| Troilus en Cressida
troilus and cressida vertaling : Jan Jonk | |
|---|---|
|
De Proloog De Proloog op, in wapenrusting. In Troje speelt dit stuk. De Griekse archipel is ooit door fiere, geëchauffeerde vorsten bijeen gebracht in de haven van Athene, hun schepen vol met manschappen, materieel voor oorlog en vernieling. Negenenzestig gekroonde prinsen zetten koers naar Phrygië vanuit de Atheense baai; hun dure eed: Troje verwoesten, met haar muren, waar de geschaakte Helena, Menelaus' vrouw, met lonker Paris slaapt - daar vecht men om. Tenedos wordt bereikt; de diepliggende dolboorden ontdoen zich van hun oorlogsvracht. Op het vlak van Dardan verrijst het schitterend tentenkamp der Grieken, - nog ongedeerd: de zes-poort stad van Priamus, Dardan en Timbria, Helias, Chetas, Troien, en Antenorides, machtig beklampt, met stevige en goed passende bouten, wordt nu gewekt door Trojes zonen. Men wacht, een angstige, nerveuze spanning aan beide zijden, Grieken en Trojanen, zet allen nu op scherp. En hier kom ik, Proloog met zwaard, maar niet in overleg met de auteur of met de spelers, maar - dat hoort nou eenmaal bij zo'n spel-, om u, geëerd publiek, te zeggen dat ons stuk een sprong maakt over de aanloop van de reuzenstrijd, het middenin begint, en dan het geheel zo zuiver mogelijk uitbeeldt op het toneel. Erger u maar, of weet dit te waarderen: het is goed, én slecht - zoals krijgskansen keren. Af | |
Eerste bedrijf Eerste toneel Pandarus en Troilus op | |
| Troilus | Roep mijn schildknaap, die rusting moet gelijk uit.
Wat vecht ik buiten Trojes vestingmuur, als er zo’n wrede slag woedt in mijzelf? Elke Trojaan die meester is van zijn hart moet naar het slagveld: Troilus heeft er geen. |
| Pandarus | Gaat dat gezeur nou nooit eens over? |
| Troilus | De Grieken zijn sterk, kundig bij hun kracht,
fel bij hun kunde, en bij hun felheid dapper; maar ik ben zwakker dan een vrouwentraan, tammer dan een schaap, onnozeler dan dom, met minder moed dan een meisje in de nacht, onhandig als een ongeoefend kind, |
| Pandarus | Wel, ik heb er u genoeg van gezegd: ik voor mij wil me er niet verder mee bemoeien of me er in mengen. Wie een koek wil hebben van tarwe, moet het malen afwachten. |
| Troilus | Heb ik dan niet gewacht? |
| Pandarus | Ja, op het malen; maar u moet ook nog wachten op het ziften. |
| Troilus | Heb ik dan niet gewacht? |
| Pandarus | Ja, op het ziften; maar u moet ook nog wachten op het desemen. |
| Troilus | Ik heb eindeloos gewacht. |
| Pandarus | Ja, op het desemen; maar in de woorden ‘ook nog’ zit ook het kneden, het vormen van de koek, het verwarmen van de oven, en het bakken: ja, u moet ook wachten op het afkoelen, want anders kunt u uw lippen wel verbranden. |
| Troilus | Zelfs het Geduld, al is zij een godin,
kan niet zo weinig lijden zien als ik. Aan tafel bij vorst Priamus, komt soms de mooie Cressida mij voor de geest - Verrader! ‘Komt soms’! Is zij er ooit niet? |
| Pandarus | Nou, gisteravond zag ze er mooier uit dan ik haar of enig andere vrouw ooit heb gezien. |
| Troilus | Maar wat ik wilde zeggen: toen mijn hart,
als door een zucht gekliefd, haast openspleet, heb ik, dat Hector noch mijn vader mij zou zien, zoals de zon een storm oplicht, die zucht begraven in een glimlachplooi; maar smart die zich in namaakvreugde kleedt is als blijheid die het lot plots maakt tot leed. |
| Pandarus | Als haar haar niet nog iets donkerder was dan dat van Helena - geloof me, dan was er geen vergelijking mogelijk tussen die vrouwen. Ze is natuurlijk mijn nicht, en ik mag haar, zoals men zegt, niet prijzen, maar ik zou willen, dat iemand haar gisteren had horen praten zoals ik. Ik wil niets afdingen op het verstand van uw zuster Cassandra, maar - |
| Troilus | O Pandarus - ik zeg je, Pandarus , -
als ik stel, dat daar mijn hoop verdronken ligt, kom dan niet aan met hoeveel vadem diep verzonken. Ik zeg je, ik ben zwaar verliefd op Cressida; jij antwoordt: ‘Zij is mooi’; giet in de open wonde van mijn hart haar ogen, haar, haar wang, haar gang, haar stem; en kletst maar honderduit, over haar hand, waarbij vergeleken al het wit inkt is en zijn eigen smaad schrijft, bij wier zachte druk het zwaandons ruw is, en de zintuiggeest grof als een ploegershand. Daar kom jij mee. Met waarheid kom jij, als ik zeg dat ik haar min. Daarmee leg jij, in plaats van olie en balsem, in elke wonde die de min mij gaf het mes dat mij doorstak. |
| Pandarus | Ik zeg niet meer dan de waarheid. |
| Troilus | Jij zegt helemaal niet veel. |
| Pandarus | Nou, ik zal er me niet meer mee bemoeien - laat ze zijn wat ze is: als ze mooi is, des te beter voor haar; als ze dat niet is, kan ze er altijd zelf nog iets aan doen. |
| Troilus | Beste Pandarus - wat heb je, beste Pandarus? |
| Pandarus | Tot nu toe heb ik alleen maar last voor al mijn moeite: afgesnauwd door haar, afgesnauwd door u; heen en weer draven tussen jullie, en maar weinig dank voor al mijn inspanningen. |
| Troilus | U bent toch niet boos, Pandarus? Op mij? |
| Pandarus | Omdat ze familie van mij is, daarom is ze nog niet zo mooi als Helena. Als ze geen familie van mij was, dan was ze op vrijdag net zo mooi als Helena op zondag. Maar wat zal mij dat een zorg zijn. Voor mijn part was ze een negerin; het laat me koud. |
| Troilus | Zeg ik dan dat ze niet mooi is? |
| Pandarus | Het kan mij niet schelen wat u zegt. Ze is gek, dat ze haar vader niet nagelopen is; laat ze naar de Grieken gaan; als ik haar weer zie, zeg ik haar dat. Wat mij betreft, ik wil er niets meer mee te maken hebben, ik meng me er niet meer in. |
| Troilus | Pandarus - |
| Pandarus | Nee, nee. |
| Troilus | Beste Pandarus. |
| Pandarus | Praat alstublieft niet meer tegen mij; ik laat alles zoals ik het gevonden heb, en daarmee uit.
Af. Trompetgeschal |
| Troilus | Stil, vreselijk lawaai! Stil, rauwe klanken.
Gekken wederzijds; Helena moet mooi zijn, als u met bloed haar elke dag zo kleurt. Ik kan niet vechten om die aanleiding. Die reden is te armzalig voor mijn zwaard. Maar Pandarus - Wat kwelt u mij toch, goden! Slechts Pandarus brengt mij tot Cressida; hij is als bemiddelaar net zo lichtgeraakt als zij bij elk aanzoek nukkig en kuis. Apollo, om Daphnes min, zeg, wat wij zijn, wat Cressida is en wat Pandarus. India is haar bed; daar rust zij als een parel. Tussen ons Ilium en waar zij woont, noem ik het de woeste, wilde, open zee, met mij als koopman, Pandarus, de stuurman, mijn zwakke hoop, mijn vaartuig en mijn schip. Krijgsgedruis. Aeneas op |
| Aeneas | Wat nu, vorst Troilus, waarom niet in het veld? |
| Troilus | Nou, daarom. Want dat vrouwenantwoord past,
want het is vrouwelijk daar niet te zijn. Nog nieuws, Aeneas, van het veld vandaag? |
| Aeneas | Dat Paris terug is, maar hij is gewond. |
| Troilus | Door wie, Aeneas? |
| Aeneas | Troilus, door Menelaus. |
| Troilus | Laat Paris bloeden, dat wekt spot, geen toorn:
hij is maar geschramd door Menelaus’ hoorn. Krijgsrumoer |
| Aeneas | Daarbuiten gaat het jachten flink tekeer. |
| Troilus | Als ik had wat ik wilde had ik hier veel meer.
Dan maar daar vechten - moet u er ook heen? |
| Aeneas | Zo snel als ik kan. |
| Troilus | Dan gaan we met z’n tweeën. Beiden af |
Tweede toneel Cressida op en haar dienaar, Alexander. | |
| Cressida | Wie waren dat? |
| Alexander | Hecuba en Helena. |
| Cressida | Waar gaan ze heen? |
| Alexander | De oostertoren op,
wiens hoogte heel het dal beheerst, waar zij het gevecht gaan zien. Hector, wiens geduld een voorbeeld is van rust, was vandaag heftig: hij sloeg zijn schildknaap, ging tegen zijn vrouw tekeer; alsof tijd ook in krijg zeer kostbaar is, gespte hij snel nog voor de zon zich in het harnas, en gaat het veld in, waar dan elke bloem profetisch weent om al wat zij voorziet uit Hectors woede. |
| Cressida | Waarom was hij zo kwaad? |
| Alexander | Het gerucht gaat, dat er in het Griekse kamp
een heer is van Trojaans bloed, neef van Hector; men noemt hem Ajax. |
| Cressida | Goed, en wat dan nog? |
| Alexander | Die man, zegt men, kent zijns gelijke niet,
hij is ongeëvenaard. |
| Alexander | Deze man, mevrouw, heeft heel wat beesten hun bijzondere eigenschappen geroofd. Hij is dapper als de leeuw, plomp als de beer, langzaam als de olifant: een man, die de natuur met zoveel luimen heeft volgepropt, dat zijn moed tot dwaasheid is verwrongen, dat zijn dwaas-heid met verstand is gekruid. Niemand heeft een deugd, waar hij ook niet iets van heeft, en niemand heeft een zwakke plek, waar hij ook niet iets van meegekregen heeft. Hij is neerslachtig zonder reden, en vrolijk tegen elke reden in; hij steekt voor alles de handen uit, maar is in alles zo onhandig, dat hij een jichtige Briareus is, veel handen die niets kunnen, of de stekeblinde Argus, allemaal ogen en niets zien. |
| Cressida | Maar hoe kan die man die mij aan het lachen krijgt, Hector kwaad maken? |
| Alexander | Men zegt dat hij het gisteren in de slag met Hector aan de stok kreeg en hem neersloeg, en dat door de smaad en de hoon van die nederlaag Hector vanaf dat moment niet meer gegeten of geslapen heeft.
Pandarus op |
| Cressida | Wie hebben we daar? |
| Alexander | Uw oom Pandarus, mevrouw. |
| Cressida | Hector is een dapper man. |
| Alexander | Zoals de wereld er maar één kent, mevrouw. |
| Pandarus | Wat zegt u, wat zegt u? |
| Cressida | Goede morgen, oom Pandarus. |
| Pandarus | Goede morgen, nicht Cressida; waar hebben jullie het over? - Goede morgen, Alexander - Hoe gaat het er mee, neef? Wanneer bent u nog in Ilium geweest? |
| Alexander | Vanmorgen nog, oom. |
| Pandarus | Waar hadden jullie het over toen ik kwam? Was Hector al bewapend en weg voor u naar Ilium kwam? Helena was nog niet op, hè? |
| Cressida | Hector was al weg, maar Helena was nog niet op. |
| Pandarus | Dat klopt: Hector was vanmorgen vroeg. |
| Cressida | Daar hadden wij het over, en dat hij zo kwaad was. |
| Pandarus | Was hij kwaad? |
| Cressida | Dat zegt híj hier. |
| Pandarus | Nou, en of hij dat was; en ik weet ook waarom: het zal hem er vandaag wel van langs geven, dat kan ik hun verzekeren; en [Alexander af] Troilus zal niet ver bij hem achterblijven; laten ze maar oppassen voor Troilus, dat kan ik ze ook vertellen. |
| Cressida | Is hij dan ook kwaad? |
| Pandarus | Wie, Troilus? Troilus is de meerdere van die twee. |
| Cressida | O Jupiter, die zijn niet te vergelijken. |
| Pandarus | Wat, Pandarus en Hector niet? Kent u een man, als u hem ziet? |
| Cressida | Ja, als ik hem ooit eerder gezien heb en gekend. |
| Pandarus | Nou, ik zeg u: Troilus is Troilus. |
| Cressida | Dan zegt u iets wat ik zou zeggen, want ik weet zeker dat hij geen Hector is. |
| Pandarus | Nee, maar Hector is ook in menig opzicht geen Troilus. |
| Cressida | Dat gaat voor beiden op: hij is zichzelf. |
| Pandarus | Zichzelf? Helaas, arme Troilus, was hij dat maar - |
| Cressida | Maar dat is hij toch? |
| Pandarus | Als dat waar is, dan liep ik op blote voeten naar India. |
| Cressida | Hij is niet Hector. |
| Pandarus | Zichzelf? Nee, hij is niet zichzelf; was hij dat maar. Wel, de goden zijn boven, komt tijd, komt raad. Wel, Troilus, wel, ik zou willen dat mijn hart in haar lichaam was. Nee, Hector is niet een beter man dan Troilus. |
| Cressida | Wat zegt u daar. |
| Pandarus | Hij is ouder. |
| Cressida | Neem mij nou niet kwalijk, maar - |
| Pandarus | Die ander is nog niet helemaal zo ver; u zult wel uit een ander vaatje tappen, als die ander zo ver is. Hector zal dit jaar zijn verstand nog niet halen. |
| Cressida | Dat zal hij ook niet nodig hebben als hij dat van zichzelf gebruikt. |
| Pandarus | En ook zijn begaafdheden niet. |
| Cressida | Dat geeft niets. |
| Pandarus | En ook zijn schoonheid niet. |
| Cressida | Die zou hem ook niet staan, die hij zelf heeft is beter. |
| Pandarus | Dat kunt u niet goed beoordelen, nicht. Helena zelf zwoer nog pas geleden, dat Troilus voor een bruin gezicht - want bruin is hij, dat geef ik toe - wel niet helemaal bruin - |
| Cressida | Nee, gewoon bruin. |
| Pandarus | Ja, om de waarheid te zeggen, bruin en niet bruin. |
| Cressida | Om de waarheid te zeggen, waar en niet waar. |
| Pandarus | Zij prees zijn huidskleur boven die van Paris. |
| Cressida | Maar Paris heeft kleur genoeg. |
| Pandarus | Dat kunt u wel zeggen. |
| Cressida | Dan moet Troilus te veel hebben. Als zij hem hoger prees, is zijn gelaatskleur hoger dan die van hem: als de een genoeg kleur heeft, en de ander nog meer, is dat te vurige lof voor de goede kleur. Ik had net zo graag gezien, dat Helena’s gouden tong Troilus om zijn koperen neus had geprezen. |
| Pandarus | Ik zweer u, dat ik vind dat Helena meer van hem houdt dan van Paris. |
| Cressida | Dat ze een vrolijke Griekse is weet iedereen. |
| Pandarus | Nee, maar ik weet het zeker: pas kwam ze nog naar hem toe in de vensternis - en u weet dat hij niet meer dan drie of vier haren op zijn kin heeft - |
| Cressida | De rekenkunst van een tapster zou zijn bijzonderheden in deze wel heel snel op kunnen tellen. |
| Pandarus | Ach, hij is nog jong, en toch licht hij, op drie pond na, evenveel op als zijn broer Hector. |
| Cressida | Zo jong nog, en al zo ervaren als oplichter? |
| Pandarus | Maar, om u te bewijzen, dat Helena van hem houdt, ze kwam daar aan, en legt me haar witte hand aan zijn gekloofde kin - |
| Cressida | Juno zij genadig, hoe kwam die gekloven? |
| Pandarus | Nou, u weet toch, dat er een kuiltje in zit: volgens mij staat hem zijn glimlach beter dan wie dan ook in Phrygië. |
| Cressida | O, hij glimlacht prachtig. |
| Pandarus | Of niet soms? |
| Cressida | O ja, als een regenwolk in de herfst. |
| Pandarus | Ach, schei toch uit. Maar om u te bewijzen, dat Helena van Troilus houdt - |
| Cressida | Als u dat wil bewijzen, zal Troilus daar geen bezwaar tegen maken |
| Pandarus | Troilus, ach, die geeft niet meer om haar dan ik om een rot ei. |
| Cressida | Als u net zo veel om een rot ei geeft als om een leeg hoofd, dan eet u kuikens in de schaal. |
| Pandarus | Ik blijf er om glimlachen, als ik er aan denk, hoe zij zijn kin kietelde: wat heeft ze toch een prachtig mooie blanke hand, dat moet ik bekennen - |
| Cressida | Zonder pijnbank. |
| Pandarus | En dan doet ze of ze een wit haartje op zijn kin heeft gevonden. |
| Cressida | Arm kinnetje, heel wat wratten hebben er meer. |
| Pandarus | Maar er werd me toch om gelachen: koningin Hecuba lachte dat haar ogen vol liepen - |
| Cressida | Met molenstenen. |
| Pandarus | En Cassandra maar lachen. |
| Cressida | Maar er was zeker een zachter vuurtje onder de pot van haar ogen. Liepen haar ogen ook vol? |
| Pandarus | En Hector lachte. |
| Cressida | En waar moesten ze dan allemaal om lachen? |
| Pandarus | Nou, om dat witte haartje dat Helena onder Troilus zijn kin had ontdekt. |
| Cressida | Als het nou een groen haartje was geweest, had ik ook gelachen. |
| Pandarus | Ze moesten niet zozeer lachen om het haartje, als wel om zijn aardige antwoord. |
| Cressida | Wat was zijn antwoord dan? |
| Pandarus | Zij zei:’Hier zijn maar tweeënvijftig haartjes op uw kin, en een ervan is wit.’ |
| Cressida | Dat is haar vraag. |
| Pandarus | Ja, dat is zo, geen kwestie over mogelijk. ‘Tweeënvijftig haartjes,’ zei hij, ‘en een witte: die witte is mijn vader, en de rest zijn zijn zonen.’ ‘Jupiter,’ zei zij, ‘welke van die haartjes is mijn man Paris?’ ‘Het gevorkte haartje,’ zei hij, ‘ruk het uit en geef het aan hem.’ Maar toen werd er zo gelachen, en Helena kreeg zo’n kleur, en Paris werd zo nijdig, en de rest moest zo lachen, dat de afloop niet meer te beschrijven was. |
| Cressida | Dan laat het dan ook maar, want het is al lang genoeg geweest. |
| Pandarus | Maar, eh, nichtje, ik heb u gisteren nog iets gezegd; denk daaraan. |
| Cressida | Dat doe ik. |
| Pandarus | Ik zweer u dat het waar is; hij kan erom huilen alsof hij in april geboren is. |
| Cressida | En ik zal in zijn tranen opschieten als een brandnetel in mei. De terugtocht wordt geblazen |
| Pandarus | Luister! Ze komen terug van het slagveld. Zullen we hier boven gaan staan om ze te zien als ze naar Ilium teruggaan? Beste nicht, kom, lieve nicht Cressida. |
| Cressida | Zoals u wilt. |
| Pandarus | Hier, hier, hier is een prachtig plekje, hier kunnen we alles prima zien. Ik zal u ze allen bij name noemen als ze voorbij komen, maar let vooral op Troilus.
Aeneas gaat voorbij |
| Cressida | Niet zo hard praten. |
| Pandarus | Dat is Aeneas, is dat niet een dapper man? Hij behoort tot de bloem van Troje, dat kan ik u verzekeren. Maar let op Troilus; u zult hem zo zien.
Antenor gaat voorbij |
| Cressida | Wie is dat? |
| Pandarus | Dat is Antenor: een slimme jongen, dat kan ik u verzekeren, en ook nog een goed soldaat; een van de beste breinen van Troje, en ook nog knap van persoon. Wanneer komt Troilus nou? Ik zal u Troilus zo aanwijzen: als hij mij ziet, zult u merken dat hij naar mij knikt. |
| Cressida | Alsof hij wil zeggen dat er bij u een knikje los zit? |
| Pandarus | U zult het wel zien. |
| Cressida | Als hij dat doet, wordt u er toch niet veel wijzer door.
Hector gaat voorbij |
| Pandarus | Dat is Hector, daar, daar, kijk, daar; dat is pas een kerel! Ga je gang maar, Hector - die is dapper, nichtje - O, dappere Hector! Kijk toch eens hoe hij eruitziet, wat een uitstraling: is dat niet een dapper man? |
| Cressida | O, een dapper man. |
| Pandarus | Ja, hè. Dat doet iemands hart goed. Kijk eens wat een butsen in zijn helm - kijk daarginds nou eens, ziet u dat? Kijk toch, dat is niet om te lachen, daar is men behoorlijk tekeer gegaan, zoals dat heet: zijn me dat houwen. |
| Cressida | Komt dat van zwaarden? |
| Pandarus | Zwaarden, alles, het maakt hem niet uit: al kwam de duivel naar hem toe, het is hem hetzelfde. Mijn God, wat doet dat deugd aan het hart.
Paris gaat voorbij Daar komt Paris, daar komt Paris: kijk nou toch daar eens, nichtje, dat is me toch ook een prachtige kerel, of niet? O, hoe schitterend: wie heeft gezegd, dat hij vandaag gewond thuis kwam? Hij is niet gewond. Wat zal dit Helena’s hart goed doen, zeg. Als ik Troilus nou maar eens zag: u zult Troilus direct zien. Helenus gaat voorbij |
| Cressida | Wie is dat? |
| Pandarus | Dat is Helenus - ik vraag me toch af waar Troilus blijft - dat is Helenus - misschien is hij vandaag niet mee uitgetrokken - dat is Helenus. |
| Cressida | Kan Helenus vechten, oom? |
| Pandarus | Helenus? Nee - nou ja, hij vecht vrij goed - waar is Troilus toch. Luister, hoort u daar het volk niet roepen: ‘Troilus’? - Helenus is een priester. |
| Cressida | Wat komt er daar voor een enge vent aan?
Troilus gaat voorbij |
| Pandarus | Waar? Daar? Dat is Deiphobus. - Het is Troilus! Dat is pas een man, nichtje! Ja, de dappere Troilus, de prins van het ridderschap. |
| Cressida | Stil, schaamt u toch, stil. |
| Pandarus | Kijk toch goed naar hem, houd hem in de gaten. O dappere Troilus! Bekijk hem goed, nichtje, kijk toch eens hoe dat zijn zwaard onder het bloed zit, en zijn helm is nog meer ingehakt als die van Hector, en hoe dat hij kijkt, en hoe dat hij gaat! O wat een prachtige knaap; en nog geen drieëntwintig. Ga je gang maar, Troilus, ga je gang maar. Had ik een zuster die een van de Gratiën was, of een dochter als godin, dan zou hij mogen kiezen. O wonderbare man! Paris? Paris is bij hem afval, en ik wed, dat Helena, als ze kon ruilen, er nog wel een oogje extra voor had.
Er gaan gewone soldaten voorbij |
| Cressida | Er komen er nog meer. |
| Pandarus | Ezels, gekken, uilskuikens, kaf en zemelen, kaf en zemelen; havermoutpap na de maaltijd. Ik zou in de ogen van Troilus kunnen leven en sterven. Niet meer kijken, niet meer kijken, de arenden zijn voorbij: kraaien en kauwen, kraaien en kauwen. Ik zou veel liever een man als Troilus willen zijn, dan Agamemnon en al die Grieken. |
| Cressida | Onder die Grieken is nog wel ene Achilles, veel beter dan Troilus. |
| Pandarus | Achilles? Een sjouwer, een lastdrager, een echte kameel. |
| Cressida | Nou, nou. |
| Pandarus | Nou, nou? Heeft u dan geen gezond verstand? Heeft u geen ogen? Weet u niet wat een man is? Zijn niet geboorte, schoonheid, een goed uiterlijk, een vlotte mond, manhaftigheid, gestudeerdheid, vriendelijkheid, deugdzaamheid, jeugd, hoofsheid en dergelijke, het zout en de specerijen die een man kruiden? |
| Cressida | U hakt hem wel in stukjes, die man; en als hij dan ook nog heet gebakken moet worden zonder de pittige stukjes, dan wordt hij wel een stuk minder lekker. |
| Pandarus | Wat bent u er toch eentje! Een man weet niet waar u zich op verlaat tegen het rapier. |
| Cressida | Op mijn rug, om mijn buik te beschermen; op mijn verstand om mijn streken te bedekken; op mijn stille zachtheid om mijn eer mee te verdedigen; op mijn masker om mijn schoonheid te verdedigen; en op u, om dat alles te verdedigen; al die posities zal ik opnemen, al de duizend keren dat ik moet oppassen. |
| Pandarus | Kom dan eens met een ervan. |
| Cressida | Ik heb u toch als oppas, en wel voor de belangrijkste. Als ik niet kan verdedigen waar ik het minst geraakt wil worden, dan kan ik er tenminste voor hoeden dat u niet rondvertelt hoe ik de stoot heb opgenomen, tenzij ik er wel rond voor uit móet komen, en dan is het te laat om nog op te passen. |
| Pandarus | Wat bent u er me toch een.
Troilus’ schildknaap op |
| Schildknaap | Meneer, mijn meester wilt u direct spreken. |
| Pandarus | Waar? |
| Schildknaap | Bij uw eigen huis, daar ontwapent hij zich. |
| Pandarus | Beste jongen, zeg hem dat ik kom. [Schildknaap af] Misschien is hij wel gewond. Tot ziens, beste nichtje. |
| Cressida | Tot ziens, oom. |
| Pandarus | Ik ben dadelijk weer bij u, nichtje. |
| Cressida | Om wat te brengen? |
| Pandarus | Nou, een liefdeblijk van Troilus. Pandarus af |
| Cressida | Dat liefdepand maakt u tot koppelaar.
Hij brengt geloften, woorden, liefdetranen, om, voor een ander, liefdes weg te banen. Ik zie in Troilus duizendmaal meer dan al de lofprijzing door deze heer; maar ik wacht nog. ‘Engel’ noemt zijn lief wie mint: het zoet onderweg is over als men wint. Wie wordt bemind weet niets die dit niet weet: de man prijst het hoogste wat hij nog niet deed. Geen meisje ooit dat dit wel nooit inziet: geen min zo zoet die zij verlangen liet. Dus hoor, wat in geen liefdeboek ontbreekt: ‘Geef toe, de man beveelt; houd af, hij smeekt.’ Al is mijn hart van vurige min vervuld, niets daarvan wordt ooit door mijn blik onthuld. Af |
Derde Toneel Trompetgeschal. Agamemnon op, Nestor, Ulysses, Diomedes, Menelaus en anderen. | |
| Agamemnon | Vorsten:
welk leed heeft u de wangen geel gekleurd? De ruime opzet die de hoop ontwerpt bij alle plannen hier op aard begonnen haalt de beloofde grootsheid nooit: ramp, onheil ontkiemt in de aderen van het hoogste streven, zoals knoesten, door de samenloop van sappen, gezonde dennen aantasten en het hout doen krommen tegen zijn gewone groei. Zo mag het ons, vorsten, ook geenszins bevreemden, dat tegen ons verwachten Trojes wallen na zeven jaar beleg nog altijd staan, waar elke actie uit vervlogen tijden die ons bekend is ook verkeerd en scheef gelopen is, en niet voldeed aan het plan dat voorstelling en dat verwachting ooit had vormgegeven. Wel, waarom dan, vorsten, beschouwt u nu met schaamte wat wij deden, en noemt dat schande, wat niets anders is dat wat vertraagd nagaan van Jupiter of dat de mens blijvend volhardend is, een zuiver goud dat niet gevonden wordt in wat Fortuin ons schenkt. Want dan schijnen held, lafaard, wijs en dom, geleerd en stom, wie hard, wie zacht is allen zeer verwant: maar als hij met veel wind en stormen woedt, komt Onderscheid met een reusachtige wan en blaast met krachtige adem het lichte eruit, en wat in zich gehalte heeft en gewicht dat legt zich neer in volle zuiverheid. |
| Nestor | Zich buigend voor uw goddelijke troon,
grote Agamemnon, zal Nestor uw woord uiteenzetten. Als het Lot toeslaat, is dat de toetssteen voor de mens. Bij een kalme zee waagt ieder platboomd speelgoedbootje zich op haar zo rustige borst, en stevent voort naast edeler zeekastelen. Maar wekt de woestaard Boreas de toorn van zachte Thetis, zie plotseling dan: het sterk bespante schip splijt bergen water, op en neer tussen twee vochtige elementen als het paard van Perseus. Waar is het brutale bootje, wiens zwakke en ongeschoorde zijden pas nog grootsheid tartten? Het vluchtte naar de haven, of werd een hapje voor Neptunus. Zo scheidt de storm van het lot vertoon van moed van ware dapperheid; want straalt de zon dan heeft de kudde meer last van de brems dan van de tijger; maar als de wind kraakt, de knieën van knoestige eiken buigt, en vliegen schaduw zoeken, doet elk dapper ding, door het woeden opgehitst, met woeden mee, en gaat, daarmee op toon, gelijk gestemd, tegen het lot tekeer. |
| Ulysses | Agamemnon,
grote veldheer, kracht en sterkte der Grieken, hart van ons leger, ziel en levenskracht, belichaming van houding en van geest van allen hier, hoor wat Ulysses spreekt. Bij alle lof en bijval die ik u beiden, [Tot Agamemnon] u, machtigste door rang en door gezag, [Tot Nestor] en u, eerwaardigste door hoge leeftijd, om uw toespraken geef, van zulk een waarde, dat Agamemnon en de Griekse hand ze in brons griffen moest; en evenzo dat de eerbiedwaardige, zilvergrijze Nestor met woordenkluisters, sterk als de as waaromheen de wereld draait, elk Griekse oor mocht boeien aan zijn ervaren tong - behaagt het u, u, grote - u, wijze, Ulysses aan te horen. |
| Agamemnon | Spreek, vorst van Ithaca, het zou onverwachter zijn,
dat er iets onbelangrijks, nutteloos je lippen scheidt, dan dat ons oor, wanneer de slechte Thersites zijn kaken opent, muziek hoort, grappen en orakelspreuken. |
| Ulysses | Troje, nog onverwoest, was lang gevallen
en het zwaard van Hector had geen meester meer, ware het niet voor deze punten. Het gezag van één persoon wordt niet erkend: net zoveel Griekse tenten als er hol staan op de vlakte, zoveel holle partijen zijn er. Wanneer de veldheer niet is als de korf, waar elke voedselgaarder zich weer meldt, komt er geen honing. Als rang zich vermomt, schijnt hoog en laag door het masker even hoog. De hemel zelf, de dwaalsterren, dit centrum, eerbiedigen ieders rang, voorrang en plaats, loop, draaipunt, vorm, verhouding en seizoen, taak en gewoonte, naar de wet der orde. Zo troont de glorieuze dwaalster Sol vol edele majesteit tussen de andere, in eigen sfeer; zijn heilbrengende oog trekt de invloed van de boze dwaalster recht, en ijlt als het bevel des konings voort naar goed en kwaad. Maar als de dwaalsterren zijn losgeslagen, zich vrij laten gaan, wat plagen, tweespalt, welke voortekens, wat aardbeven, wat woeden van de zee, wat stormen in lucht, angst, gruwel, ommekeer, verwrikt, kraakt, scheurt en ontwortelt de natuur van hechtverbonden staten, en ontwricht hun vaste basis. Wordt rangorde geschokt, de ladder van elk hoger plan, dan is elk ondernemen ziek. Hoe blijven groepen, gezag op school, de gilden in de stad, het vreedzaam verkeer van vergelegen kusten, het eerstgeboorte-recht en edele afkomst, voorrecht van leeftijd, kronen, scepters, lauweren, in stand dan door hun aangeboren rang. Neem deze rang eens weg, ontstem die snaar, en hoor de wanklank. Dan smelt alles weg tot één groot conflict; het omringde water verhief zijn boezem hoger dan de kust, maakte de vaste globe tot één brij; kracht zou dan heerser worden over zwakheid, de ruwe zoon sloeg dan zijn vader dood; geweld werd recht - of liever, goed en kwaad, waartussen het recht hangt met hun eeuwige strijd, verloren, met gerechtigheid, hun naam. Daarmee wordt alles in zichzelf tot macht, en macht tot wil, en willen weer tot vraatzucht, en neemt vraatzucht, die wereldwijde wolf, tweevoudig sterk door macht en willekeur, de wereld zeker als haar buit, en vreet uiteindelijk zichzelf. Grote Agamemnon, wordt rang verstikt, dan is het deze chaos die op het wurgen volgt. Het is dit miskennen van wat rang heet, dat één stap terug doet met het doel om hoger op te klimmen. Wie één tree lager staat kijkt op de veldheer neer, de lagere op hem, en zo naar onder: elke trede krijgt, naar het voorbeeld van de eerste die ziek is van zijn superieur, de afgunstkoorts, bleek, bloedeloos walgen van zijn meerdere. En deze koorts houdt Troje op de been; om kort te gaan, Troje heeft zelf geen macht, het staat nog door onze zwakte, niet zijn kracht. |
| Nestor | Zeer wijs heeft hier Ulysses blootgelegd
de koorts waar onze krijgsmacht onder lijdt. |
| Agamemnon | De aard der ziekte is duidelijk, Ulysses,
maar nu het medicijn. |
| Ulysses | De grote Achilles, door elkeen gekroond
als het allersterkste voordeel van de vijand, heeft zo zijn oren vol van ijdele faam, dat hij, zwelgend in eigenroem, ons plan ligt te bespotten in zijn tent; Patroclus, lui naast hem op een bed, komt de hele dag met heel gemene grappen, en met belachelijke, dwaze gebaren, die deze lasteraar imitatie noemt, doet hij ons na. Soms, grote Agamemnon, waagt hij zich aan jouw allerhoogste ambt, en als een schutterend toneelspeler, het verstand van achter, die het prachtig vindt, het onderhoud te horen dat weerklinkt tussen zijn stampen en de plankenvloer, speelt hij verwrongen en erbarmelijk uw grootheid na; en als hij spreekt, klinkt het als een gebarsten klok, met grove taal, die, zelfs uit de buldermond van een Typhon, overdreven leek. Dat soort oubolligheid juicht de grote Achilles, languit liggend, toe, hij buldert van de lach, klapt luid in de handen; en roept: ‘Fantastisch! Sprekend Agamemnon! Speel nu Nestor: zeg ‘Hm’ en strijk je baard, net als wanneer hij aan een speech begint.’ Hij doet het, en al lijkt het absoluut nergens op, als Vulcanus en zijn vrouw, toch blijft die god Achilles schreeuwen: ‘Prachtig! Precies Nestor: speel me hem nu, Patroclus, zich wapenend bij een nachtelijk alarm.’ Dan maakt hij echt het gebrek van de oude dag tot onderwerp van spot, hij hoest en proest, prutst trillerig aan het klampje van zijn halsberg, erin, eruit: en bij die grappen sterft Meneer de Held haast, roept: ‘Genoeg, Patroclus, of geef mij stalen ribben; ik barst nog uit elkaar van het lachen.’ Zo dient dan onze aard, bekwaamheid, gaven, uiterlijk, voortreffelijkheid van man en hele groep, daden en plannen, orders en voorzorg, opwekking tot de strijd, onderhandeling, winst of verlies, en dat wat is of niet, die twee tot stof voor hun absurd vermaak. |
| Nestor | En, ja, dit navolgen van deze twee,
die, zoals Ulysses zegt, de mening kroont tot hoogste leiders, besmet zeer velen. Ajax krijgt eigendunk en houdt zijn hoofd de hoogte in, is net zo opgeblazen als Achilles; blijft ook in zijn tent; feest met kornuiten; spot boud als een orakel met onze krijgslijn; hitst Thersites op, een schoft wiens gal laster uitslaat als munt, om ons volledig door het slijk te halen, de kwetsbaarheid te bagatelliseren, als zijn wij dicht omgeven door het gevaar. |
| Ulysses | Zij houden onze omzichtigheid voor lafheid,
voor hen is wijsheid niet een deel der krijg; men wijst vooruitzien af, maar telt alleen het werk der hand. Het stille, geestelijk deel, dat moet bedenken hoeveel handen slaan op het juist moment, dat door zijn inspanning berekend heeft hoe zwaar de vijand is - ach, dat vindt men niet eens een vinger waard. Dat heet daar bed-werk, kaartspel, kamerkrijg; zodat de stormram die de muur doorbreekt, vanwege zijn zwaai en macht waarmee hij treft boven de hand gesteld wordt die hem maakt, of boven hen die met fijn intellect door nadenken hem leiden naar zijn doel. |
| Nestor | Wel, als dit klopt, dan geldt Achilles’ paard
veel Thetiszonen. Trompetgeschal |
| Agamemnon | Trompetgeschal? Ga eens kijken, Menelaus. |
| Menelaus | Uit Troje.
Aeneas op |
| Agamemnon | Wat voert u hier tot onze tent? |
| Aeneas | Is dit de tent van de grote Agamemnon? |
| Agamemnon | Dat is juist. |
| Aeneas | Mag een heraut, èn vorst, voor zijn vorstenoog
een boodschap brengen vol welwillendheid. |
| Agamemnon | Zo goed alsof Achilles’ arm hem hoedde
voor alle Griekse vorsten die eenstemmig als hoofd en veldheer Agamemnon eren. |
| Aeneas | Een schoon verlof, met zekerheid. Hoe zal
wie deze heersersblikken nog niet kent hem kennen tussen stervelingen? |
| Agamemnon | Hoe? |
| Aeneas | Ja:
ik vraag dit om mijn eerbied op te wekken, en dat mijn wangen klaar staan met een blos bedeesd als de ochtend, als zij kil beziet de jonge Phoebus. Wie is die god die dient, die mannen leidt, wie is de hoge en machtige Agamemnon? |
| Agamemnon | Deze Trojaan spot met ons, of de Trojanen
zijn fijne hovelingen. |
| Aeneas | Hovelingen, gul, gracieus, zonder hun wapens,
buigend als engelen: zo zijn ze in vrede; als soldaten bijten ze krachtig terug, met puike zwaarden - hen steunt Jupiter -, geen dapper als zij. Maar stil, Aeneas, wees stil, Trojaan, je vingers op je lippen. Verdiende roem onteert zijn eigen kracht, als wie geroemd wordt zelf die roem hem bracht; wie van een misnoegde vijand roem verkrijgt: hij spreekt hem faam die alles overstijgt. |
| Agamemnon | Hé, Meneertje Troje, heet u Aeneas? |
| Aeneas | Ja, Griek, zo heet ik. |
| Agamemnon | Wat komt u hier doen, als ik vragen mag. |
| Aeneas | Dat is alleen voor Agamemnons oren. |
| Agamemnon | Niets dat uit Troje komt hoort hij alleen. |
| Aeneas | En ik uit Troje kom niet om te fluisteren.
Ik heb een trompetter om zijn oor te wekken, die zijn zintuig aanzet tot luisteren, en dan tot spreken. |
| Agamemnon | Spreek vrij als de wind.
Het is Agamemnons slaapuurtje niet meer: opdat jij weet, Trojaan, dat hij niet slaapt: hij zegt het je hier zelf. |
| Aeneas | Trompetter, blaas:
je koperen stem door al die luie tenten, laat elke Griek weten die moedig is: wat Troje oprecht bedoelt, wordt luid gesproken. Trompetgeschal Bij ons, grote Agamemnon, leeft in Troje een vorst die Hector heet, Priamus’ zoon, die deze lange, duffe wapenstilstand lamlendig maakt. En namens hem moet ik hier spreken: ‘Vorsten, prinsen, edelen, zo er iemand is onder het puik der Grieken, die meer om eer geeft dan om zijn gemak, die meer naar roem streeft dan gevaren schuwt, die weet wat moed is, maar niets weet van vrees, die zijn lief meer mint dan hij zeggen kan met ijdele eden op haar lieve lippen, die voor haar schoonheid en haar waarde staat gerust met andere wapens, hem daag ik uit: Hector wil, voor Grieken en Trojanen, bewijzen, of een poging doen, dat hij een wijzere, mooiere, trouwere dame heeft dan enig Griek ooit in zijn armen sloot; morgen komt hij met zijn trompetter staan halfweg uw legerkamp en Trojes wallen, om een Griek die trouw bemint ten strijd te dagen. Als er een komt, zal Hector die man eren: en komt er geen, dan zal hij Troje melden, dat Griekse dames, door de zon getaand, geen lanssplinter waard zijn. Dat is mijn last. |
| Agamemnon | Dat zeggen we onze minnaars, heer Aeneas.
Heeft geen van hen nu lust in zulk een strijd, dan bleven allen thuis; soldaten zijn wij, en er gaat met die soldaat beslist iets mis, die niet verliefd wil zijn, was, of het nu is. Als iemand het is, of was, of het worden kan, naar Hector! Is er geen, ben ik je man. |
| Nestor | Spreek hem van Nestor, die al man was toen
zijn grootvader nog zoog. Hij is nu oud; vindt men in het Griekse heer geen edelman die een sprankje vuur voelt gloeien en het opneemt voor zijn geliefde, zeg hem dan dat ik mijn zilveren baard berg in een gouden helm, mijn zwakke spieren met mijn armplaat dek, en hem bij het zien zal zeggen dat mijn dame mooier was dan zijn vaders moeder, kuis als geen ter wereld. In al zijn gloed, bewijs ik dit met mijn drie druppels bloed. |
| Aeneas | Verhoede de hemel dat jeugd zo schaars blijkt. |
| Ulysses | Amen. |
| Agamemnon | Reik, edele Aeneas, mij uw hand:
laat ik u nu naar onze tent begeleiden. Men make Achilles nu dit plan bekend, en elke Griekse vorst, van tent tot tent. En voor u gaat, wacht u een feestelijk maal: een edele vijand vinde een gul onthaal. Allen af, behalve Ulysses en Nestor |
| Ulysses | Nestor. |
| Nestor | Wat is er, Ulysses? |
| Ulysses | Mijn brein heeft net een jong plan voortgebracht:
weest u mijn tijd, en geef het wat meer vorm. |
| Nestor | Wat is het? |
| Ulysses | Dit is het:
De wig splijt harde knoesten; het zaad hoogmoed, dat zo vol in die opgeblazen Achilles doorgeschoten is, moet nu gekapt worden, of het strooit zich uit en brengt een veld vol kwaad dat ons volledig overwoekert. |
| Nestor | Goed, maar hoe? |
| Ulysses | Al heeft de dappere Hector door zijn bode
om het even wie van ons nu uitgedaagd, het slaat eigenlijk alleen maar op Achilles. |
| Nestor | Zijn doel is duidelijk als was het berekend:
veel kleine cijfers voor een grote som; en twijfel niet, of bij het bekendmaken zal die Achilles, zelfs al was zijn brein zo dor als Libië’s duinen - en het is, dat weet Apollo, aardig droog -, gelijk, heel snel inzien, dat Hectors uitdaging op hem slaat. |
| Ulysses | En hem opwekken tot het gevecht, denkt u? |
| Nestor | Nou, als dat kan: wie anders brengt de strijd
met Hector tot een eervol eind, dan hij, Achilles? Ook al is het gevecht maar spel, het gaat hierbij wel om de goede naam; hier proeft de Trojaan met de fijnste tong onze hoogste roem; geloof me maar, Ulysses, ons aanzien zal men, vreemd genoeg, afwegen aan dit gevecht; want, al is het maar succes voor één, het zal als symbool gaan gelden voor goed of niet goed zijn in het algemeen; zo’n aanwijzing, een héél klein pijltje naar de grote hoofdstukken die volgen, toont in minivorm de machtige omvang reeds van dingen die gaan komen. Want men meent, wie tegen Hector vecht, is onze keus; en keuze, die eenstemmigheid van geest, kiest naar verdienste, en kookt, en destilleert als het ware iemand uit ons allemaal, uit onze moed: wanneer die man niet slaagt, wie kan daaruit een overwinning proeven en zich met zelfvertrouwen pantseren? - En als dat groeit, wordt elke arm een werktuig, met evenveel effect als zwaard of boog die door die arm gestuurd worden. |
| Ulysses | Vergun mij nu het woord. Het is dus niet juist,
dat Hector met Achilles strijdt. Breng eerst slecht goed, als op de markt; misschien verkoopt het; zo niet, dan blinkt de glans van het betere veel meer door het slechte eerst te tonen. Sta niet toe, dat Hector en Achilles zich gaan meten, want of dat eer of schande aan ons brengt, twee komen er steeds boos achter ons aan. |
| Nestor | Mijn oog is oud en ziet ze niet; wie dan? |
| Ulysses | De glorie die Achilles wint van Hector,
zou, als hij niet zo trots was, de onze zijn; maar hij is nu al te zelfingenomen; en als hij met succes Hector ontsnapt, verschroeie ons beter de Afrikaanse zon dan zijn bittere spot. Als hij verliest, dan zagen wij het allemaal verkeerd, met onze beste man te schande. Nee, laat loten, speel die domkop Ajax toe, dat hij met Hector vecht, en roem hem dan, dat hij de beste strijder is van allen; dat zal de grote Myrmidoniër leren, die groeit bij bijval, zijn helmbos doen knakken, die trotser rond buigt dan de blauwe Iris. Wanneer die domme Ajax veilig terugkeert, omkleden we hem met bijval; als hij faalt, dan weten we nog altijd bij onszelf, dat we nog beteren hebben. Raak of mis, in zover zal ons plan ons zeker baten: vecht Ajax, moet Achilles veren laten. |
| Nestor | Ulysses,
je plan begint mij nu heel goed te smaken, en ik ga er Agamemnon nu direct van laten proeven; kom, mee naar zijn tent. De ene hond temt de ander: trots alleen hitst de bulhonden op, als was het hun been. Beiden af |