij niks? |
| Benvolio | Ah, ben je geraakt? |
| Mercutio | Schrammetje, schrammetje. Maar, het is genoeg.
Waar is mijn page? Weg, kerel, haal een dokter. |
| Page af | |
| Romeo | Kop op, het zal wel niet zo erg zijn, man. |
| Mercutio | Nee, het is niet zo diep als een bron, niet zo breed als een kerkdeur, maar het is wel genoeg, het werkt. Als je morgen naar me vraagt, zul je zien dat ik een doodernstig mannetje ben. Ik ben vast te heet geraakt voor deze wereld. De pest met jullie huizen. God, dat een hond, een rat, een muis, een kat iemand met een schrammetje de dood in kan jagen. Zo'n opschepper, zo'n vuilak, zo'n fielt, die schermt volgens het handboek - maar waarom kwamen jullie tussen ons in? De stoot kwam onder uw arm door. |
| Romeo | Ik dacht dat ik er goed aan deed. |
| Mercutio | Help me een huis in nu, Benvolio.
Ik val zo flauw. De pest met jullie huizen. Ze hebben wormenvlees van me gemaakt. Het is gebeurd, en stevig ook. Die huizen! |
| Mercutio en Benvolio af | |
| Romeo | O, deze heer, zo nauw de Prins verwant,
mijn beste vriend, loopt hier een doodsteek op en nog wel door mijn schuld. Mijn goede naam besmeurd door Tybalts hoon - hij is nog wel een uur mijn echte neef. Lieve Julia, jouw schoonheid maakt dat ik me als vrouw gedraag en het staal van dapperheid in mij verbleekt. |
| Benvolio op | |
| Benvolio | O Romeo, Romeo, Mercutio is dood.
De dappere geest stijgt naar de wolken op, veracht dit aardse leven veel te vroeg. |
| Romeo | Dit zwart vandaag strekt reeds zijn schaduw uit;
hij bracht veel onheil; wat is het besluit? |
| Tybalt op | |
| Benvolio | Hier hebben we die dolle Tybalt weer. |
| Romeo | Hij handen hoog, Mercutio vermoord.
Weer weg, en snel, gedachten van verzoening: laat ik mij leiden door vuurogige furiën. Nou, Tybalt, neem dat 'vuile schurk' terug, wat jij mij laatst gaf, want Mercutio's ziel is nog niet zover weg boven ons hoofd - hij wacht tot jouw ziel hem gezelschap houdt. Het is uit met jou of mij, of allebei. |
| Tybalt | Ellendejong, die met hem samenspeelde,
volg jij hém maar. |
| Romeo | Dat zal dit wel bepalen. |
|
Ze vechten. Tybalt wordt gedood. | |
| Benvolio | Vlug, Romeo, wegwezen.
De stad is op de been, Tybalt is dood. Kom tot jezelf. De Vorst veroordeelt je ter dood, als ze je pakken. Weg, dus, vlug. |
| Romeo | Ik ben speelbal van het lot. |
| Benvolio | Wat sta je daar dan nog. |
| Burgers op | |
| Burger | Waar is Mercutio's moordenaar heen gevlucht?
Waar is die Tybalt heen, die hem heeft vermoord? |
| Benvolio | Daar ligt die Tybalt. |
| Burger | Omhoog, kom, op mijn woord.
In naam van onze Vorst, luister naar mij. |
| De Vorst op, Montague, Capulet, hun echtgenotes, heel het gevolg | |
| Vorst | Wie is begonnen met die vechtpartij? |
| Benvolio | O nobele Vorst, ik weet beter dan wie ook,
hoe het liep, dit zo noodlottig handgemeen. Wie daar ligt, - dood, door de hand van Romeo, - heeft uw verwant vermoord, Mercutio. Gravin Capulet Tybalt, mijn neef! Mijn eigen broeders kind! O, vorst! O, man! Zie wat een bloed ik vind van wie mij dierbaar was. Zie er op toe, dat om ons bloed bloed vloeit van Montague. O neef, O neef! |
| Vorst | Door wie, Benvolio, is de strijd ontbrand? |
| Benvolio | Door Tybalt hier, geveld door Romeo's hand.
Die Romeo heeft hem nog vriendelijk gezegd, dat het toch ging om niets, en dat uwe Hoogheid het had verboden. En dat alles zonder stemverheffing, hoffelijk en heel kalm. Maar dat kon Tybalts fel gemoed niet sussen: doof voor verzoening, richt hij het vlijmscherp zwaard op de borst van dappere Mercutio; en die, niet minder hitsig, kruist de degens, wuift, met kloekmoedige lach, met de ene hand de kille dood terzij, en stuurt met de andere hem terug naar Tybalt, en diens vaardigheid stuurt hem weerom. Romeo, die roept luid: 'Halt, vrienden. Terug!', en vlugger dan zijn tong slaat zijn arm snel de dodenspitsen neer en springt tussen hen; onder zijn arm door raakt een boze uithaal van Tybalt het leven van de dappere Mercutio. Tybalt vlucht, maar keert wat later terug naar Romeo, die nu ineens met wraakzucht is bezield. Men stort zich op elkaar als bliksem, en, voor ik ze kon scheiden, werd Tybalt geraakt, en toen hij stierf, toen vluchtte Romeo weg. Mijn hoofd, als het niet waar is wat ik zeg. Gravin Capulet Hij is aan deze Montague verwant; hij spreekt onwaarheid, hij staat aan hun kant. Met twintigen vielen ze aan, heel wild en woest, zodat die ene wel verliezen moest. Nu eis ik van u, Prins, het recht te geven, Romeo, die Tybalt doodt, mag zelf niet leven. |
| Vorst | Romeo doodt hem, maar wie moet er beboet,
als hij Mercutio doodt, voor dierbaar bloed? |
| Montague | Niet Romeo, Vorst, die was Mercutio's vriend.
Tybalt heeft naar de wet de dood verdiend, en dat deed Romeo's fout. |
| Vorst | En voor die daad
verban ik hem onmiddellijk uit de staat. De tweespalt tussen u raakt mijn gemoed: door uw geruzie vloeit verwantenbloed. Maar ik zal u straffen met zo'n grote boete, dat jullie ook mijn verlies betreuren moeten. Doof houd ik elk excuus of voorspraak af: geen traan of bede houdt hier vrij de straf. Probeer dus niets. Laat Romeo haastig gaan; als hij hier blijft, is het met hem gedaan. Draag dit lijk weg. Dat ons woord heilig zij. Gena vermoordt, laat hem die toesteekt vrij. |
| Allen af | |
Tweede toneel | |
Julia op, alleen | |
| Julia | Vol in galop, vuurvoetig paardenspan,
naar Phoebus' rustplaats. Was uw voerman toch Faëton, die u opzweepte ten westen, met onmiddellijk zwart omwolkte nacht. Spreid, minnenacht, uw dek van zwaar velours, dan valt wie vlucht in slaap, en vliegt Romeo met één sprong in mijn armen; geen die het merkt. Gelieven zien genoeg bij het minnespel door eigen uitstraling. Liefde heet blind; dan komt de nacht goed uit. Kom, stemmige nacht, sobere matrone, geheel in het zwart, leer mij hoe ik moet winnen door verlies - bij het spel om onze niet gebroken onschuld. Leg om mijn onervaren, kloppend bloed uw zwarte mantel, dan durft liefde meer en lacht daarna om al haar schuchterheid. Kom, nacht, kom, Romeo, kom, dag in nacht, want gij ligt op de vleugels van de nacht, witter dan nieuwe sneeuw op ravenrug. Kom, zoete nacht, kom, lieve, donkere nacht, geef mij mijn Romeo; en als ik sterf, deel hem dan op in duizend sterretjes die het uitspansel doen schitteren, dat heel de aard' verliefd wordt op de nacht, en geen nog eren zal verkwister zon. O, ik heb het landhuis van een lief gekocht, maar 't niet betrokken; ja, ik ben verkocht, maar nog niet in genot. Wat duurt vandaag, zoals op de avond voor het grote feest een ongeduldig kind de nieuwe jurk nog niet mag dragen. ah, hier is mijn voedster. |
| Voedster op, met een touwladder, haar handen wringend | |
| En zij brengt nieuws. En, wie maar 'Romeo' zegt
bezit een hemelse welsprekendheid. En, Voedster, nieuws? Wat heb je daar? De touwladder waar Romeo om vroeg? | |
| Voedster | Ja, ja. |
| Julia | Ja, ja, het nieuws! Waarom dat handenwringend? |
| Voedster | O hemel, hij is dood, hij 's dood, hij 's dood.
Het is met ons gedaan, jonkvrouw, gedaan. Helaas, hij 's weg, hij is vermoord, hij 's dood. |
| Julia | Is de hemel zo venijnig? |
| Voedster | Romeo,
en niet de hemel. O Romeo, Romeo. Wie had dat ooit gedacht. Jij, Romeo. |
| Julia | Je bent een duivel, dat je mij zo kwelt.
Galm deze kreet rond in je gruwelhel. Heeft Romeo zichzelf gedood? Knik 'ja', en dat bewegen bevat meer venijn dan dat de basilisk doodt met zijn blik. Ik ben niet ik meer bij zo'n dodenknik; bij oogleden gesloten, sterf ook ik. Knik 'Ja' als hij gedood is; zo niet: 'Nee', een hoofdschudden bepaalt mijn wel of wee. |
| Voedster | Ik heb de wond gezien, met eigen oog,
- God sta mij bij - hier op zijn fiere borst. Een akelig lijk, vol bloed, een akelig lijk; grauw, grauw als as, geheel besmeurd met bloed, geronnen bloed. Toen ik het zag, viel ik flauw. |
| Julia | O, breek, mijn hart. Alles verloren, breek.
Ter kerker, ogen, nooit geen vrijheid meer; bewegen, stop; keer, lage stof, tot stof, en deel met Romeo één zware baar. |
| Voedster | O Tybalt, Tybalt, O, mijn beste vriend,
O hoffelijke Tybalt, man van eer, dat ik 't beleven moet je dood te zien. |
| Julia | Welk stormgeweld beukt hier twee kanten op?
Is Romeo vermoord, is Tybalt dood? Mijn liefste neef, en mijn nog lievere heer? Dan, doemtrompet, schal voor de jongste dag, want wie leeft nog als die twee zijn gegaan? |
| Voedster | Tybalt is dood, en Romeo is verbannen.
Romeo die hem gedood heeft is verbannen. |
| Julia | Is Tybalts bloed verspild door Romeo's hand? |
| Voedster | Ja, echt, O, onheilsdag, zo is het gegaan. |
| Julia | O, slangenhart, verhuld in bloemgezicht.
Heeft ooit een draak zo'n prachtige grot bewoond? Schitterende woesteling, lam met wolvenmuil! Verfoeilijk wezen in goddelijke vorm. Het tegendeel van dat wat je juist schijnt. Verdoemde heilige, jij, schurk van eer. Natuur, wat had jij in de hel te doen, toen je een duivelsgeest een woonplaats bood in het sterfelijk paradijs van zulk lief vlees? Kreeg ooit een boek met zulke vunzigheid zo'n fraaie band? En hoe bewoont bedrog zo'n schitterend paleis? |
| Voedster | Geloof ze niet,
mannen kennen geen trouw, geen eer. Het is woordbreuk, meineed, slechtheid: stuk voor stuk huichelaars. Waar is mijn knecht? Geef me wat levensvocht. De pijn, de smart, de kommer maakt mij oud. Schande, die Romeo. |
| Julia | Blaren op je tong
dat je dat zegt. Hij is niet tot smaad geboren. Geen schandvlek wil uit schaamte op zijn hoofd, want op die troon moet eerbaarheid gekroond, enig monarch van het wereld-universum. O, wat een beest was ik hem af te katten. |
| Voedster | Hoe kunt u hem bijvallen, zo'n moordenaar! |
| Julia | Hoe kan ik hem afvallen, mijn echtgenoot?
Wie, lieve man, strijkt ooit jouw naam weer glad, als ik, drie uur je vrouw, die zo beklad. Waarom, ellendeling, mijn neef vermoord? Die schurk had anders vast mijn man gedood. Terug, domme tranen, vloei weer naar uw bron: huilen bij afscheid hoort bij smart en pijn, - uw druppels zijn verkeerd, 't gaat hier om vreugd. Mijn man leeft, haast geveld door Tybalts hand, en Tybalt zelf is dood, die hem wou doden. Dit moet mijn troost zijn. Waarom dan gehuild? Ik hoorde een woord, erger dan Tybalts dood, dat mij vermoord heeft. Het liefst vergat ik het, maar, O, het drukt zo zwaar op heel mijn weten, als daden die verdoemen op de zondaar. Tybalt is dood en Romeo is - verbannen. 'Verbannen', 'Banneling', dat ene woord, dat slaat wel duizend Tybalts: Tybalts dood was erg genoeg, als dat het laatste was. Als bitter leed niet graag alleen wil komen, en altijd andere smarten bij zich wenst, waarom volgde zij niet dat 'Tybalts dood' met 'En je vader', 'Moeder', 'Allebei', want dat bracht bij mij passend rouwbeklag. Maar nu kwam na de klap van Tybalts dood 'Romeo is verbannen': dat ene woord is vader, moeder, Tybalt, Romeo, Julia, allen dood. Romeo, verbannen, hierna is er geen eind, geen maat, geen grens, geen lijn, zo doodt dat woord, met zijn onzegbare pijn. Zeg mij, wat vader, en wat moeder doet. |
| Voedster | Aan Tybalts baar storten ze een tranenvloed. |
| Julia | Hun traan wast nu zijn wonden. Maar mijn oog
huilt pas als Romeo weg is, hun traan droog. Neem mee dat ding. We zijn bedrogen, touw, ook ik, want Romeo moet gaan, en gauw. Tot heerbaan naar mijn bed werd jij gemaakt; maar ik sterf als een meisje, als weduw-maagd. Kom touw, kom Min, mijn huwelijksbedje naakt: door dood, niet Romeo, wordt ik aangeraakt. |
| Voedster | Gauw naar uw kamer. Ik zoek Romeo op,
om lief voor u te zijn. Ik weet waar hij is. Hij komt beslist vannacht, uw lieveling. Hij houdt zich schuil in Fra Lorenzo's cel. |
| Julia | Dan geef mijn trouwe ridder deze ring;
en hij moet komen voor zijn laatst vaarwel. |
| Beiden af | |
Derde toneel | |
Pater Laurens op | |
| Pater Laurens | Romeo, waar zit je toch, jij, man vol vrees.
Verliefd valt smart voor jouw voortreffelijkheid, en van ellende ben jij de echtgenoot. |
| Romeo op | |
| Romeo | Nog nieuws? Wat is het vonnis van de vorst?
Welk leed wil nader met mij kennis maken waar ik nog niets van weet? |
| Pater Laurens | Te vaak ga jij,
mijn lieve zoon, met slecht gezelschap om. Ik kom het vonnis van de vorst berichten. |
| Romeo | Is het vonnis milder dan de Oordeelsdag? |
| Pater Laurens | Wat van zijn lippen viel was minder erg.
Niet het lichaam dood, maar het lichaam wordt verbannen. |
| Romeo | Wat, ballingschap. Heb meelij, en zeg: 'Dood'.
Verbanning treft met gruwelijker pijn, erger dan dood. Nee, zeg niet: 'Ballingschap'. |
| Pater Laurens | Hij stuurt je enkel uit Verona weg.
Dus, kalm; de wereld heeft nog zo veel meer. |
| Romeo | Buiten Verona's wallen is er niets
dan vagevuur en foltering en hel. Verbannen is dus uit de wereld weg, dus is verbannen dood. Dezelfde woorden, dood, verbanning. Jij noemt de dood verbanning, jij hakt mijn hoofd af met een gouden bijl, en glimlacht bij de slag die mij vermoordt. |
| Pater Laurens | O, doodzonde, O, grove ondankbaarheid.
De wet vonnist jou dood, maar onze Vorst, die het voor je opnam, schoof die wet ter zij en sprak 'verbanning' uit in plaats van 'dood'. Dit is genade, en jij ziet het niet. |
| Romeo | Het is foltering, geen gena. Waar Julia leeft,
daar is de hemel; elke kat en hond, elk muisje, ja elk allerkleinste wezen leeft hier in de hemel en mag haar steeds zien, maar Romeo mag dat niet. Meer waardigheid, meer aanzien, groter staat van hoffelijkheid dan Romeo heeft de aasvlieg. Want die mag de witte wonderhand van Julia raken, de eeuwige zegen roven van haar lippen, die in zuivere en Vestaalse reinheid al het elkaar raken als schaamte en zonde zien. Maar Romeo mag dat niet, de banneling. De vlieg mag dat, maar ik, ik vlieg eruit. Die heeft die vrijheid, ik ben banneling. Hoe zeg jij dan, verbannen is geen dood? Had jij geen gifje klaar, geen vlijmscherp mes, geen simpel middeltje voor plotse dood, dat je mij doodt met 'Bannen', 'Banneling'? Dat woord spreken verdoemden in de hel, gillend en huilend. Hoe heb jij het hart, een man van God, een geestelijk belijder, een biechtvader, en naar je zegt mijn vriend, om mij te folteren met dat 'Banneling'? |
| Pater Laurens | Jij bent veel te verliefd, man, luister toch. |
| Romeo | Dan praat jij toch weer vast van 'Ballingschap'. |
| Pater Laurens | Ik zal je wapenen om dat woord te weren,
met zoete melk voor rampspoed, wetenschap, om jou te troosten als je balling bent. |
| Romeo | Dus toch 'Verbannen'? Weg met wetenschap.
Tenzij die een Julia voor mij maken kan, een stad verplaatsen, een vonnis terug kan draaien, baat het, noch helpt het mij. Hou nou maar op. |
| Pater Laurens | Dat dwazen ook doof waren, wist ik al. |
| Romeo | Net als dat wijzen zonder ogen gaan. |
| Pater Laurens | Laat ons eens kijken hoe het met jou staat. |
| Romeo | Jij kunt niet spreken van wat je niet voelt.
Was jij zo jong als ik, Julia je lief - nog maar een uur je bruid -, Tybalt vermoord, als ik verliefd, als ik een banneling, dan kon je spreken, dan je haar uitrukken, je op de grond storten zoals ik hier nu meet hoe groot mijn eigen graf moet zijn. |
| Er wordt geklopt | |
| Pater Laurens | Sta op, er wordt geklopt. Verberg je gauw. |
| Romeo | Waarom? Tenzij de ademtocht van hartezucht
als mist me omhult tegen een zoekend oog. |
| Er wordt geklopt | |
| Pater Laurens | Luister dan toch. - Wie is daar? - Romeo, sta op,
je bent er bij. - Ja, even nog. - Sta op. |
| Er wordt geklopt | |
| Ren naar mijn cel. - We komen al. - Mijn God,
wat is dit voor een onzin.- Ik kom al. | |
| Er wordt geklopt | |
| Waarom zo hard? Wie bent u? En wat wilt u? | |
| Voedster | [Achter] Laat mij erin, dan hoort u wat ik kom doen.
Ik kom van vrouwe Julia. |
| Pater Laurens | Dan welkom. |
| Voedster op | |
| Voedster | O heilige Pater, zeg mij, heilige pater,
Waar is mevrouw haar man, waar is Romeo? |
| Pater Laurens | Daar op de grond, dronken van eigen tranen. |
| Voedster | Met hem is het net als met mijn vrouwe,
hetzelfde geval. O treurig leed van twee, het is werkelijk om te huilen. Zo ligt zij ook, zo grient ze, huilt, zo huilt ze, grient ze. Recht op, laat zien dat u een man bent. Om Julia, om haar, rechtop, omhoog. Zo'n slap geval in een zo diepe put. |
| Romeo | Min. |
| Voedster | Kerel, wie aan zijn eind komt die is klaar. |
| Romeo | Zei je iets van Julia? Hoe is het met haar?
Ben ik voor haar geen grote moordenaar, nu ik ons de vreugd van kind-zijn heb bespat met bloed dat zo na aan haar is verwant? Waar is ze? En hoe voelt ze zich? Wat vindt mijn stille lief van ons verstild geluk? |
| Voedster | O, ze zegt niets, heer, maar ze huilt, en huilt,
en werpt zich op haar bed, schokt dan weer op, ze roept om Tybalt, huilt om Romeo, en dan valt ze weer neer. |
| Romeo | Alsof die naam,
een dodend schot uit goed gericht geweer, haar heeft vermoord; die naam, wiens vloekhand ook haar neef vermoord heeft. Vader, zeg mij toch, welk rottig deel van deze anatomie herbergt mijn naam? Dan haal ik hier nog neer dat gruwelijk huis. |
| Pater Laurens | Weg met die dolle hand.
Ben jij een man? Je uiterlijk schreeuwt ja. Je tranen zeggen vrouw, je wild gedrag zegt woedend dier zonder enig verstand. Je schijnt geen vrouw, maar meer een man in schijn, een onnatuurlijk beest met schijn van twee. Ik sta verbijsterd. Bij mijn heilige orde, ik dacht dat jij beheerster was van aard. Heb jij Tybalt gedood? En nu jezelf? En ook je vrouw, die in jouw leven leeft; zoek je je eind door een verdoemde daad? Je geeft af op je afkomst, hemel en aarde. Want afkomst, hemel en aarde komen saam in jou; en die wil jij in een klap kwijt. Jij smaadt je lichaam, liefde, je verstand; jij, vrek met alles al in overvloed, woekert geenszins, bent ongeïnteresseerd in wat eer schenkt aan lichaam, liefde en geest. Jouw nobele vorm is slechts een wassenbeeld als hij de kloekheid van een man ontbeert. Wat jij aan liefdeseden zweert is vals, en doodt de liefde die jij koesteren zou. Jouw geest, het sieraad van jouw liefde en vorm, door het gedrag van beide zwaar misvormd, slaat in de vlam door eigen onverstand, als het buskruit bij een onbekwaam soldaat; door jouw bescherming word je zelf ontleed. Kom, kop op, man. Jouw Julia leeft, om haar lag jij zo even nog voor dood. Nou lach je weer. Die Tybalt wilde jou, maar jij hebt hem gedood. Nou lach je weer. De wet, die met dood dreigde, wordt je vriend, maakt dood tot ballingschap. Nou lach je weer. Een last van zegen drukt licht op je rug; het geluk in feestgewaad lacht je nu toe, maar als een kwalijk en vervelend wicht pruil jij bij al je liefde en geluk. Pas op, pas op, wie zo doet sterft in schand. Kom, haast je naar je lief, zoals was bepaald, klim naar haar kamer - troost haar, schiet toch op. Maar blijf niet tot men daar een wachtpost zet, dan kom je niet meer weg naar Mantua, waar je zult wonen, tot wij mettertijd 't huwelijk bekend maken, vrienden verzoenen, de Vorst vergeving vragen en jou hier met twintig, honderd, duizendmaal meer vreugd terughalen dan je jammerend nu gaat. Ga alzovast, voedster, groet je mevrouw, heel het huis moet zij vroeg slapen laten gaan; met al die droefheid moet dat makkelijk zijn. Romeo komt. |
| Voedster | O Heer, als ik toch hier de hele nacht
kon blijven om te luisteren. Wat geleerd! Ik zal mevrouw zeggen, heer, dat u komt. |
| Romeo | Laat ze alvast maar bozig op me zijn. |
|
Voedster wil gaan maar draait zich om. | |
| Voedster | Ik moest u deze ring nog geven, heer.
Maar vlug nou, schiet eens op, het wordt al laat. |
| Af | |
| Romeo | Dit blaast weer leven in mijn wankele moed. |
| Pater Laurens | Welterusten; uw lot hangt hiervan af:
of u bent weg, voor men de wacht uitzet, of sluipt vermomd bij de ochtend hiervandaan. Blijf maar in Mantua, dan zoek ik wel uw dienaar op, dat hij van tijd tot tijd u kan vertellen hoe alles hier loopt. Geef me je hand. Het is laat. Vaarwel. Slaap goed. |
| Romeo | Als mij niet wachtte het allerzoetste zoet,
deed het mij pijn, dat ik van jou scheiden moet. Vaarwel. |
| Beiden af | |
Vierde toneel | |
Capulet, Gravin Capulet en Paris op | |
| Capulet | Alles liep hier zo tegen, heer, dat wij
geen tijd hadden de dochter om te praten. Zij mocht haar neef, Tybalt, zo graag, weet u, trouwens, ik ook. Wel, sterven is ons lot. Ze zal wel boven blijven. Het is erg laat. Het is dat u hier bent, dat zeg ik u, anders lag ik al lang een uur in bed. |
| Paris | In tijd van rouw past geen verzoek tot trouw.
Gravin, welterusten. Groet u uw dochter straks. Gravin Capulet Zeker, en morgen peil ik wat ze wil. Ze heeft zich met haar smart teruggetrokken. |
| Paris maakt aanstalten om te gaan, maar Capulet roept hem terug. | |
| Capulet | Met alles wat ik heb verzeker ik u,
dat zij u het ja-woord geeft. Wat ik haar zeg, dat zal ze doen, ja, ik weet het zeker, meer. Vrouw, ga voor het slapen even naar haar toe, spreek haar van Paris' aanzoek hier, mijn zoon, zeg haar - let op - om woensdag die nu komt - maar wacht - wat is het vandaag? |
| Paris | Maandag, mijn heer. |
| Capulet | Maandag. Hm, ja. Maar woensdag is te vlug.
Het moet donderdag; zeg haar, het is donderdag, dat zij zal trouwen met de nobele graaf. Schikt dat u, heer. Of is het soms te vlug? Een paar vrienden, dat is alles wat we doen; want, ziet u, Tybalt is zo pas vermoord, en als we een groot feest geven zegt men vast dat wij niet zoveel gaven om een neef. Dus nodigen we maar zes vrienden uit, daar blijft het bij. Schikt het, op donderdag? |
| Paris | Ik wou dat het morgen al donderdag was, heer. |
| Capulet | Goed, afgesproken. Het is dus donderdag.
Spreek, vrouw, met Julia voor u slapen gaat, zeg dat ze op die dag in het huwelijk treedt. Tot morgen, heer. Breng licht naar mijn vertrek. Goeiendag, het is al zo vreselijk laat, dat men het bijna vroeg kan noemen. Welterusten. |
| Allen af | |
Vijfde toneel | |
Romeo en Julia boven aan het venster op | |
| Julia | Wil je al weg? Het is nog lang geen dag.
Het was de nachtegaal, geen leeuwerik wiens zang diep in jouw angstige oren drong. 's Nachts zit die steeds in de granaatboom daar. Geloof me, lief, het was de nachtegaal. |
| Romeo | Ik hoorde een leeuwerik, die de ochtend meldt,
geen nachtegaal. Zie, lief, hoe een streep licht in de oost het brekend zwerk hebberig omzoomt. De nachtkaarsen zijn opgebrand, speels kriekt de dag over de neveltoppen heen. Ik moet gaan en leven, blijven is dood. |
| Julia | Dat licht daar is geen daglicht; ik weet het, toch.
Het is een dampverheffing die de zon opzuigt en ontsteekt tot jouw toorts vannacht, als jouw licht op je weg naar Mantua. Blijf daarom nog: je hoeft nog heus niet weg. |
| Romeo | Grijp me dan maar, en breng me maar ter dood,
het mag van mij, als jij het zo graag wilt. Dat licht daarginds is niet de ochtendglans, het is echt de schijn van Cynthia's gelaat. Het is ook geen leeuwerik wiens klank weerkaatst tegen het uitspansel hoog boven ons. Ik blijf veel liever hier dan dat ik ga. Kom, dood, wees welkom. Dat wenst Julia. Wat wil je, lief? Het kan de dag niet zijn. |
| Julia | Jawel, jawel. Schiet op, ga weg, verdwijn.
Het is de leeuwerik, die zo vals zingt, een hoog, schril piepje, niet om aan te horen. Vaak brengt zij, zegt men, fraaie riedels voort. Maar deze houdt mij hier, en drijft jou weg. Leeuwerik en pad, zegt men, ruilen van oog. Hadden zij ook nog maar van stem geruild, want die schrikt onze omhelzing uit elkaar, jaagt jou ons eerste bed uit met haar lied. Ga nou toch weg, het wordt almaar lichter licht. |
| Romeo | Steeds lichter licht, steeds zwarter, zwarter pijn. |
| Voedster komt haastig op | |
| Voedster | Jonkvrouw. |
| Julia | Wat is er, min? |
| Voedster | Mevrouw uw moeder is op weg naar u.
Het is dag, pas op, en kijk goed uit. |
| Af | |
| Julia | Laat dag dan komen, venster, leven gaan. |
| Romeo | Vaarwel, vaarwel, een kus, en ik ben weg. |
| Hij klimt naar beneden | |
| Julia | En, weg. Lief, heer, ja, echtgenoot en vriend,
ik wil dagelijks van je horen, ieder uur, elke minuut duurt vele dagen lang. Als ik zo tel, dan ben ik vreselijk oud, wanneer ik je weer zien zal, Romeo. |
| Romeo | Vaarwel.
Ik zal elke keer, wanneer ik dat maar kan, mijn groeten aan je overbrengen, lief. |
| Julia | Maar, liefste, zien we elkaar ooit nog terug? |
| Romeo | O, onze tijd komt vast, om al dit leed
in zoete omhelzing innig uit te praten. |
| Julia | O God, mijn hart heeft zo'n vreemd voorgevoel.
Nu jij daar onder bent, lijkt het of ik jou dood zie op de bodem van een graf. Als ik het goed zie, dan ben jij nu bleek. |
| Romeo | O, lief, geloof me, maar dat ben jij ook.
Droog leed drinkt al ons bloed. Vaarwel. Vaarwel. |
| Af | |
| Julia | Fortuin, Fortuin, een ieder noemt u vals.
Als u vals bent, wat doet u dan met hem wiens trouw befaamd is? O, wees maar vals, Fortuin, want dan hoop ik dat u hem niet lang houdt, maar hem terugstuurt. |
| Gravin Capulet op | |
| Gravin Capulet | Wel, dochter, nog steeds op? |
| Julia | Wie roept mij daar? Dat is de stem van moeder.
Zo laat nog niet naar bed, of zo vroeg op? Welk ongewone reden brengt haar hier? Gravin Capulet Wat is er, Julia? |
| Julia | Ik voel mij niet goed.
Gravin Capulet Nog steeds om Tybalts dood aan het huilen? Wil jij hem met tranen wassen uit zijn graf? En kon je dat, dan kon je hem niet doen leven. Bedwing je toch: wie rouwt straalt liefde uit, maar te veel smart wijst op beperkt verstand. |
| Julia | Laat mij toch huilen om zo'n diep verlies.
Gravin Capulet Dan voel je het verlies, maar niet de vriend waar je om huilt. |
| Julia | Zo voel ik dat verlies,
dat ik om die vriend wel altijd huilen zal. Gravin Capulet Wel, meisje, het is niet zozeer zijn dood, maar dat de schurk die hem heeft gedood nog leeft. |
| Julia | Die schurk, zegt u? |
| Gravin Capulet | Ja, die schurk Romeo. |
| Julia | Hij en een schurk, een hemelsbreed verschil.
Vergeef hem, God, zoals ik met heel mijn hart. En toch verwondt geen man mij zo als hij. Gravin Capulet Ja, want die schurk leeft nog, een moordenaar. |
| Julia | Buiten bereik van onze handen, weg.
Kon ik de dood maar wreken van mijn neef. Gravin Capulet Die zal gewroken worden, wees niet bang. Huil maar niet meer. Iemand in Mantua, waar die verbannen vagebond nu leeft, geeft hem een drankje, maar zo ongewoon, dat hij heel gauw Tybalt gezelschap houdt; ik hoop, dat dat jou dan voldoening schenkt. |
| Julia | Ik zal pas dan werkelijk bevredigd zijn
met Romeo, als ik hem zien kan - dood is mijn arm hart, om een verwant in pijn. Vind, Mamma, toch iemand die het vergif kan brengen, dan maak ik het mengsel wel - en Romeo zal, als hij het ontvangt, onmiddellijk rustig slapen. Mijn hart gruwt, als ik zijn naam hoor en niet weg kan gaan om mijn verwant te wreken en gelijk me op hem te storten die hem heeft vermoord. Gravin Capulet Als jij de middelen vindt, vind ik zo'n man. Maar nu een vrolijker bericht, mijn kind. |
| Julia | Wat blijdschap komt van pas bij zoveel leed.
Vertel mij, moeder, als ik vragen mag. Gravin Capulet Wel, kind, je vader zorgt maar goed voor jou; opdat je al je smart vergeten zou, komt hij opeens aan met een dag vol vreugd, die jij niet had voorzien, ik niet verwacht. |
| Julia | Wat fijn, Mamma. En wat voor dag is dat?
Gravin Capulet Luister, mijn kind. Aanstaande donderdag zal een galante, jonge, nobele heer, Graaf Paris, jou in de St. Pieterskerk naar het altaar leiden als een blijde bruid. |
| Julia | Wel, bij de Pieterskerk, en Petrus zelf,
daar leidt hij mij niet heen als blijde bruid. Waarom die grote haast, dat ik trouwen moet met een man die mij niet eens nog heeft gevraagd? Vertel mijn heer en vader, alstublieft, dat ik nu nog niet trouw. En als ik trouw, dan liever nog met Romeo die ik haat dan met die Paris. Dat is nog eens nieuws. Gravin Capulet Daar komt uw vader, zeg het hem zelf nu maar. En kijk dan ook goed hoe het bij hem valt. |
| Capulet en voedster op | |
| Capulet | Zonsondergang bedrupt de aard met dauw,
maar als zo'n broederzoon ten onder gaat, dan stort de regen neer. In tranen, meisje? Ben je een mensfontein? En blijft maar spuiten? In zo'n klein lijf doe jij een scheepje na, een zee, een wind. Je ogen noem ik de zee, met eb en vloed van tranen. En je lichaam is de bark, zeilend op het zilte nat; je zucht is wind, die strijdt met tranen en zij weer met hem, en zonder luwte omverblazen wil jouw stormgebeukte lijf. En, vrouw, hoe is het? Al meegedeeld wat er besloten is? Gravin Capulet Ja; maar zij wil hem niet, nee dank u wel. Was deze dwaas maar aan haar graf getrouwd. |
| Capulet | Wat is dat, vrouw; begrijp ik u nu goed?
Zij wil hem niet, en zonder een dank-u-wel. Voelt ze zich niet gezegend, straalt van trots, dat wij voor haar, onwaardig als zij is, zo'n waarde heer als man hebben bedacht. |
| Julia | Niet trots, maar dankbaar voor wat is gedaan.
Ik kan niet trots zijn op dat wat ik haat, maar als haat lief wil zijn, dan dank ik u. |
| Capulet | Nou, nou, nou, nou. Zo spits, en zo ad rem.
'Trots' en 'Ik dank u', en 'U wordt bedankt', en toch 'niet trots'. Wel, klein, verwend stuk heks, dank me geen dankjes en trots me geen trots; zorg dat je donderdag mooi opgepoetst met Paris meegaat naar de Pieterskerk, of ik sleep je er eigenhandig heen. Weg, weg, jij onvolwassen stuk verdriet! Weg, bleekneusje! Gravin Capulet Nou gaat u echt te ver! |
| Julia | Ik smeek u op mijn knieën, vader lief, |
| Ze knielt | |
|
luister dan één keer toch naar mijn verhaal. | |
| Capulet | O, val omhoog, jong stuk ondankbaarheid.
Ik waarschuw je, als jij niet donderdag ter kerke gaat, dan ik wil je nooit meer zien. Mond dicht, ik wens geen tegenspraak, nee, stil, mijn vingers jeuken. God, zo meenden wij, had ons maar slecht gezegend met één kind; maar nu zie ik dat ene als een te veel, en dat wij beiden zijn vervloekt met haar. Wegwezen, kreng. Voedster De Hemel zegene haar. Het is ongepast, zo op haar te katten, heer. |
| Capulet | Hoezo, mevrouw Wijsheid? Houd toch uw mond,
bemoeial. Kakel in de keuken, hop. |
| Voedster | Ik zeg toch niets kwaads? |
| Capulet | Goeie avond en verdwijn. |
| Voedster | Een mens mag toch iets zeggen. |
| Capulet | Stil, oud wijf.
Bij uw theekransje moet u uw wijsheid kwijt. Hier hoeft dat niet. |
| Gravin Capulet | Wind u toch niet zo op. |
| Capulet | Mijn God, ik word gek. Steeds, dag en nacht, vroeg, laat,
op het werk en thuis heb ik mijn best gedaan om haar getrouwd te krijgen. En nu kom ik met een nobele edelman van stand, met zo'n familie, jeugdig, welgesteld, om zo te zeggen volgestopt met deugd, iemand die elke vrouw zich wensen zou - en dan komt daar zo'n jengelend poppetje, zo'n grienend nest, het geluk haast in de schoot, en zegt: 'Ik trouw niet, nee, ik ben te jong, ik kan niet van hem houden, alstublieft'. Maar, als u dan geen man wilt, het mag van mij. Graas waar u wilt, maar woon dan niet meer thuis. Let op, denk na; ik maak geen grapjes, nooit. Het is bijna donderdag. Weet wat u wilt. Kiest u voor mij, dan geef ik u mijn vriend. Zo niet, hop, bedel, honger, sterf op straat. Want ik verloochen je, zo waar ik leef, en al het mijne valt u nooit ten deel. Denk dus goed na; hier kom ik niet op terug. |
| Af | |
| Julia | Is er in de wolken geen erbarmen meer,
dat neerziet op de smarten in mijn hart? O lieve moeder, nee, verstoot mij niet, verschuif dit huwelijk maar een maand, een week. Als u het niet wilt, maak dan mijn bruidsbed op in het donker grafgewelf waar Tybalt ligt. Gravin Capulet Spreek niet met mij, want ik zeg toch niets meer. Doe je eigen zin, met jou ben ik uitgepraat. |
| Af | |
| Julia | O God, O Min, hoe komen we hier nu uit?
Mijn man is hier op aard, mijn trouw in de hemel. Hoe keert die eed ooit naar de aarde terug, tenzij die man mijn eed uit de hemel stuurt door van de aard te gaan. Troost me, geef raad. Wee mij, wee mij, een schepseltje zo zwak, door listen van de hemel zo belaagd. Wat zeg je, zelfs niet één opbeurend woord, geen troost, mijn Min. |
| Voedster | Stil maar, hier komt het dan.
Romeo is verbannen; ik wed er alles op, dat hij niets waagt en u hier halen komt. Als hij dat doet, dan moet dat in het geheim. Dus, daar de zaken staan zoals ze staan, kon u maar het beste trouwen met de graaf. Het is een beminnelijk man, en ja naast hem is Romeo maar een vod. Een arend heeft, jonkvrouw, niet zo'n fel, fier, zo'n wakker oog als Paris. Bij mijn zaligheid, ik vind, dat dit huwelijk u pas gelukkig maakt; veel beter dan het eerste. En zo niet, uw eerste is dood, of toch zo goed als dood, want ook al leefde hij hier, wat hebt u aan hem. |
| Julia | Spreek je vanuit je hart? |
| Voedster | En uit mijn ziel, zo niet dan straffe God. |
| Julia | Dan Amen. |
| Voedster | Wat? |
| Julia | Ik moet zeggen, je hebt me vreselijk getroost.
Ik heb mijn vader zeer mishaagd, en dus - zeg dat mijn moeder maar - ben ik nu weg om bij Lorenzo snel te biecht te gaan. |
| Voedster | Dat doe ik zeker. Wat een wijs besluit. |
| Af | |
| Julia | Wat een oud wijf. O, boze duivelin.
Zondigt zij meer als zij mij ontrouw wil, of mijn gemaal smaadt met dezelfde tong waarmee ze hem duizendmaal geprezen heeft als weergaloos. Weg, raadgeefster. Voortaan gaapt er tussen ons twee een diepe kloof. De monnik weet vast raad in al mijn nood; faalt alles, dan rest enkel mij de dood. |
| Af | |