| De koopman van Venetië
the merchant of venice vertaling    Jan Jonk | |
|---|---|
| Eerste bedrijf Eerste toneel Venetië Antonio op, Salerio en Solanio | |
| Antonio | Ik weet echt niet, waarom ik zo somber ben,
het ergert mij, en jullie, zeg je, ook; maar hoe ik het opdeed, hoe ik het vond of kreeg, waar het uit voortkwam, waar het uit bestaat, is mij een raadsel: en deze somberheid maakt mij zo bot, dat ik mezelf maar nauwelijks herken. |
| Salerio | Uw geest zwalkt rond op de oceaan,
waar uw galjoenen met opbollend zeil als signors, rijke burgers van de zee of als het ware praalschuiten der baren neerkijken op het kleine handelsvolk dat nederig buigend naar hen groet als zij met hun gewoven vleugels voorbij vliegen. |
| Solanio | Geloof me, als ik zo'n waagstuk uit had staan,
was het beste deel van mijn gedachten nu bij mijn hoop overzee. Voortdurend zou ik gras plukken om te zien waar de wind zat, op kaarten turen naar havens, rede en pier: en alles wat ik maar zag als een gevaar voor de onderneming, zou mij zeker en vast met somberheid vervullen. |
| Salerio | Blies ik in mijn soep,
dan joeg ik mij de koorts op het lijf, als ik dacht hoe een felle wind schade kan doen op zee. Als ik het zand maar lopen zag in het glas, moest ik al denken aan ondiepte en bank, en zag ik mijn rijke Andries diep in het zand, zijn masttop lager buigend dan zijn boord, ter laatste eer; als ik ter kerke ging, zou dan dat heilig bouwwerk, geheel van steen, mij niet aan rotsen vol gevaar doen denken: als die mijn zachte scheepshuid even raken, wordt heel de stroom bezaaid met specerij, het bulderend water met mijn zijde omhuld, kortom, het één moment die zorgen waard, en het andere niets meer? Moet ik dan wel dit overdenken, maar niet denken, dat, als zoiets mij gebeurt, het mij somber maakt? Zeg dus maar niets; ik weet, dat Antonio zo somber is omdat hij aan zijn koopwaar denkt. |
| Antonio | Denk dat maar niet, gelukkig heb ik niet al
mijn risico's in één bodem gelegd, of op één plaats; en mijn vermogen is niet afhankelijk van de opbrengst van dit jaar: het zijn niet mijn zaken die mij somber stemmen. |
| Solanio | Bent u dan soms verliefd? |
| Antonio | Ho, ho! |
| Solanio | Ook niet verliefd: dan moet u somber zijn
omdat u niet lacht; u kunt net zo goed lachen en springen, en zeggen dat u lacht omdat u niet somber bent. Bij Janus' dubbele kop, de wereld brengt soms vreemde snuiters voort: de een lacht steeds met van die pretoogjes, als papegaai haast bij een doedelzak: de ander is zo'n zuurpruim van natuur, dat er geen glimlach om zijn tanden speelt, al zweert zelfs Nestor dat de grap goed is. Bassanio, Lorenzo en Gratiano op Hier zijn Bassanio, uw nobele neef, Gratiano en Lorenzo. Het ga u goed, wij laten u aan betere vrienden nu. |
| Salerio | Ik was gebleven tot u vrolijk was,
maar achtenswaardiger vrienden zijn mij voor. |
| Antonio | Uw vriendschap is voor mij van grote waarde;
nu eisen eigen zaken uw aandacht op, en grijpt u deze kans om weg te gaan. |
| Salerio | Goedemorgen, waarde heren. |
| Bassanio | Wanneer, heren, gaan wij weer eens flink stappen?
Wij zien elkaar te weinig: moet dat echt? |
| Salerio | Wanneer het uitkomt, zijn wij u van dienst.Salerio en Solanio af |
| Lorenzo | Bassanio, nu u Antonio
gevonden hebt, gaan wij maar weer, maar weet waar wij ons zouden treffen voor het diner. |
| Bassanio | Ik zal er zijn.
U ziet er niet goed uit, Antonio, u trekt zich van de wereld te veel aan: wie zich daarmee te zeer inlaat verliest, - wat bent u buitengewoon veranderd, zeg. |
| Antonio | Ik neem de wereld als zij, Gratiano,
een schouwtoneel, waar ieder spelen moet, ik speel melancholie. |
| Gratiano | Dan speel ik nar,
laat rimpels komen met lol en met lach, verhit mijn lever liever met veel wijn dan dat het hart bevriest van doodsgekreun. Wat moet een man wiens bloed nog tintelend is stil zitten als opa's albasten beeld? Slapen bij een laat feest? Langzaam geel uitslaan door weg te kniezen? Luister, Antonio, (ik mag jou, het is uit vriendschap dat ik zo spreek): bij heel veel mensen is het gezicht bedekt met een zure korst als bij niet stromend water, zij hullen zich in koppig stilzwijgen, en hopen daarmee op een faam van ernst, de roep van wijsheid en van diep verstand, als zeggen zij: 'Ik ben meneer Orakel, en als ik spreek, dan zwijge iedere hond.' O mijn Antonio, ik ken er wel die juist daarom beroemd zijn als zeer wijs omdat ze niets zeggen; en ik weet heel goed, dat ze, als ze spraken, woedend zouden zijn want ieder zou hen uitschelden voor gek, - een ander keer vertel ik hierover meer, maar hengel niet met dit droefgeestig aas naar hapgrage dwazen, en deze faam: - kom, beste Lorenzo, - vrienden, tot straks, na het eten komt het slot van het stichtend woord. |
| Lorenzo | Wij zien elkaar dus tegen etenstijd.
Een van die domme wijzen ben ik vast zelf, want Gratiano laat mij nooit aan het woord. |
| Gratiano | Als je nog twee jaar langer bij mij blijft,
dan ken je zelfs je eigen stem niet meer. |
| Antonio | Tot ziens, ik zal zorgen dat ik iets meer zeg. |
| Gratiano | Uitstekend, want stilte wordt slechts gevraagd
van droge tong en overjarige maagd.Gratiano en Lorenzo af |
| Antonio | Wat moet je daar nou mee? |
| Bassanio | Gratiano praat een ontzettende hoop onzin, meer dan wie dan ook in Venetië, zijn verstandige woorden zijn als twee tarwekorrels in twee schepels kaf: u moet de hele dag zoeken voor u ze vindt, en als u ze hebt, zijn ze de moeite van het zoeken niet waard. |
| Antonio | Maar, zeg me nou eens, wie die jonkvrouw is,
die u in stilte een bezoek ging brengen - waar u vandaag mij van vertellen zou? |
| Bassanio | Het is u niet onbekend, Antonio,
hoezeer ik mijn middelen heb uitgeput door een wat al te grootse levensstijl; het bescheiden kapitaal liet het niet meer toe. Maar klagen doe ik niet, dat ik die manier van leven op moet geven; hoofdzaak is, hoe ik de zware schulden af moet doen, waarin mijn (soms wat al te kwistige) jeugd mij heeft verstrikt; u, Antonio, ben ik het meest aan vriendschap schuldig en aan geld, en in uw vriendschap vind ik nu de moed, aan u uiteen te zetten hoe dat ik de schulden die ik heb denk af te lossen. |
| Antonio | Vertel het mij, beste Bassanio,
en als het, zoals u altijd, in het licht der eer kan staan, wees er dan zeker van, dat ikzelf, mijn beurs, en al wat ik vermag geheel en al tot uw beschikking staan. |
| Bassanio | Als ik, nog op school, een pijl verloren had,
schoot ik een tweede van gelijk gewicht dezelfde baan langs, lette beter op waar die terecht kwam, en vond ze vaak terug door er twee te wagen: met dit jeugdvoorbeeld geef ik aan dat wat nu volgt uit vriendschap is. Ik ben u veel schuldig; eigenwijs als ik was ben ik nu alles kwijt; maar als u nu een tweede pijl dezelfde kant opschiet als u de eerste deed, dan twijfel ik niet, dat ik, als ik goed kijk, ze beide vind, of u terug breng wat u als laatste waagde, en u voor het eerste uw dankbare schuldenaar blijf. |
| Antonio | U kent mij toch; verspil daarom geen tijd
en draai niet zo met uw gedachtegang; u kwetst mij dieper als u twijfelen gaat, of ik wel alles doen zal wat ik kan, dan als u heel mijn have had verkwist. Zeg dus gewoon wat ik voor u moet doen, wat u, zover u weet, van mij verlangt, en ik ben ertoe bereid: dus, zeg het maar. |
| Bassanio | In Belmont woont een jonkvrouw rijk aan erf,
een schoonheid, en, wat het schone overtreft, waarlijk deugdzaam, - vroeger al stuurde haar blik mij heldere boodschappen zonder een woord: haar naam is Portia, ze is even groots als Cato's dochter, Brutus' Portia. De wijde wereld door kent men haar faam, De vier winden blazen haar van elke kust voorname minnaars toe, haar zonnig haar hangt rond haar slapen als een gulden vlies, wat het huis van Belmont maakt tot Colchis' strand, waar menig Jason komt, op zoek naar haar. Antonio, had ik de middelen maar, met een van hen gelijk van rang te zijn, dan zou ik, mijn hart voorspelt mij zo'n succes, wel zonder twijfel de gelukkige zijn. |
| Antonio | Al mijn bezit, dat weet je, is op zee;
ik heb geen geld, en ook geen goederen als onderpand; maar ga Venetië eens rond, en kijk wat mijn krediet vermag, - rek het tot het uiterste, schaf alles aan voor Belmont en de schone Portia. Wel, informeer gelijk (dat doe ik dan ook) waar er geld is; ik ben er zeker van, dat je het op mijn borgwoord krijgen kan.Beiden af Tweede toneel - Belmont Portia op, met haar hofdame Nerissa |
| Portia | Op mijn woord, Nerissa, mijn kleine persoontje is deze wereld moe. |
| Nerissa | Dat zou te begrijpen zijn, lieve mevrouw, als uw tegenspoed even overvloedig was als uw voorspoed: maar ik zie ook wel, dat wie zich volstopt met teveel even ziek is als wie aan alles gebrek heeft; het is daarom geen middelmatig geluk tot de middelmaat te behoren, - overdaad krijgt eerder grijze haren, maar matigheid leeft langer. |
| Portia | Prachtige spreuken, en mooi voorgedragen. |
| Nerissa | Ze zouden nog beter zijn, als ze goed opgevolgd werden. |
| Portia | Als doen even gemakkelijk was als weten wat goed is om te doen, dan waren kapelletjes kerken geweest en armeluishutjes paleizen. Het is een goede prediker die zijn eigen aanwijzingen opvolgt; ik kan makkelijker twintig mensen leren wat goed is om te doen, dan een van die twintig zijn en mijn eigen leer opvolgen: het verstand kan dan wel wetten bedenken voor het bloed, maar een heet temperament springt gemakkelijk over een koud voorschrift heen, - zo'n haas is driestheid Jeugd, dat hij over de mazen springt van goede raad Kreupel; maar al dit soort geredeneer helpt mij niet bij de keuze van een man, O, dat woord 'kiezen'! Ik kan niet kiezen wie ik wil, of weigeren wie mij niet aanstaat, zo is de wil van een levende dochter aan banden gelegd door de wil van een dode vader: is het niet hard, Nerissa, dat ik er geen kan kiezen, en dat ik er geen kan weigeren? |
| Nerissa | Uw vader was een deugdzaam mens, en vrome mensen krijgen op hun sterfbed goede invallen. Daarom zal bij het kansspel dat hij bedacht heeft met de drie kistjes van goud, zilver en lood, waarbij hij die in zìjn geest kiest u kiest, ongetwijfeld die persoon juist kiezen die ook echt van u houdt. Maar hoe staat het met de warmte van uw genegenheid jegens een van die vorstelijke aanbidders die al zijn aangekomen? |
| Portia | Wil je ze nog eens allemaal noemen, dan zal ik ze beschrijven, en aan de hand van mijn beschrijving kun jij wel raden hoe het met mijn genegenheid staat. |
| Nerissa | Dan hebben we als eerste de kroonprins van Napels. |
| Portia | O, ja, dat is me toch een jong veulen, want hij praat alleen maar over zijn paard, en hij vindt het bijzonder bij zijn goede eigenschappen passen, dat hij hem zelf kan beslaan; ik ben heel bang, dat zijn moeder iets met de hoefsmid heeft gehad. |
| Nerissa | Dan is daar de paltsgraaf. |
| Portia | Die kijkt altijd even nors (alsof hij wou zeggen: 'Als u mij niet hebben wil, dan maar niet'); hij luistert naar de grappigste verhaaltjes, en lacht niet eens (ik ben bang, dat hij de huilende filo-soof gaat worden, als hij oud wordt, nu hij zich in zijn jeugd zo onhebbelijk somber gedraagt); ik trouw nog liever met een doodskop met een knook in zijn mond dan een van die twee. |
| Nerissa | Wat vindt u dan van de Franse edelman, Monsieur Le Bon? |
| Portia | God heeft hem geschapen, en laat hem dus maar doorgaan voor een man, - ja, ik weet dat spotten zonde is, maar met zo iemand! Hij heeft een paard dat nog beter is als dat van de Napolitaan, hij heeft nog een betere slechte gewoonte van zuurpruimen dan de paltsgraaf, hij is iedereen en niemand, als er een lijster zingt, begint hij meteen rond te springen, hij schermt met zijn eigen schaduw. Als ik met hem trouw, trouw ik met twintig mannen tegelijk. Als hij mij zou versmaden, zou ik het hem vergeven, want al houdt hij razend veel van mij, ik kan zijn liefde nooit beantwoorden. |
| Nerissa | Wat vindt u dan van Falconbridge, die jonge Engelse baron. |
| Portia | U weet dat ik niets over hem te zeggen heb, want hij verstaat mij niet, en ik hem niet: hij kent geen Latijn, Frans of Italiaans, en voor het gerecht kunt u er een eed op doen, dat mijn Engels nog geen halve stuiver waard is: het is wel een plaatje van een man, maar, helaas, wie kan er nou praten met een nietszeggende pop? En hij gaat ook zo gek gekleed! Ik denk dat hij zijn wambuis in Italië gekocht heeft, zijn pofbroek in Frankrijk, zijn muts in Duitsland, en zijn manieren overal. |
| Nerissa | Wat denkt u dan van zijn buurman, de Schotse Lord? |
| Portia | Dat hij veel naastenliefde in hem heeft, want hij leende laatst een klap om zijn oren van de Engelsman, en zwoer dat hij hem die zou terugbetalen als hij dat kon: ik denk dat de Fransman zijn borg overnam, en ook nog voor een andere oorvijg tekende. |
| Nerissa | Hoe bevalt u de jonge Duitser, de neef van de hertog van Saksen? |
| Portia | Ontzettend 's morgens als hij nuchter is, en vreselijk ontzettend 's middags als hij dronken is; op zijn best is hij toch altijd nog ietsje slechter dan een mens, en op zijn slechts altijd nog ietsje beter dan een beest - en gebeurt mij het ergste van het ergste, dat hoop ik toch iets te vinden om van hem af te komen. |
| Nerissa | Maar als hij soms komt kiezen, en het goede kistje kiest, dan zou u weigeren uw vaders wil uit te voeren, als u hem weigert te nemen. |
| Portia | Dus moeten we het ergste zien te voorkomen: zet dan alsjeblieft een flink glas rijnwijn op het verkeerde kistje, want ook al zit de duivel er in, met zo'n verzoeking er bovenop weet ik wat hij zal kiezen. Alles liever, Nerissa, dan trouwen met een spons. |
| Nerissa | U hoeft niet bang te zijn, mevrouw, dat u een van deze heren krijgt; ze hebben me allen hun besluit laten weten, dat ze terug naar huis gaan en u verder niet lastig zullen vallen met aanzoeken, tenzij u op een andere dan door uw vader voorgeschreven wijze, door de kistjes, gewonnen kunt worden. |
| Portia | Al word ik zo oud als Sybilla, ik zal toch zo kuis als Diana sterven, tenzij ik gewonnen ben op de manier zoals mijn vader wenste: ik ben blij dat dit stelletje vrijers zo verstandig is, want er is er geen een bij die ik niet met genoegen zie vertrekken: ik bid God dat hij ze een voorspoedige reis geeft. |
| Nerissa | Weet u nog uit de tijd dat uw vader nog leefde, dat er wel eens een Venetiaan hier kwam, een geletterd man en een soldaat, in het gezelschap van de Markies van Montferrat? |
| Portia | Ja zeker, dat was Bassanio; eh, zo heette hij, geloof ik. |
| Nerissa | Inderdaad, mevrouw; van alle mannen, die mijn dwaze ogen ooit hebben gezien, was hij wel degene die het meest een mooie vrouw waard was. |
| Portia | Ik herinner me hem nog goed, en ik weet ook nog dat hij al jouw lof waard was.
Een dienaar opWel, wat is er? |
| Dienaar | De vier vreemdelingen zouden graag afscheid van u willen nemen, mevrouw: en er is ook een bode aangekomen van een vijfde, de Prins van Marokko, die komt melden dat zijn heer de prins vanavond hier zal zijn. |
| Portia | Als ik de vijfde even hartelijk welkom zou kunnen heten als ik de anderen vaarwel zeg, dan zou ik blij zijn dat hij er aan komt; als hij het karakter heeft van een heilige, en het uiterlijk van een duivel, had ik hem liever tot biechtvader dan bedgenoot.
Kom Nerissa, nou kerel, maak wat voort: terwijl we de ene vrijer wegwerken, klopt de ander al aan de poort.Allen af Derde toneel - Venetië Bassanio op, met Shylock, de jood. |
| Shylock | Drieduizend dukaten, zo. |
| Bassanio | Ja, vriend, voor drie maanden. |
| Shylock | Voor drie maanden, zo. |
| Bassanio | Waarvoor, zoals ik u zei, Antonio borg zal staan. |
| Shylock | Antonio zal borg staan, zo. |
| Bassanio | Kunt u mij helpen? Wilt u mij van dienst zijn? Mag ik uw antwoord weten? |
| Shylock | Drie duizend dukaten voor drie maanden, en Antonio staat borg. |
| Bassanio | Uw antwoord daarop. |
| Shylock | Antonio is een goed man. |
| Bassanio | Heeft u ooit iets gehoord, waaruit het tegendeel blijkt? |
| Shylock | O, nee, nee, nee, nee; wanneer ik zeg dat hij een goed man is, bedoel ik u duidelijk te maken dat hij er goed voor is. Maar toch is zijn fortuin ietwat onzeker: een van zijn galjoenen is op weg naar Tripolis, een ander naar Indië, en naar ik bovendien verneem op de Rialto, een derde naar Mexico, een vierde naar Engeland, en zo heeft hij nog andere ondernemingen verspreid over de wereld. Maar schepen zijn slechts planken, zeelui maar mensen, er zijn landratten en waterratten, waterdieven en landdieven (ik bedoel piraten), en dan is er nog het gevaar van water, wind en klippen: toch is de man er goed voor - drieduizend dukaten, ik denk dat zijn borgtocht wel aan kan nemen. |
| Bassanio | Daar kunt u zeker van zijn. |
| Shylock | Ik wil er ook zeker van zijn: en omdat ik er zeker van wil zijn, moet ik er nog even over nadenken; kan ik Antonio eens spreken? |
| Bassanio | Wanneer u zin heeft, kunt u met ons eten. |
| Shylock | Ja ja, om varkensvlees te ruiken, om te eten van de woning waarin jullie profeet de Nazarener de duivel in verbannen heeft; ik wil met jullie kopen, met jullie verkopen, met jullie gaan, met jullie staan, enzovoort, maar ik wil niet met jullie eten, met jullie drinken, en niet met jullie bidden. Wat is er voor nieuws op de Rialto? Wie komt daar aan?
Antonio op |
| Bassanio | Dat is Signor Antonio. |
| Shylock | [Terzijde] Wat lijkt hij een schijnheilige tollenaar!
Ik haat hem, omdat hij een Christen is; maar meer, omdat hij uit onnozelheid geld gratis leent, en zo de rente drukt berekend bij ons in Venetië. Als ik hem ooit een keer te pakken krijg, stop ik de oude wrok voor hem stijf vol. Hij haat onze heilige natie, hij geeft af, - zelfs waar de meeste kooplui zich verzamelen, op mij, mijn handel, mijn eerlijke winst, voor hem woeker; een vloek over mijn volk, als ik hem vergeef. |
| Bassanio | Shylock, luistert u wel? |
| Shylock | Ik denk net na, hoe groot mijn kas bedraagt,
en voorzover nu uit het hoofd geschat kom ik niet gelijk zelf aan de volle som van drieduizend dukaten; maar geen zorg, Tubal, een rijke Hebreeër uit mijn stam, zal mij wel helpen; maar wacht eens, hoe lang wilde u het geld? [Tegen Antonio] God zegene u, Signor, we hadden het zojuist nog over u. |
| Antonio | Shylock, hoewel wanneer ik leen of uitleen
ik nimmer rente geef en nimmer eis, wil ik toch nu het gaat om een vriend in nood met die gewoonte breken; [Tegen Bassanio] weet hij al om hoeveel het gaat? |
| Shylock | Ja, drieduizend dukaten. |
| Antonio | Voor drie maanden. |
| Shylock | Had ik vergeten, - drie maanden, - [Tegen Bassanio] dat zei u al.
Wel, u staat borg: ja, juist, - zei u daar niet, dacht ik, dat u nooit leent zonder gewin en ook niet uitleent? |
| Antonio | Nee, dat doe ik nooit. |
| Shylock | Toen Jakob zijn oom Labans schapen weidde, -
hij was, na onze heilige Abraham, (dat had zijn moeder hem slim klaargespeeld) de derde erfgenaam, ja, nummer drie. |
| Antonio | Wat moet hij hier? Nam hij ook interest? |
| Shylock | Nee, nee, geen interest, tenminste niet
rechtstreeks; maar let toch op wat Jakob deed: toen hij en Laban hadden afgesproken, dat de gestreepte en gevlekte lammeren voor Jakob zouden zijn als loon, en de herfst de bronstige ooien saam bracht met de rammen, schilde de handige herder, toen het vee hun wollige daad van voortplanting volbracht, bepaalde wilgentakken streepsgewijs, en hield die de ritsige ooien voor terwijl ze paarden; in de lammertijd kwamen er gevlekte lammeren, dus voor Jakob. Zo kwam hij aan zijn winst, en hij was blij, want winst is zegen, als men haar niet steelt. |
| Antonio | Dat was een kans, die Jakob waarnam, vriend,
niet iets dat hij zelf ooit bewerken kon, maar wat de hand des hemel had beschikt. Komt u daarmee om woeker goed te praten? Of is uw goud en zilver ooi en ram? |
| Shylock | Ik weet het niet; ik fok het even snel, -
maar luister, Signor. |
| Antonio | Hoor je dit, Bassanio,
de duivel zelf beroept zich de Schrift, - een boze ziel die heilige woorden aanhaalt, is als een schurk die met een glimlach spreekt, een prachtige appel rot tot in het hart. O, wat heeft valsheid een schoon uiterlijk. |
| Shylock | Drie duizend dukaten, een ronde som.
Drie maanden op twaalf, nou, dat wordt dus, hm. |
| Antonio | Wel, Shylock, kunnen we op u rekenen? |
| Shylock | Signor Antonio, om de haverklap
heeft u in de Rialto mij beschimpt omdat ik geld uitleen en rente vraag: dan haalde ik steeds rustig mijn schouders op, (want lijdzaamheid is het kenmerk van mijn volk); u maakt mij uit voor bloedhond, ongelovige, spuwt op mijn Joodse kaftan, enkel maar omdat ik wat van mij is goed gebruik. En ja, nu blijkt dat u wilt dat ik u help: u komt eenvoudig naar mij toe, en zegt: 'Shylock, wij willen geld,' zo zegt u dat, u, die mijn baard bespuwt hebt, mij getrapt zoals u naar een vreemde straathond schopt die op uw drempel ligt; nu wilt u geld. Wat zou ik u moeten zeggen? Eigenlijk: 'Heeft een hond geld? Kan soms een straathond u drieduizend dukaten lenen?' of moet ik diep buigen, en dan op een slaventoon met ingehouden adem, fluisterend nederig dit zeggen: 'Edele heer, nog woensdag spuwde u naar mij, toen en toen schopte u mij, een andere keer noemde u mij hond: en om die hoffelijkheid zal ik u zoveel geld lenen'? |
| Antonio | Ik zal u vast nog wel eens zo toespreken,
u weer bespuwen, naar u trappen, ook. Als je dit geld wilt lenen, leen het niet als aan je vrienden, want geen vriendschap zou van vrienden winst nemen van dood metaal. Maar leen het eerder aan je vijand uit, want als die in gebreke blijft kun je zonder meelij boete eisen. |
| Shylock | Wat gaat u nu toch als een storm tekeer.
Hoe graag was ik uw vriend, sloot ik u in mijn hart, vergat ik de smaad die ik verduren moest, gaf ik wat u nodig heeft, en nam ik geen duit aan interest, maar u luistert niet eens, - dat is toch een aardig aanbod? |
| Antonio | Het zou aardig zijn. |
| Shylock | Bewijzen zal ik het u:
kom mee naar een notaris, teken daar, dat u borg staat, en - enkel voor de grap - als u mij niet, op een bepaalde dag op een bepaalde plaats, de som, genoemd in het contract, terugbetaalt, dan geldt, als boete, laat ons zeggen, een vol pond van uw mooi vlees, dat men dan snijden moet uit welk deel van uw lichaam ik verkies. |
| Antonio | Mijn woord erop; zo'n contract teken ik,
en ik stel dat ook de Jood heel aardig is. |
| Bassanio | Tekent u zo'n contract maar niet voor mij,
ik blijf liever eeuwig in behoeftigheid. |
| Antonio | Niet bang zijn kerel, ik verspeel het niet, -
binnen twee maanden, dat is een maand eer het contract verloopt, verwacht ik weer terug drie maal drie maal de waarde van de som. |
| Shylock | Vader Abraham, hoor die Christenen aan,
wier eigen hardheid hen wantrouwig maakt naar wat een ander denkt! Zeg mij toch eens, wanneer hij in gebreke bleef, wat zou mijn voordeel zijn als ik die boete opeis? Een pondje mensenvlees, en van een man, is niet zo goed en ook niet zoveel waard als het vlees van schaap, rund, geit, - ik doe dit slechts omdat ik graag zijn gunst verwerven wil, - als hij het aanneemt, goed, - zo niet, tot ziens, maar spreek mij om mijn vriendschap niet te na. |
| Antonio | Ja, Shylock, deze schuldbrief teken ik. |
| Shylock | Dan tot bij de notaris straks; zeg hem,
wat er moet staan in het grappige contract - ik haal al de dukaten op, en kijk, hoe het thuis is, waar een bangerik oppast, die nergens goed voor is; dan ben ik gelijk weer bij u.Af |
| Antonio | Dan haast je, beste Jood.
De Hebreeër wordt nog Christen, hij wordt aardig. |
| Bassanio | Ik vertrouw geen schurk ook al is hij hulpvaardig. |
| Antonio | Kom op, een maand - ik heb geen fout begaan -
voor de vervaldag komt mijn vloot er aan.Allen af |