| Titus Andronicus
titus andronicus vertaling Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste bedrijf Eerste toneel De Tribunen en Senatoren boven op; Saturninus en zijn gevolg op aan de ene kant, en Bassianus en zijn gevolg aan de andere kant, met trommen en trompetten. | |
| Saturninus | Edele Patriciërs, hoeders van mijn recht,
verdedig met uw wapenen mijn zaak; en, medeburgers, mijn geliefde volgers, bepleit mijn opvolgaanspraak met uw zwaard: ik ben de eerstgeboren zoon van hem die het laatst de keizerskroon van Rome droeg; laat dus mijn vaders eer in mij herleven en krenk mijn ouder zijn niet met die smaad. |
| Bassianus | Romeinen, volgers, vrienden van mijn recht,
vond ooit uw Bassianus, Caesars zoon, genade in het oog van vorstelijk Rome, sluit dan de weg af naar het Capitool, en sta niet toe, dat schande nadert tot de keizerlijke troon, aan deugd gewijd, rechtvaardigheid, terughoudendheid en adel; maar laat verdienste schitteren in uw stem, en vecht, Romeinen, voor uw vrije keus. marcus Andronicus [met de kroon in zijn handen] Hoor, prinsen, die door vrienden en partijen eerzuchtig vecht om troon en keizerschap, dat het vólk van Rome, dat wij hier speciaal vertegenwoordigen, eenstemmig reeds op de Romeinse keizerstroon gekozen Andronicus, de Vrome bijgenaamd, om zijn grote verdienste voor ons Rome. Geen koener strijder, nee, geen beter mens woont er vandaag binnen de stadsmuren: hij is door de senaat teruggeroepen van het vechten tegen de barbaarse Gothen: de schrik der vijanden had met zijn zoons een krijgsgetraind volk onder het juk gebracht. Tien jaren heeft hij reeds de zaak gediend van Rome, de trots onzer vijanden gebroken met het zwaard; vijf maal kwam hij bebloed naar Rome, zijn dappere zonen in kisten met zich voerend, en vandaag bezocht hij nog het graf van de Andronici, bracht bij hun monument een zoenoffer, de nobelste gevangene der Gothen. Nu eindelijk keert, met erebuit beladen, de dappere Andronicus naar Rome terug, de grote Titus, roemrijk in de strijd. Dus vragen wij u nu, uit eer van hem die u als waardig opvolger wilt zien, naar het recht van het Capitool en de senaat, en die u zegt te eren en te aanbidden, dat u uw heftigheid nu varen laat, uw groep laat gaan, en, zoals het verzoekers past, in rust en rede uitspreekt wat u wenst. |
| Saturninus | Hoe fraai maant de tribuun mijn geest tot kalmte! |
| Bassianus | Marcus Andronicus, ik heb zo’n vertrouwen
in jouw oprechtheid en integriteit, zo eer ik met liefde jou en al de jouwen, je nobele broeder Titus en zijn zonen, en haar voor wie mijn geest deemoedig neerbuigt, Lavinia, Romes rijkste ornament, dat ik mijn dierbare vrienden nu hier weg stuur, en aan de gunst van het lot en heel het volk mijn zaak ter juiste weging overlaat.De volgelingen van Bassianus af |
| Saturninus | Vrienden, mijn steun in al waarvoor ik vecht,
ik dank u allen, en stuur u nu weg; en ik vertrouw mijzelf, en mijn zaak, toe aan de genegenheid en gunst van het land.De volgers van Saturninus af Wees goed en wees rechtvaardig voor mij, Rome, zoals ik voor u genegen ben en trouw. Open de poort en laat mij binnen. |
| Bassianus | Ook mij, tribunen, een arme medestrijder.Zij gaat het Kapitool binnen
Een kapitein op |
| Kapitein | Romeinen, opzij, de dappere Andronicus,
het voorbeeld der deugd, Romes beste strijder, voorspoedig in de slagen die hij levert, komt met geluk en eer beladen terug vanwaar hij Romes vijanden met het zwaard teruggedrongen heeft en onder het juk bracht. Trommen en trompetten; daarna op twee zonen van Titus, en daarna twee mannen die een zwart omhangen doodskist dragen; dan twee andere zonen; dan Titus Andronicus ; dan Tamora, de koningin van de Gothen, en haar twee zonen, Alarbus, Chiron en Demetrius, met Aaron, de Moor, en zoveel mogelijk anderen; men zet de doodskist neer, en Titus spreekt. |
| Titus | Heil, Rome, zegerijk in uw treurgewaad!
Zoals de bark die haar vracht ontladen heeft met kostbare last terugkeert naar de baai waar zij aanvankelijk haar ankers lichtte, zo komt Andronicus, met laurier gekroond zijn vaderland begroeten met zijn tranen, met vreugdetranen, dat hij in Rome terug is. Grote verdediger van dit Kapitool, blik gunstig neer op de uitvaart die nu volgt. Van vijfentwintig dappere zonen, Rome, van half zoveel als Koning Priamus, zie hier wat over is, levend en dood. Schenk, Rome, uw liefde wie het overleefden; en wie ik naar hun laatste woonplaats breng een graf te midden van hun voorouders. Hier laten mij de Gothen het zwaard opsteken. Ontaarde Titus, die uw stam vergeet, wat laat jij jouw nog onbegraven zonen waren aan de afschrikoever van de Styx? Maak plaats, om hen te leggen bij hun broers.Men opent het grafgewelf Groet daar elkaar in stilte, als doden doen, en rust in vree, gevallen in ‘s lands krijg. O, heilige ontvangruimte van al mijn vreugd, O, zoete cel van adeldom en deugd, hoevele zonen van mij hebt u ontvaân, die u mij nooit meer, nooit meer af zult staan. |
| Lucius | Geef ons de hoofdgevangene van de Gothen,
dan houwen we hem aan stukken, en verbranden zijn vlees als zoenoffer ad manes fratrum hier voor de aardse kerker van hun beenderen, opdat geen onverzoende schimmen ons op de aard nog kwellen gaan met voortekens. |
| Titus | Ik geef u de edelste die nu nog leeft,
de oudste zoon van deze droeve vrouwe. |
| Tamora | Romeinse broeders, nee! Genadige heer,
zegerijke Titus, zie mijn tranenvloed, een moeder huilt om de smart om haar zoon: wanneer jouw zonen jou ooit dierbaar waren, zo dierbaar is die van mij nu ook voor mij. Volstaat het niet, dat je ons naar Rome bracht, tot sier van jouw triomf, wij terugkeerden aan jouw gekluisterd en het Romeinse juk; moet nu mijn kroost op straat zo afgeslacht, om dappere daden voor hun land verricht? Vechten voor vorst en staat was heilige plicht voor jouw kinderen; waarom voor deze niet? Je graf nu niet bevlekt, Titus, met bloed; wil jij in aard de goden naderen? Benader hen toch in barmhartigheid; genade is het ware merk van adeldom: verheven Titus, spaar mijn oudste zoon. |
| Titus | Vergeef mij nu, mevrouw, en blijf maar kalm.
Dit zijn hun broers, die jullie Gothen ooit levend en dood zagen; hun vrome plicht vraagt om hun broeders’ dood een zoenoffer; uw zoon is aangewezen, dus hij sterft, dat het kreunen van de schimmen wordt verzacht. |
| Lucius | Weg met hem dan, en maak gelijk een vuur,
laat onze zwaarden op die brandstapel hem uiteen hakken tot hij is verteerd.De zonen van Titus af, met Alarbus |
| Tamora | O, wrede, goddeloze vrome plicht! |
| Chiron | Zelfs Scythië was nooit half zo barbaars! |
| Demetrius | Plaats Scythië niet naast het eerzuchtig Rome.
Alarbus gaat rusten, wij blijven hier sidderen onder Titus’ dreigende blik. Dus, vrouwe, vastberaden; hoop, dat ooit de goden, die de koningin van Troje de gelegenheid gaven wraak te nemen op de Thracische tiran in zijn tent, ook Tamora, ooit koningin der Gothen, (toen Gothen Gothen waren) gunnen, wraak te nemen op haar vijanden voor het bloed. De zonen van Andronicus weer op |
| Lucius | Zie, heer en vader, het oud Romeins gebruik,
het is volvoerd: Alarbus’ leden losgehakt, zijn ingewanden voeden het offervuur, de rook doortrekt als wierook reeds de lucht. Niets rest dan onze broeders te begraven, hen luid hier te verwelkomen in Rome. |
| Titus | Dan zij het zo; en nu, Andronicus,
zij dit hun zielen een allerlaatst vaarwel.Trompetgeschal; de kist wordt in de aarde gelegd Rust hier, mijn zonen, in vrede en eer; Romes roemruchtste vechters, rust hier zacht, veilig voor ‘s werelds wisselvalligheid. Hier zwelt geen afgunst, hier loert geen verraad, hier groeit geen vergiftplant, hier is geen storm, geen luid geraas, maar stilte en eeuwige slaap. Rust hier, mijn zonen, in vrede en eer. Lavinia op |
| Lavinia | Lang leve Titus, in vrede en eer;
mijn edele heer en vader, leef in roem. Bij dit graf voeg ik mijn tranen aan de stroom bij het plechtige begraven van mijn broers; op de aarde laat ik, knielend aan uw voet, vreugdetranen, dat u bent weergekeerd. Zegen mij met jouw overwinningshand, door Romes beste burgers toegejuicht. |
| Titus | Goed Rome, liefderijk hebt u bewaard
de troost en vreugde van mijn oude dag. Lavinia, leef; en overleve je deugd jouw vader en zijn roem tot eeuwige vreugd. Marcus Andronicus op, en tribunen; Saturninus , Bassianus en anderen weer op |
| Marcus | Lang leve Titus, mijn geliefde broer,
groots triomfator in het oog van Rome. |
| Titus | Dank u, tribuun, mijn edele broer Marcus. |
| Marcus | En welkom, neven, uit krijg met succes,
u die nog leeft, en u die slaapt in roem. Eenzelfde eer, heren, draagt u hier weg, daar u uw zwaard trok voor uw vaderland. Nog veiliger roem brengt dit begraven hem die het geluk van Solon heeft bereikt en hier het lot verwint in het bed van eer. Titus Andronicus, het Romeinse volk, wiens rechte vriend jij altijd bent geweest, zendt jou door mij, hun steun en hun tribuun, dit opperkleed van smetteloos wit, en vraagt, of jij verkiesbaar wilt zijn voor het rijk, naast hen, de zonen van de dode keizer: wil candidatus zijn, en sla dit om, en schenk het hoofdloos Rome weer een hoofd. |
| Titus | Een beter hoofd past haar glorieuze lijf
dan dit dat beeft van ouderdom en zwakte. Wat zou ik die mantel aandoen tot uw last? Vandaag gekozen worden met gejuich, en morgen macht inleveren en bestaan, en jullie nieuw belasten allemaal? Rome, ik ben veertig jaar al uw soldaat, ik heb met succes ‘s lands krachten aangevoerd, ik heb eenentwintig dappere zoons begraven, ridders in het veld, gestorven in de strijd, de zaak dienende van hun edel land. Schenk nu mij ouderdom een erestaf, geen scepter om de wereld te regeren: hij die als laatste hem voerde, hield hem hoog. |
| Marcus | Vraag het maar, Titus, en het rijk is u. |
| Saturninus | Eerzuchtige tribuun, dus dat vindt jij! |
| Titus | Kalm, Saturninus! |
| Saturninus | Doe mij recht, Romeinen:
patriciërs, trek uw zwaard, steek het niet op voor Saturninus Romes keizer is. Andronicus, verdwijn eerder ter hel dan dat je mij het hart van het volk ontneemt. |
| Lucius | Het geluk, dat de edele Titus jou bereidt,
houdt jij zo, trotse Saturninus, tegen. |
| Titus | Kalm, prins; ik geef je de harten van het volk
door het van zijn eigen wensen weg te lokken. BassianusAndronicus, ik kom niet met gevlij, maar zal je eren, tot ik sterven ga: als jij mijn groep met jouw vrienden versterkt, dan zal ik dankbaar zijn; en dank is hen die edel zijn van geest een eervol loon. |
| Titus | Tribunen van het volk, en volk van Rome,
ik vraag jullie bijval nu en instemming: bent u in vriendschap voor Andronicus? |
| Tribunen | Als loon voor onze dappere Andronicus
en dank dat hij veilig terug is in Rome, aanvaardt het volk op wie zijn keuze valt. |
| Titus | Tribunen, ik dank u; dan verzoek ik u,
de oudste zoon des keizers te benoemen, heer Saturninus; wiens deugden, naar ik hoop, Rome verlichten als Titan de aarde, en het recht in deze staat gedijen doen: en als u kiezen wilt naar mijn advies, dan kroon hem, zeg: ‘Lang leve onze keizer!’ |
| Marcus | Met instemming en bijval van elkeen,
patriciërs en plebejers,, maken wij heer Saturninus Romes grote keizer, dus: ‘Lang leve onze keizer Saturninus! |
| Saturninus | Titus Andronicus, voor al je gunsten,
die je ons bij de keizerskeus betoont, dank ik je als een deel van wat jou toekomt, met daden zal ik je voor je goedheid lonen; als eerste, Titus, dat voortaan je naam en je geëerd geslacht verheven zijn, maak ik Lavinia tot mijn keizerin, tot heerseres van Rome en mijn hart, huw ik haar in het gewijde Pantheon. Zeg mij, Andronicus, bevalt je dat? |
| Titus | Zeker, mijn waardig vorst; in dit verbond
acht ik mij bij uw hoogheid zeer vereerd; en hier, vóór Rome, wijd ik Saturninus, de koning en gebieder onzer staat, de keizer van hele wijde wereld, mijn zwaard, mijn strijdkar, mijn gevangenen; geschenken, Romes grote heerser waardig; aanvaard ze als de schatting die ik je schuld, mijn eretekenen, nederig aan jouw voet. |
| Saturninus | Dank, edele Titus, vader van mijn leven.
Hoe trots ik op jou ben en wat jij gaf, moet Rome vastleggen, en als ik de kleinste van die onzegbare diensten ooit vergeef, vergeet, Romeinen, dan uw eed aan mij. |
| Titus | U bent gevangene van een keizer nu,
die om uw rang en waardigheid, mevrouw, u en de uwen mild behandelen zal. |
| Saturninus | Een mooie vrouw, geloof me, en met de kleur,
die ik, als ik nieuw moest kiezen, kiezen zou. verdrijf, vorstin, de wolken uit je blik: al heeft de krijgskans je bedrukt gemaakt, naar Rome kom je niet voor smaad of spot; je zult je als vorstin behandeld zien. Vertrouw mijn woord, en laat geen bitterheid uw hoop wegvagen: wie u troost, maakt u nog grootser dan vorstin ooit van de Gothen. Lavinia, bevalt u, wat ik hier zeg? |
| Lavinia | O, nee, mijn vorst, uw edel, groot gemoed
verklaart uw vorstelijke woord tot goed. |
| Saturninus | Lavinia, dank. Romeinen, laat ons gaan:
gevangenen, ga zonder losgeld heen; verkondig plechtig onze waardigheid. |
| Bassianus | Heer Titus, sta mij toe, die vrouw is van mij. |
| Titus | Wat nu? Meent u dat werkelijk, mijn heer? |
| Bassianus | Ja, edele Titus; ik ben vast van plan,
mijn aanspraak en mijn recht hier af te dwingen. |
| Marcus | Suum cuique zegt het Romeinse recht;
de prins neemt enkel iets rechtens van hem. |
| Lucius | En wil en zal dat, zolang Lucius leeft. |
| Titus | Verraders, weg! Waar is de keizerswacht?
Verraad, mijn heer! Lavinia wordt geroofd. |
| Saturninus | Geroofd, door wie? |
| Bassianus | Door hem die rechtens rooft
van iedereen met wie hij is verloofd.Marcus en Bassianus af, met Lavinia |
| Mutius | Kom, broeders, help, en leid haar hiervandaan,
en ik bewaak de deur hier met mijn zwaard.Lucius, Quintus en Martius af |
| Titus | Volg haar, mijn heer, en breng haar direkt terug. |
| Mutius | U komt hier niet door, heer. |
| Titus | Wat, schurkenzoon,
versper jij mij de weg?Hij doodt hem Tijdens de schermutselingen gaan Saturninus, Tamara, Demetrius, Chiron en Aaron af |
| Mutius | Help, Lucius, help!
Lucius weer op |
| Lucius | Dat is onrechtvaardig, heer, en, meer dan dat,
u hebt uw zoon ten onrechte gedood. |
| Titus | Jij, noch jouw broer, zijn verder nog mijn zonen;
geen zoon van mij had mij ooit zo onteerd. Schurk, geef Lavinia aan de keizer terug. |
| Lucius | Dood, zo u wilt; niet om zijn vrouw te zijn;
ze is met een ander wettelijk verloofd. Af De Keizer boven op met Tamora, en haar twee zonen en Aaron, de neger. |
| Saturninus | Nee, Titus, nee; de keizer hoeft haar niet,
nee, haar niet, jou niet, niemand van jouw stam; wie mij eens hoont, vertrouw ik niet zo gauw; jou nooit meer, noch je valse, trotse zonen, allen samen in verbond mij te onteren. Was er geen andere speelbal hier in Rome dan Saturninus? Dit, Andronicus, past helemaal in dat luid gepoch van jou, dat ik jou het keizerschap heb afgebedeld. |
| Titus | Ontzettend! Welk een grof verwijt is dit? |
| Saturninus | Ga gerust je gang; geef hem dat huppelstuk,
die steeds om haar zijn zwaard deed wapperen. Een dappere schoonzoon valt je nu ten deel, die prima met jouw zonen stappen kan en de Romeinse staat op stelten zetten. |
| Titus | Die woorden snijden messcherp in mijn hart. |
| Saturninus | Dus, mooie Tamora, Koningin der Gothen,
die, als de fiere Phebe al haar nimfen, al Romes mooiste vrouwen overstraalt, als jij het eens bent met mijn plotse keus, zie, Tamora, dan kies ik je als mijn bruid, en maak ik je tot Keizerin van Rome. Spreek, koningin, juich je mijn keuze toe? Ik zweer, bij alle goden der Romeinen, - met priester, het heilig water, zo nabij, toortsen in volle vlam, en alles hier voor de ontvangst van Hymenaeus klaar -, dat ik Romes straten pas weer groeten zal, of mijn paleis betreden, wanneer ik met mijn bruid aan mijn zijde vanhier ga. |
| Tamora | In het aanschijn van de hemel zweer ik Rome,
kiest Saturninus de vorstin der Gothen, dan zal ze een dienstmaagd voor zijn wensen zijn, een tedere voedster, moeder voor zijn jeugd. |
| Saturninus | Bestijg, vorstin, het Pantheon. U, edelen,
begeleid uw keizer, en zijn mooie bruid, die de hemel Saturninus heeft gestuurd, wier wijsheid haar noodlot ten goede keert. Daar zal ons huwelijk worden ingezegend.Allen af, behalve Titus |
| Titus | Men vraagt mij niet om deze bruid te volgen.
Ben jij ooit, Titus, zo alleen gegaan, ja, zo onteerd, beladen met zo’n smaad? Marcus weer op, Lucius, Quintus en Martius |
| Marcus | O, Titus, kijk, O, kijk, wat je hebt gedaan,
een edele zoon in een opwelling gedood. |
| Titus | Dwaze tribuun, nee, nee, geen zoon van mij,
noch jij, noch zij, verbonden in een daad, die ons geslacht te schande heeft gebracht: onwaardige zonen, en onwaardige broer! |
| Lucius | Laten we hem begraven, zoals dat hoort;
geef Mutius een graf bij onze broers. |
| Titus | Verraders, weg! Hij rust niet in dit graf:
dit monument staat al vijfhonderd jaar, met veel kosten heb ik het weer opgebouwd; hier rust slechts eervol de soldaat en hij die Rome diende; geen gedood door twist. Begraaf hem waar u wilt, hier komt hij niet. |
| Marcus | Mijn heer, dit is in strijd met wat de vroomheid eist.
Wat mijn neef Mutius deed pleit sterk voor hem; hij moet begraven worden bij zijn broers. MartiusDat moet per se, want anders volgen wij hem. |
| Titus | ‘Per se’! Van welke schurk hier kwam dat woord?
MartiusEen die dat overal staaft, behalve hier. |
| Titus | Gaan jullie hem tegen mijn wens hier begraven? |
| Marcus | Nee, edele Titus, maar wij smeken je,
dat jij Mutius vergeeft en hem begraaft. |
| Titus | Zelfs jij, Marcus, hebt me op mijn helm geslagen,
en met die jongens hier mijn eer verwond: ik noem jullie stuk voor stuk mijn vijanden; dus val me niet meer lastig; donder op. |
| Quintus | Hij is zichzelf niet meer; laten we gaan.
MartiusIk niet, voor Martius’ lijk begraven is.De broer en de zonen knielen neer. |
| Marcus | Broer, want met die naam smeekt nu de natuur, -
MartiusVader, ook met die naam spreekt de natuur, - |
| Titus | Zeg jij maar niets, als het verder goed moet gaan. |
| Marcus | Vermaarde Titus, meer dan half mijn hart, - |
| Lucius | O, vaderlief, ons aller ziel en wezen, - |
| Marcus | Laat Marcus toch, je broer, zijn edele neef
hier in het nest der deugd nu bijzetten, want hij stierf eervol voor Lavinia’s zaak. Zo jij Romein bent, wees toch geen barbaar; na overleg gaven de Grieken Ajax, die zich doodde, een graf; Laertes’ zoon kwam met aannemelijke argumenten. Laat dan de jonge Mutius, ooit jouw vreugd, niet onbegraven nu. |
| Titus | Marcus, sta op;
zo’n gruwelijke dag heb ik nooit beleefd: in Rome door mijn eigen zoons onteerd! Begraaf hem maar, en begraaf mij daarna.Zij leggen het lijk in het graf |
| Lucius | Rust, lieve Mutius, bij je vrienden hier,
tot wij je graf met eretekenen sieren. |
| Allen | [Knielend] Geen tranen voor de edele Mutius;
de roem leeft voort van wie stierf voor de deugd. |
| Marcus | Mijn heer, - buiten de droeve rouw hier om -
hoe is de sluwe koningin der Gothen zo plotseling in Rome hoog geklommen? |
| Titus | Hoe weet ik niet, maar ik weet dat het zo is;
door list of zo, dat mag de hemel weten. Is zij dan niets verschuldigd aan de man die haar zo ver bracht, tot zo’n hogelijk goed? Zij zal hem daarvoor vorstelijk belonen. De Keizer op, Tamora en haar twee zonen, met de neger, van de ene kant. Van de andere kant Bassianus en Lavinia, met anderen |
| Saturninus | Zo, Bassianus, u hebt uw prijs behaald:
God geve u vreugde met uw waarde bruid. |
| Bassianus | En u met die van u, heer; meer zeg ik niet,
en wens niet minder; dus, met uw verlof. |
| Saturninus | Als Rome wetten heeft, schurk, en wij macht,
dan zal jij met jouw troep die roof berouwen. |
| Bassianus | Noemt u het roof, vorst, als ik neem wat van mij is,
haar die mij trouw beloofde, nu mijn vrouw? Maar laat de wet van Rome dit beslissen; voorlopig is van mij wat van mij is. |
| Saturninus | Goed, man; u bent wel heel kortaf met ons;
wacht maar, eens zijn wij even scherp met u. |
| Bassianus | Mijn heer, dat wat ik heb gedaan, zal ik
verdedigen, al kost het mij mijn leven. Maar dit moet u wel weten, majesteit: bij alle plichten waar ik Rome mee dien, deze hoge edelman, heer Titus hier, is uiterst zwaar in eer en naam gekrenkt: uitsluitend om Lavinia te redden doodde hij zijn jongste zoon met eigen hand, om u te dienen, en uiterst ontvlamd, dat wat hij vrijelijk gaf werd teruggedraaid. Neem hem weer in uw gunst op, Saturninus, die zich in al zijn daden steeds een vriend en vader heeft getoond voor jou en Rome. |
| Titus | Prins Bassianus, kom niet met mijn daden:
jij en jouw kliek hebben mij zo onteerd. Rome en de hemel zelf zijn mijn getuigen, hoe dierbaar ik Saturninus heb geëerd. |
| Tamora | Mijn edele heer, wanneer jouw vorstenoog
Tamora welgevallig ooit aanschouwde, hoor dan mijn onpartijdig woord voor allen; vergeef wat is gebeurd, op mijn verzoek. |
| Saturninus | Maar, vrouw, toch; in het openbaar onteerd,
en moet ik dat maar dulden zonder wraak? |
| Tamora | Nee, mijn gemaal; verhoeden Romes goden,
dat ik de oorzaak van uw schande word! Maar, op mijn eer, ik durf er borg voor staan, dat de edele Titus nergens schuld aan heeft; zijn onverholen felheid komt door smart; wees hem, op mijn verzoek, genadig nu; verlies zo’n edele vriend niet om een waan, en grief zijn warm hart niet kille blik. [Terzijde tot Saturninus] Mijn heer, volg mijn raad toch, geef eindelijk toe; stop al uw grieven, ongenoegen weg: u bent maar kort gezeten op uw troon; opdat het volk en de patriciërs niet na rijp beraad voor Titus kiezen, en u verstoten van de troon om ondank, wat hier in Rome als een halsdaad geldt, verhoor mijn beden, en laat mij begaan: de dag komt dat ik allen doden zal, zal uitroeien hun aanhang en geslacht, de wrede vader, en zijn valse zonen, die ik smeekte om het leven van mijn zoon; dan weten zij, wat het is, een koningin, in het stof geknield, vergeefs te laten smeken. [Hardop] Kom, liefste keizer; kom, Andronicus; hef de edele grijsaard op, verblijd het hart, dat nu sterft in het onweer van je toorn. |
| Saturninus | Sta op, Titus; ik volg mijn keizerin. |
| Titus | Ik dank uwe majesteit, en haar, mijn vorst.
Dat woord, die blijk, stort mij nieuw leven in. |
| Tamora | Titus, ik ben in Rome ingelijfd,
gelukkig als Romeinse geaccepteerd, en moet de keizer raden tot zijn goed. Vandaag is strijd ten einde, Andronicus; moge het mijn grootste eer zijn, beste vorst, dat ik u met al uw vrienden heb verzoend. Wat u betreft, Prins Bassianus: ik heb de keizer mijn woord en mijn toezegging verpand, dat u wat volgzamer zult zijn. Vrees niet meer, heren, ook Lavinia niet; volg mijn advies: buig allen nu de knie, en smeek de keizer om vergiffenis. |
| Lucius | Dat doen we, en zweren God en zijne hoogheid,
dat wat wij deden niet kwaad was bedoeld, het gold onze eer en die van onze zuster. |
| Marcus | Ja, op mijn eer, dat onderschrijf ik hier. |
| Saturninus | Ga weg; praat toch niet zo; stoor ons niet langer. |
| Tamora | Maar, keizer, laat ons allen vrienden zijn:
de tribuun en zijn neven knielen neer; wijs mij niet af; kom, liefste, kijk toch om. |
| Saturninus | Marcus, om jou, en om jou broeder hier,
en omdat lieve Tamora zo smeekt: ik vergeef die knapen hier hun grove fouten: sta op. Al liet u mij, Lavinia, smadelijk achter, ik vond een bruid, en zwoer, dat ik, bij mijn leven, niet ongetrouwd van het altaar terug zou keren. Als het keizershof twee bruiden kan onthalen, bent u mijn gast, Lavinia, met uw vrienden. Dit moet een dag van liefde zijn, Tamora. |
| Titus | En als het morgen uw majesteit behaagt,
de panter en het hert met mij te jagen, klinkt hoorn en hond uwe majesteit ten groet. |
| Saturninus | Zo zij het, Titus, en wij danken u.Allen af |