| Timon van Athene
timon of athens vertaling : Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste bedrijf Eerste toneel - De Dichter, de Schilder, de Juwelier, de Koopman en anderen op, door verschillende deuren | |
| Dichter | Gegroet, heer. |
| Schilder | Ik ben blij u wel te zien. |
| Dichter | Ik heb u lang niet gezien. Hoe gaat de wereld? |
| Schilder | Die loopt af met de tijd. |
| Dichter | Dat weten we.
Maar is er niet iets vreemds, iets buitengewoons dat nog niet overal anders rondgaat. Zie, magie der gulheid, uw macht roept hier op al deze geesten. Maar ik ken die koopman. |
| Schilder | Ik beiden: die ander is een juwelier. |
| Koopman | Een waardig man. |
| Juwelier | Dat is iets wat zeker is. |
| Koopman | En zonder weerga, als het ware getraind
in onvermoeibaar en gestadig geven. Uitmuntend. |
| Juwelier | Ik heb hier een juweel - |
| Koopman | O, mag ik die zien. Vast voor Heer Timon, niet? |
| Juwelier | Wanneer mijn prijs hem aanstaat. Maar wat dat - |
| Dichter | [Terzijde tegen de Schilder] Als wij het slechte prijzen om de winst,
werpt dat een smet op het uitbundig lied dat graag van het goede zingt. |
| Koopman | [Bekijkt het juweel] Heel mooi van vorm. |
| Juwelier | Hoe rijk. En kijk eens wat een zuiver water. |
| Schilder | Bent u een gedicht aan het wrochten, of een opdracht
aan de grootvorst. |
| Dichter | Het ontglipte mij zo maar.
Ons dichten is als hars, dat steeds wegvloeit vanwaar het voedsel krijgt; de vuursteenvlam vonkt pas bij het slaan; òns edel vuur ontsteekt zichzelf, en stroomt soms onverwachts terug vanwaar het heensloeg. Maar wat heeft u daar? |
| Schilder | Een schilderij. Wanneer komt uw boek uit? |
| Dichter | Gelijk als ik het heb aangeboden, heer.
Mag ik uw doek eens zien? |
| Schilder | Het is heel goed. |
| Dichter | Ja, nou; en dit hier komt voortreffelijk uit. |
| Schilder | Niet slecht. |
| Dichter | Grandioos. En dan die uitstraling
van die figuur! Wat een mentale kracht spat uit die ogen! Welk een fantasie spreekt uit die lip! De woorden bij het gebaar kan men er zo bij denken. |
| Schilder | Ja, het leven is hier aardig nagemaakt.
Bevalt u deze streek? |
| Dichter | Ik zal u zeggen,
een les voor de natuur; het kunstig streven leeft in die streken, levendiger dan leven. Enkele senatoren op, die naar binnen gaan, naar Timon. |
| Schilder | Wat krijgt die man een hulde. |
| Dichter | De senatoren van Athene, hoe gelukkig. |
| Schilder | Kijk, nog meer van hetzelfde. |
| Dichter | Zie toch die toeloop, die vloedgolf bezoekers.
Ik heb in mijn ruw werk een man geschetst die door dit ondermaanse wordt omarmd, omklemd met rijkste gunst. Mijn vrije vaart stopt nergens speciaal, maar beweegt zich vrij in een zee van was: geen gericht kwaad besmeurt één komma van mijn strakke koers, die als een adelaar vliegt, strak, onverschrokken, en geen spoor achterlaat. |
| Schilder | Hoe moet ik dit begrijpen? |
| Dichter | Ik zal het u ontsluiten.
U ziet hoe alle rangen, alle geesten, de gladden en gluiperigen, maar ook wie ernstig en streng is, geheel ten dienste willen staan van Timon. Zijn grote rijkdom, die zijn natuur, zo goed en gul, omkleedt, verbindt en dwingt tot liefde en opwachting elk soort hart; van spiegeltronie die vleit tot Apemantus, die niets liever doet dan van zichzelf te balen - zelfs hij buigt de knie voor hem, en keert tevree terug, verrukt dat Timon naar hem knikte. |
| Schilder | Ik heb ze ooit in gesprek gezien. |
| Dichter | Wel, heer,
ik schreef eens van Fortuna op haar troon, hoog op een mooie heuvel. Aan de voet staan rijen mensen, van elk soort en slag, die op de welving van deze aardbol zwoegen voor meer bezit. En tussen al het volk met de ogen op die vorstenvrouw gericht beschrijf ik er één die op heer Timon lijkt; dìe wenkt Fortuna met haar elpen hand, en haar gunst maakt elke rivaal ter plekke tot dienaren en slaven. |
| Schilder | Meesterlijk!
Die troon, Fortuna, en die heuvel, ja, één man, gewenkt uit heel die rest beneden, die zijn hoofd buigt tegen de steile berg op weg naar zijn geluk, zou heel goed passen in ons geval. |
| Dichter | Maar luister verder, heer:
en iedereen, net nog aan hem gelijk - misschien wel meer dan hem, volgt ogenblikkelijk zijn schreden, vult zijn huis met huldeblijk, stort zijn oor vol vergodend prevelen, heiligt zelfs zijn stijgbeugel, drinkt door hem de vrije lucht. |
| Schilder | Maar, maar, wat komt er dan? |
| Dichter | Als wispelturige Fortuna dan
haar gunsteling verstoot, laat zijn gevolg, dat achter hem aan die berg op heeft gezwoegd, ja, op handen en voeten, hem zo maar zitten, kijkt er geen om, nu zijn voet niet meer wil. |
| Schilder | Zo is het altijd.
Ik heb wel honderden stichtende prenten die pregnanter dan woorden laten zien hoe dat Fortuna treffen kan. Maar u moet Timon voorhouden, hoe het oog van minderen de voet boven het hoofd gezien heeft. Trompetgeschal. Heer Timon op; hij richt zich hoffelijk tot smekelingen; ook op een boodschapper van Ventidius, die met hem praat; verder Lucilius en nog wat dienaren. |
| Timon | Zit hij gevangen, zegt u? |
| Boodschapper | Ja, mijn heer; voor vijf talenten schuld;
en hij zit krap; zijn schuldeisers zijn hard. Een brief van Uwe Edelheid vraagt hij, voor wie hem lieten opsluiten, want zonder eindigt al zijn hoop. |
| Timon | Vriend Ventidius. Wel,
ik ben de man niet die een vriend wegschuift als die mij nodig heeft. Ik weet dat hij een heer is die wat hulp zeer wel verdient; en die krijgt hij: ik betaal, en zet hem vrij. |
| Boodschapper | Daarmee verplicht Uwe Hoogheid hem voor altijd. |
| Timon | Groet hem van mij; ik stuur het geld meteen;
en als hij vrij is, moet hij mij bezoeken. Wie zwak is moet niet slechts geholpen, maar ook verder ondersteund. Het beste met u. |
| Boodschapper | Ik wens Uwe Edelheid alle geluk. Af
Een oude Athener op |
| Oude Athener | Heer Timon, hoor mij aan. |
| Timon | Spreek, beste grijsaard. |
| Oude Athener | Jij hebt een dienaar die Lucilius heet. |
| Timon | Dat klopt. Wat is er met hem? |
| Oude Athener | Hoogedele Timon, laat hem hierheen komen. |
| Timon | Is hij in het gevolg? Lucilius.
Lucilius Hier, geheel tot uw dienst, Uwe Edelheid. |
| Oude Athener | Dit ventje, Heer Timon, dit creatuur
komt steeds 's avonds bij mij. Ik ben een man die altijd heel mijn leven heeft gespaard; mijn goed verdient een hogere erfgenaam dan een die borden opdient. |
| Timon | Wel, en verder? |
| Oude Athener | Eén dochter heb ik maar, en anders niemand
aan wie ik kan overdragen wat ik bezit. Ze is mooi en jong, maar oud genoeg als bruid, geen kosten spaarde ik voor haar opvoeding, in alles het allerbest. Die knecht van jouw maakt haar het hof. Ik verzoek je, nobele heer, verbied hem, met mij, dat hij haar bezoekt; wat ik zeg, haalt niets uit. |
| Timon | De man is eerzaam. |
| Oude Athener | En dus ook hierin eerzaam, Timon.
Zijn eerzaamheid beloont zich met zichzelf; niet ook nog met mijn dochter. |
| Timon | Houdt zij van hem? |
| Oude Athener | Ze is jong, ontvankelijk;
onze eigen vroegere hartstocht leert ons toch, hoe licht de jeugd ontvlamt. |
| Timon | [Tegen Lucilius] Houdt u van het meisje?
Lucilius Ja, edele heer, en ze accepteert mijn liefde. |
| Oude Athener | Als zij zonder mijn toestemming gaat trouwen,
- weest, goden, gij, getuigen -, dan kies ik mijn erfgenaam uit 's werelds bedelaars, en krijgt zij helemaal niets. |
| Timon | Wat is haar bruidsschat,
wanneer zij iemand trouwt aan haar gelijk? |
| Oude Athener | Nu drie talenten; en, als ik dood ga, alles. |
| Timon | Wel, deze heer heeft me al zo lang gediend.
Om zijn fortuin doe ik wel enige moeite, zo hoort dat onder mannen. Geef je dochter; wat u haar geeft, geef ik hem als tegenwicht, dan weegt hij zwaar als zij. |
| Oude Athener | Mijn nobele heer,
geef mij uw woord als pand, en zij is van hem. |
| Timon | Mijn hand op de jouwe, mijn eer als pand.
Lucilius Ik dank u nederig, hoogheid. Nooit zal mij het geluk of de fortuin iets toewijzen dat niet aan u te danken is. Af |
| Dichter | Aanvaard mijn arbeid, lang leve Uwe Hoogheid. |
| Timon | Ik dank u; u zult nader van mij horen.
Nee, nog niet weggaan. Wat heeft u daar, vriend? |
| Schilder | Een schilderstuk, dat ik Uwe Hoogheid smeek
om te aanvaarden. |
| Timon | Schilderwerk is welkom.
Een schilderij toont de natuur haast echt; eerloosheid rommelt met natuurlijkheid; dat is maar buitenkant; penseelfiguren zijn dat wat ze lijken. Uw werk bevalt me, en dat zult u merken. Blijf dus nog even, u hoort zo meer. |
| Schilder | De goden hoeden u. |
| Timon | Tot ziens dan, waarde heer. Geef mij uw hand;
tot straks bij het diner. Heer, uw juweel leed onder de schatting. |
| Juwelier | Werd het onderschat? |
| Timon | Het werd overstroomd met de allerhoogste lof.
Moest ik betalen wat het waard zou zijn, dan was ik helemaal leeggeplukt. |
| Juwelier | Mijn heer,
de prijs is wat de koopman geeft; maar u weet, dat dit soort waardevols naar eigenaar op waarde wordt geschat. Geloof me, heer, als u het draagt wordt het mooier. |
| Timon | Goed gespeeld.
Apemantus op |
| Koopman | Nee, heer, hij spreekt heel doodgewone taal;
zoals hij praat iedereen. |
| Timon | Kijk daar dan: willen jullie op je kop? |
| Juwelier | Wij kunnen het aan, als u kunt. |
| Koopman | Hij spaart niemand. |
| Timon | Goedemorgen, jij, vriendelijke Apemantus. |
| Apemantus | Pas goedemorgen, als ik vriendelijk word,
jij Timons hond bent, en dit ontuig eerlijk. |
| Timon | Wat noem je hen ontuig, als je ze niet kent? |
| Apemantus | Zijn ze geen Atheners? |
| Timon | Jawel. |
| Apemantus | Dan laat ik het zo. |
| Juwelier | Kent u mij, Apemantus? |
| Apemantus | Dat weet je al, ik heb je naam genoemd. |
| Timon | Je bent te trots, Apemantus. |
| Apemantus | Op niets zo erg, dat ik niet als Timon ben. |
| Timon | Waar ga je naar toe? |
| Apemantus | Een eerlijke Athener de hersens inslaan. |
| Timon | Maar daarvoor zul je moeten sterven. |
| Apemantus | Ja, als je bij wet voor niets moet sterven. |
| Timon | Wat vind je van dit schilderij, Apemantus? |
| Apemantus | Voortreffelijk, omdat het zo onnozel is. |
| Timon | Heeft de schilder het niet goed gemaakt? |
| Apemantus | Wie de schilder maakte deed het beter, maar toch is hij maar een vunzig stuk. |
| Schilder | U bent honds cynisch. |
| Apemantus | Jouw moeder is van mijn leeftijd. Wat is zij dan, als ik een hond ben? |
| Timon | Kom je bij me eten, Apemantus? |
| Apemantus | Nee, ik eet niet van grote heren. |
| Timon | Als je dat deed, zou je de dames boos maken. |
| Apemantus | Die eten de heren wèl, zo komen ze aan dikke buiken. |
| Timon | Zeker schunnig te nemen. |
| Apemantus | Zo neem jij dat op; je krijgt omdat je moeite nam. |
| Timon | Wat vind je van dit sieraad, Apemantus? |
| Apemantus | Ik houd meer van recht-door-zee, dat kost geen duit. |
| Timon | Wat denk je dat het waard is? |
| Apemantus | Niet eens mijn denken. En, Dichter? |
| Dichter | En, Wijsgeer? |
| Apemantus | Je liegt. |
| Dichter | Ben je dat niet? |
| Apemantus | Ja. |
| Dichter | Dan lieg ik niet. |
| Apemantus | Ben jij geen dichter? |
| Dichter | Ja. |
| Apemantus | Dan lieg je. Kijk in je laatste werk, waar je hem als een waardig iemand hebt afgeschilderd. |
| Dichter | Niet afgeschilderd, nee, dat is hij. |
| Apemantus | Ja, dan is hij jou waardig, en waardig om jou te betalen voor de moeite. Wie graag gevleid wordt, is zijn vleier waardig. Mijn hemel, was ik maar zo'n grote heer. |
| Timon | Wat zou je dan doen, Apemantus? |
| Apemantus | Net wat Apemantus nou doet: een hoge heer van harte haten. |
| Timon | Wat, jezelf? |
| Apemantus | Ja. |
| Timon | Waarom? |
| Apemantus | Omdat ik me niet zo boos kan opblazen om een grote meneer te zijn. Ben jij niet een koopman? |
| Koopman | Ja, Apemantus. |
| Apemantus | Ik hoop dat de handel je ruïneert, als de goden dat al niet doen. |
| Koopman | Als de handel het doet, dan doen de goden het. |
| Apemantus | De handel is je god, en ik hoop dat jouw god je ruïneert.
Trompetgeschal. Een boodschapper op. |
| Timon | Wat is dat voor een signaal? |
| Boodschapper | Het is Alcibiades met wel een groep
van twintig ruiters. |
| Timon | Ontvang ze goed; geleid hen hier naar ons. Enkele dienaren af
Kom echt eens bij mij eten. Ga niet weg voor ik u bedankt heb. Het is fijn u te zien. Alcibiades op, en dienaren. Wees welkom, heer. |
| Apemantus | Nou, nou; kijk nou.
Schiet door die soepele leden, jicht, verlam ze. Zo weinig echte liefde tussen schurken, en dan die hoffelijkheid! Het mensenras is tot aap en baviaan verworden. |
| Alcibiades | U stilt mijn verlangen, heer, en ik voed
mij bij uw aanblik. |
| Timon | U bent welkom, heer.
Voor u vertrek, rest ons nog ruim de tijd om samen te genieten. Gaat u binnen. Zij gaan af. Apemantus blijft. Twee heren op |
| 1e Heer | Hoe laat is het, Apemantus? |
| Apemantus | Het is tijd voor eerlijkheid. |
| 1e Heer | Daar is het steeds de tijd voor. |
| Apemantus | Des te vervloekt dat jij hem nooit benut. |
| 2e Heer | Ga jij naar het feestmaal van Heer Timon toe? |
| Apemantus | Ja, om een schurk vol vlees en een dwaas rood van wijn te zien. |
| 2e Heer | Nou, tot ziens, nou tot ziens. |
| Apemantus | Je bent een dwaas om twee keer tot ziens te zeggen. |
| 2e Heer | Waarom, Apemantus? |
| Apemantus | Je had er eentje voor jezelf moeten houden, want ik ben niet van plan jou zoiets te geven. |
| 1e Heer | Ga jezelf ophangen! |
| Apemantus | Nee, ik doe niets van wat je me vraagt. Doe je verzoek aan je vrienden. |
| 2e Heer | Weg, ruzie zoekende hond, of ik trap je eruit. |
| Apemantus | Ik vlieg al, als een hond, voor de hoeven van ezels. Af |
| 1e Heer | Zo'n mensenhater. Zullen we maar gaan
en ons aan Timons mildheid laven? Hij gaat zelfs het hart der goedheid ver te boven. |
| 2e Heer | Hij stort het uit. Plutus, de god van het goud,
is zijn beheerder slechts. Wat men hem schenkt beloont hij zevenvoud: geen gift aan hem, of die komt ruimer terug dan aflossing plus rente ooit. |
| 1e Heer | Geen enkel mens werd ooit
beheerst door een zo nobel hart. Tweede Heer Lang leve hij in zijn rijkdom. Zullen we? Ik ga met u mee. Af |
Tweede toneel Luide muziek van pommers. Een groot banket wordt opgediend. Dan komen op: Heer Timon, Atheense Heren en senatoren; Ventidius, die Timon uit de gevangenis heeft bevrijd; Lucullus en Alcibiades. Rentmeesters en serveerders bedienen. Dan komt, op zijn eentje, na de anderen, Apemantus op, nors als altijd. | |
| Ventidius | Hooggeëerde Timon, het heeft de goden behaagd
de leeftijd van mijn vader te bezien en hem tot lange vrede op te roepen. Hij ging gelukkig, en liet mij rijk achter. Daar ik in dankbaarheid zeer ben verplicht aan uw ruim hart, geef ik die talenten terug, verdubbeld met mijn dank en dienstbaarheid, die mij vrij hielpen zijn. |
| Timon | Geen sprake van,
vriend Ventidius. U leest mijn hart verkeerd; dat gaf ik altijd vrij; en wie kan zeggen, dat hij, wanneer hij terugontvangt, echt geeft. Zo spelen onze beteren; voor ons is het slecht, wij mogen niet; krom is bij rijken recht. |
| Ventidius | Welk een edel hart! |
| Timon | Plichtplegingen, heren, zijn vooral bedacht
als glans voor koele daden en hol welkom, om weer berouwde goedheid te herroepen; bij ware vriendschap zijn ze overbodig. Ga zitten; meer welkom bent u tot mijn rijkdom dan mijn rijkdom tot mij. Eerste Heer Dat hebben wij, heer, altijd al erkend. |
| Apemantus | Zozo, erkend, en toch nog niet gehangen? |
| Timon | Dag, Apemantus, u bent welkom. |
| Apemantus | Nee, heer, u kunt mij toch niet welkom heten.
Nog voor ik hier ben gooit u mij er weer uit. |
| Timon | Dat is niet netjes, man, daar spreekt een inborst
die een mens niet past; ik keur het ernstig af. Men zegt wel: Ira furor brevis est, maar die man blijft wel heel erg boos. Zet maar een tafel klaar voor hem alleen, want van gezelschap is hij niet gediend, en daarvoor absoluut ook niet geschikt. |
| Apemantus | Het is op jouw risico, Timon, dat ik blijf;
ik kom goed kijken; ik waarschuw je maar vast. |
| Timon | Voor jou ben ik niet bang; je bent een Athener, en daarom welkom. Als ik dan geen macht heb, dan hoop ik, dat wat hier aan eten gegeven wordt jou stil kan krijgen. |
| Apemantus | Dat eten van jou kan me de rug op; ik zou erin stikken, want ik zou jou nooit vleien. O jullie, goden! Hoeveel lui eten van Timon, en hij merkt het niet! Het doet me pijn te zien, dat zo velen hun eten soppen in het bloed van één man; en het toppunt van de waanzin is, dat hij dat nog toejuicht ook.
Hoe durft een mens een ander te vertrouwen. Geen messen mee, is wat ik aanbeveel, dan blijft het vleesje en het keeltje heel. Er zijn voorbeelden te over; de kerel die naast iemand zit, die brood met hem deelt, en op zijn gezondheid drinkt uit de beker die rond gaat, dat is de eerste die hem zal vermoorden. En dat is een bewezen feit. Als ik een groot man was, zou ik bij de maaltijd niet durven drinken, want tegen het gevaar wanneer mijn strot gaat klinken, moeten de groten met een halsplaat drinken. |
| Timon | Mijn heer, van harte, stuur de beker rond. |
| 2e Heer | Laat hem maar deze kant uit vloeien, heer. |
| Apemantus | Die kant uit vloeien? Wat een kerel. Hij weet wanneer het eb en vloed is. Al dat 'Gezondheid!' zal jou en jouw bezit nog eens ziek maken, Timon.
Ik heb hier iets dat te zwak is voor de zonde: braaf water; dat brengt niemand in de knoei. Dit is gelijk mijn voedsel; een banket is veel te protserig voor een dankgebed. Apemantus' dankgebed. Goden, ik vraag geen gunsten, neen; ik bid slecht voor mijzelf alleen. Maak mij toch nimmer zo gestoord een man te geloven op zijn woord, of een hoertje dat betraand kijkt, of een hond die vast in slaap lijkt, of een beul die mij wel vrijlaat, of een vriend die mij vast bijstaat. Amen. Aanvallen, en vlug. Rijkaards slempen, ik eet kuch. Hij eet en drinkt Moge het jouw goede hart bekomen, Apemantus. |
| Timon | Kapitein Alcibiades, uw hart is nog te velde. |
| Alcibiades | Mijn hart is altijd tot ùw dienst, mijn heer. |
| Timon | U hebt vast liever vijanden voor uw ontbijt dan vrienden bij het middagmaal. |
| Alcibiades | Alleen als ze vers bloeden, heer, daar kan geen gerecht tegen op; ik zou mijn beste vriend zo'n feest gunnen. |
| Apemantus | Waren al deze vleiers dan maar jouw vijanden, dan zou je ze kunnen doden; en dan mij vragen voor hun eten. |
| 1e Heer | Moge ons slechts het geluk ten deel vallen, heer, dat u ons éénmaal iets zou verzoeken dat onze diepste gevoelens voor u op de proef zou stellen, zodat wij blijk zouden kunnen geven van slechts een deel van onze innige toewijding, dan zouden wij ons voor eeuwig gelukkig voelen. |
| Timon | O, twijfel daar niet aan, mijn beste vrienden; maar de goden zelf hebben beschikt, dat ik de hulp van uw vriendschap nog zeer nodig zal hebben; waarom zouden jullie anders vrienden zijn? Wat dragen jullie die beminnelijke titel onder al die duizenden, als ik jullie niet als eersten in mijn hart draag? Ik heb mijzelf meer van jullie verteld, dan dat jullie in alle bescheidenheid over jullie zelf kunnen vertellen; en met dat al aanvaard ik jullie als waardige vrienden. O goden, denk ik, wat voor nut hebben onze vrienden eigenlijk, als die zich voor ons nooit eens nuttig kunnen maken? Ze zouden de meest nutteloze schepselen zijn als we ze nooit konden gebruiken, en zouden haast lijken op zoetklinkende instrumenten die in hun kasten aan de muur hangen en hun klank voor zichzelf houden. Ach, hoe vaak wenste ik niet dat ik veel armer was, dat ik dichter bij jullie kon staan. Wij zijn van geboorte weldoeners; en wat kunnen wij beter of passender het onze noemen dan de rijkdommen van onze vrienden? O, welk een waardevolle gedachte is het te beseffen zo vele gelijkgestemde broeders te hebben die over elkaars rijkdommen kunnen beschikken. O vreugde, ongedaan gemaakt nog voor zij is geboren. Mijn ogen, merk ik, kunnen het water niet meer tegenhouden. Om hun onvermogen te maskeren, drink ik op jullie.
Apemantus Jouw tranen maken dat zíj drinken, Timon. |
| 2e Heer | Vreugde bracht in onze ogen hetzelfde voort,
en als een kind sprong ze terstond daar op. |
| Apemantus | Ha, ha, een bastaardkindje volgens mij. |
| 3e Heer | Ik verzeker u, heer, u heeft mij zeer geroerd. |
| Apemantus | Zeer, zeer. Trompetgeschal achter |
| Timon | Wat is er? Waarom dat geschal?
Dienaar op |
| Dienaar | Met uw verlof, heer, er zijn daar enkele dames die dringend toegelaten wensen te worden. |
| Timon | Dames? Wat willen zij dan? |
| Dienaar | Ze hebben een voorloper bij zich, heer, die als taak heeft hun wensen te verwoorden. |
| Timon | Laat ze dan binnen.
Cupido op |
| Cupido | Heil, waarde Timon, en gij allen die zijn gulheid smaakt. De vijf beste zinnen erkennen u als hun patroon, en komen zich rijkelijk laven aan uw ruimhartige boezem.
Gevoel, tast, zijn vol aan uw dis geweest; zij komen nu dat ook uw oog nog feest. |
| Timon | Ze zijn allen welkom; laat ze vriendelijk binnen.
Muziek, een welkomstwijs. Cupido af |
| Lucullus | U ziet, hoe u alom bemind bent, heer.
Muziek. Cupido weer op, met een maskerspel met dames als Amazones, met luiten in hun hand, dansend en spelend. |
| Apemantus | Hoppetepoe!
Wat een zwaai ijdelheid komt er op ons toe. Dansen ook nog? Die vrouwen zijn gek. Zó'n gekte is de glorie van dit leven, als deze overdaad bij rats en bonen. Wij maken ons belachelijk door steeds lol, en ons gevlei is, mannen op te schrokken en als ze oud zijn dat weer op te spugen maar dan met giftige haat en nijd. Wie leeft en lastert niet, of wordt belasterd? Wie sterft en draagt geen krenking mee naar het graf gegeven door een vriend? Ik moet vrezen dat wie nu hier voor mij danst mij ooit op het hart treedt. Ik hoor dat meer gebeuren. Voor een ondergaande zon sluit men zijn deuren. De heren staan van tafel op, met veel plichtplegingen jegens Timon, en als huldeblijk kiest ieder een Amazone, en allen dansen, de mannen met de vrouwen, op een paar mooie melodieën van de pommers, en daarna beëindigt men de dans. |
| Timon | U heeft ons feest zeer opgeluisterd, dames,
en stijl gegeven aan ons groots vermaak, dat half zo goed niet was, zo gracieus; u heeft er waarde en luister aan toegevoegd, en dit, mijn feest, gekozen voor uw kunst. Ik moet u daar voor danken. |
| 1e Dame | Onze beste kant neemt u het hoogste op. |
| Apemantus | Nou en of, want de slechtste is smerig, en volgens mij te vies om genomen te worden. |
| Timon | Dames, er staat wat hapjes klaar voor u.
Wilt u alstublieft aan tafel gaan. |
| Alle Dames | Wij danken u hartelijk, heer. Cupido en dames af |
| Timon | Flavius! |
| Rentmeester | Wat wenst u? |
| Timon | Breng me dat kleine kistje eens. |
| Rentmeester | Ja, heer. [Terzijde] En almaar meer juwelen.
Zijn dispositie wenst geen tegenspraak, want 'geld op' - zo het kon zei ik het hem recht af - helpt hem, zo hij wil, van schuld èn vrienden af. Had mildheid in haar rug ook maar twee ogen, dan werd die man nooit om zijn hart bedrogen. |
| 1e Heer | Waar zijn onze dienaren? |
| Dienaar | Hier, heer, tot uw dienst. |
| 2e Heer | Onze paarden!
De Rentmeester op, met het kistje. Af |
| Timon | Vrienden, nog een enkel woord
met u. Want ik verzoek u, waarde heer, om mij te eren doordat dit juweel bij u in waarde stijgt; aanvaard en draag het, vriend mijn heer. |
| 1e Heer | Ik ben u al zo verschuldigd door uw gaven - |
| Allen | Dat zijn we allen.
Dienaar op |
| Dienaar | Mijn heer, enkele edelen uit de senaat zijn zojuist van hun paard gestegen om u te bezoeken. |
| Timon | Ze zijn allerhartelijkst welkom. Dienaar af |
| Rentmeester | Mag ik u uwe edele nederig verzoeken om een kort onderhoud; het betreft u van nabij. |
| Timon | Ons van nabij? Dan hoor ik je graag een andere keer. Ik verzoek je, te zorgen dat die mensen goed ontvangen worden. |
| Rentmeester | [Terzijde] Ik zou echt niet weten hoe.
Een tweede dienaar op Tweede dienaar Als het u behaagt, heer, de edele Lucius biedt u uit gulle vriendschap als geschenk vier melkwitte paarden met zilver tuig. |
| Timon | Ik aanvaard ze welwillend. Laat de gaven
waardig in ontvangst nemen. Dienaar af Een derde dienaar op Wat is uw boodschap? |
| 3e Dienaar | Met uw welnemen, heer, de hooggeachte edelman Lucullus verzoekt u morgen met hem te gaan jagen, en heeft Uwe Edele twee koppels windhonden gestuurd. |
| Timon | Ik ga met hem mee; en neem ze in ontvangst
beloond naar waarde. |
| Rentmeester | [Terzijde] O, waar moet dit heen?
Hij laat ons rijk onthalen, grote giften, en alle uit een lege schatkist. Zijn beurs wil hij nooit zien, nooit laat hij mij hem tonen dat zijn hart een bedelaar is, en wat hij wil daar kan ik niet aan voldoen. Zo ver gaan zijn beloften aan zijn beurs voorbij, dat alles wat hij zegt schuld is; elk woord brengt hem in min: zo gul is hij dat het hem nu rente kost; zíj boeken nu zìjn land. Ik hoop dat men mij hier vriendelijk ontslaat, voor dat ik er uit móet. Gelukkiger wie geen vriend iets hoeft te geven dan hen die zelfs zijn vijand voorbij streven. Mijn hart bloedt voor mijn heer. Af |
| Timon | U doet uzelf veel onrecht, en
verkleint al uw verdiensten veel te zeer. Hier, vriend, een klein bewijs van onze vriendschap. |
| 2e Heer | Met ongemene dank aanvaard ik het. |
| 3e Heer | Hij is waarlijk de mildheid zelve. |
| Timon | Dat doet me er nog even aan denken, heer; pas geleden nog sprak u lovend over die ruin waar ik op reed. Die is nu van u, omdat u hem zo fijn vond. |
| 3e Heer | O, ik verzoek u, heer, dat geschenk te mogen weigeren. |
| Timon | Geloof me als ik zeg, heer, dat men pas
juist prijst wanneer men ergens weg van is. Ik weeg mijn vrienden naar mijn band met hen, dat zeg ik u zeker. Ik kom bij u langs. |
| Alle Heren | Geen zal ons zo welkom zijn. |
| Timon | Al wat u geeft, - dat ieder mij bezoekt,
raakt mijn hart zo, dat ik nooit voldoende geef: ik kon mijn vrienden koninkrijken geven, en nooit ophouden. Alcibiades, jij bent soldaat, en daarom zelden rijk; het komt je in gaven toe: want jouw bestaan is tussen doden; wat jij hebt aan land is een veld in slagorde. |
| Alcibiades | De orde is verstoord, heer. |
| 1e Heer | Wij allen zijn u zo innig verplicht- |
| Timon | En ik aan jullie. |
| 2e Heer | Zo grenzeloos genegen - |
| Timon | Dit alles ook aan u. Licht, meer licht. |
| 1e Heer | Moge alle geluk, eer en fortuin u steeds vergezellen, heer Timon! |
| Timon | En steeds zijn vrienden dienend. Allen af, behalve Timon en Apemantus |
| Apemantus | Wat een gedoe,
dat konten omhoog, dat gekwispelstaart. Zijn die benen van hen het geld wel waard dat ze krijgen. De vriendschap zit vol prut. Een vals hart mag geen knipknieën met fut. De echte sul belegt zijn geld in buigen. |
| Timon | Nou Apemantus, als je niet zo mopperde,
zou ik goed voor je kunnen zijn. |
| Apemantus | Nee, dat wil ik niet; want als ik ook omgekocht was, zou er niemand over zijn om op jou te kankeren, en dan zou je nog vlugger zondigen. Jij geeft zo lang weg, Timon, dat ik bang ben dat je jezelf binnenkort op papier weg zal geven. Wat moet al dit gefeest, al dit gepronk en al die schone schijn? |
| Timon | Ja, als je nou ook nog op de gezelligheid gaat kankeren, dan zweer ik dat ik je helemaal niet meer zie zitten. Vaarwel, en kom de volgende keer maar eens met een ander muziekje. |
| Apemantus | Prima. Jij wil nu niet naar me luisteren; dan ook nooit. Dan doe ik mijn hemel vol advies voor jou op slot.
Wat is de mens toch doof voor raad; wat luistert hij alleen naar vleierspraat. Af |