| Veel drukte om niets
much ado about nothing vertaling Jan Jonk | |
|---|---|
|
Eerste toneel Leonato, stadhouder van Messina, op, Hero, zijn dochter, en Beatrice, zijn nichtje, met een bode | |
| Leonato | Ik lees in deze brief, dat Don Pedro van Aragon vanavond naar Messina komt. |
| Bode | Hij moet al heel dichtbij zijn, want toen ik hem verliet, was hij nog geen drie mijl hier vandaan. |
| Leonato | Hoeveel edellieden hebt u bij deze missie verloren? |
| Bode | Maar weinig van enig rang, en geen van naam. |
| Leonato | Een overwinning is dubbel zo groot, als de overwinnaar al zijn manschappen weer mee naar huis neemt. Ik lees hier, dat Don Pedro een jonge Florentijn, genaamd Claudio, hoog heeft onderscheiden. |
| Bode | Die heeft dat van zijn kant zeer verdiend, en is navenant beloond door Don Pedro. Zijn gedrag overtrof verre, wat zijn leeftijd beloofde: in de gestalte van een lam verrichtte hij daden van een leeuw: hij heeft inderdaad de verwachting verder overtroffen dan u uit mijn verhaal verwachten kunt. |
| Leonato | Hij heeft hier in Messina een oom, die daar heel blij mee zal zijn. |
| Bode | Die heb ik al een brief gebracht, en hij gaf blijk van grote vreugde, ja zelfs zo, dat hij zijn vreugde niet matigen kon dan door een merk van droefheid. |
| Leonato | Brak hij soms in tranen uit? |
| Bode | En niet zo= n beetje. |
| Leonato | Een aardige overstroming van zijn natuurlijke geaardheid: geen gezicht is meer echt, dan dat zo wordt gewassen. Hoeveel beter is het, te huilen uit vreugde dan zich te verheugen om tranen. |
| Beatrice | Wat ik u nog wil vragen, is Signor Mountanto soms al terug uit de oorlog? |
| Bode | Ik ken niemand van die naam, jonkvrouw, er was geen enkele officier die zo heette. |
| Leonato | Naar wie vroeg u, nichtje? |
| Hero | Mijn nichtje bedoelt Signor Benedick van Padua. |
| Bode | O, die is terug, en zit weer vol grappen als altijd. |
| Beatrice | Hij liet hier in Messina plakkaten ophangen en daagde Cupido uit in het pijlschieten; en toen de nar van mijn oom dat las, schreef hij zich in voor Cupido, en daagde hem uit tot een strijd met stompe pijlen. Maar zegt u eens, hoeveel heeft hij er geschoten en opgegeten in deze oorlogen? Hoeveel heeft hij er gedood? Want, om u de waarheid te zeggen, ik heb beloofd alles wat hij doodt op te eten. |
| Leonato | Maar, nichtje toch, u onderschat Signor Benedick veel te veel; maar hij zal daar ongetwijfeld voor met u afrekenen. |
| Bode | Hij heeft in deze oorlogen goede diensten gedaan, jonkvrouw. |
| Beatrice | Dan had u vast mondvoorraad die op moest, en heeft hij u geholpen die soldaat te maken; hij is een voortreffelijke tafelheld. |
| Bode | En ook een goed soldaat, jonkvrouw. |
| Beatrice | En een goed soldaat bij een jonkvrouw; maar wat is hij bij een jonkheer? |
| Bode | Een jonkheer bij een jonkheer, een man bij een man, vol met alle eerbare deugden. |
| Beatrice | Zo is het inderdaad, hij is aardig opgevuld, die man; maar wat dat opvulsel betreft - ach, we zijn allemaal mensen. |
| Leonato | Begrijpt u mijn nichtje niet verkeerd, meneer. Tussen Signor Benedick en haar is het altijd grapjesoorlog: als ze elkaar tegen komen, is het één steekspel van geesten. |
| Beatrice | Ach, hij legt er geen eer bij in. Bij ons laatste conflict gingen vier van zijn vijf zinnen op de loop, en nu wordt de hele man geregeld door maar één ervan; als hij nog genoeg verstand bij elkaar heeft om zich warm te houden, laat hem dan die ene gebruiken om zich van zijn paard te onderscheiden, want het is het enige rijke kenmerk dat hij over heeft om nog voor redelijk wezen door te gaan. Wie is nu zijn maatje? Elke maand heeft hij een nieuwe wapenbroeder. |
| Bode | Is het mogelijk? |
| Beatrice | Heel gemakkelijk; hij verslijt zijn trouw net zoals zijn hoed; die wisselt met elke volgende mode. |
| Bode | Ik zie, jonkvrouw, dat deze jonkman niet bij u in een goed blaadje staat. |
| Beatrice | Nee; en als hij dat was, zou ik het boek verbranden. Maar zeg mij eens, wie is zijn wapenbroeder? Is er geen jonge vechtersbaas, die met hem een reis naar de duivel wil ondernemen? |
| Bode | Hij is het meest in het gezelschap van de edele Claudio. |
| Beatrice | O hemel, hij zal aan hem vastzitten als een ziekte; die krijg je gemakkelijker dan de pest, en wie hem heeft wordt onmiddellijk dol. God helpe de edele Claudio! Als hij de gekke Benedick gekregen heeft, kost het hem duizend pond om ervan te genezen. |
| Bode | Met u wil ik goede vrienden blijven, jonkvrouw. |
| Beatrice | Doe dat, beste vriend. |
| Leonato | U zult niet zo gauw dol worden, nichtje. |
| Beatrice | Nee, zolang we geen snikhete Januari krijgen. |
| Bode | Daar komt Don Pedro aan.
Don Pedro op, Claudio, Benedick, Balthasar en Don John, de bastaard. |
| Don Pedro | Beste Signor Leonato, komt u hier uw problemen opzoeken? Het is de gewoonte van de wereld kosten uit de weg te gaan, en u gaat er recht op af. |
| Leonato | Onrust is nooit mijn huis binnen gekomen in de gedaante van uw hoogheid, want als onrust vertrekt, blijft een gevoel van verlichting; maar als u van mij weggaat, blijft smart, en neemt het geluk afscheid. |
| Don Pedro | U neemt uw last als te gewillig op u. Dit is, naar ik aanneem, uw dochter. |
| Leonato | Dat heeft haar moeder mij tenminste heel vaak gezegd. |
| Benedick | Twijfelde u dan, meneer, dat u haar ernaar vroeg? |
| Leonato | Nee, Signor Benedick, want toen was u een kind. |
| Don Pedro | Die is raak, Benedick; daaruit kunnen wij opmaken, wat u, als man, bent. De jonkvrouw laat toch zelf echt zien wie haar vader was. Wees gelukkig, jonkvrouw, want u lijkt op een waardige vader. |
| Benedick | Als Signor Leonato haar vader zou zijn, zou ze, voor heel Messina niet, zijn hoofd op haar schouders willen hebben, ook als lijkt ze nog zo op hem.Hij praat zacht met Leonato |
| Beatrice | Het verwondert me, dat u maar blijft praten, Signor Benedick: niemand luistert naar u. |
| Benedick | Wat, mijn lieve mevrouw Spotlust! Leeft u nog! |
| Beatrice | Hoe is het mogelijk, dat spotlust sterven zou, als zij nog net zoveel voedsel eet om zich mee te voeden als Signor Benedick? Hoffelijkheid zelf moet wel tot spotlust worden, als u in haar nabijheid komt. |
| Benedick | Dan waait hoffelijkheid met alle winden mee. Maar het is zeker, dat alle dames mij graag mogen, behalve u; en ik zou willen dat ik in mijn hart kon vinden, dat ik een hard hart had, want, echt, ik ben op geen enkele dame verliefd. |
| Beatrice | Wat een geluk voor de vrouwen, want ze zouden het maar lastig hebben met zo= n verderfelijke aanbidder. Ik dank God en mijn koude bloed, dat ik er net zo over denk als u; ik hoor mijn hondje nog liever blaffen tegen een kraai, dan dat ik een man hoor zweren dat hij van mij houdt. |
| Benedick | Moge God u altijd in die gezindheid bewaren, dan ontloopt een of andere voorbestemde edelman een gezicht vol krabben. |
| Beatrice | Dat krabben zou hem niet lelijker maken, als hij zo= n gezicht had als dat van u. |
| Benedick | Nou, u bent een papegaai die heel goed loze frasen kan herhalen. |
| Beatrice | Een vogel met een tong als de mijne is beter dan een dom beest als u. |
| Benedick | Ik zou willen dat mijn paard de snelheid had van uw tong, en ook zo goed kon volhouden. Maar ga in Gods naam maar door, ik stop ermee. |
| Beatrice | U eindigt altijd met een paardestreek, ik ken u al lang. |
| Don Pedro | Daar komt het allemaal op neer, Leonato. [Hij wendt zich tot het gezelschap] Signor Claudio en Signor Benedick, mijn goede vriend Leonato heeft u allen uitgenodigd. Ik heb hem gezegd, dat we hier minstens een maand zullen blijven, en hij hoopt vurig, dat er een aanleiding komt, dat hij ons nog langer hier kan houden; ik durf er een eed op te doen, dat hij niet huichelt, maar dat hij dat zegt uit het diepst van zijn hart. |
| Leonato | Als u zweert, heer, dan is dat geen meineed. [Tot Don John] Mag ik u welkom heten, mijn heer; nu u zich met de Prins uw broer hebt verzoend; ik ben geheel tot uw dienst. |
| Don John | Ik dank u zeer: ik ben geen man van veel woorden, maar ik dank u zeer. |
| Leonato | Wilt Uwe Hoogheid ons voorgaan? |
| Don Pedro | Uw hand, Leonato, wij gaan samen.Allen af, behalve Benedick en Claudio |
| Claudio | Zeg, Benedick, heb jij goed op de dochter van Signor Leonato gelet? |
| Benedick | Ik heb niet goed op haar gelet, maar haar wel gezien. |
| Claudio | Is zij niet een lieve en ingetogen jongedame. |
| Benedick | Vraagt u mij als eerlijk man naar mijn oprechte mening, of wilt u, dat ik naar mijn gewoonte spreek, als een gezworen vrouwentiran? |
| Claudio | Nee, wilt u zeggen wat u echt meent. |
| Benedick | Nou, ik denk eigenlijk dat ze te nederig is voor hoge lof, te donker voor schitterende lof, en te klein voor grote lof; het enige goede dat ik van haar kan zeggen is, dat, als ze anders was dan ze is, dat ze dan lelijk zou zijn, en, omdat ze niet anders is dan ze is, mag ik haar niet. |
| Claudio | U denkt, dat ik een grapje maak; zeg me nu eens ik alle ernst, wat u van haar vindt. |
| Benedick | Wilt u haar kopen, dat u zo naar haar vraagt? |
| Claudio | Kan de hele wereld zo= n juweel kopen? |
| Benedick | Nou, echt wel, met een kistje om het in op te bergen. Maar zegt u dit in volle ernst, of speelt u hier de spotvogel, door te stellen dat Cupido goed hazen zoeken kan, en Vulcanus een goede timmerman is? Kom, welke toonsoort moet men kiezen om met u mee te zingen? |
| Claudio | In mijn ogen is zij de liefste jonkvrouw die ik ooit heb gezien. |
| Benedick | Ik kan nog zonder bril zien, en ik zie er niets van. Neem nou haar nichtje, als die niet zo door een furie bezeten was, zou ze haar net zo in schoonheid overtreffen als de eerste mei met de laatste December. Het is toch niet uw bedoeling echtgenoot te worden, hè? |
| Claudio | Al had ik ook het tegendeel gezworen, dan kan ik voor mijzelf niet instaan, als Hero mijn vrouw wil worden. |
| Benedick | Is het al zover met u? Is er dan in de hele wereld geen enkel man meer, die een muts draagt zonder dat men er iets onder vermoedt? Zal ik dan nooit nog eens een ongetrouwde man van zestig ontmoeten? Ga je gang maar, als je zo nodig je nek onder het juk wilt steken, de afdruk ervan wilt dragen en je zondagen zuchtend wilt uitzitten. Kijk, daar komt Don Pedro u weer halen.
Don Pedro op |
| Don Pedro | Wat voor geheims had u hier af te handelen, dat u niet meegegaan bent naar het huis van Leonato? |
| Benedick | Ik zou willen dat u mij verplichtte het te vertellen. |
| Don Pedro | Ik beveel het u bij uw leenplicht. |
| Benedick | U hoort het, graaf Claudio: ik kan een geheim bewaren als een stomme, daar bent u toch van overtuigd, naar ik hoop. Maar bij mijn leenplicht, tja, bij mijn leenplicht - hij is verliefd. Met wie? Dat staat in de rol van uwe hoogheid. Luister, hoe kort zijn antwoord is: met Hero, die korte dochter van Leonato. |
| Claudio | Als dat zo was, dan was het nu verklapt. |
| Benedick | Zoals in het oude verhaal, mijn heer: > Het is niet zo, het was niet zo, en God verhoede, dat het ooit zo wordt.= |
| Don Pedro | Amen, als u haar bemint, want de jonkvrouw is het ten volle waard. |
| Claudio | Dat zegt u, om mij uit de tent te lokken, mijn heer. |
| Don Pedro | Op mijn woord, ik zeg echt wat ik denk. |
| Claudio | Op mijn eer, ik zei echt wat ik dacht. |
| Benedick | En op mijn woord en mijn eer, mijn heer, ik zei wat ik dacht. |
| Claudio | Dat ik van haar hou, dat voel ik. |
| Don Pedro | Dat zij voortreffelijk is, dat weet ik. |
| Benedick | Dat ik niet voel, hoe men haar beminnen moet, en ook niet weet, hoe zij voortreffelijk zijn kan, is de mening die geen vuur uit mij zou kunnen smelten; ik wil er voor sterven op de brandstapel. |
| Don Pedro | Jij bent altijd een verstokt ketter geweest, die alle schoonheid loochent. |
| Claudio | En toch moet hij zich tot het uiterste inspannen om niet uit zijn rol te vallen. |
| Benedick | Dat een vrouw mij ter wereld heeft gebracht, daar dank ik haar voor; dat zij mij heeft groot-gebracht, ook daar dank ik haar voor in alle nederigheid; maar dat ik op mijn voorhoofd een verzamelsein zou laten klinken, of mijn jachthoorn aan een onzichtbare band zou ophangen, dat moeten alle vrouwen mij ten goede houden. Omdat ik hen het onrecht niet wil aandoen één van hen te wantrouwen, geef ik mijzelf het recht er geen te vertrouwen; en het eind van het liedje is -waardoor ik beter gekleed kan gaan -, dat ik ongetrouwd door het leven zal gaan. |
| Don Pedro | Ik beleef het nog, dat ik je bleek van verliefdheid zie. |
| Benedick | Van woede, van ziekte, of van honger, mijn heer, maar niet van liefde. Als u kunt bewijzen, dat ik meer bloed verlies met zuchten om liefde dan ik terug krijg met drinken, dan kunt u mijn ogen uitsteken met de pen van een balladedichter, en mij ophangen bij de deur van een bordeel als het teken van de blinde Cupido. |
| Don Pedro | Nou, als je ooit van dit geloof af valt, zul je er genoeg van moeten horen. |
| Benedick | Als dat gebeurt, hang me dan in een mandje op als een kat en schiet op mij, en wie mij raakt kan men op de schouder kloppen en mij Adam noemen. |
| Don Pedro | Wel, de tijd zal het leren. > De wilde stier draagt vroeg of laat het juk= . |
| Benedick | Misschien de wilde stier, ja, maar als de verstandige Benedick het ooit draagt, haal de stier zijn hoorns er dan af en zet ze op mijn voorhoofd, en laat een kladschilder mijn portret schilderen en met even grote letters als ze schrijven > Hier goede paarden te huur= onder mijn uithangbord de tekst schrijven: > Kom hier Benedick zien, de getrouwde man.= |
| Claudio | Als dat ooit gebeurt, zou jij horendol zijn. |
| Don Pedro | Ja, als Cupido zijn pijlenkoker niet helemaal verschoten heeft in Venetië, zul je daar binnenkort voor moeten rillen en beven. |
| Benedick | Dan verwacht ik er toch wel een aardbeving bij. |
| Don Pedro | Wel, het zal op den duur wel minder met u worden. Wil je, beste Signor Benedick, ondertussen even naar Leonato gaan, hem de groeten van mij doen, en zeggen, dat ik bij het avondeten niet zal ontbreken; want hij heeft behoorlijk wat voorbereidingen getroffen. |
| Benedick | Voor zo= n boodschap ben ik nog wel mans genoeg; dus, dan beveel ik u - |
| Claudio | In de bescherming van de Heer. Te mijnen huize, als ik er een had - |
| Don Pedro | 6 Juli. Uw liefhebbende vriend, Benedick. |
| Benedick | O, lach me niet uit, lach me niet uit; de stof van uw gesprek is hier en daar wat opgelapt; en de stukken zijn er ook nogal losjes opgestikt. Voor u zo lichtvaardig met oude stukken omspringt, moet u bij uw geweten te rade gaan. En nu, tot ziens.Af |
| Claudio | Uw Hoogheid kan nu mijn geluk bevorderen. |
| Don Pedro | Mijn hart is van jou: leer het enkel hoe,
en je zult zien, hoe vlug het alles leert voor jouw geluk, hoe moeilijk het ook is. |
| Claudio | Heeft Leonato ook een zoon, mijn heer? |
| Don Pedro | Zijn Hero is zijn enige erfgenaam.
Houdt u soms van haar, Claudio? |
| Claudio | Mijn heer,
toen u de nu beëinde strijd begon, beschouwde ik haar met een soldatenoog, dat haar graag zag, maar ruwer arbeid had en welgevallen niet tot liefde dreef. Maar nu ik ben teruggekeerd, en krijg niet meer mijn denken vult, nu dringt er in zijn plaats een leger van verlangens, zoet en zacht, dat mij steeds influistert, hoe mooi zij is, en dat ik vóór de oorlog haar al mocht. |
| Don Pedro | Jij zult als minnaar spoedig je gehoor
vermoeien met een prachtband vol met woorden. Koester je liefde, als je haar graag mag, en ik neem het met haar en haar vader op, en jij krijgt haar. Was het niet juist daarom, dat fijngesponnen minverhaal van jou? |
| Claudio | Hoe zoet behandelt u wie aan liefde lijdt:
zijn uiterlijk verraadt u minnepijn! Opdat mijn min niet al te plotseling scheen, wilde ik het verzachten in een lang verhaal. |
| Don Pedro | Wat moet een brug veel breder dan de stroom?
De nood gelenigd is het best geschenk. Alle hulp is hier: want kijk: jij bent verliefd, en ik verschaf jou het beste medicijn. Vanavond is er een gemaskerd bal; daar speel ik in vermomming dan jouw rol, en zeg aan Hero dat ik Claudio ben, en stort mijn hart dan aan haar boezem uit, en houd haar oor gevangen met de kracht en het heftig stormen van mijn minverhaal; daarna leg ik het aan haar vader voor, en het eind van alles is, dat jij haar krijgt. Dan gaan we nu onmiddellijk aan het werk.Beiden af Tweede toneel Leonato en een oude man, Antonio, de broer van Leonato, van verschillende kanten op |
| Leonato | Zo, broer, waar is mijn neef, uw zoon? Heeft hij voor deze muziek gezorgd? |
| Antonio | Daar is hij nog druk mee bezig. Maar, broer, ik kan u een merkwaardig nieuwtje vertellen, waar u zeker niet van gedroomd hebt. |
| Leonato | Is het goed nieuws? |
| Antonio | Naargelang de uitkomst het zal bestempelen, maar de omslag is goed: zo oppervlakkig ziet het er goed uit. Toen de Vorst en Graaf Claudio in een dichtbegroeid laantje bij mij in de tuin aan het wandelen waren, luisterde een van mijn bediende hen af en hoorde, dat de vorst aan Claudio vertelde, dat hij verliefd was op mijn nichtje, uw dochter, en dat hij van plan was haar vanavond tijdens een dans zijn liefde te verklaren; en dat, als zij instemde, hij niet van plan was de gelegenheid voorbij te laten gaan, maar u er dan gelijk over aan te spreken. |
| Leonato | Heeft die kerel die u dat vertelde hersens in zijn hoofd? |
| Antonio | Dat is een hele slimme jongen; ik zal hem naar u toesturen, dan kunt u het hem zelf vragen.
Leonato Nee, nee, we zullen het voor een droom houden, tot het uitkomt; maar ik zal mijn dochter er toch maar van op de hoogte brengen, zodat ze haar antwoord beter klaar heeft, als het misschien toch waar mocht zijn. Gaat u het haar maar vertellen.Antonio af Antonio= s zoon op, met een muzikant, en anderen Mannen, jullie weten wat jullie moeten doen. [Tot de muzikant] O, alstublieft, vriend, kom eens met mij mee, dan kan ik uw vaardigheid aan het werk zetten. Wel, beste vriend, overal goed voor zorgen in deze drukte, hè.Allen af Derde toneel Don John, de bastaard, op en Conrade, zijn vriend. |
| Conrade | Tjonge, tjonge, mijn heer, waarom bent u zo grenzeloos somber? |
| Don John | Omdat de oorzaak geen grenzen kent, daarom ben ik zo mateloos neerslachtig. |
| Conrade | U moest naar rede luisteren. |
| Don John | En als ik daar naar geluisterd heb, wat brengt dat dan voor zegen? |
| Conrade | Zo niet onmiddellijk verlichting, dan toch geduldig lijden. |
| Don John | Ik sta er versteld over, dat jij, die toch naar eigen zeggen geboren bent onder Saturnus, probeert een wetenschappelijk middel voor te schrijven tegen een dodelijk kwaad. Ik kan niet verbergen wat ik ben: ik moet somber zijn als ik daar reden voor heb, en ik kan niet lachen om de grappen van een ander; ik moet eten als ik trek heb, en ik wil niet wachten tot een ander mij laat; ik ga naar bed als ik slaperig ben, en ik wil een ander zijn zaken niet nalopen; ik lach als ik vrolijk ben, en ik wil niemands grillen ontzien. |
| Conrade | Goed, maar u moet hier niet zo mee te koop lopen; wacht ermee, tot u er niemand mee stoort. U hebt een tijdlang in onmin met uw broer geleefd, en hij heeft u juist weer in zijn gunst aangenomen, maar u kunt onmogelijk wortel schieten, als u zelf het mooie weer niet maakt. U moet echt zelf het jaargetijde scheppen voor uw eigen oogst. |
| Don John | Ik ben nog liever een wilde roos in een heg dan een roos in zijn gunst, en het past beter bij mijn natuur om door iedereen versmaad te worden dan mij te plooien en van iemand liefde te stelen; al kan men mij geen kruiperige, eerlijke kerel noemen, toch zal niemand kunnen loochenen dat ik een oprechte schurk ben. Men vertrouwt mij met een muilkorf om, en met een blok aan mijn been mag ik vrij rondlopen; daarom ben ik vastbesloten niet te zingen in mijn kooi. Had ik mijn mond vrij, dan zou ik bijten; had ik mijn vrijheid, dan zou ik doen waar ik zin in had; maar laat mij tot zolang zijn wat ik ben, en probeer mij niet te veranderen. |
| Conrade | Kunt u die ontevredenheid van u niet ergens voor gebruiken? |
| Don John | Ik maak er alle mogelijk gebruik van, het is het enige dat ik gebruik. Wie hebben we hier?
Borachio opWat is er voor nieuws, Borachio? |
| Borachio | Ik kom van ginds, van het grote avondeten. De Prins, uw broer, wordt vorstelijk onthaald door Leonato; en ik kan u het bericht geven van een voorgenomen huwelijk. |
| Don John | Kan het niet dienen als ondergrond, om een of andere vuile streek op te bouwen? Wie is de gek, die zich gaat verloven met onrust? |
| Borachio | Wel, de rechterhand van uw broer. |
| Don John | Wat, die voortreffelijke Claudio? |
| Borachio | Niemand anders. |
| Don John | Een keurig heertje! En met wie? Met wie? Waar gaat zijn blik naar uit? |
| Borachio | Nou, naar Hero, de dochter en erfgename van Leonato. |
| Don John | Een heel vroeg kakelend maart-kuikentje! Hoe bent u daar achter gekomen? |
| Borachio | Omdat ik voor het beroken van de kamers dienst had, was ik bezig met een muffe ruimte; daar komen de Prins en Claudio in mijn richting, hand in hand, in ernstig overleg. Ik wipte vlug achter het wandtapijt, en hoorde daar de afspraak, dat de Prins, als voor zichzelf, Hero het hof zou maken, en als hij haar gewonnen had, haar aan graaf Claudio geven zou. |
| Don John | Kom, kom, laten we er gauw naar toe gaan; dit kan voedsel blijken voor mijn wrok. Die jonge parvenu krijgt al de glorie van mijn nederlaag. Als ik hem op een of andere manier kan dwarsbomen, zal ik mij in alle opzichten gelukkig prijzen. Kan ik op jullie allebei rekenen, en willen jullie mij helpen? |
| Conrade | Tot in de dood, mijn heer. |
| Don John | Kom, dan naar het grote feest; ze brassen met meer genot, nu ik verslagen ben. Had ik de kok maar op mijn hand. Zullen we eens gaan kijken wat we kunnen doen? |
| Borachio | Geheel tot uw dienst, mijn heer.Allen af |